(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië"

HnMnsMlafiNBBui 

nHHHKHfflB 

HHHHHraHBHiSSI 
■■■lilll 

BWIBWBWBiWw 



■HB11B 

H WEÈm 
BHHHH 

BBmHHnMflBffnHrHinilfWi 

ü| fflRffl 

HHSHUBBMBHanHHflN 






111 BH 

l||$|§i|||l Bffll 

Hl Hi 

Hl 




H 

m SU mm 

m üi 1 




to.l-* 



L5-I1S1A: 




NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



NEDERLANDSCH-INDIË, 



TITGEGEVEN DOOR DE 



KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 



NEDERLANDSCH-INDIE. 



DEEL XXXIV. 



ZEVENDE SERIE. 

DEEL IV. 



è> 



BATAVIA. 
ERNST & Co. 



's GBAVENHAGE, 
MARTINUS NYHOFF. 



k 



LU5 



4874. 




NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



VOOR 



NEDERLANDSCH-INDIE. 



/ 



/ 



NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



VOOR 



NEDERLANPSCÏÏ INDIE, 



UITGEGEVEN DOOR DE 



KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 



Jfc> eaexïa n d -ó l K o u oU i e. 



DEEL XXXIV. 



ZEVENDE SERIE. 
DEEL IV. 



BATAVIA, 
ERNST & Co. 



's GRAVENHAGE, 
MARTINUS NYHOFF. 



1874. 




VERKRIJGBAAR 



Bestuur der Koninklijke Natuurkundige Vereeniging. 



Alphabetisch ZAAK-REGISTER bij de 30 eerste Deelen van 
het Tijdschrift a / 3,—. 

Alphabetisch NAAM-REGISTER bij de 30 eerste Deelen a 
/ 0,50. 



Door het bestuurslid, belast met de Redactie van het Tijd- 
schrift, P. van Dijk wordt voortaan schriftelijke mededeeling 
verzocht van alle zinstorende drukfouten en van onjuiste spel- 
ling van eigennamen en van vreemde woorden, welke door de 
inzenders in de afdrukken hunner bijdragen worden aange- 
troffen. 



INHOUD 

VAN DEEL XXXIV. 



Bladz. 
J. B. Nagelvoort, Bijdragen over zoogenaamde Vulcanische Asch in 't 
algemeen, en in 't bijzonder over die, uitgeworpen bij de uitbar- 
sting van den Merapi op Java, 15 — 16 April 1872 1 

Dr. R. H. C. C. Scheffer, Bijdragen uit het Buitenland tot de kennis 

der Flora van den Indischen Archipel 33 

Vergadering der Directie van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging 

op Zaturdag 17 Januari 1874 112 

Verslag van den Bibliothecaris, den Heer Jod. Heringa om- 
trent den toestand der bibliotheek. 
Mededeeling van Dr. P. A. Bergsma over de theorie der dier- 
lijke warmte. 
Mededeeling van den Heer H. J. Hardeman omtrent de di-elec- 
trische machine van Carré. 
Vergadering der Directie van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging 

op Zaturdag 28 Februari 1874 119 

Vergadering der Directie van de Koninklijke Natuurkundige Vereeni- 
ging op Zaturdag den 21 Maart 1874 124 

Dr. J. A. C. Oudemans, Bepaling van het lengteverschil van Batavia en 
Singapore door middel van seinen met den Onder zeeschen Tele- 
graafkabel 129 

Prof. J. W. Gunmng, Over de werktuigen en tabellen ten dienste der 
heffing van regten en accijns op het gedistilleerd in Ned.-Indic 

met geleide brief aan Dr. J. A. C. Oudemans 169 

Supplement op de Chronologische Tafel der Werken van F. Kaiser.... 180 



vi inhoud. 

Bladz. 

Jod. Heringa, Eetbare aarde van Sumatra 185 

K. W. van Gorkom, Verslag nopens de Kina-Kuituur op Java, over 
het jaar 1873, door den Directeur der Gouvernements Kina-On- 
derneming 190 

G. vom Rath, Gustav Rosé. Necrologie uft het Duilsch vertaald door 

J. B. Nagelvoort. Tjilatjap, April 1874 200 

Bestuursvergadering gehouden op Donderdag den 18 den April 1874 217 

Idem gehouden den 15<fcn Mei 1874 219 

J. E. Teysmann, Verslag eener Botanische Reis naar Banka, Riouw 

en Liengga van 10 Mei tot en met 9 December 1872 225 

Dr. P. A. Bergsma, Verslag van de Werkzaamheden en den Toestand 
der Koninklijk Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-ïndie, 

over 1873 297 

Bestuursvergadering gehouden op Vrijdag den 18 d en J im i 1874 315 

Landbouw-Wetenschappelijk proefstation. Mededeeling der cor- 
respondentie over het voorstel van het Landbou w-Genoot- 
schap met de Heeren K. F. Holle en K. W. van Gorkom 
door den President. 
Mededeeling van den Heer A. A. Backer Overbeek over de 
vaste stof afkomstig uit den zoogenaamden bloedregcn in 
Krawang van Januari 1874. 

Bestuursvergadering gehouden op Vrijdag den 17 den Juli 1874 321 

Mededeeling van den Heer J. W. van Hattum omtrent de lig- 
ging - der zwavelvelden, slijkvulkanen en warme bronnen in 
Padang Sidempoean. 
Mededeeling van Dr. Scheffer over de vaste stof, afkomstig 
uit den zoogenaamden bloedregen in Krawang van Januari 
1874. 
Mededeeling van den Heer Janssen van Ra au over het vernielen 
eener gutta-percha bekleeding van een telegraafkabel door 
witte mieren in een zilten bodem. 
Bestuursvergadering gehouden op Vrijdag den 21 stcn Augustus 1874... 325 
Mededeeling van den Heer J. B. Nagelvoort over zeewater- 
waarnemingen, in verband tot het vraagstuk, of de koude 
golfstroom uit het zuiden zich uitstrekt tot de kust van Java. 
Mededeeling van den Heer Janssen van Raaij omtrent electri- 
sische stroomen in het indische „Kruidje roer me niet" (Mi- 
mosa pudico.) 

Algemeene Vergadering 331 

Redevoering van Dr. J. A. C. Oudemans over den overgang 
van Venus over de Zon. 



inhoud vii 

Bladz. 

Bestuursvergadering, gehouden op Vrijdag 18 September 1874 335 

Mededeeling door Dr. P. A. Bergsma over de stations, alwaar 

de overgang van Venus over de Zon zal worden waargenomen. 

N. von Maclay, Ueber Brachyocephalitat bei den Papuas von Neu- 

Guinea , 345 # 

J. E. Teysmann, Verslag eener Botanische reis over Timor en de 
daaronder ressorteerende eilanden Samauw, Alor, Solor, Floris 

en Soemba 348 

Bestuursvergadering op Vrijdag 16 Oktober 1874 , 519 

Mededeeling van den Ingenieur P. van Dijk ter herinnering aan 
de verdienste van wijlen Ps. H. Vogelsang op het gebied 
van mikroskopisch onderzoek der natuurlijke gesteenten, „rots- 
soorten en mineralen." 521 



DRUKFOUTEN. 



Op Pag. 33 onder den Titel, te lezen : door Dr. R. H. C. C. Scheffer. 
Op Pag. 128 2de regel v. o. te lezen achter de woorden Lingga- Archipel 
door: Dr. J. A. C. Oudemans. Is abusievelijk gezet achter het jaartal 1874. 



B IJ D R A G E 

OVER ZOOGENAAMDE 

VULCANISCHE ASCH 

IN ï ALGEMEEN, en IN 'T BIJZONDER 
over die, uitgeworpen bij de uitbarsting van den 

MERAPI OP JAVA, 

15—16 April 1872, 

DOOR 

J. B NAGEL VOORT. 



I. 

In het voorjaar van 1872 werden èn Europa èn Azië èn 
Amerika door aardbevingen of vulcanische uitbarstingen nage- 
noeg gelijktijdig geschokt, zooals men zich herinneren zal. (*) 

(*) Aardbevingen in Pruissen 6 Maart, in Zweden 21 Maart, in den 
Philipp: Archipel 25 Maart, in Californië 28 Maart, te Antiochië 2 April , 10 
April andermaal; uitbarsting van den Merapi 15 — 16 April, aardbevingen 
op IJsland 16, 17, 18 April, uitbarsting van den Vesuvius 24 April. Zie 
lllustr. Zeitung uit dien tijd. (NB. Eenigen tijd nadat deze bijdrage reeds 
afgesloten was, kwam mij de lllustr. Zeitung van den 19den April 1873 in 
handen. Er komt daar een bericht voor, dat ik gaarne nog wilde inlasschen, 
Op IJsland had van den 9 den tot den 12 den Januari 1873 een hevige Vulcani- 
sche uitbarsting plaats. Tegelijker tijd, den 12den Januari, braakte de 
vulcaan St. Vincent in Chili , groote massa's rook , asch , lava en steenen 
over het omgevende landschap uit.) 

DEEL XXXIV. 1 



Zoude uit deze feiten eenig nieuw gevolg af te leiden zijn 
dat aardbevingen en vulcanische uitbarstingen geen beperkten 
neptunischen oorzaak hebben? Wint de plutoniscbe theorie 
eens weder haar door Bischof hevig aangevallen terrein terug, 
of liever gezegd: is het in den kringloop van vele geleerde 
theorien op nieuw de beurt aan de plutonische om de heer- 
schende zienswijze te worden, dan zoude een gelijkheiil der, bij 
vulcanische uitbarstingen van steeds werkzame vulcanen, uitge- 
worpen stoffen een niet te verwerpen argument kunnen opleveren. 

De omstandigheden kwamen mij hiertoe treffender voor dan 
de meer algemeen opgemerkte correspondeerende eruptien van 
digt bij elkander gelegen vulcanen, zooals b. v. die van den 
Merapi en den Bromo in 1822 (*) en van meer anderen, die 
als rei- vulcanen kunnen aangemerkt worden. Ja zelfs dan de 
door Ch. Darwin, in zijn beroemde reis om de aarde met » the 
Beagle, opgemerkte gelijktijdige uitbarstingen van den zooveel 
gerucht gemaakt hebbenden Coseguina in Guatemala, 23 Janu- 
ari 1835, en van den Aconcagua en de Corcovada in Chili. (De 
eerste op 12° N. B, de beide laatsten respectievelijk op 32° 75' 
en 33° 5' Z. B gelegen (f) Van de uitgestrektheid waarover bij 
de eruptie van den Coseguina vulcanisch zand uitgeworpen 
werd , geeft Berghans een graphische voorstelling in de geologische 
afdeeling van zijn prachtigen Physic. Atlas; een wijze van behan- 
deling juist geschikt om de feiten diep in het geheugen te prenten.) 

Prof. Vogelsang had in zijn zoo onderhoudend geschreven 
«Philosophie der Geologie und microsc. Gesteinsstudien" reeds 
gedeeltelijke overeenkomst gevonden tusschen eruptie producten 
van den Kloet op Java en tusschen dezelfde producten van een 
onderzeesche uitbarsting op Santorin in de Middellandsche zee 
ingezameld, producten die bijna in een lijnrecht tegenovergestelde 
richting uit het binnenste der aarde uitgestooten werden. (§) 



(*) Java door Junghulm deel II pag. 319 v. d. duitsche uitgaaf 1854. 
(f) Kosmos deel IV pag. 496 v. d. vertal: van Beima. 
(S) Phil: d. Geol. pag. 176. 



Een duitsch scheikundige, Schweizer, merkte die overeen- 
komst op lussclien asch van den Etna, vanden Goenoeng Goen- 
toer en lava in het algemeen. In het Neues Jahrh. f. Mineral., 
Geol., n. Palaeont: von Leonhard n : Geinilz IV tes Heft 1864, 
komt op pag. 425 een vergelijkend analytisch overzicht voor 
van gesteenten van Java en van eruptie producten uit andere 
oorden der wereld, van de hand van Dr. Prolss. O. a. wordt 
daar een merkwaardige overeenkomst aangetoond lussclien ys- 
landsch trapp van het Esjagageb. en tusschen lava van den 
G. Slamat. 

Ik vleide mij nu dat een in dezen geest bewerkte bijdrage, 
over de eruptie producten van den Merapi, door de leden der 
Natuurkundige vereeniging niet ongunstig opgenomen zoude wor- 
den. Men zal mij wel niet verdenken in het voor of tegen 
der plutonische of neptunische theoriën mede te spreken. Ik 
groepeer slechts feiten. 

Toen ik dien taak , ter gelegener tijd , op mij wilde nemen , 
traden er echter belemmerende omstandigheden in den weg. 
Dit wensch ik hier te constateeren om den eigenaardige!) in- 
druk weg te nemen van mij, ruim een jaar na de gebeurtenis , 
nu dit onderzoek voor het tijdschrift te zien aanbieden. 

Gedeeltelijk konde ik mij over die teleurstelling troosten toen 
ik een denkbeeld van mij gedeeld zag, door het voorstel eener 
toezending van een monster asch toen pas door den Merapi 
uitgeworpen, aan den heldhaftigen wachter op den Vesuvius, 
Prof. Palmieri te Napels; ter vergelijking met het soortgelijke 
product dat de rustelooze vulcaan toen juist ontlast had. (Niet- 
tegenstaande de bedreigende hand van den H. Januarius.) 

Nu mocht ik mij dezer dagen zoo gelukkig rekenen den ar- 
beid , dien ik vroeger op mij wenschle te nemen, op Ie kun- 
nen vatten. Maar niet iedereen kan der wetenschap van dienst 
zijn op de wijze die hij wel wenschen zoude. De strijd om 
hel bestaan is voor ons allen niet even hevig. Mijne maat- 
schappelijke omstandigheden zijn sedert onlangs niet zeer gun- 



stig gewijzigd. Over een laboratorium o. a. kan ik niet meer 
beschikken. Waar de gelegenheid mijner woning zich er toe 
leent verricht ik, nu hier dan ginds, het een of ander voor 
mijn tegenwoordig doel. Hierbij erken ik dankbaar mij door 
den handtastelijken hulp van vroegere ambtgenooten veel tijd- 
roovend werk bespaard gezien te hebben. Waar ik, en dit 
in een particuliere woning, nagenoeg al mijn reagentia zelf eerst 
maken of zuiveren moest , zal men wel willen inzien , dat het 
mij niet aan langwijlige bezigheden ontbroken heeft. Ik 
werk met één Berzelius en eene gewone alcohollamp, één 
platinaschaal. Zouten laten kristalliseeren is in dit tropisch 
klimaat een waren Sysiphus arbeid. Een fabriek van Chemi- 
caliën, waar men zich van zeldzame reagentia of utensiliën 
zoude kunnen voorzien , behoort op Java tot de pia vota , en 
zal daar vooreerst nog wel toe blijven behooren ook. 

Ik hoop evenwel de sporen van een minder ongestoorden 
arbeid te hebben uitgewischt, hoezeer ik voor dezen laatslen 
een welwillende beoordeel ing blijf inroepen. 



II. 

Uit de rijke verscheidenheid van na de genoemde uitbarsting 
bij de Natuurkundige Vereeniging ingekomen pakken en pakjes 
asch kwamen er enkele bijzonder voor een onderzoek in aan- 
merking. Een was er bij dat op het verst verwijderde punt 
van inzameling betrekking had. Aan de wetenschappelijke be- 
langstelling van den heer Steudemann , apotheker te Soerabaija, 
had de Nat. Ver. dit zorgvuldig verpakte monster te danken. 
Twee anderen, mij verzegeld in handen gekomen hoeveelheden, 
zijn in de meer onmiddelijke nabijheid des vulcaans genomen. 
De eene werd door de zeer gewaardeerde tusschenkomst van 
den chef over de geneeskundige dienst, door den eerstaanwezend 



officier van gezondheid te Djoedjaearla ingezonden. De aqderc 
gewerd ons door de goede zorg van den heer von Schrnidt auf 
Altenstadl, controleur Ie Madioen. 

Voor de kennis van de geographisehc verspreiding der asch 
hehheu echter de overige toezendingen hare waarde behouden. 
En ook voor een inzicht in liet uiterlijk voorkomen bewees 
mij die rijke keus goede diensten. 

Eenige meerdere historische bijzonderheden over deze ver- 
spreiding zoekende hij een te brengen vernam ik dat ook op 
Bawéan asch gevallen is. Het zoude belangrijk kunnen geweest 
zijn indien ik ook deze asch had kunnen zien; vooral met 
het oog op een opvatting van dit onderzoek, die mij in (lauwe 
trekken voor den geest stond. 

Ik dacht er over hoever en in welke richting de som- 
bere takken van den Pliniaanschen pijnboom hun verwoesting 
aanbrengend stol' hadden uitgeschud. Junghuhn zag nooit, in 
welk jaargetijde ook, de vulcanische rook, immers toch ook 
fijne asch, onder een anderen invloed dan van den 0. wind (*). 
Dr. Groneman te Djoedjaearla , een consciëntieus waarnemer, 
die daarenboven door vriendschapsbetrekkingen met wijlen onzen 
Javaschen v. Humboldt deze bijzonderheid niet licht zou achten, 
zag bij de eruptie van 15 — 16 April 1872 een dichte damp- 
massa die W. waarts afdreef, (f) 

De ingekomen berichten en de gevoerde correspondentie ston- 
den evenwel niet ter mijner beschikking. Voor beschouwin- 
gen, die met het oog op waargenomen verschillen en bijzonder- 
heden van deze uitbarsting met vorige misschien meer uitge- 
werkt hadden kunnen worden , verwijs ik gaarne naar een ons 
toegezegd historisch overzigt van de hand van onzen geleerden 
voorzitter. Eén verdeeling van arbeid waar wij voordeel bij 
hebben. 



(*) Junghuhn Java deel II pag. 315 v. d. duilsche uitgave 1854. 
(+) Ingezonden stuk in de Locomotief dd. 25 April 1872. 



Want die ruimer opvatting mijner taak heb ik op moeten 
geven, hoe aanlokkend zij een tijdlang voor mij was. Meer 
en meer bleek het, dat mij de hulpmiddelen tegenwoordig ont- 
braken, om dit in een redelijke tijdsruimte te doen. De 
zorg voor mijn dagelijksch brood kan mij eerstdaags elders roepen. 

Mijns ondanks heb ik dus geen recht kunnen laten weder- 
varen aan de inzendingen uit Solo. Toen mijn vergelijkend 
onderzoek reeds afgeloopen was, vernam ik dat zij hare eigen- 
aardige verpakking, die mij afgeschrikt had om een onderzoek 
over den inhoud in te stellen, pas hier te Batavia gekregen hadden. 

Dat dit wantrouwen niet misplaatst is zal men, hoop ik, 
erkennen, wanneer ik aan de bijzonderheid herinner dat door 
geachte,- eerlijke, lieden wel eens brokstukken van een schoor- 
steen, als aerolithen, aan een geleerd genootschap aangeboden 
en door deze corporatie als voorwerpen van cosmischen oorsprong 
opgeborgen zijn. 



III. 

In de Wetenschappelijke bladen van Augustus 1872 een uit 
das Ausland overgenomen bericht lezende dat, bij een onder- 
zoek van het fijne vulcanische zand, door den Vesuvius in April 
1872 uitgeworpen, daar o. a. geen zilver in gevonden was, 
kwam dat bericht in dien vorm mij vreemd voor. 

Men vond chloornatrium , aluin, gips, magnesia, ijzer, titaan, 
kiezel. Noch lood, noch zilver, noch arsenik, zegt de berichtgever. 

Volgens een opgave in den Kosmos komt arsenik en se- 
lenium onder de voortbrengselen der tegenwoordige vulcanen 
voor. (*) Onder 6 opgaven van asehanalysen in Zirkel's Lehr- 
buch der Petrographie 1866 vond ik slechts een die Titaan 
bevatte. 

Door Vauguelin werd in asch, door den Vesuvius op den 



(*) Kosmos deel I pag. 226. 



22 October 1822 uitgeworpen, één pGt. kool aangetroffen (*). 
Ook werden er toen door den ontdekker van het chroom spo- 
ren van koper en mangaan gevonden (f). 

En in een later onderzoek van Prof. v. d. Boon Mesch (§) 
vond ik dat Z. H. G. als een merkwaardig bestanddeel in vul- 
canische asch van den Kloet boorzuur gevonden had. Merk- 
waardig omdat dit zuur nog nimmer in een vulcanische asch 
aangetoond was. Het voorkomen er van was met moeilijk te 
verklaren, daar fumarolen menigmaal boorzuur bevatten. 

Vulcanische asch bevat ook soms Diatomeën. (") 

Ehrenberg heeft Diatomeënskeletten gevonden in de asch 
van den Vesuvius , waaronder de vlekken Herculanum, Pompeji, 
Surrentum en Stabiae bedolven werden (ff) 

Ook door Kützings schoone ontdekking (zooals hij zelf die 
gretig noemt) behoorde hun voorkomen in vulcanische asch tot 
de mogelijkheden. Ik doorliep het groote werk over Diatomeën 
van genoemden, door Ehrenberg zoo vaak miskenden, geleerde, 
evenwel te vergeefsch (§§). Ik vond daar geen nadere opgaven. 

Lyell zegt 1. c. pag. 645: ȕn regard to marine infusoria (lees 
diatomeae) found in volcanic tufF, it is well known that on 
the shores of the island of Cephalonia in the Mediterranean 
there is a cavity in the rock, into which the sea has been 
flowing for ages, and many others doubtless exist in the leaky 
bottom of the ocean. 

The marine current has been rushing in for many years, 
and-as the infusoria (lees diatomeae) inhabiting the waters of 
the Mediterranean are exceedingly abundant, a vast store af 
their cases may accumulate in submarin caverns (the water, 



(*) Woordenb. d. Scheikunde van van Tricht pag. 950. 
(-j-) Senft, Class. u. Beschr. d. Felsarten pag. 364. 
(%) Verhand. der Kon. Acad. v. W. l stc deel, 3 dP stuk, 1866. 
(**) Ule, de wereld in hare wording deel II pag. 217. 
(ff) Harting de macht v. h. kleine Aant. pag. 238, Cb. Lyell Pnnciplse 
of Geologie Tenth. Edit. 1867 I pag. 644. 
(%%) Die Kieselschalige Bacillar. Nordhausen 1865. 



8 

perhaps-, being converted into steain and so escaping upwards), 
and they may Ihen be cast up again to fnrnish the materials 
of volcanic tuff. (*) 

Ehrenbergs ontdekking van overblijfselen van infusorieu in 
passaatstof, behoort hier evenwel mede toe. Voor het passaat- 
of meteoorstof zocht men ook een vulcanische afkomsl. (f) 

En infusorien worden nog in vele werken met Diatomeën 
verward, o. a. ook in de met vele schee ve of onjuiste voor- 
stellingen (G. J. Mulder, (§) J. Molensehol t, f') Pasteur) door- 
weven "Chemische Briefe" van von Liebig. » Hel geen op het 
tegenwoordig standpunt der wetenschap niet langer goed Ie 
keuren is" zegt onze grootste autoriteit op microscopisch ge- 
bied. (ff) 

Onze gevierde populaire schrijver, aan vvien ik deze laatste 
aanhaling ontleen, vermeldt echter ook, zonder reserve, dat Ehren- 
berg in 1845 aantoonde dat puimsteen en eenige soorten van 



(*) »Wat ons de wijzen als waarheid verkonden*' 

• Straks komt een wijzer die 't. weg redeneert'' 
zeide de Genestel , die ik innig vereer. 

Dat de zee, ten N. van de stad Argostoli, op Ccphalonia in den Gnekschen 
archipel , in den grond stroomt , 't eenige bekende verschijnsel van dien 
aard op de gebeele aarde, staat nu weder niet in verband tot vulcanische 
uitbarstingen. Volgens onderzoekingen van den heer Wiebel (Das Ausland, 
1873 No. 46 en daaruit overgenomen in Isis No. 2 van 1874) komt het wa- 
ter, volgens hydrodynamische wetten, op andere plaatsen als bronnen te voor- 
schijn. Daarvoor moet het evenwel met andere onderaardsche zoetwater- 
stroomen in aanraking komen en 't vergelijkend scheikundig onderzoek van het 
zeewateren dat der bronnen ontbreekt nu nog maar alleen om de nieuwe 
theorie steekhoudend te doen zijn. 

Misschien krijgen wij dus over eenigen tijd weer ecu andere verklaring. 

Ik las 't bovenstaande tijdens 't corrigeeren der drukproeven en voelde mij 
var plicht het over te nemen. 

(f) Harting als boven. 
. (§) Vooral in de scheikund. onderzoekingen aangewezen. 

(**) Der Kreislauf d. Lebens. 

(ff) Harting, de macht v. h. kleine pag. 229. 



tras en trachyt, oorspronkelijk geheel of gedeeltelijk uil de 
kiezelskeletten van Diatomeën bestaan hebben. 

In de hoofdzaken zien wij de meeste aschsoorten overeen- 
stemmen, zooals ook de meeste gesteenten tot slechts enkele 
elementen teruggebracht kunnen worden. 

Op dezelfde wijze als hier wijken ook daar de samenstellen- 
de deelen in bijzonderheden evenwel af. Door het een en an- 
der zoude gegevens aan den dag kunnen komen, bij meerdere 
analysen van eruptieproducten uit onze Indische vulcanen, voor 
hun gemeenschappelijk verbindingskanaal. 

Laten wij onzen niet zeer rijken litterarischen oogst over 
zien, hoezeer deze groepering dan ook nog weinig licht werpt 
over de kwestie die in den aanvang te berde gebracht werd. 

De heer Rost van Tonningen vond in asch door den Mérapi 
op den 6 den April 1846 uitgeworpen, magneet — noch titaan 
ijzer, noch potasch of sporen van mangaanverbindingen. (*) 

Asch van den Goenong Goentoer, uitgeworpen den 4 den Ja- 
nuari 1845, had, volgens een onderzoek van den heer Maier (f), 
een soortelijk gewicht van 1.7. Bij een latere uitbarsting op 
den 25 sten November 1844, verkreeg dezelfde scheikundige een 
soortelijk gewicht van 2.8 voor asch van den G. Goentoer (§)! 

Het voorkomen van magneetijzer wordt ook hier niet ver- 
meld, terwijl in het op pag. 2 aangehaald onderzoek van den 
heer Schweizer opgegeven wordt dat in asch van den G. Goen- 
toer (eruptie 25 November 1845) reeds met het ongewapend 
oog zwarte korrels waargenomen zijn, die door een magneet 
aangetrokken werden. 

Overigens is er tot op een zekere hoogte een merkwaardige 
overeenkomst tusschen S\ analyse van 25 November 1845 en 
Maier's onderzoek van 25 November 1844. De voor de samen- 
stelling van asch op den 4 den Januari 1845 uitgeworpen ver- 
kregen cijfers wijken daarentegen weder geheel af. 

O Nal. Tijdschr. v. N. Indië 1851. 

(f) Java deel II pag. 84. 

(§) Nat. Tijdschr. v. N. I. deel II pag. 466. 



10 



Aucl. Anal 


Sehweizer 




Maicr. 




Maier. 


25 Nov. 1845. 


25 


Nov. 1844 


4 


Jan. 1845. 


Si O 2 


51.64 % 




51.7667 




54.2295 


Al 2 3 


21.89 




25.7667 




57 v 4961 


Fe 0. Fe 2 


j 10.79 


Fe 2 3 


15.6667 




8.1779 


CaO 


9.54 




7.4569 




6.7157 


MgO 


5.52 




0.9424 




0.685 


S03 


Onbepaald 




0.0172 




0.1715 


Cl 


Onbepaald 


HC1 


0.0205 




0.049 


KO 


0.55 




— in 


water oplos b: 










sloffen. 


1.5225 


NaO 


2.92 + 


verlies 


0.0611 






Water 


0.6 




0.522 


verlies 


0.257 
0.755 



101.05 100.00 100.00 

Misschien is het wel wat laat, maar ik wenschte hier pro- 
test aan te teekenen tegen een uitdrukking van genoemden 
heer Sehweizer, waar hij zegt: dat hij de resultaten van 
de hier aangehaalde analyse van den 4 Januari 1845, »jedoch 
in keiner Weise zu deuten vermag." (*) 

De verschillen zijn zeker opvallend. Maar als dil een »Sai- 
tenhieh" is omdat de heer M. niet vermeldt hoe hij tol zijn 
resultaten gekomen is, dan gelde ook voor den heer S.: Medice 
cura te ipsum! Bij de blijkbare groote nauwkeurigheid, waar- 
mede des heeren M's onderzoek verricht is, is het zeer onge- 
past » spijkers op laag water te zoeken." 

Th. Horsfield's Analyse van Vulcanisch Zand van den G. 
Goentoer (deel VII van de Verh. van het Bat. Genootsch. voor 
Kunsten en Wetensch.) zoude hier moeten volgen, zoo een 
kritiek in Junghuhn's Java (deel II pag. 86) mij niet huiverig 
gemaakt had dit onderzoek naast die van den lateren tijd te 
plaatsen. 



(*) Ërdmann's Journal f. pract: Chemie Band LXV pag. 197. 



11 

Opvallend is het dat ook daar van magneclijzer melding ge- 
maakt wordt. 

Ik vergeleek ook twee analysen van asch van den Kloet. 
Noch door Prof. v. d. Boon Mcsch (') noch door den heer S. 

A. Bleekrode werden er hij twee, geheel van elkander onaf- 
hankelijke, onderzoekingen (+), chloor of zwavelzuur in gevonden. 

Hoezeer dit daar niet afzonderlijk vermeld is geworden , zoo 
vermoed ik uit den datum, waarop een kleine hoeveelheid asch 
aan Prof. v. d. B. M. werd toegezonden, dat die van de uit- 
harsting van Januari 1864 was. Voor Bleekrode's analyse 
vond ik geen datum. 

Het boorzuur en chloorammonium uit de analyse van v. d. 

B. M. mis ik in de opgave van Bleekrode. 

Geen spoor van magneetijzer werd door de te Leiden ver- 
richte analyse aangetoond. 

Dit wederom hier niet voorkomen van magneetijzer verdient 
m. i. daarom in het bijzonder vermeld te worden, omdat meest- 
al de voorwaarden voor de vorming er van bij vele vulcani- 
sche uitbarstingen aanwezig zijn. Het is bekend, dat men de 
vorming van magneetijzer na kan bootsen door een silicaat, 
glas van gewone samenstelling, te smelten met een ijzeroxy- 
dulzout. Prof. Vogelsang nam zwavelzuur ijzeroxydul en 
voegde nog keukenzout bij het mengsel (§). Als men de goed 
gemengde massa aan de hitte van cen kolenvuur eenigen tijd 
blootstelt, kunnen er uit den tot een fijn poeder gebrachten 
slak met een magneet vele deeltjes uitgetrokken worden, die 
volkomen in kristalvorm met het vulcanische magneetijzer over- 
eenkomen. 

Magneet ijzorzand is door Junghuhn, in uitgebreide lagen, 
gevonden aan de Z. kust in het district ïjidamar. Hel strand 
is daar over een uitgestrektheid van 5£ geogr. mijl bedekt mei 



O Medcd. d leden v. d. Kon. Acad. v. W. 1866 pag. 317. 
(f) Nat. Tijdschr. v. N. Indië deel XXVIII pag. 159. 
(§) Phil. d. Geol. v. Vogelsang pag. 37. 



12 

een 1 tot 5' dikken laag, meestal zuiver magneetijzerzand. 
Elders in Kendal en aan de Wijnkoopsbaai, zijn de lagen min- 
der uitgestrekt (*). 

In het niet vulcanische Nederland komt mag neetijzer niet voor. 

Staring vermeldt in zijn „Bodem van Nederland" (f) als 
zeldzaamheid het vinden van magnee tij zerzand te Vollenhoven 
„zonder twijfel uit het aan magneetijzer-ertsen rijke Zweden 
afkomstig." 

Bischof wil evenwel niet van een vulcanisch product hooren 
en verklaart de vorming van magneetijzer langs neptunischen 
weg (§). In het oplosbaar zijn van magneetijzer in water 
(1 : 500.000) en het zeer dikwijls in gebergten reeds ge- 
vormd voorkomen, vindt hij verschillende bewijzen hier voor. 
Ik moet hier aanteekenen dat Junghuhn de Mèrapi op sommige 
plekken magnetisch vond (**). Een herhaling, in onzen tijd, 
der bekende aanleiding voor de benaming van den magneet. 
Hetzij dan naar den ontdekker tt&yw; (ff) of naar de, den 
leek tooverij toeschijnende eigenschap (payav. magie). Hetgeen 
wel de meest aannemelijke afleiding is. 

Het Serpentin (het oude panacee tegen slangenbeten) is even- 
wel aan het meer Auschkal op eene plaats zoo sterk magne- 
tisch, dat de magneetnaald daar omkeert. (§§) 

In asch van den Vesuvius vond Monticelli in 1822 eveneens 
magneetijzer. Een analyse van deze asch door Dufrenoij , vond 
ik in het 4 e suppl. op Rammelsberg „Handworterb. d. Chein. 



f) Java deel III pag. 284 en v. 

(f) Pag. 106 deel II. 

(§) Bischof, Lehrb. d. Ph. en Chem. Geolog. 2 te Aufl. Bd. Il pag. 908. 

(**) Java deel II pag. 318. 

(ff) C. Plinii Secundi Historia mundi Basileae 1549. Cap. XVI pag. 645. 
zegt alleen : „Magnes appellatus est ab inventore (ut autor est Nicander) in 
Ida repertus." Maar iets verder: Quinque genera magnetis Sotacus de- 

monstrat waarvan een uit Magnesia Asiae, die echter geen ijzer 

aantrekt en op puimsteen gelijkt (Similis pumici 1. c.) 

(§§) Bischof Bd. II Cap. XLII. Uitvoeriger in Aant. 224 op den Kosmos deel IV. 



15 

Theils. d. Mineralogie." Magneetijzer kwam ook in de lava bij 
de eruptie van den Vesuvius van Maart 1865 voor. (*) 

In de basaltlava van Las Majorquines op Teneriffa vond 
Rammelsberg magneetijzer. (*) 

Een verslag van het physisch onderzoek van Bleekrode van 
de asch van den Kloet is mij niet onder de oogen gekomen. 
Het Alpbabetisch register, met zeker geen geringe moeite dooi- 
de zorg der heeren Janssens en de Roo op deel I — XXX 'van 
het Natuurk. Tijdsein*, v. N. Indië ten onzen gerieve opgemaakt, 
geelt voor asch van den Kloet alleen op: deel XXVIII, pag. 159, 
en daar ter plaatse worden slechts de resultaten van het schei- 
kundig onderzoek vermeld. 

Ook ken ik alleen de soortelijk gewichtsbepaling van v. d. 
B. Mesch, als 2.4477. 

Asch van den ongenoemden vulcaan van Ternate op twee 
verschillende, nog al ver uiteenloopende tijdstippen, uitgestoo- 
ten, blijft vrij wel in samenstelling gelijk. De heeren Rost v. 
Tonningen en Bleekrode vonden m 





April 1850 en Februari 1864 (f). 


het soort 


gew. 2.753 


2.815 


Si O 2 


31.6655 


35.27 


Al 2 3 


46.476 


45.924 


Fe 2 3 


14.68 


12.71 


CaO 


4.774 


5.966 


MgO 


0.5305 


0.802 


KO 


— 


0.106 


Na en verlies 


0.58 


1.585 


Cl 


0.206 


0.158 


S 0» 


0.2955 


0.745 


Water 


0.9925 


0.954 



100.00 100.00 

Het is daarom jammer dat ik over de jongste geweldige uit- 
barsting dier Vulcaan in 1871 hier niets kan bijvoegen. 

O Zirkel Lelirb. d. Petrographie Bd. tl pag. 302. 
(t) Nat. Tijdschr. v. N. Indie deel XXVIIi pag. 292. 



14 

De nu onderzochte asch staat naast de overige uit onzen ar- 
chipel , waarvan analysen bekend gemaakt zijn , voornamelijk 
alleen daar het optreden van Titaanijzer. Een gelukkige beves- 
tiging van Junghuhn's uitspraak »dass Magneteisen Java's Ge- 
birge enthalt ohne Zweifel aucb Titaneisen (*). 

De nagenoeg gelijktijdig uitgeslooten asch van den Vesuvius 
bevatte ook Titaan. 

Volgens Rammelsberg is het octaëdrische magneetijzer meest- 
al in zeer verschillende verhoudingen gemengd met rhomboë- 
drisch titaanijzer (titaanzuur ijzeroxydul) , terwijl het mag- 
neetijzer zelf vrij van titaanzuur zou zijn. 

In magneetijzer van Eisenach werd als zeldzaamheid 0.1 pCt. 
titaanzuur aangetoond. Zelden is het titaanijzer zelf mag- 
netisch (f). 

Asch van den Hekla (eruptie 1845) had tot soortelijk gewicht 
2.815 en een nagenoeg gelijke samenstelling met andere, door 
Bunsen ingezamelde lava. (§) 

Lava van den Tangkoeban Praoe is, vreemd genoeg, gekenmerkt 
door de afwezigheid van chloor- en van zwavelzuur verbindingen. 

Si0 2 52.11 
A1 2 3 15.19 
FeO 14.35 



CaO 


7.41 


MgO 


3.48 


KO 


0.82 


NaO 


2.32 



Water 3.93 (") 
Ook door de «Chemische Untersuchungen einiger Gesteine 
von Java , von Dr. Otto Prolss" (ff) werd geen titaanzuur aan- 
getoond. Zijn arbeid inleidende zegt de schrijver daarbij : 



O Java deel III kapittel XI. 

(f) Bischof Bd. II kap. XLII. 

(§) Rammelsberg Handbuch d. Mineral Chemie 1860. 

(**) Zirkel als boven pag. 302. 

(tt) Ne ues Jahrb. f. MineraL, Geolog., und Palaeont 4 te3 Heft 1864 pag. 426 



»0bgleicli ich, durch besoudere Umslande verhindert, diese 
Un tersuchungen nicht soweit ausdehnen könnte, als ich Aiifangs 
beabsichtigl batte, so glaube ich doch, die bis jetzt erlangleu 
Resul ta te der öflentliehkeit übergeben zu dürfen , urn so mehr, 
da bis jetzt Gesteine, welche jeneni bedeutenden Sehauplatze 
vnlcanischer Thatigheit entstannnen , noch nie einer chemischen 
Analyse unterworfen wurden"! Er worden vervolgens analysen 
bekend gemaakt van 

dolerit lava van den ïangkoeban Praoe, 
iïruptiefgesteenten » » G. Slamat, 
lava » » » » 

trachtyt » » » Merapi op Java, 

» » » » Patoea. 



IV. 

A. Het uiterlijk voorkomen der verschillende monsters asch 
was tamelijk uiteenloopend. 

De op twee verschillende plaatsen in de residentie Soerabaija 
ingezamelde hoeveelheden , een op de hoofdplaats en een te 
Lamongan, hadden een licht grijze kleur. Die van Poerwored- 
jo en Djocdjakarta waren blauw grijs. De beide monsters 
van Madioen, een door den geneesheer, een door den contro- 
leur ingezameld, en de beide hoeveelheden uit Japara, door 
den geneesheer op de hoofdplaats Pati en van wege het plaat- 
selijk bestuur ingezameld, waren licht geelachtig grijs en fijner 
verdeeld, zoude ik meenen, dan al de overige monsters; hoe- 
zeer men het omgekeerde verwachten zou. 

In alle monsters waren met het gewapend oog witte, grijze, 
rood bruine, en zwarte glinsterende stipjes waar te nemen. 
Groote stukjes puimsteen vond ik, zelfs in de op een gerin- 
gen afstand gevallen asch, niet, hoewel zij talrijk zijn onder 
de asch, die de helling van den Mérapi overal bedekt, zegt 
Junghuhn. 



16 

In het eerst dacht ik of de wind hier een rol gespeeld kon 
hebben door de mengende bestanddeelen naar hun soortelijk 
gewicht te scheiden , waarbij dan het Djocdjasche monster door 
het grootste gehalte aan magneetijzer zoude moeten gekenmerkt 
zijn. Voor deze zoo geringe mengingsverschillen , meende ik 
mij niet op de ruwe methode van scheiding door den magneet 
te mogen verlaten. Ik ging dus tot de bepaling van het soor- 
telijk gewicht over , (zie onder) , maar vond daar geen bevre- 
digende verklaring. 

Het is m. i. het meest aannemelijk dat de asch van Madioen 
en van Japara uitgeworpen is geworden toen de uitbarsting 
haar einde bereikt had. 

Waarnemingen in Europa gedaan geven aan dat de asch dan 
fijner en witter wordt (*). 

Deze bijzonderheid krijgt meerdere waarde door een opmer- 
king van Junghuhn over een vorige uitbarsting van den Mérapi 
»Farbe und Beschauenheit des Sandes blieben wahrend den 
ganzen Dauer des Ausbruchs unveranderd" (f). 

Droog was de asch reukloos. Bij overgieten met water ont- 
wikkelde zich een reuk gelijk aan dien men waarneemt wan- 
neer zich na lange droogte een regenbui op een kleibodem ontlast. 

Bij de gloeiing was de eigenaardige, niet nader te omschrij- 
ven, reuk van gebluscht wordende hout- of turfasch zeer 
duidelijk. 

Voor het microscopisch onderzoek bezigde ik een 80 X ver_ 
grooting. De grootste hoeveelheid van het praeparaat bestond 
uit kleur- en vormlooze kleinere en grootere splinters (glazig 
feldspath?). Enkelen waren flesschengroen en bruin (augit?). 
Slechts zelden kwam er in het veld een glassplinter voor met 
rechte hoeken , zooals er een door Prof. Vogelsang afgebeeld 
is in het vergroote beeld op tafel IX, boven aan, links, van 
zijn Microscopische Gesteinsstudien. 



(*) Monticelli »der Vesuw" Deutsch v. Nöggerath. 
(+) Java deel II pag. 327 Leipzigsche uitgave 1854. 



17 

In de splinters waren ook poriën öf blaasjes waar te nemen. 
Verder lagen er zwarèe slukjes (magneetijzer ? augft?) af- 
zonderlijk of met een groenen of bruinen glassplinler, naar 
het mij toescheen, aaneengesmolten, spaarzaam door het veld 
verspreid. Bij een 200 X en Kj sterkere vergrootingen , heb 
ik in slib van de asch niets anders kunnen waarnemen dan 
hetgeen ik reeds in grootere afmetingen, bij hel niet uitge- 
spoelde praeparaat gezien had. Geen Lepidopterensehuh, geen 
pollenkorrel, plantenvezel, enz. die zoo dikwijls inzamelingen 
als deze verontreinigen, pleitte tegen de minder zorgvuldige 
behandeling. 

o 

De asch van Djoedja, van Madioen en van Soerabaija met 
een magneet onderzoekend, werd deze telkens ruig door het 
medegevoerde magneetijzer. Het scheikundig onderzoek van 
dit magnetisch gedeelte volgt hieronder. 

B. Bij verhitting van een weinig asch in een reageerbuisje 
boven de alcoholvlam ontweek er waterdamp en zette zich een 
gering grijs sublimaat van zwavel af. Zie G 6. Uit asch van 
den Vesuvius verkreeg men eens een sublimaat van salmiak f). 
Het ontwijkende kleur- en reuklooze (de aschreuk hier ter 
zijde latende) gas reageerde zuur, onderhield de verbranding 
niet. Na de gloeïing was het donker grijze poeder roodachtig 
geworden. Voor de blaasbuis op kool verhit smolt het niet en 
bleef onveranderd. Behalve op de reeds vermelde zwavel , waren 
hier dus aanwijzingen op water- en zwavelzuur. Want een 
deel aan de drooge destillatie onderwerpend , waarbij ik de 
destillatie producten in gedestilleerd water voerde, bevatlegeen 
chloorwaterstofzuur , zooals soms in Italiaansche vulcanen voor- 
komt (f) en ook door onzen hooggeachten scheikundige Ber- 
nelot Moens, vrij gevonden is onder de door den krater van 
den Tangkoehan Praoe uitgestootle dampen. (§) 



O Senft, pag. 363. 

(+) Kosmos Aant. 12 deel IV pag. 45*2. 

(§) Nat. üjdscbr. v. N. Indië. 

DEEL XXXIV. 



18 

Een deel van de asch is gesmolten met koolzure natronkali. 
Bij bekoeling had de slak een groen blauwen rand, duidende 
op mangaan. De waterige oplossing had een blauw groenen 
tint, die na de toevoeging van chloorwaterstofzuur in een zacht 
rozerooden tint overging. Voornamelijk door dit laatste ver- 
schijnsel meen ik nu reeds gerechtigd te zijn het mangaan- 
gehalte op niet hooger dan enkele honderdduizendsten te stellen. 
Kunstmatige augit bevatte, volgens een onderzoek van Haus- 
mann, 1.6 pCt. MnO (*); natuurlijke, uit Bohemen , 2.63 pCL, 
welk Mn gehalte ook daalt tot 0.1 pCt. Augit is zeer algemeen 
in vulcanisch zand (Bischof.) Junghuhn vond een groote hoe- 
veelheid augitkristalten in uitwerpselen van den Mérapi (-|-). 
Goed gevormde augitkristallen werden bij verschillende erup- 
tiën in het door den Vesuvius uitgeworpen zand aangetroffen 
(Bischof.) Ik herinner aan de sporen van mangaan door Vau- 
quelin er in gevonden. 

In een deel van de met, chloorwaterstofzuur zwak aange- 
zuurde loog dezer slak werd een strookje curcumapapier voor 
de helft ingedompeld. Na een spoedige drooging was de kleur 
homogeen gebleven. 

Een ander deel is in een platinaschaal met chloorwaterstof- 
zuur aangezuurd. De vloeistof bleef eenigen tijd staan, tot dal 
het koolzuur volkomen ontweken was. Oververzadigd en ver- 
warmd met ammonia. Van het praecipitaat afgefiltreerd. Bij 
de warme vloeistof in een fleschje chloorcalcium gevoegd. Hier- 
mede eenigen tijd laten staan. Een hierbij gevormd praecipi- 
taat stootte, op de bekende wijze behandeld, geen etsende 
dampen uit. 

Hoogstwaarschijnlijk komt er dus nu geen hoornblende onder 
de asch voor, daar verschillende opgaven Fluor in de samen- 
stelling van dit mineraal vermelden. Junghuhn loonde bel 



O Bischof Rd. 11 pag. 615. 
(t) Java deel 11 pag. 309. 



19 

hij een vroegere uitbarsting aan, terwijl hij augil. onder- 
scheidt (*), 

C. Een nabootsing der natuur, voor de uitloogende werking 
die eventueel door regenwater op de asch zoude uitgeoefend 
worden, wanneer die over velden uitgespreid of in 't gebergte 
opgestapeld ligt, meen ik, dat slechts een betrekkelijke waarde 
heeft. In een bekerglas kan dit maar tot een zekeren grens 
geschieden. Het onvoldoende er van komt in den gang van dil 
gedeelte van het onderzoek genoeg uit. Want absoluut onop- 
losbaar in water is er misschien gaew enkele stof. Het is bekend 
dat in zeewater zelfs zilver gevonden is , volgens Malaguti e. a. 
daarin overgegaan uit de metaalbekleeding der schepen, wijl 
choorzilver in een oplossing van chloornatrium (keukenzout) 
oplosbaar is (f). En hoevele nauwkeurige wateranalysen dra- 
gen ^eeAi » pronkerigen staart", zegt Mohr in zijn Titrir me- 
thode , van sporen der meeste metalen ! 

Daarbij zal meer of minder koolzuurhoudend water de ver- 
houding der opgeloste stoffen geheel veranderen. IJzerverbin- 
dingen , die misschien nadeeling werken zouden , dan wel de 
voordeden der verweering eener feldspath komen toch lang- 
zamerhand ten laste of ten bate eener vegetatie. En zijn ei* 
betere bewijzen noodig voor de geschiktheid van de onderha- 
vige vulcanische producten , om , onder den invloed van onzen 
tropischen dampkring, bouwbare aarde te vormen, dan de oor- 
spronkelijke wouden op den Mérapi en de vruchtbare en sterk 
bevolkte residentien Soerakarta en Djocdjokarta ? Toch beslaat 
de bodem daar grootendeels uit vulcanisch zand (Junghuhn) 
en is het ijzer gehalte mede niet onaanzienlijk. Prof. Mul- 
der citeert, in zijn reeds aangehaalde Scheikunde der bouw- 
bare aarde, mede een voorbeeld van een vruchtbaren berg in 
Silezie, die geheel uit eruptieproducten bestaai. Een analyse 



O Java deel II pag. 309. 
(+) Graham-Otto's Handbucli. 



20 



van de rapilli gaf een gehalte van 15 pCt. Fe 2 3 . De heer 
Rost van Tonningen vond in asch van den Mérapi 10.7 pCt. 
Fe 2 3 C). 

Van de in behandeling genomen monsters asch uit Djocdja, 
Madioen en Soerabaija, nam ik respectivelijk drie, twee, twee, 
hoeveelheden en loogde die op de normale temperatuur van 
onze omgeving (50° C) , 4 malen met een ruime hoeveelheid 
water uit. 

Nadat ik voor de 5 de maal , telkens met tusschenruimten van 
24 uren , gedecanteerd had, nam ik een voorproef of een kleine 
hoeveelheid van de nieuwe, hoven de aschmonsters staande water- 
laag door chloorharyum of door koolzure natron troebel werd, 
of dat die tegenover lakmoes reageerde. Dit meende ik als 
grens te moeten stellen. Ook omdat tegen het einde van deze 
bewerking de vloeistof begon te opaliseeren, door tij n verdeelde 
kiezelzure aluinaarde. Deze bijzonderheid zoude tevens als 
maatstaf voor de fijnheid van de asch kunnen dienen. 

De genoemde reactien uitblijvende verdampte ik de verschil- 
lende vochten A, a, b, c,d, e, f, ieder afzonderlijk. De verschil- 
lende residuen zijn daarna tusschen 110° en 120° C gedroogd. 
Dit gaf de volgende resultaten: 

constant gewicht 
was het van of procent: 

het residu. 

0.099 gram. 0.97 

0.0285 „ 1.23 

0.014 „ 0.63 

0.0165 „ 0.78 

0.028 „ 1.1 

0.0168 „ 0.77 

0.0168 „ 0.82, 

gemiddeld 0.9 pCt. 



Uit de genomen 


hoeveelheid asch. 


A. 


10.185 gram. 


a. 


2.306 


5? 


b. 


2.2115 


?> 


c. 


2.0975 


>» 


d. 


2.5435 


5? 


e. 


2.1685 


}> 


f* 


2.0287 


>> 



(*) Nat. tijdschr. 1851 pag. 466. 



21 

A. a. zijn hoeveelheden asch van Djoc4ja, b. e. van Madiocn. 
c. f. van Soera ha ija. 

Daar deze eenvoudige pewerkingen zulke aanzienlijke onder- 
linge verschillen gaven verviel de kans hier een verklaring of een 
aanwijzing te vinden voor het verschillend uiterlijk voorkomen 
van de asch. 

Maar tevens ligt in deze cijfers een he vestiging van mijn 
vermoeden omtrent het onzekere dier hepalingen. Daarom 
nam ik een gemiddeld cijfer uit allen. 

In de residuen vertoonden zich met de loupe afzonderlijke 
witte, naaldvormige kristallen en enkele rosetvormige, die mij, 
door dien vorm, op het eerste gezicht aan Cladonia pyxidata 
deden denken. 

De residuen waren nog al hygroscopisch. Zie verder G. 

D. Bij de hepaling van hef wafergehalte hadden 

5.1755 gram asch, na tnsschen 110° en 120° (). gedroogd 
te zijn , een constant gew. 
van 5*1595 ,, d. i. 

0.016 verlies == 0.5 pCt. 

Bij de roodgloeihitte verloor deze hoeveelheid nog meer in 
gewicht. Het voorloopig onderzoek B. heeft evenwel reeds aan- 
getoond dat dit niet enkel waterdamp is, afkomstig van het 
watergehalte van de een of andere feldspaath. Na 2 wegingen 
vond ik voor de gehrnikle 5.1595 gr. het constante 
cijfer 5.1505 



gelijk 0.029 

of 0.9 pCt. 

Ook hier uit hleek dat er weinig oploshare silicaten aanwe- 
zig waren. 

Daarhij is het halve pCt. hygroscopisch water gering voor 
onze Indische Vulcanen „met hun rijken watertoevoer'*, (*) 
naar het mij voorkomt. 



O Philos. d. Geol. pag. 179. 



Evenwel schommelen de meeste opgaven om dit lage cijfer, 
hetgeen wel een hij zondere vermelding verdient. 

De steeds op den voorgrond tredende asch ernptien, zijn vol- 
gens de algemeene opvatting, immers de gevolgen daarvan, 
<!at de afkoelende of reeds verharde lava door sterk verhitte 
dampen (ook waterdamp) uiteengeslagen en tot fijn zand, resp. 
asch, verdeeld wordt (*). Nu beval Ie 

asch van den G. Goentoer in 1843, volgens Maier, 0.257 pCt, 
„ ,, Mèrapi „ 1846, „ R. v. Ton- 

ningen, 0.617 ., 
„ „ Ternate „ 1850, „ „ 0.392 „ 

„ „ „ „ 1864, ,, Bleekrode, 0.954 „ 

„ „ „ G. Raoe „ 1864, „ „ 0.52 „ 

Daarentegen hevafte asch van een vulcaan op Guadeloupe 
8 — 10 pCt. hygroscopisch water. In asch van den Coseguina, 
vermoedelijk die van de eruptie van 1835, werd 6.5 pCt. ge- 
vonden, (f) 

Lava van den Tangkoehan Praoe bevatte volgens Dr. 
Prölss (§) 

5.95 pCt. water. 
In verschillende hoeveelheden asch van den Elna vond S. v. 
Waltershausen 5.6, 6.55, 6.65, 6.64 pCt. water, f*) 

E. Bij de vermelding van het soortelijk gewicht van vroe- 
ger onderzochte aschsoorten van Indische vulcanen (-f-j-) had 
ik gaarne daar een voorbeeld genomen of de asch onder alcohol, 
petroleum, terpentijn, benzin, of een dergelijke vloeistof gewo- 



(*) Bischof, Vogelsang, Senft, Zirkel e. a. 
(f) Senft pag. 364. 

(§) Meer gemeld Neues Jahrb. f. Mineral. pag. 427. 
(*.*■) Zirkel Lehrb. d. Petrog. 

(ff) Nat. Tijdschr. v. N. I. 1851 en 1865, Java deel II v. d. duitsche 
uitgave, pag. 84. 



gen was. Ook of er, waar het soortelijk gewicht tot in de 
5 e en 4 e decimaal opgegeven is, correctien voor de hooge tem- 
peratuur, waarin wij hier werken, aangebracht waren. Wa- 
ter konde mij niet dienen. Bij een voorproef met gerectiticeer- 
den alcohol van 85 pCt. Tralies en een andere met terpentijn 
van 0.861 s. gew. bij 28° C. werden deze vloeistoffen gekleurd. 
Toen heb ik benzol genomen, alhoewel de snelle verdamping 
van deze phenyl verbinding een weging niet gemakkelijk maakt. 
Met de eene hand houdt men een druppel benzol gereed om 
het niveau in den picnometerbuis op de constante hoogte te 
houden, in de andere zijn de schroef van de balans en het 
pincet in gestadige wisseling. 

In den tijd van een verkeerd uitslaan der naald verandert 
reeds het gewicht. Om eenige m. gr. zijn de bepalingen dus 
onnauwkeurig. Door voortdurend de grenzen der schommelin- 
gen enger te maken werd een bepaling mogelijk. De verschil- 
len in de cijfers der wegingen verduidelijken een en ander. 
Aan aanhangende luchtbellen zijn zij niet toe te schrijven. 

De fijne verdeeling van de asch, het tamelijk hooge soort. 
gew. tegenover de middenstof waaronder zij gewogen werd, de 
onoplosbaarheid daarin, lieten toe dat ik het te wegen poeder 
in den picnometer door schudden en bezinken van lucht-bevrij- 
den kon. Over een luchtpomp kan ik niet beschikken. Van 
Schiff's methode verwachtte ik nog grootere verschillen. 

1. Het onderzoek gaf de volgende resultaten: 

de picnom. H- water hij 28° C. woog 76.0537 gram 

tarra picnom. 10.9825 » 

65.0512 gram 
de picnometer -f- benzol bij 28° C. 

57.5545 
tarra picn. 10.9825 



46.572 
dus was het soort. gew. van benzol . 0.7128 



24 

de picnom: -f- asch -f- benzol 
65.615 
p. 4- a. 19.408 



44.205 
de asch afzonderlijk woog dus 

8.4255 
terwijl de benzol verloren had 
2.167 
Het soortelijk gewicht van de asch te Djocdja ingezameld 
was dus tegenover benzol 5.888 

en tegenover water van 28°C 2.8815 

of tegenover water van 4°C 2.87. 



2.7985 



2.8541 



2.8112 



2.8869 



2. Bij een nieuwe hoeveelheid verkreeg ik bij 28°C 2.8581. 

5. Naar deze zelfde berekeningen had asch van Madioen 

ééne hoeveelheid 

4. soort : gewicht een andere hoeveelheid. 

5. Voor asch van Soerabaija vond ik eens 

6. Een andere maal 

In deze bepalingen is mede geen aan wij zing te zien over de 
lichtere kleur der verschillende monsters asch. Ik meende 
dat deze zaak van te weinig aanbelang was om met eenige 
hoop op een gewensehten uitslag een reeks s. gew. bepalingen 
te maken en mij dus, even als bij de in water oplosbare stof- 
fen gedaan is, met een gemiddeld cijfer uit de zes bepalin- 
gen = 2.8485 , als het s. g. , zonder correctien, van de asch 
tevreden te kunnen stellen. Maar dit soortelijk gewicht gaf 
wel een beslissing over de vraag of er veel magneetijzer in 
de asch voorkwam. Ik herinner dat de magneet telkens ruig 
werd, wanneer ik die in de asch rondwreef (s. gew. v. h. 
magneetijzer = 5.18). (*) 



Leerb, d. Mineral. v. Quenstedt, vert. d. v. Eldik Thieme, pag. 111. 



25 

Tevens, is er ook op te merken, dal er niet veel zwaardere 
silicaten onder de aseh gemengd zijn die microscopisch nni 
aan te toonen waren. Angïl beeft een soort: gewichl van 2.3-5.5. 
hoornblcnde 2.051-5.445 ('), feldspath 2.58-2.65. 



V. 
F Hel magnetische gedeelte der asch bestond uit magneet- 

<'il riTAANIJZER. 

Tol dit onderzoek is het door den magneet uitgetrokken ge- 
deelte verwarmd met HC1. Behalve de mechanisch medege- 
voerde kleurlooze feldspathkorrels hieven er donker gekleurde 
stippen in die bij langdurige verwarming niet oplosten (a). 
Om deze nader te onderzoeken verdunde ik de bruine vloeistof 
en zette die ter bczinking weg. Helder afgegolen, gedecanteerd, 
gefiltreerd, residu op het iiltrum afgewassehen, totdat het af- 
waschwater niet meer op FeO reageerde. 

1. De ijzerzoutenoplossing door N0 5 .HO geoxydeerd. In de 
eërie helft is hel overtollige zuur geneutraliseerd door NaO.CO 2 . 
Hierna is een melk van fijn geslibten BaO.CO 2 bij het mengsel 
gevoegd en dit gezamenlijk 12 uren, gedurende den koelsten 
lijd (nacht), aan zich zelf overgelaten. Onlangs werd door mijn 
geachten leermeester aangetoond (f) dat op deze wijze 02 pCt. 
van een bijgemengd Nizout teruggevonden werden. 

De bovenstaande kleurlooze vloeistof is helder afgefiltreerd. 
Het bruine praecipitaat afgewassehen. In een deel van hel 
liltraat gaven GNS 2 K en GfyK 2 negatieve resultaten. Het slib 
is verder nitgcwasschen, tot dat de Cl. reactie uitbleef. Filtraal 
en afwaschwaters zijn lot een klein volumen ingedampt. 



O Bischof. 

(+) Verh. v. von Baumhaucr in de Versl. tl. Kon. Acad. v. W. 5de deel 
2de stuk 1871 pag. 266. 



Een voorproef hierin genomen met NH 4 S gaf na eenige men 
een negatief resultaat. 

a. Het donker gekleurde residu van de behandeling met 
HC1 is in een buisje gespoten. Het overtollige water verdampt. 
Gekookt met N0 5 .HO. Daarna is er water bijgevoegd. Er 
blijft een licht grijs zanderig residu (b). Dit afgefiltreerd. De 
salpeterzure oplossing is alcalisch gemaakt door NH*0. NH 4 S 
toegevoegd en het mengsel eenige uren aan zich zelf overge- 
laten. Het na eenigen tijd ontstane geringe groen zwarte 
praecipitaat alge lil tree rd- en afgewasschen. Op het filtrum werd 
het in HC1 opgelost. Deze oplossing werd blauw gekleurd 
door Cfdyk 3 . 

b. Het licht grijze residu (b) bleef op een platina blikje ge- 
gloeid onveranderd. (Sanidin ?) 

Door de loupe bezien bestond het residu (a) uit donker groene 
vormlooze splinters , die dus hun kleur aan FeO te danken hadden. 
(Augit ?) 

2. Bij de andere helft is NH 4 gevoegd, in geringe over- 
maat, en er mede verwarmd. Na eenigen lijd de vloeistof ge- 
decanteerd. Hel praecipitaat afgewasschen , gedroogd , lang 
gesmolten met KO.HOSO 3 , De slak uitgeloogd met koud- 
water. 

De loog van SiO 2 afgefiltreerd. Een deel geneutraliseerd met 
NaO.CO 2 . 

NaO.S 2 2 bijgevoegd. In de bruine vloeistof kwamen hier- 
door violette tinten. Overmaat van NaO.S 2 2 ., waarbij de vloei- 
stof ontkleurde en S zich afscheidde. Hiermede gekookt onder 
bijvoeging van het verdampende water, totdat uit de zeer ver- 
dunde vloeistof niet langer SO 2 ontweek. Bezinken. Decan- 
teeren. Uitkoken. Dit herhalen totdat na de 3 de maal Cfdy 3 K 
niet meer op FeO in het waschwater reageerde. Het bezink- 
sel in een ptschaal overgebracht. 

Het mede gevoerde water met filtreer papier verwijderd. De 
S verbrand. Er bleef een licht geelbruin residu over. Gedeel- 



27 

ten hiervan met HC1 verwarmd, loslten niet op. Cfdy^K kleurde 
deze vloeistof niet. 

En ander deel met een helderen, kleurloozen phosphorzout 
parel gesmolten. De parel was heet citroengeel; werd hij he- 
koeling helder en kleurloos. Op nieuw gesmolten met een 
weinig Sn Cl oplossing. De geele kleur had in intensiteit toe- 
genomen. Bekoeld was de parel nu zwak violet. 

G. Bij het uitloogen van de asch waren in de koude waterige 
oplossing overgegaan verbindingen van ijzeroxydule, aluin- 
aarde, kalk, magnesia, potasch. 

.Sporen van soda met zwavelzuur, chloor, kiezel 
zuur en koolzuur. Hierbij een scheiding makende voorde 
zuiver in water oplosbare stoffen (in de gewone verhoudingen) 
en de dubbel koolzuur en kiezelzuur verbindingen , die zich bij 
het indampen uitscheidden, kunnen wij die verbindingen aldus 
groeperen : 

I. II. 

Ca S 



Fe Si 




Fe C 




A12 Si 




Ca C 


Ca S 


Mg C 





MgCl 



KC1 



Na Si 



1. Bewijs I. De tegenover lakmoes neutraal reageerende 
vloeistof is met NHMJ alcalisch gemaakt. De vloeistof opali- 
seerde daardoor niet. 

2. Een nieuwe hoeveelheid is behandeld met NH*C1, NHO 4 
en NHO.CO 2 , waardoor £=. 

3. Het £: afgefiltreerd. Filtraat -f- 2 NaO.HO.PO 5 . Et- 
ontstond een kristallijn =£=. 

4. Een ander deel der vloeistof is sterk ingedampt. Dit 
reageert niet alcalisch. 



28 

5. Verder lol droog, bruischle hel mei. HO niet op. 

6. Ken hoeveelheid -f- een weinig van een verdunde oplos- 
sing van HgCl. Ook na toevoeging van KO.CO 2 bleef de wa- 
terige vloeistof helder. 

7. Hierna is een deel mei CaO.HO gekookt. Gederailleerd. 
Afgewasschen. Fikraat, en afwasch water -f- NH 4 0.C0 2 . Afge- 
filtreerd. Praecipitaal afgewasschen. Fillraal lol droog ver- 
dampt, onder bijvoeging van NHfCJ zaehl gegloeid. Hel residu 
lostle niet helder op. De troebele oplossing geiillreerd. Hel 
nitraat + NH 4 en NH 4 O.Ö en NH 4 O.C0 2 . Na eenigen tijd 
geiillreerd. Hel residu afgewasschen. Filtraat ingedampt lot 
droog. Het residu gegloeid. Loslle helder op. Bij een deel 
dezer 

8. oplossing (\) in een porceleinen uildani[>schaallje een 
druppel Pliil 2 bijgevoegd. Toen na een paar uren dil mengsel 
helder bleef is hel op een walerbad tot droog verdampt. Daarna 
uitgeloogd met verdunden alcohol , waarbij KC1. PlCl 4 in weeg- 
bare hoeveelheden achter bleef. 

b. Een ander deel dezer oplossing is op een horologeglas 
gemengd met een versch bereide, heldere, neutrale oplossing 
van KO.SbO 5 . Op de plaatsen waar mei een glazen staaf 
gekrast is geworden ontstond de reactie. 

9. Om de zuren in de waterige oplossing aan te loonen 
voegde ik bij een deel der oorspronkelijke uitloogingsvloeistof 
(waarde koolz. zouten enz. uit afgescheiden waren) BaCl. Er 
ontstond =Q=, in N0 5 .HO niet oplossend. 

10. Bij een ander deel AgO.NO 5 . De vloeistof werd sterk 
opaliseerend. Door schudden coaguleerde ^een AgCl. Evenmin 
werd de vloeistof door N0 5 .H0 helder. 

11. De aard der onderzochte stof sloot NO 5 verbindingen 
uit, evenals de kleur van het =£= door AgO.NO 5 de afwezig- 
heid van PO 5 of ld aanduidde. 

12. Een deel is aangezuurd door HC1 in een ptschaal. Op 
het waterbad tot droog verdampt. De drooge massa is eenigen 



29 

tijd verwarmd. Overgoten met HCI. Daarna mei water. De 
hoeveelheid afgescheiden SiO 2 was geringe 
Bewijs II. 

13. Het zich bij hel indampen van de waterige oplossing (I 
en de verwarming lot 120°C afgescheiden hebbende, in water 
onoplosbare residu van de aschlaag bruischl met HCI op. 

14. Lostte er niet volkomen in op. Er bleef een briun 
vlokkig residu (c) achter. Dit is afgefillreerd. 

15. De chloorwaferstofzuui' vloeistof werd door Cfij 2 K blauw. 

16. De aanwezigheid van CaO en MgO was genoeg bewezen. 

17. Een deel er van gaf 4- BaCl onmiddelijk =^=, niel in 
N0 5 .HO oplossend. 

18. Het residu c in een buisje gespoten. Er bezonk een 
vuilbruin gekleurd deel spoedig. Een fijn vlokkig wit poeder 
zweefde in de vloeistof, hetgeen met een pipel afgenomen niet 
oplostte in kokende NaO.CO 2 oplossing. 

H 1 . Door geconc. HCI werden de volgende verbindingen uit 
de ascb opgelost of ontleed. Uit het bewijs zal blijken dat hier 
niet dezelfde stoffen nog eens aangetoond zijn, die in de wa- 
terige vloeistof voorkwamen. 

Sporen zwavelzuur , litaanzuur , kiezel 'zuur , ijzer oxydul oxyd ', 
aluinaarde, kalk, magnesia, kali (natron twijfelachtig: ik bezit 
geen spectroscoop.) 

Het zwavelzuur kunnen wij ons verbonden denken aan kalk, 
tot gips. 

Het kiezelzuur met de aluinaarde , kalk , magnesia , kali (en 
natron) en eenig ijzer, als een feldspath. 

Het litaanzuur met ijzer oxydul oxyd, als tilaanijzer, maar 

ook als tüanil (titaanzure kalk en kiezelzure kalk), misschien 

zelfs wel vrij als anatas of rutil, maar dan toch zeker in 
geringe hoeveelheden, als ik aan het soort. gew. denk (Rutil, 

s. gew. 4.24, Anatas s. gew. = 4.19) zie J. 

Aanzienlijke hoeveelheden CaO en MgO moeten voor het Au- 
git in aanmerking genomen worden. 



30 



[Augit van den Etna 



Augit v. d. Vesuvius. (* 



Si 


47.38 pCt 




49.61 pCt 


Al* 


5.52 „ 




4.42 „ 


Fe 2 


3.85 „ 




— 


Fe 


7.89 '„ 




9.08 „ 


Mn 


0.1 „ 




— 


Ca 


19.1 




22.83 „ 


Mg 


15.26 „ 




14.22 „ 


Glazig feldspath. uit 


vulcanis< 


'li zand uit den Eifel bevatte, (f) 




Si 




65.96 pCt. 




AP 




18.71 „ 




Fe 2 




een spoor 




Ca 




1.51 pCt. 




Mg 




0.73 „ 




K 




8.31 ;, 




Na 




4.77 „ 



Bewijs. Het door water uitgeloogd residu van G, Djocdjaselie 
asch , is in een ptschaal op een waterbad een geruimen tijd mei 
geeonc. HC1 verwarmd onder drie maal herhaalde bijvoeging eener 
nieuwe hoeveelheid zuur voor het verdampte. Daarna is wa lei 
bijgevoegd en een deel van de geele-troebele vloeistof afgefiltreerd. 

a. In een gedeelte hiervan verkreeg ik door BaCl een zwakke 
troebeling, die niet door N0 5 .H0 verdween. 

b. Een andere hoeveelheid gaf door HS geen gekleurd £?. 

c. Een ander deel -f- N0 5 .H0 in een waterbad tot droog. 
Residu -+- N0 5 .HO verwarmd en gefiltreerd. Filtraat H- gelijke 



O Bischofpag. 623. 
(t) Ibid. 



31 

deelen van een oplossing van Mo0 3 .NH 4 en N0 5 .H0. Resul- 
taten negatief. Er is evenwel wel eens phosphoïzure kalk in 
lava gevonden (Zirkel). 

Hij een aanzienlijker deel <le methode in F 2 vermeld toegepasl. 
Hierbij werd daarenboven veel minder SiO 2 verkregen dan uil de 
geringe hoeveelheid in behandeling genomen magneetijzer. 

(L De hoofdmassa is ingedampt tusschen 110 en 120°C ge- 
droogd. Na bekoeling -+- HCI , daarna H- water: verwarmd. 
Afgefiltreerd; uitgewasschen tot de Cl reactie uitbleef. 

e. In het fikraat gedurende een nar een afgewasschen stroom 
HS gevoerd. Er had zich een fijn wit & afgescheiden. Toen 
dit bezonken en afgefiltreerd was. 

/'. Is een deel van de licht geele vloeistof gekookt -f-N0 5 .HO. 
Alcalisch gemaakt met NH 4 en verwarmd , waarbij een =£= 
ontstond. Daarna -+- NH 4 S. 

g. Bij het grootste deel der zure vloeistof NH 4 Cl en NH 4 0, 
tot alcalische reactie. Hierna -f- NH 4 S. 

Verwarmd. Na een paar uren afgefiltreerd. Het zwarte £= 
afgewasschen met een weinig NH 4 S houdend water. Fikraat 
en afwaseh water bewaard, (ga). 

h. Het zwarte A van het doorgestoken filtrum afgespoten, 
-+- HCI. Er bleef slechts fijn verdeelden S over. Afgefiltreerd. 
Dé oplossing gekookt tot dat HS uitgedreven was. 

« Van de heldere oplossing een deel -h S0 3 H0. Bleef helder. 

|3 Alcohol bijgevoegd. Even eens een negatief resultaat. 

y Een ander deel verwarmd -f- NO 5 . HO totdat Cfdy 3 K geen 
blauwe verkleuring meer veroorzaakte. De vrije zuren afge- 
stompt -f- NaO.CO 2 . De vloeistof -I- fijn geslibten BaO.CO 2 . 
De bovenstaande heldere vloeistof afgefiltreerd. Het praecipi- 
taat uitgewasschen. Bewaard als y 1 . 

o Het fikraat en het afwaschwater gekookt -h HCI. Daarna 
-f- NHH) en NH 4 S. Er ontstond geen £=. De vloeistof is ge- 
kookl en de baryt mei SO. 3 H0 verwijderd. Na bezinking af- 
gefiltreerd. 



3 Ö 2 

£ Met een overmaat NH 4 alcalisch gemaakt. Hierna -h 
NH 4 O.Ö. Er ontstond een praecipitaat. Afgefiltreerd. Filtraat 
-h 2 NaO.HOPO». Een kristallijn =Q=. 

7 1 Het door den fijn geslibten BaO.CO 2 verkregen £= ge- 
kookt -f- NaO:HO. Gefiltreerd. Filtraat zuur gemaakt door 
HC1. Daarna NH 4 in overmaat. Gekookt. Een wit vlokkig 
bezinksel scheidde zich af. 

7 2 . Het residu dat in de NaO.HO niet opgelosl was is ge- 
smolten met KO.CIO 5 en NaO.CO 2 . De slak uitgeloogd. Ge- 
filtreerd. Het filtraat was kleurloos. Zuur gemaakt door S0 3 .HO. 
Uunge's inkt proef gaf negatieve resultaten. 

ƒ/« Een deel van het filtraat en het afwaschwater van hel 
door NH 4 S veroorzaakte =£= ingedampt. Afgefiltreerd. NH 4 0.C0 2 
en NH 4 bijgevoegd. Verwarmd. Afgefiltreerd. 

1. Gedeelten van dit filtraat 12 uren + NH 4 O.S0 3 en NH 4 0.Ö 
Negatief. 

2. in een ander deel -f- NH 4 en 2 NaO.HO. PO 5 , waardoor 
een kristallijn bezinksel gevormd werd. 

5. Het 4^ g el afgewasschen. Opgelost in HC1, tot droog 
en eenigen tijd verwarmd. Opgelost , 

4. In een geringe hoeveelheid water. Een deel van deze 
oplossing -f- CaO.SO 3 . Bleef na lang staan helder. 

5. Een ander deel van het filtraat van ga gekookt -+- GaO.HO. 
Afgefiltreerd. Afgewasschen. Filtraat behandeld als in G 7 
aangegeven is. Het residu der chlooralcalien was nauwelijks 
zichtbaar. Het was dus te verwachten dat de chemische Na 
reactie uitbleef (zie K.) 

H 2 . Het overschot van de inwerking van HO en het daarin 
achtergebleven uitgescheiden SiO 2 gekookt -I- NaO.CO 2 . Heet 
afgefiltreerd. Afgewasschen met een warme NaO.CO 2 . oplossing. 
Daarna warmwater. 

Dit residu is : 

J. Voor een deel gesmolten met koolzure natronkali, waar- 
door aangetoond werd dat er in de onoplosbare silicaten nog 



ba a 



voorkwamen: Sporen van mangaan, sporen van chloor, zwavel 
-uur en, belangrijk voor het in H. aangevoerde: titaanzuur. 

Verder kiezelzuur, ijzeroxydaloxyd, aluinaarde, kalk en magnesia. 

De reeds beschreven omslachtige methode van onderzoek is 
ook hier gevolgd. 

K. Een deel van het residu, dat door water, door chloor- 
waterstofzuur en door kokende koolzure natronloog uitgetrokken 
en van dit laatste afgewasschen was is achtereenvolgend behan- 
deld met Fl H. en S 3 .H 0. in een pt, schaal op een waterbad. 
Daarna is het overtollige zuur boven de lamp uitgedreven. 

Verdere bewerkingen toonden de aanwezigheid der beide alcalien. 

Bekoeld is bij de grijswitte massa HC1 gevoegd. Verwarmd. 
Daarna -f water. Er bleef een overschot. Gedecanteerd. Re- 
sidu op het waterbad tot droog. Bewerking van boven 3 ma- 
len herhaald. Daarna de zoutmassa gegloeid , omdat ik meende 
dat mijn F1H kleurstoffen uit het kaoetsjoek fleschje, waar ik 
het sedert jaren in bewaar, opgenomen had. Dit bleek even- 
wel door ijzer verontreinigd te zijn. De zoutmassa in water 
opgelost en deze oplossing behandeld als G 7. 



VI. 

Misschien bedrieg ik mij, maar gaande weg met den gang van 
het hierbij aangeboden rapport won de overtuiging meer en meer 
bij mij veld dat een bepaling der hoeveelheid van de verschillen- 
de stoffen in dit zoo samengestelde mengsel de moeite niet loont. 

Geen asch zagen wij in chem. samenstelling gelijk blijven. 

Daarentegen is er, voor zoover ik weet, nog geen naar het 
in dit verslag op den voorgrond tredende begrip behandeld. 

Glazig feldspath heeft de overhand in het mengsel, maar al 
weerstaat dit de inwerking van zuren iets minder dan augit 
(het klassieke werk van Bischof geeft ook hier weder cijfers. 
Glazig feldspath verloor na een trekking van 24 uren 7 pGl., 
aan Augit onttrok B. 5 pCt.) de grens eener scheiding weef 
ik niet te bepalen. De analysen van feldspath, augit, magneet- 



52 b 

ijzer, titaanijzer (titanit?), allen mineralen, die de asch samen- 
stellen, zei ven te vermeerderen, is mijn taak niet. Uit het 
ijzergehalte dat van magneetijzer te berekenen gaat niet aan. 
Het titaanijzer is met het magneetijzer in het chloorwaterstof- 
zuur (H) opgelost geworden. 

Is nu het in J gevonden. Ti O 2 van ingesmolten titaanijzer 
afkomstig? Ik kan dit niet beslissen. 

Zou de asch tot een fijn poeder van trachyt gebracht moeten 
worden? Als geoloog moet ik mijn sporen nog verdienen en waag 
het daarom niet hier een uitspraak te doen. Zelfs van Junghuhn's 
geologische waarnemingen werden afwijkende resultaten door 
de heeren Prölss (*) en F. v. Hochstetter (f) gepubliceerd. 

Ik hoop, dat het mij gelukt is een voorstelling te geven van 
het onderhavige eruptie product en in deze bijdrage iets geleverd 
te hebben, hetgeen later tot een beter inzicht in sommige ge- 
ologische processen leiden kan. 

Waarschijnlijk zoude deze richting van een onderzoek er 
niet weinig mede gebaat zijn als wij de onderzoekingen over 
Yslandsche geijsirbronnen, die van dezelfde heete fonteinen 
uit het naburige Batjan (§) met de onlangs in Amerika ont- 
dekte springbronnen, in een vergelijkend overzicht konden 
plaatsen. Drie zoo sterk divergeerende richtingen als wij kun- 
nen overzien door de werkzaamheid van den zich met de spec- 
traalanalyse vereeuwigenden Heidelberger hoogleeraar, door 
Wallace's zwerftochten in InsulinJe (§) èn door de nasporingen 
van den Amerikaanschen prof. Haijden (**) in het gebied der 
Yellowstone rivier. Of het gelukken moge een tip van den 
Isissluier op te lichten die de werkzaamheid in het binnenste 
der aarde voor ons verborgen houdt ! 

Batavia, April 1875. 

(f) Geol. Ausflüge a. Java, in de reisbeschr. v. d. Novara II Bd. pag 151 , 1866. 
(§) Insulinde door Wallace, vertal. v. Veth. pag. 67 deel II. 
(**) Petermann's Geogr. Mittheil. No. VII 1872. 



BIJDRAGEN UIT HET BUITENLAND 



TOT DE KENNIS DER 



FLORA VAN DEN INDISCHEN ARCHIPEL. 



Gedurende langen tijd is de studie der flora van den Archipel 
zeer bemoeielijkt geweest door dat het daarover geschrevene 
in allerlei tijdschriften en kleinere brochures verspreid was. 
Aan dit bezwaar is door het verschijnen van Miquel's Flora 
van Nederlandsen Indie een einde gemaakt. In die Flora gaf 
prof. Miquel een overzicht van alles wat over dit onderwerp 
was geschreven en hij voegde de resultaten van zijn eigen 
onderzoek daarbij. 

Het is echter algemeen bekend dat Miquel, toen hij zijne 
Flora schreef, niet den vrijen toegang had tot alle verzame- 
lingen, die voor eene zooveel mogelijk volledige beschrijving 
van Indie's plantenwereld moeten geraadpleegd worden. Daarbij 
was het noodig, wilde eene dergelijke uitgave in Nederland 
slagen, dat het boek binnen korten tijd in zijn geheel voor 
het publiek verkrijgbaar kwam. Er ontbraken dus tijd en 
gelegenheid om het werk zoo volledig te maken als Miquel 
zelf dit gewenscht heeft. 

Later werden de verzamelingen voor hem bijna geheel toegan- 
kelijk en de door hem genomen maatregelen maakten die ook voor 
anderen gemakkelijk te raadplegen. Nieuwe verzamelingen 

deel xxxiv. 3 



54 

werden daarenboven in den Archipel bijeengebracht. Het gevolg 
daarvan was, dat een vernieuwd onderzoek ingesteld werd en 
Miquel gaf, als vrucht daarvan, in zijne Annalen van het Leidsch 
Museum, revisies van verscheidene indische plantenfamilien. 
Ook buitenlandsche kruidkundigen begonnen meer aandacht te 
schenken aan onze flora en publiceerden de resultaten van 
hunne studiën in verschillende tijdschriften. 

Dezelfde toestand als die, welke voor het verschijnen van 
Miquel's Flora bestond, zal dus spoedig weder ontstaan zijn 
en, evenals toen, ziet hij, die eene of andere indische familie 
wil bestudeeren , zich genoodzaakt om zich een groot aantal 
tijdschriften aan te schaffen. Is dit in Europa reeds een groot 
bezwaar, nog meer drukt het hier te lande, waar bijna geen 
enkele volledige of bijna volledige openbare bibliotheek gevon- 
den wprdt. 

Ik heb daarom gemeend een niet nutteloos werk te verrich- 
ten door uit buitenlandsche tijdschriften en brochures — voor zoo 
verre ik in de gelegenheid ben die te raadplegen — datgene bijeen 
te verzamelen , wat voor den beoefenaar van onze flora van ge- 
wicht kan zijn. Van tijd tot tijd hoop ik daarmede voort te gaan. 

Daar eene volledige opsomming te uitgebreid zoude worden 
voor den omvang van dit tijdschrift, heb ik gemeend van deze 
verzameling te moeten uitsluiten al wat, hetzij in algemeen 
systematische werken (zooals Decandolle's Prodromus), hetzij in 
afzonderlijk gepubliceerde monographién (zoo bv. het boek over 
de Commelinaceae van Dr. Hasskarl) of wel in de bovengenoemde 
Annalen van Miquel over indische planten is gepubliceerd. 

Ook de cryptogamen worden hier niet behandeld. Door het 
gemis van een werk, waarvan kan worden uitgegaan, zoude 
men alles moeten bijeenverzamelen wat over deze plantenafdee- 
ling reeds in vroegere tijden geschreven is: hiervoor ontbreekt 
mij vooralsnog de noodige gelegenheid. 

S. 

Buitenzorg , Juli 1873. 



55 

Dr. Berthold Seemann, in: Seemann* s Journal of Botany, 
p. 145, scqq. Revision of the natural order Bignoniaceae. 

Radermachera Zoll. et Moritz. Dit geslacht werd het eerst 
beschreven in 1855, in Zollinger's »Sy$tematisches Verzeich- 
niss" III p. 55. Bureau (Adansonia, II, p. 194) meende ech- 
ter, dat alleen de naam bestond en dat er geene beschrijving 
van het geslacht was gepubliceerd. Miquel, die aanvankelijk 
(Ann. Bot. Lugd. Bat., I, p. 198) het door beide auteurs ge- 
schrevene niet opgemerkt had, noemde het geslacht Lagaropyxis; 
korten tijd daarna bemerkte hij zelf zijne vergissing en gaf aan 
het geslacht zijn ouden naam weder terug. 

De auteurs van het genus kenden slechts ééne soort daar- 
van, nl. R. stricta, welke identisch is met Blume's Spathodea 
glandulosa. Bureau beschreef eene tweede soort, van de Phi- 
lippijnsche eilanden afkomstig, en Miquel eene derde {Spathodea 
Lobbii T. et B.) S. beschrijft nog twee soorten: ééne uil Ava, 
de andere van de Philippijnen. De synonymen van de species 
van den archipel zijn als volgt: 

1. /?. gigantea Miq., /. c, III, p. 250; Spathodea gigan- 
ten BI., Bijdr. p. 761 ; Lagaropyxis gigantea Miq., /. c, I, p. 
198 (excl. syn. Spathodea Lobbii). — Java, Sumatra, Borneo. 
Mal. Kipadali. 

2. R. Lobbii Miq., /. c, III, p. 250; Spathodea t. et r., 
Tijdschr. Nat. Ver. Ned. Indië. XXV, p. 415. Singapore, Bang- 
ka, Sumatra. 

5. R. glandulosa Miq., /. c; R. stricta, Zoll. et Moritz. 
/. c.\ Bur., Monogr. Bign., t. 28; Spathodea glandulosa Bl., 
Bijdr., p. 762; Stereospermum glandulosum Miq., Flor. Suppl, I, 
p. 565; Lagaropyxis glandulosa Miq., Ann. I, p. 199 — Java. — 
Kileungit en Kipadali lalaki. 

NrcrocALos t. et r. Dit genus werd opgesteld door Teijs- 
mann en Binnendijk in Miquel's Journal de Botanique Neërlan- 
daise I, p. 566, en wel naar aanleiding van het vinden van 



36 

eene Javasche klimplant, welker vrucht toen nog onbekend was. 
Miquel, die rijpe vruchten zag, wees aan (Anri., I, p. 201) 
dat de plant behoorde tot de Eubignotüaceae. Twee jaren later 
ontving Dr. Ferd. v. Muller eene zonderlinge nieuwe Bignonia- 
cea van Queensland (zie Fragm. phyt. Austr., IV, p. 148); zijn 
exemplaar was echter zonder vruchten. Hij baseerde op deze 
plant een nieuw geslacht Hausmannia. Het bleek S. dat beide 
geslachten identisch zijn. Naderhand zijn nog twee soorten bij 
dit geslacht gevoegd. De ééne was vroeger door Blnme naar 
sterile exemplaren als Tecoma cuspidata beschreven; de andere 
is eene soort uit Assam, te Kew gecultiveerd. De twee soor- 
ten, welke in onzen archipel voorkomen, onderscheiden zich van 
de beide anderen door het bezit van 5 vruchtbare meeldraden. 
Hooker (Bot. Mag., T. 5678) trok het bestaan van dien vijfden 
vruchtbaren meeldraad in twijfel, doch met weinig grond. Ook 
van het geslacht Newbouldia toch bestaan soorten met 4, en 
met 5 vruchtbare meeldraden; iets dergelijks is bij Diplanthera 
het geval : . D. tetraphylla R. Br. en D. bancana Scheff. hebben 
4 meeldraden en geenen rudimentairen vijfden, terwijl D. 'spe- 
ciosa Seem. den laatsten wel bezit. 

S. geeft de volgende diagnose van het geslacht: Calyx cam- 
panulatus, truncatus, margine extrorsus 5-dentulo. Corolla- 
elongato-infundibuliformis, tubo tereti leviter arcuato; lobi 5, 
subaequales v. inferiore majore, induplicato-valvati. Stamina 5, 
omnibus fertilibus, v. 4, didynama, cum quinto sterili, inclusa 
v. subexserta; filamentis filiformi-subulatis. Antherae loculis 
divaricatis v. parallele conjunctis, ab apice connectivi apiculati 
pendulis. Discus annularis, integer. Ovarium breviter stipita- 
tum, 2-loculare, ovulis 8-serialiter dispositis. Stylus filiformis; 
stigma bilamellatum. Capsula oblonga, compressa, valvis ligno- 
sis, septo tenui valvis parallelo, membranaceo-coriaceo, secus 
margines utrinque 5-serialiter seminifero, marginicide dehiscens. 
Semina membranaceo-alata; cotyledones planae, rotundatae, u- 
trinque emarginatae. — Frutices scandentes, glabri, Asiae et 
Australiae tropicae: foliis oppositis, 5-foliolatis , foliolis integer- 



37 

rimis, racemis terminalibus v. axillaribus, paucifloris, floribus 
speciosis albidis roseis v. purpureis. 

De soorten van den archipel worden door den S. aldus on- 
derscheiden. 

Eunyctocalos Seem.; stamina omnia fertilia; antherarum loculi 
parallele conjuncti. 

1. N. brunsfelsiaeflorum t. et b. Caiycis dentes ab= 
breviati, 5-angulares; corollae pallide carneo-rubellae tubus 2 — 3 
poll. — Java. 

2. N. cuspidatum Miq. , Ann. III, p. 249, t. 8, fig. B.; 
Tecoma cuspidatum Bl., Rumphia, IV, p. 35; N. brunsfelsiae- 
florum Miq., /. c, I, p. 366 quoad spec. celebica. — Molukken, 
Celebes. 

Dolichandrone Seem. Calyx spathaceus, longitudinaliter fis- 
sus, acutus, integerrimus. Corolla subinfundibuliformis, tubo 
elongato, limbo subaequali 5-fidó, lobis dentatis v. fimbriato- 
crispis, aestivatione imbricatis. Stamina 4, didynama, cum 
quinto sterili, fauce corollae inserta. Antherae glabrae, 2-locu- 
lares, loculis discretis. Stylus elongatus; stigma 2-lamellatum. 
Ovarium sessile-, oo-ovulatum, ovulis 12-seriatim disposilis. Dis- 
cus glandulosus integer. Capsula subcylindracea v. siliquae- 
formis compressa, loculicide-dehiscens, ex septo valvis contrario 
lateraliter dilatato spurie 4-loculans. Semina a>, ad quodque 
septi latus 2 — 5-serialia, suberosa, membranaceo-alata v. alis 
crassiusculis opacis, septo applicata, nee (ut in Stereospermo) 
in foveis immersa, superiora inferioribus incumbunt. — Arbo- 
res elatae or médiocres, in Asia et Australia tropica indigena, 
foliis oppositis verticillatisve (v. in pi. jun. et ram. infer. al- 
ternis), imparipinnatis v. simpficibus, foliolis vane ellipticis v. 
rarissime filiformibus , integerrimis v. denticulatis; floribus ter- 
minalibus racemosis v. paniculatis, corollis albis, quandoque 
fragranlibus. — Dolichandra, sect. B. Dolichandrone Fenzl, in 
Regensb. Denkschrift. III, p. 113. 

Bij dit geslacht, dat door de zamenstelling der vrucht ver- 



58 

want is met Jacaranda, schijnt het tusschenschot" door dat het 
zijdelings zeer verbreed is, en daardoor de zaaddoos vier- 
hokkig maakt, parallel te loopen met de kleppen, terwijl we- 
zentlijk het omgekeerde het geval is. 

Slechts ééne soort van dit geslacht komt in den archipel voor, 
nl. de volgende: 

D. Rheedii Seem.; arborea; loliis, calycibus, ovariis, cap- 
snlaque minute lepidotis demum glabris; loliis oppositis, pin- 
natis, 3—4 jugis, foliolis petiolnlatis, ovali-lanceolatis, acumi- 
natis, inlegerrimis, basi obliqnis, axillis nervorum barbatis; 
racemis terminalibus, 2 — 6-floris; calycedecidno, nervis obscuris; 
corollae (albae) utrinque glabrae tubo gracili (4—5 unc. long.) 
calyce triplo longiore, lobis (imbriato-crispis; capsula subcylin- 
dracea, acnta, recta (t — 2 ped. long.) glabra; seminum alis 
crassiusculis, opacis, truncatis. Spathodea tiheedü Wall. Cal., 
Dec, Prodr. IX, p. 206; S. Diepenliorsti Miq., Flor. II, p. 754; 
S.P Loureiriana Dec, /. c, p. 209?; S. longi flora Vent.; Big- 
nonia longissima Lour., Flor. Cochin. , p. 580?; B. longi flora 
Willd., Spec. lil, p. 504. — Malabar, ïimor, Rawak, Mergui, 
Laboean, Malakka, Sumatra, Java, Cochin-China, Ceylon, Nieuw- 
Caledonie. 



In een monographisch overzicht van de geslachten Escallonia 
Mütis , Belangera Camb. en Weinmannia L. , geplaatst in de 
Linnaea, XXXVI, p. 527 en v. v., zegt Dr. A. Engler het 
volgende omtrent de soorten van Weinmannia, welke in den 
Archipel voorkomen. 

W. sundana Miq., Flor. I, 1, p. 718. Folia aut impari- 
pinnata, inferiora bijuga, superiora unijuga aut simplicia; gla- 
bra, basi stipulis orbicularibus caducis inslrucla; foliola lan- 
ceolata, distanter serrulata. Pseudo-racemi axillares termina- 
lesque geminati v. terni. Calyx 4-partitns. Pjtala 4. Stamina 
8, glandulis interposita. Capsulae loculi monospermi? 






In de bosschen van Bantam <mi Buitenzorg. Dr. E. merkt 
bij deze soort op dat de plant niet met juistheid beschreven is. 

W. Blumei Planch., Miq., /. c, p. 719. Kamuli juniores 
tenues, paullum compressi, rufescentes, plusminusve appresse 
pilosi, senescentes leretes, rugosi, lenticellis albis obtecli. Folia 
rigida, subcoriacea, utrimque, nervo medio imprimis supra 
liolosericeo-ferruginco-piloso excepto, glaberrima, petiolo subtereli, 
supra paullum complanato longc petiolata, stipulis obovatis, 
cxtus pubescentibus instructa, impari-pinnata, 5-6-juga; foliola 
oblongo-lanceolata , basi obliqua acuta, apicem versus valde 
atlenuata, margine erenato-serrata , infima eeteris lateralibus 
duplo, terminali fere triplo minora, nervis mediis atque latera- 
libus utrimque, imprimis subtus prominentibus. Pseudo-racemi 
foliis subaequilongi gemini , axillares atque terminales , appresse 
pilosi, inferiore quarta parte midi. Flores parvi, 5-meri vel 4-meri: 
pedicelji gemmis longiores, singuli vel in fascicnlos terni-seni 
congesti. Calycis puberuli laciniae ovatae, obtusiusculae. Pe- 
taia obovata duplum laciniarum aequantia. Stamina cuui disci 
hypogyni glandulis oblongis, obtusis, dimidium laciniarum 
aequantibus alternantia, duplum petalorum aequantia. Ovarium 
ovato-globosum , dense sericeo-pilosum, stylis longioribus, fili- 
formibus coronatum. Capsula. . . . (Zoll. no. 1278). — Arbor 
ramis cortice canescenti instructis. Hamulorum internodia 
0.01—0.05 M. longa. Folia magna, petiolis 0.02—0.04 M. 
longis suffulta; foliola aclulta supra nitida, subtus pallidiora, 
0.02—0.06 M. longa, 0.01—0.02 M. lata. Ramuli axillares 
vix 0.02 M. longi, ramulos florileros geminos, basi foliis haud 
suffultos, 0.1 — 0.12 M. longos gerentes. Florum partes niag- 
nitudine et forma iis specierum plurimarum consimiles. 

In de bergstreken van Java. Soend. : ki ringü (*) 

W. Hor s field li Miq., /. c,, />. 718. Folia subcoriacea, pe- 
tiolo hirlello petiolata, nervo medio atque lateralibus sublus 



O Abusievelijk staat gedrukt: ki-singit. 



40 

dense hirtella, impari-pinnata , 4 — 5-juga, basi stipulis foliaceis 
suborbicularibus , basi pilosis instructa; foliola (0.04 — 0.08 M. 
longa) impari majore, longiuscule petiolulato excepto, sessilia 
v. subsessilia , e basi obliqua (superne resecta) lanceolato-oblonga 
acuminata, obtuse serrata. Rami floriferi foliis aequilongi, 
plerumque terminabs, dense hirtelli. Pedicelli breves atque 
tenues. Ovarium dense hirtum, stylis divergentibus longius- 
culis coronatum. Semina ...... . 

Java, bij Soerabaia. 

W. fraxinea Smith, Miq., I. c. Folia stipulis foliaceis maxi- 
mis reniformibus , integerrimis instructa , impari-pinnata ; foliola 
lanceolata , obtuse acuminata , crenata , basi obliqua, impar lon- 
gius petiolulatum. Flores polygami in racemos subpaniculatim 
aggregatos digesti. Ovarium dense lanatum, stylis brevissimis 
incurvis. 

Eene zeer weinig bekende plant, op het eiland Honimao 
(Molukken) gevonden. 

De soorten van dit geslacht , dat over bijna de geheele aarde 
in de tropische en subtropische luchtstreken verspreid is, komen 
meestal op vrij aanzienlijke hoogte boven de zee voor. De 
meeste soorten van onzen archipel en van Polynesie wijken 
van de amerikaansche soorten af door de ongevleugelde blad- 
steelen. 



Dr. H. F. Hance, engelsch vice-consul te Whampoa (China), 
in: Seemann's Journal of Botany. 

p. 41. Lasiolepis Bennettii Planch., (HarrisoniaB. et 
Hook lil.) Mio-, Flor., 1, 2, p. 678, komt ook voor op het ei- 
iand Hainan. 

Aldaar werd ook gevonden,: Crataeva magna De, Miq., 1. c. 
p. 102. 

p. 115. Het geslacht Delima. Bentham en Hooker hebben 
in hunne » Genera plantarum" het geslacht Delima behouden, 



41 

en onderscheiden het van Tetracera door dat het slechts één 
carpellum en daarin slechts 2— 3-eitjes bezit. Maar Planchon 
en Triana merken zeer te recht op (Ann. Sc. Nat., 4 me série, 
XVII, p. 20) dat Delima sarmentosa vaak een groot aantal 
eitjes bezit; daarom ook had S. vijftien jaren geleden, vertrouwende 
op de juistheid van de kenmerken, door verschillende schrijvers 
opgegeven, de plant onder den naam van Leontoglossum be- 
schreven. Daar sedert bovendien gebleken is dat ook sommige 
echte Tetracerae slechts 3 of 4 eitjes bezitten, terwijl deze btj 
andere soorten in een onbepaald' aantal aanwezig zijn , en daar 
T. sessiliflora en T. (JDelimopsis) hirsuta slechts één enkel 
vruchtbeginsel bezitten, is het duidelijk dat beide genera moe- 
ten vereenigd worden, zooals reeds door Planchon en Triana 
is voorgesteld. 

p. 295. Sambucus chinensis Lindl. In zijn Adversa- 
ria in Stirpes criticas (Ann. Sc. Nat., 5 me ser., V, p. 217) be- 
toogde S. reeds dat het kenmerk, door Decandolle aan deze soort 
toegeschreven, verkeerd is aangeduid. Alle bloemen zijn twee- 
slachtig en de vrouwelijke bloemen van Lindley zijn niets anders 
dan geaborteerde bloemen, die den vorm hebben van vleeschachtige, 
geele, komvormige ligchaampjes , zonder spoor van meeldraden 
of vruchtbeginsel, die korten tijd groeijen , groen worden en 
dan verwelken. Sedert dien tijd heeft S. bemerkt dat prof. 
Miquel deze dwaling reeds vroeger had vermoed; op de aan- 
wezigheid van deze ligchaampjes heeft deze echter, zonder ge- 
noegzamen grond, zijn subgenus Scyphidanthe gebaseerd. M. 
merkt daarbij op dat de S. chinensis en S. javanica Reinw. 
zeer verwant zijn, en de laatste soort wordt ook door Hooker 
en Thomson in hunne » Pr aecur sores" als in China voorkomend 
vermeld. S. twijfelt er niet aan dat de beide soorten identisch 
zijn , daar hij in Miquel's beschrijving (Flor. bid., 2, p. 124) 
niets vindt , dat op een verschil met de chineesche plant zoude 
wijzen. Junghuhn noemt de vrucht van de javaansche soort 
geel, Hooker en Thomson zwart, terwijl die van de planten 



il 



rondom Ganion rood is. Ofschoon S. gelooft dat Reinwardt's 
naam ouder is dan die van Lindley, komt het hem toch beter 
voor den laats ten te behouden. 

Dezelfde schrijver geeft in zijn » Supplement lo Mr. Bentham' s 
Flora Hongkongensis", geplaatst in het XIII e deel van het Jour- 
naal van het Londensche Linneaansche Genootschap, eene lijst 
van soorten, door hem op het eiland Hongkong gevonden en 
door Bentham niet in de genoemde flora opgenomen. Hij voeg! 
er verscheidene opmerkingen bij over andere daar voorkomende 
planten. Onder die opmerkingen zijn de volgenden van ge- 
wicht voor de flora van den Archipel. 

Cocculus Thunbergii, dc, Prodr., I, 98. — C. ovalifo- 
lius dc. en C. trilobus dc moeten beide tot deze soort gebracht 
worden. Dr. Hooker en Thomson hebben reeds de twee laat- 
ste soorten vereenigd {Flor. Ind., I, 190), terwijl Prof. Zuc- 
carini {Flor. Jap. Fam. Nat. I, 189) C. trilobus voor eene va- 
riëteit van C. Thunbergii hield. Daar ei een groot verschil 
in vorm bestaat bij de bladeren van deze soort, is de laatste 
naam te verkiezen boven de anderen. 

Car di o sper mum mi cv o c ar puin h. b. k. ; C. halicaca- 
bum Benth. (hand l.) komt ook op het eiland Hongkong voor. 

Rhus semialata Murr. , dc. Prodr., II, p. 67. Men meent 
dat deze soort ook in den Archipel voorkomt; doch waarschijn- 
lijk is zij niet inheemsen. (Miq. zegt in zijne Flor. 1, 2, p. 
622: »van Japan of China ingevoerd"). 

Spondias mangifera Pers; Evia amara Miq., /. c, p. 
641. — Hongkong, in dichte bosschen. 

Smithia conferta Sm., Miq. /. c, ƒ, 1, p. 272. — In brakke 
moerassen, nabij het strand. 

Adenantkera pavonina l. , Miq., /. c, p. 46. — Vrij al- 
gemeen om Hongkong. 

Melothria indica Lour. ; Aechmandra Wight, Miq., l.c. 
p. 658. — Op heuvels, in gras. 



45 

1 porno e a involucraia Beauv. , Miq., /. c, ƒ/, p. 609; 
I. laela Roxb. — Op de met gras begroeide hellingen van heuvels. 

Calosanlhes indica Bl., Miq., /. c.,p. 752. — In ravijnen 
aan de noordzijde van hel eiland. 

iRumex chinensis Campd; Meissn., dc, Prodr. XIV, 60. 
Aan de kanten der wegen, in de nabijheid der zee; vrij al- 
gemeen. 

Polygonum per foliatum l. ; Chylocalyx Hassk. , Miq., 
/. c. 1, 1, p. 1012. Het karakter, waarop door Dr. Hasskarl 
zijn geslacht Chylocalyx is gebaseerd, is daarvoor niet van ge- 
noegzaam gewicht. De graad, waarin bij verschillende Polygo- 
mem-soorten het perigonium in den vruchttoestand verandert, 
loopt zeer uiteen. Bij P. chinense l. wordt het geheel besachtig. 

Halophila ovata Gaud; Miq. , /. c, 5, p. 250. — Een steriel 
exemplaar uit de Kaoe-laeng-baai bevindt zich in het herba- 
rium van Dr. Hance. 

Pandanus odoratissimus Linn. fil., Miq., /. c, p. 156. 
Algemeen aan het zeestrand. 

Poll ia sorzogonensis Endl. Mr. Clarke (Joum. Linn. 
Soc, XI, p. 442) vereenigt deze soort met P. thyr si flora Endl., 
Miq., /. c, p. 541. Dr. Hance zegt dat de bloeiwijze der laatste 
geheel verschillend is van die van P. sorzogonensis. 

Eriocaulon sexangulare l., Miq., I: c, p. 525. — Op zan- 
dige plaatsen, aan zee. 

Cyperus castaneus Willd., Miq.,/. c.,p. 261. — Hongkong. 

Scirpus plant agi neus Rottb. : Eleocharis Miq., /. c, p. 
502. — Zeer algemeen. 

Fimbristylus complanata Link.; Miq., /. c, p. 520. De 
vezelachtige wortels van deze plant geven in verschen toe- 
sland, zelfs op een afstand van twee voeten, een zeer door- 
dringenden geur van zich af; deze geur heeft overeenkomst met 
die van hars, kamfer en peper. Door het droogen verliezen 
zij dezen reuk, maar dan hebben zij een kamferachtigcn smaak. 
Dr. Hance stelt voor deze wortels te gebruiken als een : slo* 
machic and stimulant tonic. 



44 

Fimbristylis cylindrocarpa Wall. — Hongkong, Ma- 
leische eilanden. 

Panicum stagninum Koen; Echinochloa Miq., /. c, p. 465. 

— In slaande wateren om Hongkong. 

Aristida Cumingiana Trin. et Rupr., Miq.,/. c.,/?. 381. 

— Tusschen de dorpen Aberdeen en Hongkong. 
Centhotheca lappacea Desv. ; Miq,, l. c, p. 598. — Niet zeld- 
zaam in vochtige wouden. 



Dr. P. Ascherson, Vorarbeiten zu einar Vebersicht der pha- 
nerogamen Meergewachse , Linnaea XXV, p. 152. 

De schrijver geeft in hovengenoemd artikel een algemeen 
overzicht van de verspreiding en de systematiek der zee-phane= 
rogamen. Het volgende is daaraan ontleend als betrekking heb- 
bende op de Flora van onzen archipel. 

l e . Fam. Hydrocharitaceae. 

l e trib. Stratioteae. 

E n hal us acoroides l. fil. ; Enh. Koenigii Rich., Miq., 
Flor., 5, p. 237. 

Schizolheca Hemprichii Ehrb. — Java (Vrijdag Zijnen 
in het herb. van Lenormand). 

2 e . Fam. Najadaceae. 

l e . Potameae. 

Cymodocea aquorea Kónig, Miq., /. c., ƒ?. 226. 

Cymodocea ciliata Ehrb., waarschijnlijk ook te vindei 
in de wateren van den archipel. Komt voor van de kust v; 
Voor-Indie, tot aan die van Nieuw-Holland. 

Hal o dule aus tralis Miq., /. c, p. 227. 

Amphibolis antarctica Labill., Miq., /. c.,p. 226. Komt 
waarschijnlijk niet in den archipel voor; is alleen aan de ex- 
tratropische kusten van Nieuw-Holland en Tasmania gevonden. 

2 e . trib. Halophileae. 

Halophila stipulacea Aschs.; Thalassia Miq., /. c, p. 226. 



45 

Halophila ovalis Hook. fil.; H. ovata Gaud., Miq., /. c. 
et Suppl. /, p. 41. 

ö major; H. major Miq., /. c. 
7 minor; H. Lemnopsis Miq., /. c. 

Otto Böckeler, Z)/e Cyperaceën des K. Herb. zu Berlin, in 
Linnaea XXXV p. 597, XXXV 1 p. 271, 691 en XXXV II p. 1. 

Door den Heer Böckeler worden de volgende soorten van den 
archipel opgenoemd. 

Tribus I Cypereae. 
Overzicht der geslachten: 

Spiculae uniflorae compressae discis prominen- 
tibus impositae. Stigmata dua. Caryopsis 
biconvexa Kyllingia. 

Spiculae uniflorae compressae. Stylus trifi- 
dus, basi pyramidatus. Caryopsis trigoua 
libera Courloisia. 

Spiculae uniflorae, serius teretiusculae; squamis 
pluribus inferioribus vacuis. Caryopsis squa- 
ma indurata inclusa Bemirea. 

Spiculae pluriflorae pi. min. compressae . . Cyperus. 

Spiculae pluriflorae compressiusculae. Caryop- 
sis perigynio concreta Anosporum. 

1. Kyllingia caespitosa n. ab. e. 

7 robusta — Philippijnen. 

2. K. melanosperma n. ab e.; K. vaginata Lam., Miq. 
Flor. Ind., 3, p. 290. — Java (Zoll. no. 2687.) 

3. K. aurata n. ab. e. 

7 Hohenackeri; K. fuscata Miq., I. c, p. 294. 

4. K. brevifolia Rottb.; Miq., /. c, p. 291; K. gracilis 
Zoll., Miq., I. c., p. 292. — Java. 

|3 longifolia — Java, (Jungh.), Luzon. 

5. K. monocephala Rottb.; Miq., /. c, p. 291; K. sororia 
Kujnth., Miq., /. c. — Java. 



46 

p subtriccps. — Java (Jungh.) 

V mindorensis', K. mindorensis Miq., /. c, p. 292. — 
Philipp. (Cuming 1558), Borneo (Teysrar.) 
e tenuis. — Timor (Gaud.) 

6. Coürtoisia cyperoides n. al) e., Miq., /. c., p. 295.. 

7. Remirea mantima Aubl.: Mariscus pungens Steud. et M. 
capitalus Steud., apud Miq., /. c, />. 288. — Java, Borneo, Phi- 
lippijnen. 

Cyperus l. 
Sect. I Pycreus. 
A. Eupycreus. 

a. Squamae floriferae varie modo coloratae plerumque Breves 
lato-ovatae v. ovato-oblongae, raro öblongae, subrotundato-obtu- 

sae, infra apicem denticulo saepius instructae, haud evidenter 
mucronatae. 

f Squamae flavescentes. 

8. C. ft aves eens l. — Luzon. 

ff Squamae fuscae v. nigricantes aut fusco-sanguineo-varie- 
gatae, raro ex toto stramineae. 
Squamae lateribus subsulcatae. 

9. C. Eragrostris Vahl.; Miq., /. c, p. 256. — Java. 

y melanocephalus ; C. melanocephalus Miq., l.c. 9 p. 259. — 
Java. 

£ cyrtostachys (*) Miq., /. c, p. 257. — Java. 

10. C. atratus Steud.; Miq., /. c, p. 259. — Java. 
Squamae lateribus planae, baud sulcatae. 

11. C. nilagiricus Hochst.: C. Junghuhnü Miq., /. c, 
p. 260. — Java. 

12. C. g lob o sus All.; C. vulgaris Kunth. , Miq., /. c, 
p. 256. — Java. 

cl. Squamae öblongae v. ovatae, acutae v. acutiusculae, bre- 
viter mucronatae. 

13. C. poly stachyus Rottb.; Miq., /. c, p. 258. — Java. 



(*) Bij Böckeler door eene schrijffout cyrtolepis genaamd. 



47 

e. Squamae (e carina) acuminatae. 

14. G. uit en s Vahl.; Miq., /. c, p. 255; C. gymnoleptus 
Steud., Miq., /. c. — Java, Sumatra, Philipp. 

B. Pseudopy evens. Caryopsi plano-convexa, interdum trian- 
gulari, squamae parallela. 

15. C. laevigatus l.; Miq., /. c, p. 260. 

16. C. stoloniferus Vahl.; C. tuberosus Vahl. et C. sto- 
loniferus Retz., Miq., /. c, p. 265. Styli haud raro trifidi. — 
Philippijnen. 

17. C. lamprocarpus n. ab. e. Stylus ut in specie prae- 
cedenti. — Philippijnen. 

Sectio II Eucyperus: stylo trifido, caryopsi triangulari. 

A. Aristali. Kunth., vid. Miq., /. c, p. 261. 

18. C. cuspidalus Humb. et Kunth.; C. castaneus Miq., /. 
c; C. solulus Steud., Miq., /. c, p. 265. — Java, Philippijnen. 

B. Compressi. Kunth., vid. Miq., /. c. 

19. C. radians Nees et Meyen. — Borneo (Teysmann). 

20. C. compressus l.; Miq., /. c, p. 263. — Java, Suma- 
tra, Philippijnen. 

/3 brachialm. — Manila. 

51. C. babakensis Steud.; Miq., /. c, p. 257. — Java. 

C. Difjfusi. Kunth., vid. Miq., /. c, p. 264. 

22. C. elegans Vahl.: C. racemosus Retz., Miq., /. c, 
p. 270. — Java. 

|3 moestus; C. moestus Kunth., Miq., /. c, p. 265. — 
Poeloe Pinang. 
25. C. diffusus Vahl.; Miq., /. c, p. 264; C. lagorensis 
Steud., Miq., /. c, p. 275. — Molukken, Philippijnen. 

p macrostachyus; C. pubisquama Steud., Miq., /. c, />. 
266. — Java. 

24. C. longifolius Pom., Miq., L c, p. 265. — ïimor. 

F. Bradeali s. Luzuloidel. 

25. C. monogynus Böcklr. Glaucescens; culmo erecto in- 
Brmo (8 poll. allo) compresso, apice extremo triangulari, pluri- 



48 

(6-) foliato; foliis remotis rigidulis arcuatis planis complanatisve 
supra lineam lalis laevibus, superioribus culmo longioribus; ca- 
pitulo solilario subgloboso denso e spicularum fasciculis formato; 
involucro 4 — 5-phyllo, phyllis longis (2 — 6-pollicar.) basi an- 
guste auriculatis; spicularum fasciculis squamis orbiculato-ovatis 
breviter mucronalis fullis; spiculis brevibus oblongis compressis 
subquadrifloris; squamis approximatis tenui-membranaceis oblon- 
gis breviter acuminato-submucronatis obsolete nervaüs acute 
carinatis, carina spinuloso-ciliolata, pallidis fuscescentibus; stam. 
3; ovario elliptico in stylum elongatum (vix semper) indi visum 
producto. 

(Descr. juxta specimen jüvenile. — In plantis Zolling. javan. 
sub no. 266 cum Kyllingiae specie commixtum erat). — Java? 

H. Haspani Kunth., vid Miq., /. c, p. 267. 
a. Dimorphi. 

26. C. pulcherrimus Willd., Miq., /. c, p. 267; C. eu- 
morphus Steud., Miq., /. c, p. 268. — Java. 

27. C. Haspan l., Miq., /. c, p. 267. 

a indicus. — Java, Sumatra, Borneo. 

J. Fusci, Kunth., vid. Miq., /. c, p. 268. 

28. C. difformis l., Miq., /. c, p. 269. — Java, Timor, 
Philippijnen. 

K. Leptolepides. Böcklr., /. c. 

29. C. Sorostachyus Böcklr.; Sorostachyus kyllingioides 
Steüd., Glum., p. 71. — Philippijnen. 

L. Sphaerolepides. Böcklr., /. c. 

30. C. Ir ia l., Miq., /. c, c. var. y. — Java, Celebes, Phi- 
lippijnen. 

M. Marginati. Böcklr., I. c. 

31. C. pil o sus Vahl., C. piptolepis Steud., Miq., /. c, 
p, 279. — Java, Sumatra. 

p muticus. — Java, Philippijnen. 

32. C. Heynei Böcklr. Radice fibrosa, densa; culmo 
2 — 1%-pedali acute triquetro saepissime pi. m. ccmpresso glabro 



49 

basi pauci-(raro pluri-)folialo; foliis culmo saepius parum longio- 
ribus spongioso-crassiuseulis complieaüs (raro planis fcuncque 
latis) longe acuminatis marginibus remotissime spinulosis v. lae- 
vibus; involucro snbtripbyllo , folio in Pimo patentissimo elongalo, 
6 — 12-poll. longo; umbella subcomposita pluriradiala ; radiis le- 
un ilms patulis 1 — 5 poll. long. brevioribusve, longioribus saepe sub- 
tridivisis; ramis lateralibus brevibus braetea breviter acuminata 
suffultis oligo-(o-^-)stachyis, intermedio 10 — 15-stacbyo; rbacbi 
glabra; spicnlis reinotis, interdum remolissimis, divergentibus 
lineari-lanceolatis acutiusculis compressis 5 — 12 lm. longis eire. 1 
sesquilineam latis 14 — W-floris , longioribus pi. m. curvatis; 
squamis (magnis) dense imbricatis serius apice vix patulis late 
ovato-subellipiLis , apice rolimdatis , muticis, obscure carinatis, 
superne tantum niargine lato undulato circumdatis, 7-nerviis 
stramineis , dorso rufescentibus, marginem versus pallidioribus; 
infimis binis vacuis coni'ormibus brevibus suborbicnlatis ; cary- 
opsi squama 1 — 2-plo breviore obovata apice obtusa triqnetra 
apicata punclulato-seabriuscula brunnea opaea ; stylo elongato 
profunde diviso pallido rum sliginatibus f'errngineo-pnnctulatis; 
rhacheola valida, t'oveis oblongïs laliusculis submarginulatis. — 
Java.* 

55. C. mal ave en sis Lam., Miq., /. c, p. 279. 

p monophyllus; C, spaniophyllus Steiid., Miq., /. c, p., 267. 

54. C. obliquus n. ab e.; C. pennatus Steiid., Miq., /. e., p. 
281. — Java, Timor, Luzon. 

55. C. di stans l. fil.; C. elatus Rottb., Miq., /. c, p. 
284. — Java, Sumatra , Borneo, Pbilippijnen. 

N. Corymbosi Böcklb., /. e. , 

a. Subap/u/lli : vaginis au! nudis aul breviter loliatis. 

56. C. eorymbosus Rottb.; Miq., /. c, p. 272; €. Pm* 
fforei Rottb. el C. dehiscens n. ab e., Miq., /. c, p. 275. - 
Java. 

//. Foliati. 

57. C. hun/as l. , Miq., /. c, p 271». 

DEEL XXXIV. 4 



H 

« elongatus. — Java. 

r, gracilis, C. Pangorei Vahl., Miq., /. ei, p. 275 pro parle. — 
Java. 

38. C. rofundus l., Mïq., I. c, p. 274; C. bidboso-sloloni- 
ferus Steud., Mïq., /. c, p. 266. — Java, Celebes, Pbilippijuen. 

39. C. ténuiculmis Böcklr. Viridis v. olivaceus, non 
raro stoloniferus ; stolonibus brevibus tenuibusque ; fibrillis radica- 
libus tenerrimis e culmi basi leviler incrassala v. raro e rbizo- 
mate lignoso brévi ortis: rulmo plerumqpe elongato strictiusculo 
perlenui, vix l / 3 lin. crasso, subrigido, 8 — 50 poll. longo Iriquetro 
acutangido, later ibus pi. m. excavalo el sh'iaLo, haud compresso, 
versus basin plurifoliato : foliis culmo brevioribus v. eum aequan- 
libus subrigidis anguslis, x / 2 — 1 liri. , raro l 1 / 2 lin. lat., non 
raro p. m. flexuosis, longissime setaceo-acuminatis acute cari- 
natis, margin ibus scabris subinvolutis ; involucro triphyllo, 
pbyllis erectis plerisque valde inaequalibus , inferioribus foliis 
basilaribus siniilibus v. omnibus subsetaeeis, infimo 2 — 8 poll. 
longo; umbella 3 — $ — 7-radiata: ochris saepe biaristatis; radiis 
erectis tenerrimis, subcapillaribus , longioribus 1 — 2, raro ad 
6 poll. long., non raro trirdmosis; ramis bracteis longiusculis 
linearibus perangastis superne carinalis ima basi vix parum 
latioribus subsemper munitis, lateralibus saepissime sessilibus 
monostachyis , intermedio 5 — 7-, raro tristachyo: spiculis sub- 
fasciculatis erectis interdum parum remotis patentilmsque, line- 
aribus v. raro lineari-lanceolatis acuminatis teretiuscnlis vix 
parum compressis, fructiferis subangulatis, 6 — 10, raro 4 lin. 
longis, floriferis y 2 lin., fructiferis 3 / 4 — 1 n n. latis: squamis 
cbartaceis remotis patulis, postremo ex toto liberis oblongis v. 
lato-oblongis obtusis v. acutiusculis , dorso 7— 5-striato-nervalis 
viridulisve, lateribus sordide stramineis rufescentibus v. fusces- 
centibus , marginibus an guste membranaceis ; rbacheola flexuosa 
compressa latiuscula late hyalino-alata dein subnuda; caryopsi 
magna squama eire. V3 breviore ellipsoideo-oblonga (immatura 
subobovala) triquetra angulis prominent ibus lateribus excavatis, 
mutica, vix umbonata apicata, granulis minutis dense obtecta 



51 

atrofusca nitente ; stylo parum exserto, haud proi'unde diviso, 
rubiginoso. — Batavia (Junghuhn) , Luzon (Haenke, Meyen). 

0. Papyri Kunth., vid. Miq., I. c, p. 279. 

40. C. racemosus Retz., Miq., /. c, p. 278, C. bispica- 
tus Steüd., Miq., I. 'c, p. 285. — Java. 

41 . C. ven u stus R. Br. , Miq., /. c, />. 280. — Java, Timor. 

P. Exdltati Bock lr , 1. c. 

42. C. radiatus Vahl. , Miq., I. c, p. 277. — Java, Timor. 
$ elongatus , C. macro sciadon Miq., /. c. — Philippijnen. 

43. C. exaltatus Retz., Miq., /. è., p. 276,; C. altus l., 
Miq., /. c. — Java. 

44. C. alopecuroides Rottb., Miq., /. c, p. 261. 
a dives. — Java. 

Q. Spicali Böcklr., 1. c. 

45. C. cruentus Rottb., Gram., p. 21, tab. 5, fig. let 4. 
Philippijnen. 

46. C. canescens Vahl; C. holciflorus Presl., Miq., /. c, 
p. 282; C. stigmatosus Steud., Miq., I. c. p. 278; C anomalus 
Steud. , Miq., /. c., p. 277. — Java, Timor, Philippijnen. 

47. C. Zollingeri Steud., Miq., /. c, p. 264. — Java. 

S. Leptostachyi. Böcklr., /. c. 

48. C. dilutus Vahl., Miq., /. c, p. 285; C. septatus 
Steud., Miq., /. c, p. 284. — Java, Snmatia, Philippijnen. 

49. C. nitidulus Böcklr. Viridis v. raro glaucescens. 
Radice fibrosa fascicnlata; culrao basi subtuberascente 1 — 2-pe- 
dali pennam gallinaceam v. anserinam tenuem crasso rigidulo 
triquetro non raro leviter compresso, latere uno profunde ca- 
naliculato, versus basin pluri-(5-)foliolato; foliis nitidulis alter- 
nis remotis membranaceis latis, o — 4 raro 2 lin. latis, lineari- 
lanceolatis acuminatisque planis trinerviis, supra saepius intense 
viridihus infra pallidiorihus marginibus nervisque scabris, supe- 
rioribus culmo longioribus; vaginis antice tenni-meinbranaeeis 
pallidis ferrugineo-punctülatis; involücro 6 — 8-phyllo, phyllis 
inferioribus patentibus 6 — 9 poll. longis; umbella compösita v. 



52 

decomposita mulliradiata, radiis patentibus validulis 4 — 1 poll. 
long.; ochreis Iransverse truncatis in laminam brevem saepius 
bifldam próduqtis v. ore breviler bicuspidalis; umbellulis sub- 
corymbosis 6 — 5-radiatis foliis 5 — 4 anguslis ipsas fere aequan- 
tibus involucratis ; radiolis divergentibus setaceis, interiore bre- 
vissimo pluriramoso , exteriorilms 1 — 1 I± poll. long. 3 — 2-ramosis 
v. indivisis; ramis patentissimis cum spiculis inferioribus brac- 
teis setaceis fnltis; spicis cylindraceis obtusis, apicalibus 9 — 12 
lin. long., lateralibns dimidio brevioribns; spiculis tenuissimis 
laxe dispositis patentissimis subreflexisve llexuosis linearibns 
tereliusculis apice subacutis 5 — 0V2 bn. long. G — 7-floris; squamis 
subalternis remotiusculis laxe adpressis ovatis v. ovato-oblongis 
obtusis (inferioribns intefdum rolundato-obtnsis) v. acutiuscnlis, 
muticis v. obsolelissime mucronatis, convcxo-navicnlaribus, late- 
ribus membranaceis albidis v. lutescentibus sanguineo-v. atro- 
purpureo-lineolatis b-nerviis, carina viridula tenuissime pluriner- 
vata; caryopsi juvenili oblongo-lineari perlenni triangulari ; 
stylo elongato tenerrinio profunde fri/Ulo terrngineo; rbacbeola 
tenuissima IVagili, artienlis brevibus pellucido-marglnatis. — 
Cypero pennato Lam. babitu similis. 
Pbilippljnen. 

T. Mariscl Böcklr., /. c. 

b. Spicae (simplices) suborbiculatae. 

ff Spicae plures pedunciilatae. 

50. C. panieeus Böcklr.; Kyllingia Rottb.; Mariscus Vaiil., 
Miq., /. c, p. 289. — Molukken, Pliilippijnen. 

51. C. cylindrosïachy s Böcklr., /. c; Mariscus mnbel- 
latus Vahl., Miq., /. c., p. 288; M. phiUppinensis Steud., Mio., 
l- c, p. 290. — Java, Sumatra, Molukken, Pliilippijnen. 

U. Diclidia Schrad., Böcklr., /. c. 

52. C. pennatus Lam. — Java, Pliilippijnen. 

55. Anosporum pallidum Böcklr. Glancescens. Hadice 
fibrosa; cnlmo pluripedal} compresso-triqnetro, superne ad an- 
gulos scabro v, toto laevi, latere uno profunde canaliculalo, 



53 

versus basin foliato; foliis elongatis planis 4 lin. lahs, margine 
costaque serrulato-scaberrimis; corymbo depresso effuso, ad pedem 
lato, 6 — 7 poll. alto, decomposito (iuterdum composito) multi- 
ramoso polystachyo; ramis ramulisque alternis patentissimis om- 
nibus foliaceo-bractealis ochreatisque ; ochreis ore obliquis obtusis 
bracteolisque sulcato-striatis, bis marginibus patenti-spinulosis; 
spiculis 6 — onisve in ramorum apice palmatim dispositis diver- 
gentibus oblongo-lanceolatis leviter compressis 30 — 10-floris: 
squamis arcte imbricatis orbiculato-ovalis concavis, e dorso pla- 
niusculo tricostato mucronatis, apice vix carinatis, sordide stra- 
mineis lateribus ferruginescentibus v. lutescentibus; caryopsi 
(perigynio sociata) ovali satis compressa interne plana v. con- 
eaviuscula externe convexo-angulata, matura fuscescente, peri- 
gynio pallido late marginata, vix rostrata; stylo brevi apice 
trifido. — Java (Nagler). 

Trib. II Scirpeae. 

Overzicht der geslachten: 

Culmi vaginati aphylli. Spicula unica nuda. 
Perigonium setosum. Stylus ima basi con- 
strictus, parte inferiore incrassala persistens. Heleocharis. 

Vaginae foliatae. Spiculae copiosae v. singulae. 
Perigonium setosum v. deficiens. Caryopsis styli 
basi remanente mucronulata v. tubereulo ter- 
minata Scirpus. 

Spiculae saepiss. numerosae. Perigonium nullum. 
Stylus complanatus v. capillaris, fimbriatus, 
basi bulbosa a fructu secedens . . . . . . Fimbristylis. 

Spiculae plerumque copiosae, compressae. Squa- 
mae florigerae primo distichae, postea subspi- 
rales. Stylus complanatus fimbriatus, basi py- 
ramidala trigonus Abildgaardia. 

Spiculae pliiri-multiflorac saepiss. umbellatim dis- 
positae. Squamae spirales conforrnes persistentes 
ecarinatae uninerviae, omnes saepissime lertiles. 



/ 



u 

Perigonii partes capillares tardius valde elonga- 

tae comam densem formantes Erwphorum. 

Spiculae conglomeratae multiflorae saepiss. nigri- 
cantes. Squamae undique imbricatae ecarina- 
tae pubescjentes aristato-mucronatae plerumque 
trinerviae. Staminodia squamiformia in basi 
fructus persistentia. Perigonium setosum v. 
nullum. (Plantae saepiss. valde pilosae, cul- 
mis foliosis Fuirena. 

54. Heleocharis subprolifera Steud.; Eleocharis Miq., 
/. c, p. 300. — Java. 

55. H. c ha et ar ia Roem et Schult.; Chaetocyperus seta-. 
ceus Nees, Miq., I.' c, p. 298. — Java, Snmatra. 

56. H. ochrostacky s Steud.; Eleocharis Miq., /. c, p. 50 1 
— Java. 

57. H. capilala R. Br.; Eleocharis Miq., /. c, p. 299. — 
Java, Timor. 

58. H. varieqata Kunth.; E. planiculmis Steud., Miq., 
/. c, p. 301. — Java. 

59. H. plantaginea R. Br.; Eleoch. et E. eqmsetina Presl., 
Miq., I. c, p. 302. — Java, Philippijnen. 

Sleutel der bovenvermelde soorten: 

a. Spiculae compressae pauciflorae; squamis subdistichis v. 
trispiris Nos. 54 & 55. 

b. Spiculae teretiusculae submultiflorae; squa- 
mis pleiospiris 

f caryopsis triangularis 56. 

ff » biconvexa 57. 

c. Spiculae elongatae cylindraceae multiflorae; 
squamis evidenter spiraliter dispositis latis 
obtusissimis. 

f culmi angulati 58. 

ff » teretes 59. 

Scibpus l. 

60. S. fluit ans l.; Eleogiton Miq., /. c, p. 313. — Java. 



55 

61. S. confervioides Póra.; Eleobharis Miq., /. c, p. 505. 

— Java. 

62. S. supinus l.; S. juncioides Roxb., S. timorensis Kunth., 
S. javanus Nees pro parte et S. luzonensis Presl. apud Miq., 
/. c, pp. 505, 505, 505 el 504. — Java, Timor, Philippijnen. 

65. S. mucronat'us l., Miq., /. c, p. 504; S. javanus Nees 
pro parle. — Java, Timor. 
'64. S. trialatus Böcklr., in Flora 1859, p. 445. — Java. 

65. S. maritimus l., Miq., /. c, p. 506. — Java. 

66. S. gr os sus l. fil., Miq., /. c, /?. 507. — Java, Siuna- 
tra, Luzon. 

67. S. bar bat us Rotïb.; holepis R. Br., L Cumingii Steud. 
et /. involuceUata Steud., Miq., /. c, p. 510 et 511. — -Java, 
Timor, Philippijnen. 

68. S. capillaris l.; Isolepis Miq., /. c, p. 511; L tricho- 
kolea Steud., Miq., /. c, p. 508. — Java. 

69. S. puberulus Pom., ƒ. armerioides Miq., /. c, p. 510. 

— Java, Sumatra. 

Sleutel van bovenstaande soorten: 
Sect. 1. Stylus basi aequalis. 

a. Spicnlae solitariae. 

\ Spiculae nudae No. 60. 

■j-f » involncratae. ........ 61. 

b. Spiculae involncratae saepius plures fascicu- 
latae * . 

c. Inflorescentia maxime evoluta terminalis foliis 

pluribus involucrata 

Sect. II. Stylus basi bulboso-incrassatus. 

a. Spiculae capitato-congestae 

b. Spiculae in anthelae ramis solitariae . . . 

70. Fimbristylis acumïnata Vahl. — Ind. or., Ceylon., 
Amboina. 

P minor; Abilgaardia brevifolia Steud., Miq., Fl. Ind. Bat. 
III, p. 297. 

71. F. juncea Roem. et Schult. ; F. polytrichoides n. ab e., 



62 


& 65. 


64 


— 66. 


67. 




68 k 69. 



56 

Miq., Fl. I. c, p. 515 ; Abilgaardia javanica Steud. , Miq., /. c, p. 
297. — India oriënt., Java (Cheribon), Ceylon, Manila, Ins. 
Societ. 

72. F. bispicata Nees et Meyen, — Ind. or. , Java, Luzon, 
China , Japonia. 

75. F. cylindrocarpa Kunth.; F. abjiciens Steud., Miq. 
/. c, p. 516. — Ind. or., Ceylon, Celebes prope Macasar. 

74. F. aëstivalis Vahl. — Ind. or., Java (Zoll. no. 5072) 
Luzon, Amur. 

75. F. polymorpha Bócklr. Viridis v. glauea ; caespitosa; 
rhizomate brevissimo v. quandoque parum elongato ; eulmis plu- 
ribus multisve filiformibus infirmis obsolete triangnlaribus p. m. 
compressis, striatis (sursum interdnni scabris) l /j-2 ped. alt., 
basi multifoliatis ; foliis herbaceis v. rigidulis patentibus culmo 
plus dimidio brevioril)us v. etiam eum aeqnantibus linearibus 
planis obtusis lineam lalis v. mnllo angustioribus, glabris v. 
pubescentibus , marginibns serrulato-scabris ; vaginis saepius 
pubescentibns tenui-membranaceis testaceis suboblique truncatis; 
umbella composita v. decomposita pluri- v. pauciradiata, radiis 
valde inaequalibus patentibus; involucro 2 — 5-pbyllo; phyllis 
basi saepiss. ciliatis , infnnis umbeila brevioribus v. multo lon- 
gioribus; spiculis ovatis v. ovato-lanceolatis v. ellipsoideis, acn- 
tiuseulis multifloris 2 — 4 lin. long.; squamis scariosis arcte 
imbricatis orbiculato-ovatis alte convexis obsolete carinatis obtu- 
siusculis, mucrone brevi ac tenui, carina viridula obsolete tri- 
nervia, stramineo-ferruginescentibus nitidulis glabris (rariss. 
puber ulis) ; earyopsi grandiuscula squama eire. 1 I 3 breviore 
stipüata lurgide lenticulari late obovata unibonata Longitudina- 
liter costulata Iransversimque subtiliter striala, vertice non raro 
tuberculis sparsè conspersa, straminea v. interdum luseescente 
aut nivea; stylo exserto ümbriato-ciliato ; stam. 5 — 1. — F. 
communis Kunth. , Miq., /. c, p. 525 ; F. squarrosa Vahl., ibid. 
p. 519; F. ambigua Steud., ibid. p. 525; F. pkiUppica Steud., 
ibid. p. 524. 

Europa, Africa, Ind. or. , Java (prope Tjikoja), Sumatra 



87 

(Padang) , Timor , Philipp. , China , Japonia , America , Nova- 
Holl. 

76. F. fcniif/iuca Vaiil. ; F. Sieberiana Kunth., MlQ., 
/. e., p. 526. — Timor, Mauritius, Prom. b. spei, Abyssinia. 

77. F. serirea R. Br. — Java, China. 

78. F. filiformis Kunth. — Singapora, Malacca. 

79. F. aiUumnalis Roem. et Schult.; F. complamta,him, 
Miq., /, c, p. 520 ; F. amblyphylla Steud., Miq., /. c, p. 324. — 
America, Abyssinia, India or. , Java, Timor, Philipp. , Fichi, 
China. 

80. F. miliaeea Vahl. — Bourbon, Mauritius, Ind. or., 
Ceylon, Java (Tjikoja, Weltevreden, Gedé), Sumatra (Padang), 
Timor-, Ins. Marianae et Philipp., China, Japonia, Guatemala. 

81. F. s al bundia Kunth. — Ind. or., Java. 

82. F. (j lob ulo sa Kunth; F. efoliala Steud., Miq., l.c.,p. 
518. — Ind. or., Ceylon, Java (m. Parang, Bandar-petéh , Pro- 
bakti, Tjibogo, Wijnkoopsbaai, Megiri), Sumatra (Padang), 
Malacca, Ins. Marianae. 

85. F. g lome rata N. ah Es.; F. laevissima Steud., Miq., 
/. c, p. 524; F. rigida Kunth., Miq., /. c, p. 527; F. cymosa 
B. Br., Miq., /. c, p Y 528. — Arabia, Africa, Ind. or., Ceylon, 
Java (in ora meridionali), Timor, Mauritius, Ins. Sandwic, Ma- 
rianae, Brasilia. 

Sleutel der opgenoemde soorten: 

Sect. I. -Stylus complanatus bilidus. 

a. spiculae singulae. 

f caryopsis subsessilis No. 70 — 71 

ff caryopsis stipilata ....... » 72 75 

e. spiculae uinbellatae 

f spiculae in radiis radiolisque solitariae . » 74 — 76 

j-f spiculae plures in umbellae radiis fasciculatae » 77 

Sect. II. Stylus tennis trifidus. 

<i. spiculae solitariae v. plures fascieulalin' 

scssiles » 78 

b. spiculae umbellatae. 



38 

f spiculae in radiis radiolisque solitariae . » 79—82 

ff spiculae plures in radiis conglomeratae » 83 

84. Abildgaardia monostackya Vahl. — America, Africa, 
Ind. or. , Java (ïjikoja, Weltevreden, Wij nkoops baai , Megiri, 
m. Gedé) , Ceylon, Ins. Manila, Luzon. 

85. Eriophorum comosum Wall. — Ind. or., Poeloe 
Pinang. 

86. Fuirena g lomer ata Lam.; F. Roftböl/i N. ab. Es.. 
Miq., /. c, p. 529. — Africa occ. et or. , Ind. or., Java, Suma- 
tra (?), Celebes (Macasar, Sanias), Tiinor, Manila. 

87. F. umbellal a Rottb. ; F. pentagona Wight , Miq.. 
/. c. — America, Africa, Mauritius, Ceylon, Java (Tjikoja, 
Bogor) , Sumatra (Padang) , Ins. Philipp. , Malacca , Marianae, 
China. 

88. Lipocarpha ar gent ea K. Br. Africa, Mauritius, 
Madagascar, Ind. or. , Sumatra (Tobah, in. Si-katam), Ins. 
Philipp. , America. 

89. L. microcephala H. Br. - Celebes (Makasar). ' 

90. Hypolytrum compaclum N. ab E. — Manila. 

91. H. hu mi Ie Böcklr.; Pandanophyllum Hassk. , Miq., /. 
e., p. 554. Viride ; rhizomate elongato subrepente crasso duro, 
fibrillis longis validis; culmis seriatis abbreviatis (8 — 5 poll.) 
obsolete trigonis, supra basin monophyllam vaginis aliquot bre- 
vibus acuminatis vestitis; foliis quam culmi multo longioribus 
(subbipedalibns) coriaceo-rigidis laevibus super ne planis triner- 
viis 5 — 6 lin. latis, inferne longe angustatis complicatisve ; co- 
rymbo capitato-contracto ovato-oblongo (fructifero subgloboso) 
9 — 12 lin. alto, bracteis nonnullis vaginis basilaribus similibus 
suffulto; spiculis oblongis plurifloris 5 lin. criciter longis; 
squamis parvis oblongis obtusis v. acutiusculis uninerviis stra- 
mineo-fuscescentibus; caryopsi grandiuscula squamam excedenU 
subglobosa obsolete marginata apiculata grosse rugosa, priiiK 
viridi, postea intense fusca, vertice membrana ferruginea vestita 
squamulis caryopsi multo brevioribus angustis, carina ciliolatis. 
— Java. 



59 

92. H. gigantcum Wall.; H. Irinervium Kunth et H. 
lati folium Rich. , Miq., I. c, f. 522 et 535. Ind. or. , 
Ceylon, Malacca, Java (or. mer. in prov. Bantam) , Lnzon. 

95. Pandanophvllum pa lustre Hassk. — Java (m. Salak, 
Pasii -madang et Probakti). 

94. Lepironia mucronata Rich. — Malacca, Ceylon, 
Borneo , Madagascar. 

95. L. enodis Miq. — Sumatra (Palembang). 



Prof. E. Regel. Revisio specierum Crataegorum, Dracaena- 
rum, Horkeliarum, Laricum et Azalearum, in Troedy [Anna- 
len van den bot. tuin te Petersburg) , I, p. 105. 

Aan de algemeene »dispositio specierum" van het geslacht 
Dracaena, door den schrijver gegeven, wordt het volgende over- 
zicht der soorten uit den archipel ontleend. 

Sectio I. Folia sessilia. 

A. Foliorum costa media robusta, utrinque satis conspicua. 
a. Folia margine concoloria. 

1. Dr. umbraculi f era Jacq., folia 1 — IV2 poll. lata, 
2—5 ped. longa. 

2. Dr. f r ut i co sa Bl., folia 2 poll. lata, 17—20 poll. 
longa. 

B. Foliorum costa media supra vix conspicua, infra convexe 
elevata. 

a. folia basibus semiamplectentibus caulis internodia non 
occultantia. 

5. Dr. reflexa Lam., folia concoloria. 

b. folia basibus amplectentibus caulis internodia tol idem oc- 
cultantia , hyalino-marginata. 

4. Dr. Rumphii Hook., folia 1 — IV4 poll. lata, 1 x /4 — l 3 /* 
ped. longa. 

C. Foliorum costa media imlla. 

5. Dr: Dra co l/, truncus crassus, arboreus; folia 1 — \% 
poll. lata, IV2 — 2V2 ped. longa. 



60 

6. Dr. s al i ei folia Göpp., caulis teuuis ramosus suftïuti- 
cosus; fol. 2 / 5 poll. lata, 0V2— V/2 'poll. longa. 

Sectio II. Folia petiolata. 

7. Dr. javanica Kunth., folia acuta; paniculae subsessilis 
rami patentes. 

De diagnosen der verschillende species worden door hem ge- 
geven als volgt: 

1. D. umbracidi f era Jacq., Cordyline Miq., Flor. hut. 
Bat. III, p. 557. Truncus simplicissimus , erectus, usque 7 
ped. altus. Folia sessilia, semiamplexicaulia, in apice caulis 
nmbellato-expansa , cernua, elongato-lineari-lanceolata, 1 — l 1 ^ 
poll. lata, 2 — 5 ped. longa, nervo intermedio utririque promi- 
nente percnrsa, nervisqne tenuibus longitndinalibus strialo-ve- 
nosa. Panicula terminalis, hrevissima, dense corymbosa. Flores 
in ramnlornm apice fasciculali, pedicello brevi crassoque insi- 
dentes, extus rnbelli, intus alhi, longe tnhulosi; laciniis tuho 
plus duplo brevioribus. 

Mascarenen. Gekweekt op Java. 

2. D. fruticosa Bl.; Sanseviera Bl., Gat. Buil., p. 61: 
Terminalis angusti folia Rumph., Herb. Amb. IV, p. 79, tab. 55; 
Cordyline Bumphii Miq., (haud Hook.), /. c, p. 556 (cxcl. syn. 
D. angusti folia Roxb., Wall. et Kunth.) Caulis fruticosus, api- 
ce tantum foliosus. Folia sessilia, lineari-lanceolata, 2 poll. 
lata, 17 — 20 poll. (teste Rumphio), 12 — 13 poll. (secundum 
specimen a nobis visum) longa, nervo intermedio utrinque con- 
spicua percursa, amplexicaulia , basibus internodia occultantia. 
Panicula simplex, terminalis; ramis laxe racemosis; floribus bi- 
nis v. solitariis; bracteolis scariosis, ovatis, aculis, quam pedi- 
celli brevioribus. Stylus stamina aequans. 

Java, Mol ukken, Amboina, Pegu. 

5. D. reflexa Lam.; Cordyline timorensis Planch., Miq., /. c. 
Caulis fruticosus, ramosus, apicem versus foliis veslitus. Folia 
recurvo-patentia, lineari-lanceolata, basi semi-amplectente caulis 
internodia non occultantia, nervo intermedio supra inconspicuo 






61 

infra convexe prominente percursa striatoque nervosa, 3 / 4 — li/ 4 
poll. lata, 5 — 8 poll. longa, margine concoloria. Panicula sim- 
plex, suberecta, terminaljs v. sublerminalis, ramis laxe race- 
mosis. Flores solitarii v. rarins bini ternive. Bracteolae sca- 
riosae, pedicellis breviores. Corolla 3 / 4 poll. longa, extus virescens, 
in lus alba. Stylus stamina superans. 
Madagascar. Oost-Indie. Tinior. 

4. 1). Rumphii Hook. (baud CordyUne Miq., /. e.). Trun- 
cus arboreus, robustus simplex, bumilis, apice foliorum coma 
vestitus. Folia sessilia, patentia, apicem versus recurva, linea- 
ri-lanceolata , basibus amplectentibus concavis caulis internodia 
occullantia, altius plana, apice sensim sensimque in acumen 
longum attenuata, 1— V\ A poll. longa, 17 4 — 1 3 / 4 ped. longa, 
margine tenui transparente circumdata, nervo inlermedio supra 
inconspicuo infra convexe lateque prominente percursa. Pani- 
cula terminalis, erecta, composita, ramulis racemosis. Flores 
terni v. quaternl Bracteolae ])edicellis breviores. Corolla viri- 
di-alba, pollicem et ultra longa. Stamina stylum aequantia; 
tilamentis apicem versus dilatatis erenatoque rugosis. 

Oost-Indie. 

5. D. Dra co l., Miq., /. c, />. 555. Truncus erassus ar- 
boreus, apice ramosus. Folia sessilia, basibus semianiplecten 
(ibus caulis internodia occullantia, ad trunci ramorumque apices 
congesta, lineari-lanceolata, in apicem pungentem altenuati, 
nervo intermedio nullo, 1 — .l A / 4 poll. lata, IV4— l 3 / 4 ped. longa. 
Panicula terminalis, ramosissima, loliaceo-bracleata, ramis per 
lernos congestis. Flores quaterni v. quini, pedicellati. Corolla 
lubulosa, extus albo-virescens, intus alba, laciniis tubo triplo 
longioribus. 

Qanarisehe eilanden. Gekweekt in den arcbipel. 

6. D. s al i ei folia Regel; Cördylïke Cöpp. Suffnilex hu- 
milis raniosissimus habitu />. reflexae. Caulis ramique üexuo- 
si, eire. Vr» poll. in diametro; a basi v. a medio 1'oliis vcslili. 
Folia recurvo-patentia, lineari-lanceolata, basibus semiampler- 



62 

tentibus caulis inlernodia non occultanlia, 2 / 5 poll. lata, 3V2 — &Vi 
poll. longa, uiululata, nervo inlermedio nullo. Flores ignoli. 

Het vaderland is niet met zekerheid bekend; waarschijnlijk 
echter behoort deze soort op Java te huis. 

7. D. javanica Kunth.; Cordyline Sieboldii- Planch., Miq., 
/. c, p. 557. Caulis ereetus, iïuticosus, simplex v. ramosus. 
Squamae ad nodos inferiores scariosae, amplectenles, deinde 
deciduae. Folia oblongo-elliplica, leviter undulata, hasi in pe- 
tiolum eire. V2 poll. longum canaliculatum attenuata, apice in 
acumen recurvum attenuata v. breviter acuminata, nervo in- 
termedio vix prominente nervisque tenuissimis longitudinalibus 
percursa, IV2 — % poll. lata, 4 — o poll. longa. Panicula termi- 
nalis, sessilis, simplex, basi bracteis nonnullis stipata; ramis 
patentissimis v. subhorizon taliler pa tentibus, laxe racemosis. 
Flores solitarii usque terni, breviter pedicellati, bracteolis bre- 
vibus eire. 2 lin. longis quam pedicelli brevioribus suflulti. Co- 
rolla circiter pollicem longa; tubo cylindrico; laciniis oblongo- 
linearibus, patentibus, tubum circiter aequantibus. 

Java. 

fj maculata Regel; C. maculata Planch., Miq., I. c.; foliis albo- 
maculatis. 

Java, Sumatra, Pöeloe-Pinang. 

In de » Garlen flora : Die Arten der Gattung Dracaena", ver- 
meldde dezelfde schrijver nog eenige bijzonderheden aangaande 
eenige der hier opgenoemde soorten. 



Prof. E. Regel, Animadversiones de plantis vivis nonnuUis 
Horti botanici imperialis petropolitani. (*) 

1. Amorphophallus Rlume, Miq., /. c, p. 201. De S. ver- 
eenigt onder dit geslacht weder de genera Conophallus, Bra- 



"(*) Slechts een afzonderlijke afdruk van dit opstel is door mij ontvangen. 
Waarschijnlijk is het gepubliceerd in het tweede deel der bovengenoemde 
Troedy. 



63 

chyspatha en Amorphophallus , zooals Schotl die heeft opgevat, 
en geeft dien ten gevolge deze nieuwe diagnosis: Spatha basi 
convolula, apice in limbum patentem v. rarius suberectum 
transgrediens. Spadix inferne continuo androgynus; genitalibus 
rudimentariis nullis; appendice sterili laevigata v. granuloso- 
verrucosa, elongala v. depresso-dilatata v. subclavata. Anthe- 
rae distinctae, sessiles, apice poro duplici dehiscentes. Ovaria 
plurima, in spadicis parte inferiore laxe disposita, libera, 2 — 5- 
v. varissime 4-locularia. Ovula in loculis solitaria, basilaria, 
anatropa. Stylus plerumque nullus v. rarius brevis v. ut specie. 
rum a cl. Schottio cum Amorphophallo junctarum satis elongata- 
Stigma discoideum, planum, 2- 4-crenatum v. lobatum, v. 
lobis conniventibus subcapitatum. 

Amorphophallus Muil er i Bl., Bumphia 1, pag. 145; 
Brachyspalha Miq., /. c; Conophallm Blumei Hort . bogor . Scapo 
petioloque laevibus; spathae limbo explanato, margiue undulato, 
apice acuminato; spadice obtuso spatbam supcrante; antheris 
quaternis; stigmate peltato, plano, 4-lobo. Species in Scholtii 
Prodr. syst. Aroidearum omnino omissa. 

Scapus radicalis , apbyllus, cylindricus , laevis , laete viridis, 
maculis striisque albis pictus, circiter 60 c. m. altus (2 pedes 
alta Blume 1. c.) et 3 c. m. in diametro, basi bracteis duabus 
inaequalibus lanceolatis scariosis vestitus. Spatha terminalis, 
maxima, 25 c. m. longa et in statu explanato aequilata, margine 
undulala, a basi supra medium in tubum spadicis partem in- 
feriorem foemineam involventem convoluta, limbo explanato 
apicem versus sensim acuminato, (acuto BL, 1. c), extus pal- 
lide fusco-flavida alboque guttata , limbo intus fusco-purpureo 
insigniterque albo-maculato, tubo intus flavido basin versus 
glunduloso-verrucoso; spadix spatbam superaus, circiter 50 c. 
m. longus; parte inferiore sexifera crassa cylindrica; parte in- 
fima foemiuea, intermedia mascula; parte suprema crassiore, 
subclavata, obtusa, pallide fusca, organis fructificationis omnino 
destituta; ovaria depresso-globosa , bilocularia , biovulata, stylo 
brevi cylindrico terminata. Stigmata pellata , plana, adnata, 



64 

4-loba, inilio flava, dein atrofusra (utrinque sinu excisa et hoc 
modo subpanduriformia, luteola Bl., 1. c.) Antherae sessiles, 
plerumque qualcrnae, substellatim dispositae, subovoideae, sub- 
didymae, antice poris duobus dehiscen1.es, flavae. Bul bus maxi- 
mus, depresso-globosus , disco excavata. (Folia post florescen- 
liam solitaria, longe peliolala, imibraculifornri-bipinnati-trisecta, 
aut, si mavis, rhacliidibus tribus elongatis dichotomo-pinnati- 
seclis, instar petioli albido-maculatis , radiato-expansis, formala. 
Segmenta alterna aut opposita, sessilia , decurrentia, dissimilia, 
partim lanceolata, partim ovata , saepe dimidiata et abbreviata, 
indivisa ant bifida , longe acuminala, venosa , undulaia, glabra. 
Gfr. Bl. I. c.) 

Deze soort is als levende plant door 's lands planten! uin te 
Buitenzorg aan den tuin te Petersburg gezonden. Deze plant 
bloeide aldaar, en stelde prof. Begel in de gelegenheid de bo- 
venstaande beschrijving op te stellen. 

Onder denzelfden naam (Conophallus Blumei) werd nog eene 
andere plant naar St. Petersburg verzonden, (*) welke dezelfde 
auteur aldus beschrijft. 

Endera conöphdltoidea Regel. 

Endera. Spatha ad basin fissa , campanulato-convoluta, fauee 
aperta. Spadix ahdrogynus, hasi spathae accretus, caeterum 
liber, erectus, undique floribus laxe dispositis tectus. Spadicis 
pars inferior spicam foemineam , pars superior masculam sistens. 
Flores foeminei : stamina sterilia 5; lilamenla patentia, brevia, 
apice constricta; antherae subglobosae, indehiscentes, loculis 
polliniferis destitutae ; ovarium depresso-subglobosum , 5-lobum, 
5-loculare; loculis 1-ovulalis; stylus subnullus; stigma depresso- 
capitatum , radiato-5-lobum. Flores masculi : stamina 5 ; fila- 
menta nulla; antherae biloculares; loculis oblongis, in latere 
exteriore longitudinahter dehiscenlibus, pollinifcris , ovarii steri- 



(*) Daar de planten van dit geslacht gewoonlijk als knollen verzonden 
worden, is eene verwarring der. in dien toestand zeer op elkander ge- 
lijkende , soorten ligt mogelijk. 



65 

lis stipiti (connectivo) adnatis; ovarium sterile stipitem cylindri- 
cum brevem antherarum longitudine sis lens ; stigmate deformato, 
depresso-capitato , quam stipes latiore. — Herbae tuberosae. 
Folium solilarium, coaetaneum; peiiolo longo, tereti, laevi, 
maculato; lamina maxima, tripartita; segmentis lateralibus 
bipartitis v. iterato-bipartitis , segmento intermedio pinnati-par- 
tito; foliis pinnatipartitis. 

Endera conophalloidea; glabra, acaulis, folio solitario; 
petiolo robusto, 3-pluripedali , laevi, albido, viridi-marmorato ; 
lamina maxima , utrinque viridi , foliolis oblongo-lanceolatis , 
margine undnlatis, integerrimis , acutis v. acuminatis; pedun- 
culo tereti, laevi, petiolum dimidium circiter aequante, pallide 
viridi; spatha olivaceo-viridi, apice acuminata convolutaque, 
19 — 20 cm. longa, spadicem paullo superante; spadice cylin- 
drico, apicem versus sensim attenuato , undique floribus ornato. 
Cfr. Gartenflora 1872, pag. 227, tab. 732. 



C. J. Maximowicz : Rhododendreae Asiae oriënt alis in Mémoi- 
res de V Académie Imp. des Sc. de St. Peter sbourg , XVI, no. 9. 

Het genus Hbododendron wordt door den heer M. in ver- 
scheidene afdeelingen verdeeld, welker diagnosen ik hier, voor 
zoo verre daartoe soorten uit den Archipel behooren, laat volgen. 

Sect. 2. Eurhododendron. Gemma florifera terminalis stro- 
biliformis, soepissime apice attenuato-acuta , rarius subglobosa 
obtusa, squamis multiseriatis imbricatis, exterioribus sensim 
brevioribus. Gemmae foliiferae laterales, floriferae approxima- 
tae , similes , sed angustiores. Folia rarius biennia , plerumque 
in tertium annum vel longius persistentia, ampla vel rarius 
modica, semper coriacea vel rigide coriacea, glabra vel subtus 
pube floccoso-lomentosa obtecta, vel lepidota vel rarius setoso- 
ciliata, soepissime laevia, rarius bullato-rugosa. Flores corym- 
bosi vel <orymboso-umbellati vel rarius subumbellali, plerum- 
que numerosi, pedicellati, rarissime subsolitarii , rarius sub 

deel xxxiv. 5 



66 

sessiles. Calyx varius, vix unquam tarnen foliaceus, numquam 
corollam dimidiam superans. Corolla varia, 5 — 9-loba. Stamina 
10 — 18, subdeclinata, corolla breviora, rarissime exserta vel 
aequaliter patentia. Capsula lignosa, 5-multilocularis. 

Ser. I. Candelabra. Arbores vel frutices ampli. Folia am- 
pla laevia diu perennantia , pube tomenlosa vel nulla, fere 
numquam lepidota. Flores numerosi, densi, saepissime in glo- 
bum conferti, corymbosi. 

Tot deze serie behooren : R. javanicum Benjn. , R. Teysmanni 
Miq. R. Brookeanum Low. 

Ser. III Lepidota. Frutices humiliores. Folia biennia, mo- 
dica. Flores pauciores subumbellati. Pubes lepidota. Tot deze 
serie worden gerekend : R. retusum Benn., R. album Bl., R. citri- 
num Hassk., R. celebicum De. 

Ser. IV Sundaica. Species epiphytae, corolla tubulosa. R. 
tubiflorum De, R. malaianum Jack. 

Secl. 4. Tsusia. Gemmae terminales, flores et folia simul 
fovenles , squamis pauciseriatis (seriebus sub3) , exlerioribus 
vix brevioribus obtectae, foliisque nonnullis diminutis spathu- 
latis ultra anthesin persistentibus fultae. Folia membranacea 
vel coriacea , annua , rarissime jam ante flores evolutos decidua, 
plerumque pro parte saltem per hiemem persistentia. Pubes 
setoso-paleacea , interdum glandulosa, numquam floccoso-lanata 
nee lepidota. 

Tot deze afdeeling behoort onder de soorten van dezen ar- 
chipel slechts de R. indicum Sweet. , en het is nog onzeker 
of deze soort, door Blume langs beekjes bij Batavia gevonden, 
hier inheemsch is, of wel van uit China is ingevoerd. 



In de "Mélanges biologiques tirês du Bulletin de VAc. imp. 
d. se. de St. Petersbourg" , t. VIII , p. 150, komt dezelfde schrij- 
ver terug op bovengenoemd geschrift. Hij geeft daarin eene 
juistere omschrijving der kenmerken, welke de afdeeling Tsusia 






67 

onderscheiden van de overige afdeelingen der Rhododendra api- 
a flora. Deze laatsten verdeelt hij dus in twee groepen , die 
hij aldus hepaalt: 

a. Innovationes e gemmis propriis multiperulatis. Perulae 
gemmariun omnium homomorphae (Sect. I — III). 

b. Innovationes e gemmis minimis subnudis (2 — 4-squama- 
tis), ex axillis foliorum plusminus mutatorum, circa gemmam 
floriferam lerminalem perulatam sitorum et in squamas ejus 
sensim abeuntium atque illam involucrantium , prodeuntes. 
Gemma igitur foliacea, e perulis veris flores foventibus, et foliis 
sensim in perulas mutatis, innovationes gerentibus, constans. 
(Sectio IV Tsusia). 



In dezelfde ^Mélanges biologiques" , /. VIII, p. 378 geeft Maxi - 
mowicz den Bubus reflexus Benth. op als eene soort, die ook in 
den archipel voorkomt. Hij noemt verder nog op, als in den 
archipel voorkomend : 

Bubus rosifolius Sm., waartoe hij met eenigen twijfel den B. 
celebicus Bl. brengt en met meer zekerheid den R. sumatranus 
Miq.; hij komt dus voor op Java, Sumatra, Celebes en in de 
Molukken. 

Bubus tagallus Cham. et Schld. , Philippijnen. 

Bubus fraxinifolius Poir. — Java, Philippijnen, Molukken. 

In het T deel van genoemde » Mélanges" noemt dezelfde 
schrijver nog, als in den archipel voorkomend, op: 

Ophiopogon spicalus Gawl. y gracüis Miq.; Philippijnsche 
eilanden. 

De 0. prolifer Ltndl. (Zie Miq., /. c., lil p. 568) wordt als 
eene species dubia vermeld , die waarschijnlijk tot een ander ge- 
slacht behoort. 



68 

0. Beccari, Nuovo Giornale botanico ilaliano Vol. I — III. 

Balanophoba reflexa Becc. Dioica luteo-rubescens, carno- 
sa, tuberosa; tuberibus globosis ovoideis elongatisve indivisis, 
apice bi-quinque- vel irregulariter lobatis, stellulato-tessellatis; 
stipite uni-tripollicari cylindraceo, bracteis membranaceis, con- 
cavis subaequalibus; p. masc. floribus corymbosis erectis dein 
reflexis, longe pedunculatis ; perigonio 4-fido, sub-bilabiato, lo- 
bis minoribus lateralibus ovatis acutis, majoribus late spathula- 
tis apice rotundato-truncatis, tandem omnibus revolutis; anthe- 
ris in corpus spathulatum subtruncatuni compressum adnatis, 
rimis plurimis et inaequalibus longitudinaliter dehiscentibus; 
bracteis reflexis adscendentibus; p. foein. capitulis, rotundato- 
ovatis, bracteis clavatis, ovariis numerosis breviter pedunculatis 
ellipticis, stylis elongatis, stigma tibus exsertis. 

Op bet eiland Borneo, in de nabijheid van den oorsprong van 
de Sarawak, op den goenoeng Wah, op ongeveer 700 meters bo- 
ven de zee en 40 mijlen van de kust, en bij Tian-ladjoe (Batang- 
loepar). Groeit parasitisch op een niet nader bestemde klimplant; 
nooit komen exemplaren van beide sexen op dezelfde plant voor. 

Brugmansia Bl. (Diagnosis reformata). Flores hermaphro- 
diti vel abortu diclines. Perigonium tubuloso-campanulatum , 
limbo 14 — 16-fido? vel o — 6-(ido, lobis trifidis, aestivatione 
valvatim induplicatis; corona nulla. Columna genitalis sub- 
globosa, centro excavalo stigmatifera? Antherae inl'ra verlicem 
sessiles, subborizontales uniseriales, connatae, deplanatae, bilo- 
culares; loculi superimpositi, singuli poro debiscentes. Ovarium 
inferum, uniloculare, placentis parietalibus numerosis septil'or- 
mibus, mulliovulatis. SLyli una cum columna confusi. 

B. Lowi Becc; dioica; perigonio, basi squamis imbricatis, 
1'ragilibus, rolundato-ovalis, concavis, adpressis, enervis, inte- 
gerrimis, inaperto ovato-ventricoso, apice parum attenuato 
ibique rotundato-depresso, laeve, lucido, fissuris 14 — 16 no- 

tato, summilale irregulariter connivenlibus; expanso , 

tubo campanulato, interne, praecipne prope faucem, longe piloso- 



69 

harhalo, 14 — 16-costato, laciniis totidem? adpresse (ihrilloso- 
pilosis; columna globoso-depressa , sparee pilosa, breviuscule 
slipilala, stipite crebre minulcque sulcato. 

Komt parasitisch voor op de wortels van' eene Cissus-soorl, 
op een eilandje, gevormd door den Limban, een der armen van 
de Broeni-rivier (Borneo). 

Thottea (Lobbia) macro phy l la Becc. (Arislolocluaccac). 
Frutcx erectus, simplex v. parce ramosus, ramis rufo-pubescen- 
tibns; foliis grandibus, ovali-ellipticis vel sub-obovalis, apiee 
attenuato-acuminatis, basi angustatis cordato-auriculatis, brevi- 
ter petiolatis, coriaceis, subtus pnbescentibus, nitide minutequc 
reticnlato-venosis, supra glaberrimis; racemis paucifloris axilla- 
ribus; floribus externe fortiter nervosis, tubo brevissimo, laci- 
niis margine crenato-subtrilobis; staminibus 26, biseriatis, super. 
10, infer. 16; stylis 18 — 20, stamina vix superantibus. 

Groeit in het digte bosch op den berg Matang bij Sarawak, 
op eene hoogte van ongeveer 2500 voet van den voet desbcrgs. 

Thottea (Lobb i a) rhizan l h a Becc. Frutex erectus , sim- 
plex (vel ramosus?), caule superne hirsuto; foliis ellipticis vel 
oblongo-ellipticis, basi attenuatis, breviter petiolatis, subulatis, 
coriaceo-chartaceis, supra glabris, sublus pilosis reticulato-veno- 
sis; racemis paucifloris, radicalibus, flagelliformibus , adscenden- 
tibus; floribus tubo elongato, laciniis integerrimis margine in- 
voluto, subtus venosis; staminibus 22, biseriatis: super. 8, 
infer. 14; stylis 5, stamina valde (*) superantibus. 

In centraal Sarawak, in het landschap Kajang , op den heuvel 
van Bellaga. 

(*) Op de bij deze beschrijving gevoegde platen zijn de vijf stijlen ter 
naauwernood langer dan de bovenste stamina, terwijl op de plaat van de 
vorige soort de stijlen veel langer dan de stamina geteekcnd zijn. In de 
meer uitvoerige beschrijving van de Th. rhïzantha staat ook: stijlen ter 
naauwernood langer dan de meeldraden. In de diagnosis behoort dus waar- 
schijnlijk te staan: stylis 5, stamina vix superantibus en bij de vorige soort: 
stylis 18 — 20, stamina superantibus. 



70 

Stenomeris Cumingiana Becc. Herba (vel frutex?) dios- 
coraeformis, foliis arcuatiin lfcnervüs, late cordatis, abrupte 
acumiuatis (circ. 15 cent. lat.); cyniis axillaribus, paucifïoris 
(fl. 5 — 20); floribüs ureeolatis fauce vix constricta, exannulata, 
laciniis cyrrhiformibus erecto-patentibus apice intro flexis, tubo 
subaequalibus; staminibus uniseriatis deflexis, connectivo spathu- 
lato oblongo in appendicem filiformem elongatam desinente, 
apice abrupte in cochleolam nectaroideam (?) dilatatam, stigmati 
superpositam, remotam; fructibus 

Door Cuming op de Philippijnsche eilanden ontdekt. In ha- 
bitus komt deze soort zeer veel overeen niet de S. dioscoreae- 
folia Planch., eveneens door Cuming op bet eiland Luzon ont- 
dekt en door Planchon op pag. 520 van het 18 e deel der 5 e 
série der Ann. d. Sc. Nat. beschreven. Ter betere karakteri- 
seering der beide species neemt de heer Beccari eene verbeter- 
de beschrijving der laatstgenoemde soort op, welke hier volgt. 

Stenomeris dioscoreaefolia Planch. Herba (vel frutex?) diosco- 
reaei'ormis, foliis arcuatim 7 — 9-nerviis cordatis (5 — 7 cent. 
lat.) sensim acuminatis cuspidatis; cymis axillaribus multiflorm 
floribüs ureeolatis, fauce contract a inlus annulo prominulo aucta, 
laciniis primum erectis dein reflexis tubo longioribus vel sub- 
aequalibus; staminibus fere uniseriatis deflexis, connectivo anguste 
cuneato ex apice truncato appendicem subulatam stigmati co- 
haerentem exserente: fructibus fere pedalibus, vitlam longissi- 
mam simulantibus. 

Het genus Stenomeris, door Planchon gebracht tot de Bur- 
manniaceae, is verwant aan de Arislolochiaeeae y Dioscoreae en 
Taccaceae. 

Disepalum c o i o natu m Becc. (Anonaceae) . Frutex ramo- 
sus, circ. 5 metr. alt., foliis 4 — 5 cent. latis, grosse anasto- 
mosanti-penninerviis, obovatis, basi attenuatis et in petiolum 
brevem decurrentibus, apice abrupte apiculatis obtusis: floribüs 
ramulorum apicibus solitariis vel geminis longiuscule pedicellatis 
(pedic. 5 cent. longis); sepalis 2 latissimis concavis rotundatis, 



71 

obtuse niucronulatis; coroJIa gamopetala, non deeidua, in laci- 
niis 8 laneeolalis apice attenuatis partita; toro latissimo, medio 
laeviter excavato; carpeilis uumerosis; stylo elongato papilloso; 
ovulis 2 ventralibus. 

Groeit op den berg Matang, op ongeveer 2500 voet boven de 
zee, bij Sarawak. 

Petrosafia Becc. (nov. gen. Melanthacearum). Perigonium 
trigonum 6-partitum, persistens, coloratum, inferum, phyllis 
inaequalibus, 5 exterioribus minoribus angustioribus basi omni- 
bus connatis. Stamina 6, phyllis opposita et eorum basi in- 
serta; filamenta subulata; antherae biloculares apice acutius- 
culae, basi bilobae, basifissae; introrsae. Ovaria tria, perigonii 
phyllis angustioribus opposita, ex ima basi libera, sessilia, 
follicularia, ereeta; stigmata sessilia vix incrassata, papillosa; 
ovula horizontalia, anatropa, placentis 2, latis, marginalibus et 
ventralibus bi-triseriatim adfixa. Fructus trifollicularis, follicu- 
lis siccis, horizontalibus, sutura ventrali hiantibus. Semina 
numerosa ovato-elliptica, 7 — 9-costata integumento celluloso 
membranaceo jalino, raphe chalazaque incrassato cincta. Testa 
chartacea brunnea. Embryo? (Albumen?) cartilagineo-carnosus. 
— Praefloratio valvaris. 

Petrosavia steil ar is Becc. Planta parasitica centim. 
1 paullo major; caulis filiformis, cylindrica, glabra, colore stra- 
minea, bracteis coloratis, spirali-alternis, late amplexicaulibus, 
membranaceis, in acumen lanceolatum, subuia turn, carinatum 
productis, munita: flores irregulariter corymbosi, pedunculis fi- 
liformibus nudis rigidis, apicem versus triangularibus, ad 20 
millim. longis suffulti. 

Groeit parasitisch op een kleinen wortel (van eene niet nader 
bestemde plant) op den berg Poë, op ongeveer 5000 m. boven 
de zee, in het koningrijk Sarawak op Borneo. Is bloeijend ge- 
vonden door Beccari in Augustus 1866. 

Caryota No Becc. Caudex elatus haud sobolifer, 14 metr. 



n 

eire. altus et ultra, laevis, cicatricibus annularibus, conico-cy- 
lindrico-fusiformis; frondihus magnis (8 metr. longis), pinnati- 
sectis, pinnis medianis longioribus , segmeiitis oblique elongato- 
dimidiato-rhombeis. Petala foeminea calyce duplo longiora. 
Drupae depresso-globosae , pollicares, dispermae; seminibus opa- 
cis dimidiato-globosis , impresso-venosis. 

Deze palm wordt niet zelden in de dajaksche dorpen gevon- 
den. Te Singhi bij Sarawak eveneens aangeplant; in de vlakte 
op moerassige plaatsen in het wild. Waarschijnlijk moet deze 
soort nog nader vergeleken worden met Caryota maxima Bl., 
welker vruchten eveneens een- of tweezadig zijn. 

De maleische naam is Kajoe no\ de dajaksche naam te Singhi 
is Barok. De naam van den vezel van de rachis, die veel door 
de dajaks wordt gebruikt, is tali onoes. 

Caryota Griffithii Becc; C. sobolifcva Griff., Palms of 
the Brit. Ind. p. 171, tab. CCXXXV I,C (\mu<\ Wall., nee Mart.) 
Caudex 12 — 15 pedalis, cylindricus, 10 — 15 cent. crassus, haud 
sobolifer (?), cicatricibus annularibus notatus. F rondes 8 — 10 
pedales (?) vel ultra (?) bipinnatisectae: pinnae majores tripe- 
dales pinnatisectae, segmeiitis secundariis utrinque 5 — 6, alter- 
nis vel infimis suboppositis, dimidiato-rhombeis, basi attenuato- 
decurrentibus, margine superiore praemorso-dentatis, inferiore 
obtuse vel longiuscule producto, segmeiitis terminalibus late 
cuneato-flabellatis irregulariter lobato-confluenlibus. Spadices 
bipedales, ramis elongatis floribus approximatis subconfluentibus. 
Flores masculi 1 cent. longi; sepalis lato-semiorbicularibus, ex- 
tus gibbis ad margines fnsco-scarioso-villoso-ciliolatis, pelalis 
oblongis acutiusculis coriaceis ima basi vix coalitis, staminibus 
(corolla brevioribiis) 12, antheris mucronulatis, pistilli rudimen- 
to nullo. Flores foeminei perfecte evoluti, vix 4 mill. longi, 
bracteolis binis sepaloideis (sepalis subdimidio brevioribus) in- 
ferne ac lateribus suffulti; sepalis illis florum masculorum sub- 
conformibus etsi minoribus et saepe mutua pressione deforma- 
tis. Corolla, calycem fere duplo superans, ovoidea obtusa, obli- 
qua, laciniis ovato-lanceolato-ellipticis , saepe inaequilateris, basi 



75 

in t u hum hrevissimum coalitis. Staminodia 3 selacea, ovario 
longiora. Ovariuni gldboso-trigonuio. Baccae 10—12 mill. 
diam. globosac, ohliquc apiculatae, minutc punctulatae, monos- 
permae. 

Op heuvels hij Sarawak, in 't hijzonder bij Sioel en Pinin- 
djao. Wordt aldaar fockas genaamd. Sagoc ieekas heet het 
meel dat uit den stam wordt bereid. Beccari oppert zelf hel 
vermoeden dat wellicht deze soort idcnüsch is met C. soboUfcra 
en C. propinqua. Exemplaren, die tot de laatste soort behoo- 
ren, zijn door hem gevonden op het eiland Satan aan de N. W, 
Kust van Borneo. 

Eugeissonia Griff., Calcutta Journ. V, 101 et Palms of Brit. 
Ind., p. 109, tab. CCXX A. B. C: Mart., Hist. nat. Palm. UI, 
212, tab. 179, 180 et tab. Z. XIV; Walpers Ann. III, p. 492. 
Character emendatus. Spadix terminalis elongatus contracto- 
thyrsoideus, spathis pluribus apertis vaginatus. Flores her- 
maphroditi vel diclines, solitarii v. gemini ramulos terminantes, 
spathellis numerosis in anthodii speciem obvoluti. Calyx cyathi- 
formis tridentatus. Corolla profunde tripartita, laciniis lineari- 
bus, aestivalione valvatis, sublignosis. Stamina indefinita, fila- 
mentis brevibus, antheris elongato-linearibus, basifixis. Ovarium 
triloculare, ovulis solitariis erectis anatropis, duobus abortivis; 
stigma trilamellosum. Fructus ovatus rostratus mammillatus 
monospermus, endocarpio osseo quasi drupa, squamulis minu- 
tissimis loricatus. Semen sulcis sex verticalibus 6-lobum. Aï- 
bumen corneum aequabile. Embryo basilaris. — Palmae multi- 
cipites; caudicibus proceris vel abbreviatis, monocarpcis. Frondes 
magnae, vagina et rhachi dorso aculeis crebris sparsis, pinna- 
tae; pinnis acuminatis. 

1. Eugeissonia minor Becc Humilis, 5 — 4 metr. alta. 
Caudex brcvissimus radicibus aereis, numerosis, 1 metr. et ul- 
tra longis suflultus, foliis numerosis, 4 — 5 metr. longis; pani- 
cula brevis 40—50 cent. longa, parce ramosa, lloribus 20—50; 



74 

flores hermaphroditi; corolla 6 cent. longa, laciniis late linea- 
ribüs acutis; ovarium lineare oblongum obluse trigonum; frue- 
tus 4 cent. diam. et circiter 7 cent. longlis, obtnsissime rotun- 
dato-triangularis, abrupte longeque rostratus. 

In de maand Augustus 1866, op moerassige plaatsen tusschen 
Sodomae en den Goenoeng Poë, in de provincie Loendoe (Sara- 
wak) (Beccari). 

De geheele plant is ongeveer 3 — 4 meters hoog. De stam 
wordt gedragen door luchlwortels van 1 nieter lang of langer, 
evenals bij sommige Pandanus-soorten. De soort gelijkt het meest 
op de E. trisüs door habitus en door den vorm van bloemen 
en vruchten: verschilt daarvan echter door het groote aantal 
luchtwortels, waarop de stam steunt; door dat de spadices zeer 
veel kleiner zijn en bovenal door de aanwezigheid van herma- 
frodite bloemen. 

De wortels van deze en wellicht ook van andere verwante 
soorten worden gebezigd voor wandelstokken, welke de Dajak- 
kers verkoopen aan de kooplieden te Sambas, Pontianak en 
Sarawak, van waar zij naar Europa worden uitgevoerd, voor 
het vervaardigen van parapluie-stokken. 

2. Eagei ssonia i n s i g n i s Becc. Elata, 1 2 — 14 metr. alta. 
Caudex 7 — 8 metr. altus, cylindricus, foliorum reliquiis indutus, 
radicibus aerèis ad basin numerosis, longissimis; frondes 6 — 8 
metr. longae, erectae, secus caudicem manifeste trifariam dis- 
positae; spadix maximus 4 metr. longus cupressiformis, ramu- 
lis unilateralibus numerosis multifloris; flores hermaphroditi vel 
diclines: corolla 8 — 9 cent. longa, incurva, falciformis; ovarium 
oblongo-lrigonum; fructus turbinato-ovoideus, abrupte breviter- 
que rostratus, 1 decim. fere longus, et 6 cent. eire. latus. 

Komt voor op de toppen der meeste bergen en heuvels van 
zandsteen in Sarawak: nog wordt deze plant gevonden op den 
berg Matang, waar zij gewoonlijk voorkomt op eene hoogte van 
2000 eng. voet; eindelijk is zij gevonden op den berg Linga 
(Batang-loepar). 



75 

Deze palm heeft ongeveer de grootte van een Sagoe-palm. 
heeft echter luchtwortels van 1-5 meters lengte. De stam 
is altijd bedekt met de scheeden der afgevallen bladeren, wordt 
echter in 't laatste jaar, waarin de vrucht rijp wordt, naakt. 
De plant is zeer verschillend van de E. tristis en E. minor en 
meer verwant met de volgende soort. De vruchten hebben 
twee jaren uoodig om rijp te worden; wanneer de vruchten 
rijp zijn, sterft de plant af. 

De Dajakkers noemen deze plant djato, kadjato of kadja/ao. 
Zij splijten de wortels tot banden van 1 mill. breed en van 
2 tot 5 meiers lang, welke zij met veel vaardigheid polijsten 
en dun maken en bezigen tot het vlechten van mandjes, arm- 
banden enz., welke ten slotte verschillend gekleurd worden. 
Van de dikste wortels worden ook zeer goede stokken ver- 
kregen. 

5. Eugeissonia utilis Becc. Elata, 12— 15 metr. alta. 
Caudex nudus, usque ad 9 metr. longus, cylindricus, annulato- 
cicatricosus, tuberculato-spinosus, basi breviter radicosus; fron- 
des terminales patentes; spadix maximus; flores hermaphroditi, 
cum floris sterilis rudimenlo; corolla laeviter incurvo-falciformis, 
8 cent. longa, laciniis sublignosis; stamina circiter 70; ovarium 
oblongo-trigonum, turbinatum; früctus ovali-oblongus, [e basi 
rotundatus abrupte breviterque rostratus, 1 dec. longus et 
5 cent. latus. 

Groeit in overvloed aan den oever van den Rèdjang, in het 
binnenste van de landstreek Kajang. Misschien moeten de Eu- 
geissonia's, welke groeijen op een heuvel langs de rivier de 
Broeni en op het eilandje Poeloe-boerong bij den mond van den 
Katang-loepar, tot deze soort gebracht worden. 

Deze soort, ofschoon zeer verwant met de voorgaande , wordt 
daarvan gemakkelijk onderscheiden door den naakten stam, 
de uilecnstaande bladen, door de korte vrucht, die niet tur- 
binaat is en door de schubben , die aan den rand niet vliezig zijn. 

Uit dezen palm wordt eenc zeer goede soort van sagoe be- 



76 

reid, welke in sommige tijden van het jaar bijna het eenige 
voedsel is. De bereiding daarvan is dezelfde als die van de 
gewone sagoe. Wordt ook met dat doel aangeplant. 

Behalve deze nieuwe soorten vond Beccari in Sarawak nog 
de volgende palmsoorten: 

Eugeissonia tristis Griff. , gevonden te Ségrat (?) aan 
de rivier Oengpanang bij Pontianak op een heuveltje, door do 
maleiers Matang genaamd. Op dezen heuvel vindt men voor- 
namelijk eene Casuarina-soort , door de maleiers Kajoe-ocmbneng 
genaamd. Wegens de onvolkomene specimina, welke Beccari 
vond, meende hij niet met zekerheid te kunnen uitmaken of 
zijne planten wel tot de E. trislis van Griffith behooren. Is 
zij eene nieuwe species dan zal zij den naam moeten dragen 
van E. ambigiia Becc. 

Teysmannia altifrons Reichb. et Zoll. (Miq. , Ann. 
Mus. L. B., IV, p. 89, tab. H-Hl). Komt voor bij Sarawak, 
te Sioel en Matang en bij de Goenoeng Poë. De bladeren dezer 
plant worden door de maleiers daoen èkor boehaja , door de 
Dajakkers soemoeroek genaamd. 

Metroxylon Sagus Rottböll. Werd in aangekweekten 
toestand gevonden bij de rivieren Odja , Moeka , Bintoeloe , Ka- 
laka enz. 

Metroxylon Rumphii Mart., veel minder aangeplant dan 
de voorgaande soort. 

Beccari verzamelde op, Borneo uit de familie der Anonaceae 
105 soorten: 7 daarvan zijn moeijelijk te bepalen. De 98 overi- 
gen behooren tot de volgende genera. Het achter eiken genus- 
naam geplaatste getal wijst aan hoe vele soorten van dat ge- 
slacht in de verzameling van Beccari voorkomen. 



11 



Tribus III. Mürephoreae. 

Oxymitra 5 

Goniothalamus. 

Mitrephora. 

Phaeanthus 

Tribus IV. 
Anoiia . 

Melodorum. . 
Xylopia 

Tribus V. 
Oropbea . 
Alphonsea; . 
Mezzettia . 



Xylopieae. 



Müiuseae. 



10 
6 
1 

O 

9 

10 

1 



Tribus I. Uvarieaè. 

Sageraea 

Slelecbocarpus . 
Telrapetalum 

Uvaria 

Spbaerothalamus . 
Marcuccia .... 
Enicosaulbum 

Ellipeia 

Tribus II. Unoneae. 
Artabotrys . ."'... .10 

Cananga 1 

Unona 7 

Disepal urn 2 

Polyalthia 14 

Popowia. . .2 

Eburopetalum .... 1 

Het aantal der thans van Borneo bekende Anonaceae bedraagt 
ongeveer 120, en, daar bet grootste deel van dit eiland nog 
niet door botanisten is bezocht, kan uit dit getal worden op- 
gemaakt dat deze familie op Borneo een zeer groot aantal 
soorten bezit (*). 

Na eene opsomming der soorten, die vóór zijne onderzoe- 
kingen als op Borneo voorkomend bekend waren, welke op- 
somming door hem ontleend is aan de lijst van Anonaceae van 
den Archipel , welke Miquel gaf in de Ann. Mus. Lugd. Bal., 
Vol. IJ, aan het slot zijner monographie, deelt B. nog mede dat 
door hem in het herbarium te Kew de volgende borneosche 
soorten gevonden zijn, door Motley hij Bandjermasing gevonden: 



(*) De geheele indische archipel is rijk aan soorlen van deze familie. 
Bij het onderzoek van het herbarium te Buitenzorg en van de in den tuin 
aldaar gekweekte exemplaren kwamen reeds verscheidene nieuwe soorten 
aan het licht, zoowel van Java als van de overige eilanden. Deze soorten 
werden achtereenvolgens in mijne Observaliones phytographime, in dit Tijd- 
schrift, beschreven. 



78 

Uvaria (Ellipeia) Laha Bl. 

Popowia pisocarpa Endl. 

Me lo dorum manubriatum Wall. — M. fulgens 
IIook. fil et Thoms. (Broenei , Lobb) 

Daarna geeft bij de volgende beschrijvingen van nieuwe ge- 
slachten en soorten en eene verbeterde diagnose van het ge- 
slacht Sphaerothalamus Hqok. fil, welke hier eveneens volgt. 

1. Eblropetalum Becc. Sepala 5 ovata, valvata, basi con- 
nata. Petala 5 valvata, rotundato-ovata , crassissima, concava: 
interiora deficientia. Stamina plurima, locnlis dorsalibus, con- 
nectivo ultra loculos truncato-rotundato. Torus planus. Car- 
pella pauca, stylo brevi, stigmate papilloso-echinato , diffuso.; 
ovulum e basi erectum. Baccae. ... — Frutex. Folia cras- 
siuscula. Flores solitarii, médiocres, pedunculati , extra-alares. 

Een geslacht uit den tribus der Unoneae Hook. fil. et Bexth. 
Het komt het naast bij het geslacht Popowia, waarvan het 
echter zeer verschilt door den habitus, door het aantal bloem- 
bladen enz.; de ovaria gelijken, door de hooge insertie der 
eitjes op die van Anaxagorea, met welk geslacht de borneo- 
sche plant, wegens het ontbreken van vruchten, niet kon ver- 
geleken worden. 

E. hor neen se Becc Frutex ramis glabris ; folia 5 — 8-cent. 
lata, elliptica vel oblongo-elliptica , basi in petiolum (1 cent. 
longum) attenuata, apice abrupte acuminala, marginibus vix 
incrassatis laeviter revolutis, glaberrima, subtus pallida, nervo 
mediano valido insigniter transverse et minute tuberculato- 
rugoso, nervis lateralibus 8 — 12 tenuibus; flores (clausi) glo- 
bosi , obtuse trigoni , pedicellis 20 — 25 mill. longis suffulti : 
petala eburnea, 9 mill. lata, 12 longa, laevia, 5 — 4 mill. 
crassa, ovaria ovali-elliptica vel oblonga glabra, minute papil- 
losa (tab. II). 

Aan den oever der rivier Soeboembang, een zijtak van den 
Linga (Batang-loepar). 



79 

2. Marcuccia Becc. Sepala tria, maxima, ovata, petalis 
aequalia vel majora, imbricata, herbacea. Petala crassa, bi- 
seriata; exteriora valvata, interiora minora, marginibus leviter 
imbricatis. Stamina numerosa, lineari-cuneata. connectivo ultra 
loculos truncato-dilatato. Torus globosus. Carpella plurima , 
stigmatibus obcuneiformibus, truncatis, in massam adglutinatis, 

deciduis; ovulo solitario e basi erecto. Baccae — Frutex 

floribus majusculis, extra-alaribus. 

Dit geslacht behoort tot den tribus Uvarieae Hook. fil. et Benth. 
Het komt door de sterke ontwikkeling der kelkbladen dicht 
bij het geslacht Sphaerotkalamus, waar de sepala ook imbri- 
caat zijn ; Marcuccia verschilt hiervan echter door den habitus, 
door de natuur der bloembladen en door het aantal en de in- 
hechting der eitjes, die bij Sphaerolhalamus , ten getale van 2 
of 5, aan de buikzijde van het ovarium zijn in gehecht. Hei 
geslacht werd aldus genaamd naar Dr. E. Marcucci, die, van 
de oprichting van het Nuovo Giornale Botanico Ilaliano af, deel 
uitmaakte van de redactie daarvan. 

Marcuccia gr andi flora Becc Frutex 3 — 4 metr. alta, 
ramis junioribus petiolisque r ufo- tomen toso-pilosis ; folia char- 
taceo-herbacea pedem et ultra longa , oblonga (8 — 13 cent. lata), 
e basi rotundata, apice attenuata vel abrupte et obtuse acu- 
minata, praeter in nervos utrinque glabra, breviter petiolata, 
nervo mediano valido, nervulis lateralibus prominulis, parallelis, 
numerosis (18 — 20), prope marginem arcuatim anastomosato-con- 
junctis, venulis intermediis transversalibus reticulatis ; ramuli 
floriferi abbreviati, bracteati, bracteis 1 — 2 vel pluribus, herbaceis, 
amplexicaulibus, ovatis , obtusis vel acutis vel acuminatis et etiam 
appendiculatis ; flores solitarü vel saepe 1 — 2 minoribus, im- 
perfecte evolutis, comitantibus ; sepala maxima herbacca, petalis 
subaequalia et etiam interdum iis majora et longiora, basi im- 
bricata, ovata, acuminata, multinervia pubescentia, praecipue 
ad nervos ; petala carnosa, ovata vel ovato-lanceolala apici vix 
attenuata, interiora angustiora, marginibus apicem versus Ie- 



80 

viter imbricatis , molliter velutina, multinervia, plano-concava; 
stamina linearia elongata, ultra loculos truncata et incras- 
sata, interne secus loculos pilosa; ovaria plurima, lanceolato- 
linearia, apice attenuata, pilosa; ovula solitaria basilaria; 
stigmata obconica, mutua pressione angulata, superficie stig- 
matica viscida, verruculosa (tab. III). 

Deze soort werd gevonden aan beekjes op den berg Matang, 
bij Sarawak. — De bloemen komen somtijds ook voor op den 
stam, ook als deze reeds een één palm dik is, vaker echter 
worden zij gevonden op de dikkere takken. 

3. Enicosanthum Becc. — Sepala tria ovata, ima basi im- 
bricata. Petala biserialim imbricata, semper erecta, medio gib- 
bosa; interiora subconformia, minora. Stamina numerosa. Car- 
pella plurima; stigmatibus cuneiformibus, truncatis, in massani 
adglutinatis, deciduis; ovulo solitario e basi erecto. Baccae . 
— Frutex. Flores extra-alares. 

Van het voorafgaande geslacht verschilt dit (hetwelk ook tot 
den tribus der Uvarieae behoort) doordat de kelkbladeren veel 
kleiner zijn ten opzichte der bloembladeren en doordat de laat- 
sten geheel imbricaat en hokkig zijn. (De richting en vorm der 
petala herinneren aan die bij Cijathocalyx). 

En icos a n l h u m p a radoxu m Becc. F rutex , ramis j uni- 
oribus adpresse pubescentibus; folia chartaceo-herbacea, sesqui- 
pedalia et longiora, elongalo-oblonga (14—20 cent. lata), apice 
breviter acuminata (in omnibus speciminibus apice erosa, rite non 
describenda), basi temiüer attenuata ibique rotundata, apicem 
versus latiora, superne nilida, ulrinque (praeter nervos pubes- 
centes) glabra, breviter petiolala, costa valida, costulis promi- 
nulis, parallelis, numerosis (20 — 27) sursum arcuatis et prope 
marginem interruple difl'useque anastomosato-conjunclis, venulis 
intermediis transversalibus reticulalis exiguis; flores solitarii vel 
pauci, e trunci luberculis orti, pednnculis flore breviorihus 
(2 — 3 cent. longis), pubescentibus, basi bracteatis, bracteis ova- 



81 

lis, obtusis, amplexicaulihus: sepala late ovata, oblusa, ima 
basi marginibus imbrieala, crassiuscula, in sicco obtuse etobli- 
terate multinervia, pnbescentia, margine ciliolata; petala omnia 
imbrieala, prima juvcntnte concava, superfïcie aequali, per 
anthesin e basi usque ad medium erecta, inde horizon tali-gib- 
boso-inflata, exteriora aperta, inleriora subconformia sed bre- 
viora, apice valde imbricata, clausa (?), crassa, utrinque ad- 
presse tomen toso-pilosa, interne basi decoloria glabriora; slami- 
na lineari-euneata, ultra loculos truncato-producta; ovaria eire. 
12 angustato-ovata, apice rotundato-attenuata villosa, stigmali- 
bus glabris, cuneatis, medio depressis, adglutinatis, in massam 
deciduis; ovulum unicum, e basi erectum; torus hemispbaeri- 
cus, apice vix planiusculus, crebre fasciculatim villosus. — 
Petala 58 mill. longa et basi 15 mill. lata. (Tab. V, fig. 13—17). 

Op den heuvel Toebao in de landstreek Kadjang (Sarawak). 
Van deze plant werd slechts één goed ontwikkelde bloem, één 
bloemknop en eenige zeer jonge bloemknoppen gevonden. 

4. Unona (Meiogyne) verrucosa Becc, Frutex ramis 
glabris; folia late elliptica vel obovali-elliptica, utrinque glaber- 
rima firma, chartaceo-coriacea, apice abrupte acuminata, super- 
ne lucida, penninervia, nitide reticulato-venosa, nervis margine 
ramosis, obliterate anastomosato-conjunctis, petiolo longiusculo 
(15 mill. eire.) suffulta; flores solitarii, axillares, penduli, pe- 
dunculo brevissimo (5 — 6 mill. longo), piloso, bracteolato; sepa- 
la subcordato-triangularia ovata, obtusa, patentia, pubescentia; 
petala carnosula, molliter pubescentia, ovata, obtusa, exteriora 
paullo majora, externe leviter medio costata, inleriora basi in- 
erassala callosa, callo verrucoso-cerebriformi; torus pilosus: si a- 
iiiina cuneata glabra; carpella oblonga pilosa, stigmata carnosa 
pblique dilatato-prismatico-triangularia, sparse pilosa; ovula 
5 — 6, ventralia, uniserialia (tab. IV). 

Op den berg Matang bij Sarawak. Verschilt volgens IJ. van 
de overige Unona-soorten door het callum aan den voet der 
deel xxxiv. 6 



82 

binnenste bloembladen; het is rood gekleurd en steekt daardoor 
zeer af bij de geel-groen gekleurde bloembladeren. (*) 

U no na flagellaris Becc. Frutex, ramis j unioribus pubes- 
centibus; folia firmiter chartacea, glabra, elliptica (9 — 15 cent. 
lata et usque ad 57 cent. longa) apice attenuata, basi rotun- 
data, petiolo brevi, crasso, subtus nervo valido mediano, pubes- 
cente donata, costulis prominentibus prope marginem distincte 
anastomosato-conjunctis; flores bracteolati, solitarii vel gemini 
longe pedunculati, pedicellis et ramulis j unioribus rufo-pubes- 
eentibus, e ramis radicalibus flagelliformibus, 150 — 140 cent. 
longis, aphyllis, ramosis, orti; sepala valvata, triangulari-ovata, 
ener via, pubescentia, acutiuscula vel subobtusa; petala valvata, 
inaequalia, interiora valde longiora, linearia, apice attenuata, 
erecta vel erecto-patentia; stamina glabra ultra loculos truncato- 
producta; ovaria oblonga, basi attenuata, parce pilosa, stigma- 
te capitato pubescente; ovula 2 ventralia; torus hemisphaericus, 
glaber, apice planiusculus , fructifer parum incrassatus; carpel- 
la matura elliptica apice acuta apiculata, medio oblique con- 
stricta, basi in stipitem brevem (5 mill.) attenuata, disperma, 
in sicco tuberculosa, scabra (20 mill. longa, 5 — 7 lata). (Tab. 
V, fig 9—12). 

Op den heuvel Entabei in de landstreek Kadjang bij Sara- 
wak. — De bloemen zijn zeer welriekend en van een roodach- 
tige leverkleur; zij komen aan den stam voor, op eene hoogte 
van 50 — 40 cent. boven den grond. Door den habitus ver- 
schilt deze soort zeer van alle overige Unona's; misschien is zij 
meer verwant aan sommige soorten van het geslacht Polyalthia. 

6. Mezzettia Becc. Sepala 5 ovata, valvata. Petala 6 
biseriatim valvata, mox aperta et accrescentia, plana, linearia, 
interiora minora, caeterum subconlormia. Stamina (Miliusea- 



(*) Ook bij Anomianthus heterocarpus Zoll. worden dergelijke aanhang- 
sels aan de petala gevonden. 



rum) definita (9), laxe imbricala, biseriata, antheris introrsis, 
dorso convexis, ultra loculos rotundato-truncatis. Garpellura 
unicum, ovatum, apice areola stigma lica excavala nolatum: 
ovula 2 subbasilari-ventralia. Bacca coriacea sphaerica, semiuibus 
2 maximis, compressis. — Flores parvi viridescentes, in axillis 
foliorum vel ad nodos defoliatos fasciculati vel umbellati. Arbores. 

Dit geslacht behoort in den tribus Miliuseae en komt zeer 
nabij het genus Alphonsea, van hetwelk het zich, behalve 
door eenige ondergeschikte kenmerken, onderscheidt door de 
antherae dorsales. Het geslacht Monocarpia Miq. schijnt met 
het geslacht Mezzeltia slechts het carpellum solitarium gemeen 
Ie hebben. De naam is aan het genus gegeven ter eere van 
den abt J. Mezzetti te Lucca, een der eerste leidslieden van 
den schrijver op botanisch terrein. 

M. umbellala Becc. Arbor mediocris ; folia (4 — 5 cent. lala) 
ovali-elliptica vel subobovata, abrupte acuminata, anastomosato- 
penninervia, glabra, subtus glaucescentia, in petiolum brevem 
attenuata; flores viridescentes in foliorum axillis in pedunculis 
solitariis vel binis umbellatim dispositi; pedunculi primarii bre- 
viusculi (1 — 2 cent. longi), secundarii filiformes longiores (2 — 5 
cent. longi); petala linearia angustissima (2 cent. (*) lata), acumi- 
natissima, interiora duplo vel pluries breviora; carpellum hir- 
sutum; bacca (Tab. VI, fig. 1—5). 

Aan den voet van den berg Matang, langs den weg naar 
Singi, bij Sarawak. 

7. M. f ar vi flora Becc. Arbor excelsa; folia viridia, sub- 
lus pallidiora (in ^icco nigrescentia), anastomosato-penninervia, 
glaberrima, elliptica vel ovafa, basi saepe obliqua, acuminala 
(18 — 47 mill. lala); flores axillares vel ad nodos defoliatos fas- 
ciculati, inter minores; pedunculi raro 1 cent. longiores; petala 
linearia, acuminata, exteriora 5 — 6 mill. longa, interiora duplo 
breviora; carpellum glabrum; bacca magnitudine fruclum Jug- 

(*) Waarschijnlijk eene drukfout: lees mill. 



84 

landis regiae aequans, subsphaerica , laevis, pruinosa. (Tab. VI, 
fig. 4—10). 

Op den berg Matang (Sarawak) — B. is niet gebeel zeker dat , 
de beschrevene vrucht van dezelfde species is, daar zij van 
eene andere plant werd verzameld. 

8. Polyalthia anomala Becc. Frutex, ramulis pubes- 
centibus; folia chartaceo-berbacea, elliptica longiuscule acumi- 
nata, basi attenuata, petiolata, utrinque glabra, nervis pubes- 
centibus, costulis (utrinque 7 — 8) nitide prominulis, sursuin 
arcualis, prope marginem anastomosato-evanidis; fïores subses- 
siles secus irimcum, praecipue prope basin exeantes, peduncu- 
lis 15 — 50 mill. longis, basi et saepe in medio bracteolatis; 
sepala valvata, late triangulari-ovata, acutiuscula, crassiuscula, ] 
pubescentia; petala pedunculo longitudine subaequalia vel bre- 
vioria, crassa, adpresse velutino-pubescentia, ovata-oblonga, ob- 
tusa, supra basin constricta, erecta, circa genitalia concava, 
conniventia, irregulariter valvata, apice marginibus subimbrica- 
tis, inleriora paullo minora; stamina cuneata, ultra loculos 
truncata, glabra; carpella cylindrica parce pilosa; stigmata glo- 
bosa, mutua pressione angulosa, pilosa; ovulum solitarium sub- 
basilare; torus hemispbaericns, apice planus; baccae insignes, 
oblongae, basi attenuatae, apice rotundatae pulcbre lutef 
(Tab. V, fig. 1—8). 

Op den berg Matang bij Sarawak. Volgens B. maakt des 
soort wellicht een nieuw geslacht uit. Zij verschilt van 
overige Polyalthia-soovlen door de petala basi conniventia, api- 
ce leviter imbricata. De bloemen waren wellicht nog niet g( 
heel ontwikkeld. — Vooral kenmerkt deze soort zich door ban 
fraaije geele vruchten, die ongeveer een decimeter lang zijn: 
zij zijn in groot aantal op elk receptaculum voorhanden en 
bedekken den stam vooral aan diens basis, waar zij op kleine 
tuberkels zijn ingeplant. 

9. SPHAEBOTHALAMUS HoOK. FIL., Trans. Linfl. SoC, Vol. 



8H 

KXHI, p. 156. Sepala 5, imbricata, venlricosa. Petala 6, 
spathulata, subvalvala, apice leviter conlorto-imbricata. Si a mi- 
na plurima, loculis parallelis clongalis, connectivo ullra loculos 
truncato-dilatato. Torus g)oboso-conicus, pilosus. Carpella plu- 
rima, stylo obconico truncato, sulcalo, ovulis 2 — 5 ventralibus. 
Baccae 1 — 2, elongato-globosae dispermae, stipitatae; pericarpio 
carnoso. — Frutex, foliis sessilibus (sesquipedalibus), cordatis: 
ftöribiïs solitariis magnis aurantiacis. (Tab. VII.) 

Sphaerothalamus in si g nis Hook. fil., /. c. 

Op den berg Ma tang bij Sarawak. 

Is een der fraaiste soorten der Anonaceae en hare bloemen 
zijn de grootsten, welke in deze familie voorkomen. De plant 
bereikt eene hoogte van 2—4 meters en groeit het best op 
vochtige plaatsen. 

10. Phaeanthus era s sip e la la Becc. Frutex elatus, ra- 
mulis junioribus pubescentibus; folia elliptico-oblonga (40 — 75 
mill. lata) basi in petiolum brevem (1 cent. longum) subrotun- 
dato-attenuata, apice utplurimuin longe acuminata, in sicco 
nigrescentia, utrinque (praeter in nervos) semper glaberrima, 
supra nitida; flores in ramulis abbreviatis, bracteatis extra- 
alares solitarii vel gemini (?); pedunculi (4 — 5 cent. longi) su- 
pra basin 1-bracteolati; petala exteriora sepalis subaequalia, 
minima, triangularia, interna alabastrum trigonum mitreforme 
ohtusum efformantia, utrinque pubescentia, externe in medio 
costata, basi gibbulosa crassissima , in sectione trigona, ima basi 
tantum, staminorum impressione, interne concava; o varia pu bes- 
ren lia, monosperma; styli oblongi, liberi, haud sulcati. 

Groeit op den berg Matang bij Sarawak. — Deze soort ver- 
schilt van Ph. nutans Hook., fil et ïhoms, door het ontbre- 
ken der 5 groeven op de bloembladeren; van Ph. Cumingi 
Miq., van Ph. spiend ens Miq. en van Ph. samalrana Miq., door 
dal de bloembladeren niet vlak, maar op de horizontale door- 
snede driehoekig zijn; eindelijk van Ph. laneeolalas Miq., dooi- 
de langere bloemstelen. 



86 

S. Kürz : On Pandanophyllum and allied genera , especially 
ihose occurring in the Indian Archipelago, in Journal Asiatic 
Society of Bengal, Vol. XXXVIII, II, no. 2 (1869), p. 70 (*). 

In dit opstel geeft de Heer Kurz een overzicht van het ge- 
slacht Pandanophyllum en van eenige verwante geslachten uit 
den tribus der Hypolytreae (-f). 

Hypolytreae N. E. Spicae eompositae squamis undique im- 
bricatis squamulis squamae ut pluriraum contrarie instructis; 
spiculae solitariae, rarius ternae, squama opposita obtectae, 
compressae, 1-nniltiflorae, diclines v. raro hennaphroditae ; 
flosculi masculi monandri, unisquamulati , saepius ad squamu- 
lam solam reducti; flosculus femineus centralis v. excentricus, 
nudus v. rarius squarnulatus ; stylus 2— 5-fidus; achenium v. 
achenium drupaceum. 

Conspectus der geslachten. 

A. Pauciflorae. Spiculae 1 — 5-florae; flosculi herinaphroditi 
v. diclines. 

1. Hypolytrum. Spicae corymbosae ; spiculae 5-florae ; fl. 
masc. 2 — 5; flosc. femin. nudus, centralis; stylus bifidus . 
achenia ossea. 

B. xMultiflorae. 

a. Achenia ossea. 

2. Thoracostachyum. Spicae corymbosae ; spiculae circiter 
6-florae; flosc. exteriores masculi, sequentes ad squamulas re- 
ducti; flosculus centralis femineus, nudus; stylus trifidus. 

5. Lepironia. Spica solitaria, sub apice culmi lateralis; 
spiculae multiflorae; flosc. masc. 1 — 6, vario modo inter squa- 
mulas vacuas dispositi; flosc. centralis nudus: stylus bifidus. 

b. Achenia drupacea. 



(*) In 't daitsch vertaald door Dr. Hasskarl en opgenomen in de Regens 
burger Flora van 1869, p. 433 seqq. 

(f) Zie ook Bóckeler in Linnaea XXXVII , p. 112, gedeeltelijk hierbc 
ven overgenomen. B. schijnt dit opstel van den Heer Kurz niet gekend te 
hebben. 



87 

4. Pandanophyllum. Spicae capitatae, v. rarins solitariae, 
terminales; spiculae 6 — 8-florae ; flosc. 3 exteriores masculi, 
sequeotes ad squamulas reducli; flosc. femineus excentricus, 
squamulatus; stylas 2 — 5-fidus; achenia acuminala, non sti- 
pitata. 

5. Cephaloscirpus. Spicae capitatae; spiculae circiter 7 — 
10-florae; flosculi 5 exteriores saepins masculi, sequentes ad 
squamulas rcducti; flosc. femineus excentricus squamulatus et 
squamulam vacnain ampleetens; achenia longe rostrata et lon- 
giuscule stipitata. 

6. Scirpodendron. Spicae eompacto-paüiculatae ; spiculae 
8 — 10-florae; floscul. centralis femineus nudus; fl. reliqui om- 
nes masculi; stylus bi-(v. tri?) lidus; achenium majusculum, 
sulcalo-6-costatum. 

H y p olyt r u m la li f o l i u m L. C. Kich . ; Miq., FL Ind. Bat. 
111, p. 535; Böcklr., /. c. , p. 129. Folia lato-linearia v. li- 
nearia, sursum margine costaque apicem versus serrulato-sca- 
bra, trinervia, nervis lateralibus 2 crassis in pagina superiore 
obtuse prominentibus ; culmi paucifoliati ; corymbus amplus, 
intricato-ramosus, v. (in var.) simpliciuscule ramosus, contrac- 
tus ; achenia vix nitentia , in sicco lacunoso-rugosa v. sublaevia. 

In de bosschen der bergstreken van Ceylon , Hindostan tot 
Birma , Maïaka en den indischen Archipel ; ook gevonden in de 
Philippijnen , tropisch Afrika, Mauritius, de Fidji-eilanden. — 
vSund. : harasas lalaki, mal.: üat. De S. onderscheidt de vol- 
gende variëteiten. 

« genuinum, spicae duplo majores, eire. 2 lin. longae, fruc- 
Êigerae, ovales, fusco-canescentes ; achenia oblonga, crasse ros- 
Irala, praesertim rostro canescente puberuia. (Hiertoe zouden 
behooren de volgende soorten, door Bóckeler 1. c. als goed 
onderscheiden soorten opgenoemd: //. mauritianum n. ab e. 
(partim), H. giganteum Wall. (partim), H. Wighiianum Böcklr., 
H. sylvalicum Pöpr. et Kunth). 

Deze variëteit is gevonden op Sumatra, te Singapore, op de 



88 

Andamansche eilanden , in Birma , Moulmaiu , Amherst, Penang, 
Silhet, Malaka en op de Fidji-eilanden. 

jS trinerve, spicae minores, fruetigerae globosae, fuscescentes; 
achenia laevia, in sicco magis minusve lacunoso-rugata , ni- 
tentia, fuscescentia. H. gigantéum, Wall. (Bócklr.) parlim; 
Htjpolytrum myrianlhum Miq. , /. c, p. 555. 

Snbvar. 1, conlracta; folia ultra poll. lata; culmi pcnn. gall. 
crassi; corymbi (praecipue fructigeri) conlracti, ramosissimi 
ramis inferioribus plerumque quaternaiis. 

West-Java; Sumatra, in Priaman (Diepenhorst) — Mal. : 
paro-paro (Herb. Bog. no. 2888). 

Subvar. 2, diffusa; folia ultra poll. lata, culmi penn. gall. 
crassi; corymbi. divai'icato-squarrosi , ramosissimi, ramis infe- 
rioribus ternatis. Komt veel voor in de bosschen der berg- 
streken van westelijk Java, b. v. op den Salak en den Pa- 
ngrango. Subvarr. 1 en 2 zijn vaak moeijelijk van elkaar te 
onderscheiden, daar er vele overgangsvormen bestaan. 

Subvar. 5, gracüis; folia vix poll. lata, 5 — 0V2 ped. longa; 
culmi graciles; corymbi divaricato-squarrosi , ramis inferioribus 
ternatis. Gekweekt in den tuin te Buitenzorg, en waarschijn- 
lijk van den Salak afkomstig. 

Var. 7. minor, folia angustissima , l \ % poll. lata v. angnstiora; 
culmi graciles; corymbi parvi, ramis abbreviatis vix ramosis; 
acheniis ut in var. /5. 

Andamanen, op het eiland Termokli; Ceyloii. 

H. bomeënse Kurz. Folia angnste linearia, apicem ver- 
sus serrulato-scabra , subplana, nervis 2 lateralibns in pagina 
superiore inquessis, subtus acute prominent ibus ; culmi midi; 
corymbus parvulus, squarrosus, ramis vix ramosis; achaenia 
laevissima, nitida, bisulcata. 

Borneo, Laboean (Barber). Deze soort gelijkt uiterlijk veel 
op de var. 7 der vorige soort, doch kan daarvan iremakkelijk 
onderscheiden worden door de nervatuur en door de vracht- 
jes, die van twee groeven voorzien zijn. 



89 

Als twijfelachtige soort noemt de S. Hypolyfrum compactum 
ff. e. , Miq. /. c. 

Thor aco si acht/ um suma Iran um Kurz. Folia linearia, 
plicato-3-nervia , spinuloso-serrulala ; culmi foliis longiores, tri- 
goal, oligophylli ; corymbus polystachyus, involucralus, divari- 
ealo-squarrosus ; snicae obovoideo-ellipticae, parvulac, in sicco 
stramineae: achenia lenticulari-compressa , utrinque attenuata, 
rostrata, laevia. — Lepironia Miq., Fl. Siippl., p. 604. 

Sumatra, in de Lanipongs, bij Ipil en Batang-lèko (Teys- 
mann , Herb. Bog. no. 5932). Inl. naam: selingsing. 

Th. bancanum Kurz; Lepironia Miq., /. c. Folia ciongato- 
linearia, spinuloso-serrulata ; cnlmi trigoni, aphylli; corymbus 
involucratus, contractus; spicae breviores, ellipsoideae, obtnsae, 
pauci-spiculatae, in sicco griseae; achaenia ellipsoideo-trigona, 
convexa, apiculata. 

Bangka, Singapore. . 

Lepironia mucronala L. C. Rich. ; Miq., Flor. Itid. Bat. 
III, p. 546, Suppl., p. 602; Böcklr., I. c. , p. 140. 

Sumatra , Lampongs bij Marasa (Teysmann , Herb. Bog. 4249) ; 
Bangka, bij Muntok (Ackeringa); Borneo, bij Bandjermasing 
(Motley); Singapore. — Inl. namen, in de Lampongs: tikoek, 
op Bangka : poer on. 

Pandanophyllum palustre Hassk., Miq., Flor. ïnd. Bat. 
f II, p. 554, Böcklr., /. c. , p. 158. Folia lato-linearia, acumi- 
nalissima, trinervia, margine costaque spinuloso-serrnlala, rigide 
coriacea; culmi 1 — 1% pedalcs, aphylli ,. obtuse trigoni; capi- 
lulum oligo- v. polystachyum , compactum, magnum, phyllis 
5 — 4 latis squamaeformibus eo ipso brevioribus v. aequilongis 
involueratum; squaniac lanceolatae , obtusae v. apice dilaceralae, 
subenerviae, chartaceae; achaenia inaequali-oblonga , styli basi 
acuminata. 

Westelijk Java, in de vochtige bosschen der bergen , 1). v. 



90 

op den Pangrango (3—4000'); op den Salak (4— 5000') , tus- 
schen steenen en boomstompen; Pasir-madang, Probakti (2 — 4000'j; 
Singapore; Silhet. Inl. namen op Java: bangkono en harasas 
tjai, 

P. squamat u m Kurz. Folia lato-liïiearia , acnminatissima, 
trinervia, margine costaque spinuloso-serrulata, rigide coriacea; 
culmi abbreviati , V2 — 1 Vs-pollicares , squaraati , trigoni , obscuri; 
capitula oligo-, rarins monostachya, eompacta, oblonga; sqnamae 
ellipticae, obtusae v. apice laeeratae, in sicco strialae, charta- 
eeae; acbaenia utrinque attennala, bicarinata, rostrata. 

Java, op de heuvels nabij Buitenzorg (Zippelius in Herb. 
Bog.)- 

P. Miquelianum Kurz.; Lepironia enodis el foliosa Mig., 
Flor. SuppL, p. 605; Böcklr., /• c, />. 141. Folia elongato- 
linearia, acuminatissima , trinervia, margine costaque spinuloso- 
serrulata, flaccida , utrinque nitentia, salurale v. flavescente 
viridia; culmi elongati, IV2 — opedales, nudi, trigoni, nitentes; 
spicae solitariae, squamis laetc viridibus anguste albide (in sicco 
fuscescente) marginatis; achenia oblonga, utrinque attenuata, 
acuminata, vix carinata. 

Sumatra, in de bosschen van Dano-tjalo, Moesi, Palembang. 
(ïeysmann, Herb. Bog. nos. 3686 en 40ol). Mal. naam: 
roem poet selingsing. 

P. humile Hassk. , M10. , /. c, p. 554; Hypolytrum Böcklr., 
/. c, p. 128. Folia petiolata, lamina elongato-elliptica retusa 
abrupte subulato-cuspidata, marginibus apicem versus spinuloso- 
serrulata; petioli complicati, basi vaginato-dilatati ; culmi ple- 
rumque geminati , elongati v. abbreviati , basi squamato-vaginati; 
spicae solitariae (rarius binae), squamis fuscescente viridibus 
plurinerviis ; achenia oblonga utrinque attenuata, acuminata 
obsolete bicarinata. 

Eene zeer veranderlijke soort, niet alleen ten opzichte der 



91 

bladeren, die langer of korter gesteeld zijn, maar ook ten op- 
zichte van de lengte der halmen , die somtijds bijna gelijk is 
aan de lengte der bladeren, en die somtijds weder zoo klein 
is dat de aar bijna zittend schijnt. 

Cep halos ei r pu s macrocephalus Kurz.; Hypolytrum 
Gaud., Miq. , l. c. 

Molukken; Batjan (Teysmann in Herb. Bog.). 

S c i r po den dr on co slat u m Kurz ; Sc. pandaniforme Zipp. 
Ms in Herb. Hort. Bog. ; Pandanophyllum Thw., Enum. p. 435 ? 

In de bosschen der bergen van West- Java (Zippelius). Sin- 
gapore ; Pinang ; Ceylon. — De S. oppert eenigen twijfel of de 
plant van den Heer Thwaites wel dezelfde is als de javaan- 
sche. Thw. beschrijft de vr lichtjes als van 6 — 12 ribben voor- 
zien; de maleische specimina hebben allen slechts 6 ribben. 
Deze soort is de grootste Cyperacea, welke de S. kent en, als 
zij niet bloeit, moeijelijk te onderscheiden van stengellooze Pan- 
danus-soorten. 



Idem, in » Journal of the Asiatic Society of Bengal, Vol. 
XXXIX, part. Il (1870)." 

Anonaceae. 

U var ia co r data Wall., Cal. 6486, is door J. D. Hooker 
en Thomson met U. macrophylla Roxb. vereenigd , maar ver- 
schilt daarvan zonder twijfel. Het is dezelfde soort als U. 
pvalifolia Bl., welke de S. voor eene goed gekarakteriseerde 
soort houdt. (*) 

U var ia Hamiltonii H. f. et Th., Fï. Ind. I ', p. 96. Som- 
mige vormen van deze soort gelijken zoozeer op Anomianthus 



(*) De verschillen die bestaan Insschen U. oualifolia Bl. en U. macro- 
phylla Roxb., werden door mij. opgegeven in het eerste stnk mijner Obs. 
phyt. p. 3 (Nat. Tijdschrift, XXXI, p. 3.) 



heter ocar pas Zoll. (*), dat de S. meent dat deze twee soorten 
eene enkele uitmaken. Hij was echter niet in slaat de vruch- 
ten der beide soorten met elkander te vergelijken. 

Menisferma üeae. 

P (i e h y g o n e d a s y o a r p a Kuiiz. Eene nieuwe soort uit Sia m, 
door den Heer Teysniann ontdekt, en door den Heer Kurz als 
eene plant uit het Herbarium te Buiteuzorg beschreven ; zij 
is daarin niet meer aanwezig. 

Ti n o m i s c i a m p y rrhobotry u m , Miq. , Ann . Mus. Lugd. 
Bat., IV, p. 81. = F. pkytocremides Kurz in N. T. XXV. (+) 

GuTTIFERAE. 

D i s c o s l i g m a fa bril e Miq., Fl. bid., SuppL I, p. 496 (Gar- 
en* ia Miq., Ann. Mas. L. B., /, p. 808) verschilt niet van G. comea l. 

Xanloekymas kan als afzonderlijk geslacht niet behouden 
blijven. Het woide met Gareiuia vereemgd, daar op denzcli- 
den boom van X. pietorius door den S. 4- en o-deelige bloemen 
gevonden werden. 

Calophyll u m cymo s a m Miq., FL lnd. Sap pi. I, p. 497. 
= C. spectabile .Willü. 

Calophy Hum plicipes Miq., /. c\, p. 499. == C. pu/cher- 
rimum Wall. 

T ernst roem ia macrocarpa Sciieff. , Obs. phyi., />.lo = 
T. penangiam Choisy. (§) 

(*) Niet, zoo als de schrijver vermoedt, identisch met U. heterocarpa Bl. 
A. hete rocar pus Zoll. is nader door mij beschreven in mijne Obs. phyi 
II, p. 30 (N. T., XXXI, p. 342). 

(-j-) Zie, over de soorten van het geslacht Tinomisciwn, Scheff., Obs. 
phyt. III, p. 72 (N. ï. XXXII p. 394). 

(§) De zeer lofl'elijke zucht van den Heer Kurz om het aantal synony- 
men te doen verminderen heeft hem hier tot eene voorbarige bewering ver- 
leid, waarvoor bij hem weinig grond kon bestaan. Hij zag geen mijner 
specimina en de beschrijving van de T. penangiana, door Choisy gegeven, 
is te onvolkomen om daarop eene uitspraak als de bovenstaande te gronden. 
Daarenboven twijfelt Choisy zelf er aan. of de door hem beschrevene soort 
wel tot het geslacht Ternströmia behoort. Ook zag C. geene vruchten. 



95 

Sehima er e nota Kqrtïï., Verh. Nal. Geselt., p. 147), l;il>. 
29 is dezelfde soort als Gordonia oblata Roxb., Fl. hul. II, p. 
ü72; de naam zoude volgens den S. dus in Sehima oblata Kik/ 
moeten veranderd worden. 

DlPTEROCARPEAE. 

Dipt er o c ar pus / u herculaf u s Roxb,, /. c, p. G14, ver- 
schil! van I). granctifolius Mio. alleen door dal de hladknnppen, 
de ondervlakte der bladeren en de bloeiwijzc geheel onbehaard 
zijn; de vruchten van beiden zijn gelijkvormig. 

IJ. pilo sus Roxb. , /. e. , p. 615. Hel is bij den S. aan 
weinig twijfel onderhevig of de D. Baudii Korth. is dezelfde 
soort als de eerste. De vruchten gelijken op elkaar, doch de 
bloemen van D. pilosus zijn onbekend. Anisoptera palembamm 
Mïq. is niet te onderscheiden van sommige vormen van 1). 
pilosus. 

De Anisoptera baniamensis Hassk. wordt door den Heer Kurz 
lot het geslacht Synaplea Griff. gebracht, van hetwelk hij de 
volgende beschrijving geeft : Calycis tubus brevissimus , toro 
adnatus, lobis manifeste valvatis, snbaequalibus. Stamina 15— 
18, filamenta minima, antheris hreviora, connectivum glandula 
hrevi acata terminatum. Ovariuin calyci adnatum, 5-loculare, 
slylus filiformis, stigmate capitato-triïobo. Calycis fructigeri 
lobi 5, omnes aucti, quorum 2 multo longiores. Nux globosa, 
matnra calycis usque ad Vs partem longitudinis adnata, mono- 
sperma. 

Shorea leucobotrya Miq., Ann. Mus. L. B. /, p. 218 = 
Sh. oblusa Wall. 

Shorea lucida Miq., Fl. hd., Suppl. I, p. 487 wordt door 
den Heer Kurz tot een nieuw geslacht Parashorea Kurz ge- 
bracht, hetwelk aldus door hem beschreven wordt: Calycis 



Zelfs in de korle beschrijving van C. komen phrases voor, die op de onwaar- 
schijnlijkheid er van wijzen, dat de soorten identisch zouden zijn. C. zegt: 
sepala obtusa, glabra, exteriora hreviora; T. macrocarpa heeft: sepala sub- 
inaeqnalia rotunda, exius valde rugoso-verrucosa. 



94 

tübus brevissinius. Stamina 12 — 15; filamenta antheris bre- 
viora. aequalia; antherae oblongo-lanceolalae, roiuterlivo in 
mucronem mimUam producto adnalae. Ovariimi liberum, 5- 
loculare, stylns filiformis, stigmata Iruneato. Tubus calycis 
fructiferi baud auctus; lobi calycini 5, valvati, basin versus 
attenuati, omnes valde aucti et aliformes, aequales vel 2 paullo 
breviores, subpatentes. Nux monosperma, libera, nee loborum 
basibus arcte contorto-cincta , ut in Shorea. Arbores ingentes, 
foliis lucidis et floribus albidis dense racemoso-paniculatis. 

TlLIACEAE. 

Brownlowia ar gen lat a Kurz. Arbor parva? partibus 
omnibus novellis argenleo- v. subcupreo-lepidolis ; folia ovala v. 
late ovata, 4 — 5 poll. longa, petiolis 5 lin. usque ad 2 poll. 
longis, lepidotis demum glabrescentibus suffulta, acuminata, 
basi rotundata v. subcordata, coriacea, supra glaberrima, sub- 
tus argenteo-lepidota et ferrugineo-punctata ; paniculae elonga- 
tae, racemiformes terminales et axillares, argenleo-lepidotae 
glabrescentes ; flores 2^2 lin. circiter longi, breviuscule pedi- 
cellati; calyx ferrugineo- v. argenteo-lepidotus ; carpella juve- 
nilia lepidota. 

Boeroe-oki (Teysmann in Herb. Bog.) Inl. naam: atoen laoef. 

Echinocarpus mar ex Benth. , Proc. Linn. Soc, Suppl. 
V, p. 72 , is dezelfde als E. Sigun Bl. (Miq., Fl. bid. 1, 2, p. 
109). Het eenige verschil tusschen deze twee soorten is dal 
de stekels der vrucht bij de laatste soort zeer dicht bij elkaar 
staan, bij de eerste ver van elkander verwijderd zijn. Clos, (en 
Bentham volgde hem daarin na) beschrijft deze stekels bij E. 
Sigun als subfoliaat, doch dit woord is bij Clos waarschijnlijk 
eene drukfout voor »subfalcaat*\ 

Elaeocarpus Grif fit hii (Monoceras Wight). De S. 
voegt bij dezen naam als synonymen, Monoceras hichanthera 
Griff., M. odontopelalum Miq. , FL Ind. Suppl., p. 409 en M. ho~ 
lopetala Zoll. et Cumm. Hij is niet geheel zeker omtrent de 
identiteit van M. leucobotryum Miq. ? /. c. , welke soort van de 



95 

bovengenoemde alleen verschilt door de meer lederachtige bla- 
deren en de vriichtbeginsels , die dicht zijdeachtig behaard zijn. 
Prol'. Miquel deelt mede dat de antheren (bij M. odpnlopetalum) 
van twee baren voorzien zijn. De Heer K. zag er bij authen- 
tieke specimina slechts één. 

E la e o ca r /> u s / 1 o r i b u n d n s Bl. , Miq. , Fl. hul. I, 2, p. 
210. Hiertoe behoort als synonyme E. serralm Roxb. , Flor. 
Ind. U, p. 596. 

LlNEAE. 

Erythroxylu m h u r m a n i e u m Griff. , Notul. IV, p. 468; 
hiertoe behoort E. retusum BAUER,iVöf. lijdschr.,XXVHI,p.ll. 

Geraniaceae. 

C o n n a r op si s Gri ffi t h i i Plancit. , hij Hook . pil in Trans. 
Liiui. Soc. XXHI (1862), moet veranderd worden in C. diver- 
sifolia, want Bourea diversifolia , Miq., FL Ind. Suppl. 1, p. 528 
(1860) is zonder eenigen twijfel dezelfde plant. Prof. Miquel 
beschrijft het ovarium als bestaande uit 5 carpella, doch de 
S. meent dat hij de 5, door groeven gescheiden, deelen verkeer- 
delijk voor afzonderlijke vruchtbeginsels gehouden heeft. Ech- 
ter was de S. niet in de gelegenheid om bloemen te bezichtigen, 
doch de stand van de bloeiwijze en van de bloemstelen, en 
de structuur der bladeren doen duidelijk zien dat deze soort 
lot het geslacht Connaropsis behoort. 

B UT 'ACE A E. 

Luvunga calophylla Kurz. Glabra; folia larga, 3-folio- 
lata, petiolo terete 8 — 9 poll. longo; foliola 10 — 12 poll. longa, 
4 poll. lata, obovato-lanceolata , J}asi in petiolum brevissimum 
atlennala, breviter acuminata, integra, marginibus subrevolutis, 
chartacea, glaberrima, utrinque nitentia, costa subtus acute 
prominente, nervis lateralibus conspicuis; flores cymosi ; eymae 
breves, glabrae; calyx truncato-5-dentatus , majusculus, gla- 
bor; petala, stamina etc. desunt; baccae immaturae oblongae 
v. ovalo-oblongae, styli basi coronatae, vesiculoso-papülosae. 



96 

Bangka , hij Djeboes. (Teysmann, Herb. Bog. 3225). De 
inlaiulsche iinnni dezer soort is Lima-oef an. Zij is zeer ver- 
schillend van de andere soorten , en hare bladeren gelijken 
op die van Zanthoxylum euneiirum Miq. 

Luvunga sarmentosa is wellicht niet' dezelfde soort als 
Triphasia sarmentosa Bl. , daar Blume de bloem der laatste als 
driedeelig beschrij ft. 

Gil rus Hystrix De, Prod. I, />. 1559 ; Lêm&n Papeda 
Rumph. , Herb. Amb. II, tab. 27: Limo tuberosus Bumph., /. c. , 
tab. 26, fiff. I; Limo ferus Bumph., /. c., tab. 26, //>/. 5 e! lab. 28; 
Citrus papeda Miq., Pi. ïnd. I, 2, p. 550: Papeda Rumph ii 
ïïassk., Cal. Boy., p. 216. — Arbuscula v. frutex ramosissimus, 
spinis brevioribus v. longioribus strictis axillaribus armatns, 
glaberrimus; folia ovalia v. ovata, l 1 ^ — 2, raro 5 poll. longa, 
vulgo obtusa et retnsa, snbinlegra , v. crenala, glabra; pelio- 
lus 1 — IV2, saepius 2 — 5 poll. longns, foliacens et saepe lamina 
ipsa major, obcordatns v. obovato-oblongus, basi simplex et re 
vera petiolilbrmis : flores parvi, albi, pedicellis brevissimis glabris 
sufl'nlti, fasciculos parvos axillares for111anl.es v. snbsolilarii; calyx 
parvus, 4- v. 5-dentatus; petala eire. 5 lin. longa v. paullolon- 
giora; ovariuni obovatum, stylo crasso brevissimo terminatnm; 
bacca obovata v. irregulari-globosa , rugosa cl luberculala, sub- 
insipida , cortice crassissima lutea. 

Sumatra, in Priaman (Diepenhorst, in Herb. Bog. 1575) — Mal. 
limaoe sar ing. (*) 

Meliaceae. 

Mallea sub scanden s t. et b.; M. Rolhii A. Jnss.; Cipa- 
dessabaccifera Miq. De soort werd voornamelijk gebaseerd oj 
den halfklimmenden habitus. Echter is het een bekend verschtji 
sel, dat vele soorten klimmend worden, wanneer zij van eene 
droogere naar eene vochtigere plaats verhuizen, of in dichte 
vochtige bosschen groeijen. 



(*) Zie de opmerking omtrent deze plant van Dr. Hasskarl in Flora 
en ibid. 1842, Beibl. II, 42, p. 174. 



97 

Didymochiton Bl. Oir geslacht is ten onrechte met Dy- 
soxylon vereenigd, De onderscheidende kenmerken zijn de vol- 
gende. 

Dysoxylon. Calyx parvus, 4 — 5-dentatus, alahastro jam 
apertns. Peiala valvata, Ifbera. Antherae 8 — 10, lubo stanri- 
neo denliculato v. obsolete denticulato inclusae. Ovarinm 5 — 5- 
locnlare. Gapsula pyriformis, loculicide 5 — 5-valvis. Semina 
exarillata. 

Didymochiton. Calyx parvns v. magnus, 5 — 7-gepalus, 
sepalis manifeste imbricatis; peiala valvata, tnho stamineo lobaio 
v. dentato fere usque ad 1 / 4 par tem adnata. Gapsula globosa, 
baccaeformis et locnlicida. Semina exarillata. 

Schizochito n. Calyx vulgo campanulatus , obsolete 4-, raro 
o-den tatus, alabast.ro jam apertus: petala valvata v. imbricala, 
cum tubo stamineo tobata v. dentata usque ad % v. y 2 par- 
tem ipsorum longitudinis connata indeque tubulosa. Ovarinm 
5 — 4-loculare. Capsula vulgo pyriformis, locnlicide 3 — 4-valvis, 
Semina complete v. incomplete arillata. 

Hartighsêa excélsa Jttssieu is een ware Dysoxylon. Il- 
fnollissima Juss. en H. angustifolia Miq., behooren niet tot dit 
geslacht, maar' veeleer tot Didymochiton. 

A moora Rohituka w. et arn., Prodr. /, p. 119, verschill 
waarschijnlijk niet van A. Aplianomyxis r. et sci-iult., van wel- 
ke de bladeren van onderen vaak korl en zachl behaard zijn; 
daar de S. echter alleen vruchtdragende specimina van de eerst- 
genoemde soort en nog geene bloemen daarvan zag, waagt hij 
het nog niet beide soorten te vereenigen. 

Hij wil in het geslachl Amoora alleen die soorlen opgenomen 
zien, welke 3" bloembladeren bezitten; bij kent geene ware 
Aniooid mei !> petala. 

Monos oma Griff., Not. IV, p. !>02 = Carapa (Xylocarpus 
Miq.) obovata rl. Dysoxylon Championii Hook., pil. el Thoms. 
is met de voorgaande zeer verwant en waarschijnlijk Xylocar- 
pus carnosida Zoll. (X. Granalum Kon., Miq. Ann. Mus. L. B. 
IV\ p. 54.) 

DEEL XXXIV. 7 



98 

Amoora spectabilis Miq., /. c, p. 37 is de mannelijke 
plant van Amoora cucullata Roxb., Miq., /. c. 

Wal sur a trichostemon Miq., /. c. , /;. 60 = Wa/swra 
w/fosa W. et Arn., /. c, /, /?. 120, in adnot. 

Heynea fruticosa t. et b. (Na/. Tijdsein'. XXV, p. 423; 
is eene goed onderscheidene soort en niet eene varieteii van 
H. sumatrana Miq., /. c; p. 60; deze is identisch mei H.qwn- 
quejuqa Roxb. (Miq., I. c, p. 61). 

Q^CINMAE. 

C a n s j e r a z i :■ y p k i f o I i a Griff. , Nol. I\ T , p. 360 , lab. 
537,1. Hierbij moet Olax? sumatrana Miq. , Fl. 1 nd. Bal. Suppl. 
/, p. 342 als synonyme worden bijgevoegd. 

(io noca r yam gracilp Miq., /. r., p. 343 is dezelfde soort 
als Platea Griffithsiana Miers, Contrib. /, 97, tab. il. Miq., 
/. e. , beschrijft het ovarium van de eerstgenoemde als twee- 
hokkig, met een eitje in elk hok. De S. vond echter in au- 
thentieke exemplaren een eenhokkig vr uchlbeginsel , dal , te 
oordeelen naar de sterile vruchten, ook twee eitjes moei be- 
vatten. Het niet tot ontwikkeling komende zaad hangt boven 
in de vruchtholte, juist onder de spits daarvan : op dezelfde 
plaats kan men nog het overblijfsel zien van een tweede, daar- 
boven geplaatst, ovulum. De S. houdt het voor zeker, dat er 
geen verschil bestaat tusschen Phlebocalymna (triff. en Gono- 
caryuru Miq. 

Celastrineae. 

Evonym u s ja v a n i c u s Bl„ Bijdr. 1146 kan door den S. 
niet onderscheiden worden van E. sumatranus Miq., Flor. hu 
Bat. I, 2, p. 589 en E. bancanus Miq. ibidem, Suppl. I. /;. 513. 

Nothocne s t i s s u m at ra n a Miq., I. c, />. 531 = Celastr 
robustus Roxb. = Kurrimia pulcherrima Wall. Daar de naam 
van Roxburgh de oudste is, moet de plant K. robusta Kurz 
genaamd worden. De S. vraagt levens of het mogelijk is, dat 
K. paniculala Arn. dezelfde plant is als Pyrospermum calophyl- 



99 

turn Miq., /. c, p. 402. De bladeren van de laatste soort ge 
lijken veel op die van K. zeylanica Thwait. 

Hhamneae. 

Zizyphus HorsfïelAii Miq., Flor. hul. Hat. ƒ, 1. />. 
645 =. Z. glaber Roxb., Fl. hul., I p. 614. 

Z i z y p h " s ' o /• // // / a Miq., /. c., j*. 642 =r Z. caloph/ylla WalL,, 
apud Koxu., /. c. //, />. 566 (ed 1\') 

Ampelideak. 

Cis sus ha stat a Miq., /. c, p. 517 — \V//\ glaberrima 
Wall., Hoxb. , /. c, />. , 467. 

ï^tft* el e gans Kurz, iV. 7". = F. cïnnamomea Wall., 
Koxb., /. c. , p. 485. 

SaBIACEAE. 

Sahia? flor i ba n da Miq., /. o., Suppl. /, p. 521 == f/r 
liosmd simplitifolia Exdl., Mtq., Flor. ƒ, 2, p. 615. 

Man gifera sylvaiica Hoxb.. I. c, l, p. 644. Deze soort 
is door Miq nel ten onrechte voor dezelfde gehouden als M. in- 
dien l., van welke zij geheel verschilt door de witte bloemen, 
den discus en de spitse vruchten. 

Mangifera Hors field ii Miq., /. c, p. 652 =c M. fue- 
lida Lour., Miq., /. c. 

Astropetalum sp. 1, Griff., Nolnl. IV, p. 411 =± Swinfonïa 
Simicl,ii. t. el B., fo7. />o/7. #M/., />. 250. 

CoNNABACEAE. 

Rourea il a s y p h y 1 1 o M 10. , Flor. , Suppl. ƒ, p. 528 = 
('nest is plafanlha Griff. , Notul., />. 454 = C. so/weö en C. fo- 



11 nest is pin ui 
Uosa Plaxch. 



Co n n a r u s h i e p e n h r s I i 1 M 10. , /. c, p. o 27 — Taenio- 
chlaena Diepenhorstü , Kurz; Rourea acutipetala Miq., /. c, 
p. 528 = Taeniochlaena acutipetala Kurz. 

77 o o v / M- ?/ c /.• / a s i n g ulari s Miq., /. c, p. 551. Hiertoe 



100 

brengt de S. ook Hemiandrina borneënsis Hook. fil, Linn. Trans. 
XXIII, p. 171, t. 28. Miouel (Ann: Lugd. Bat. III p. 88) 
hield beiden slechts voor verwante soorten. 

ACANTHACEAE. 

Eb er mai era ar genten Nees,' Dc. Prodr. XI, p. 76 = 
E. lanceolata Hassk., ibid. = E. triehoeephala Miq., Flor. Il, p. 
lik. 

Eb er m a i e r a r el n f i n a Nees, Dc. I. c. — E. incana Hassk. 
/. c. 

Daed al acatii 'hu s tetragonus T. Anders. = D. salac- 
censis Kurz •= Eranthemum salaccense Bl., Dc. /. c, p. 448. 

Eranïhemum Ander san ii Hook. f., Bot. Mag. t. 5771 
= E. Blumei Hassk.. Miq., /. c, p, 850. 

Thimeleaveae. 

Psilaea Miq., Flor., Suppl. /, p. 555; authentische exx. 
van de typische soort van dit geslacht kunnen door den S. niet 
onderscheiden worden van Linostoma pam i/lorum Griff., Dc, 
/. c. , p. 600. Hij vond deze soort ook in de conileren-bos- 
schen van Burma, op eene hoogte van 5000 — 4000'. Hij laat 
eene lijsl volgen van de soorlen van hel geslacht Linostoma, 
welke thans bekend zijn. 

Subgen. ï. Nectandra (Xeetaudra Koxb. , Psilaea Miq. I. On- 
behaarde, regtopstaande heesters: 10 schubben. 

1. L. pa uc i fl or uin Griff. Ps. dalhergioides Mig., /. e. : 
I'olia parva, obovala, oblusa. mucronalra. — Sumatra, Singa- 
pore, Burma. 

2. L. decandrum Wall.; i'olia niajora, ovato-lanceolata 
acuminata. — Chittagong, Silhel. 

Subgen. II. Linostoma. Behaarde klimmende heesters: vij 
twee-deelige schubben. 

3. L, seandens: Lasiosiphon Endl.; I'olia floralia coriacei 
petioli basi lata turnida in pedunculis inserti , reflexi. — Mi 
ïacca, Burma. 



101 

4. L. sianicnsr Kntz. lolia floralia tenuia. ehartacea, pe- 
tioli basis hand tumida. Siani. 

Hypoxideae, 

Hijpo.ris orchioiides Ivurz, Arm. L. />. IV, //. 177. iHet 
deze soort is, volgens den S., Franquevillea major Zoll. Miq.. 
Flor.. III, />. 586) identisch, ofschoon Miquel in zijne Anncdes 
beweert dal de laatste veeleer tot de H. aurea Lour. behoort. 
De beweering van den S. berust op het zien van authentische 
exx., en hij vermeent dat Miquel de lange dunne buis van het 
perianthium voor den bloemsteel heeft aangezien. 

ÜRCHIDEAE. 

Vidymoplexis pullens Griff. Vroeger (in Seemann 
Journ. of Bol. 1866, p. 4.0) had de schrijver zijne meening 
kenbaar gemaakt dat deze soort identisch is óf met Gastrodia 
Hasselt ii of met G. javanica. Na het zien van Blume's werk 
over de javasche orchideae komt hij van dit gevoelen terug. 

Cyperaceae. 

Scirpodendron Zipp., Kurz, Journ. As. Soc. 58, H,p. 84. 

- Pas ontvangen exx. he wij zen dat ook bij de javasche plant 

de vruchten van 6 — 12 groeven voorzien is, zoodat er geen 

twijfel meer beslaat of de Fèndmophyllum coslalnm Thw. is 

dezelfde plant als die van Zippelius. 

F i rri h r i s f y l i s c y I i ndrocar p a Wal l . = F. abpcièns 
Stbüd. =r F. Arnottii Thwaiïes. — F. schoenoides, var. p. mo- 
itoslachya Nees. = Mischospwa efoliala Boeck. 

Gramineae. 

Lep las pis ureeolala r. br., Miq., Flor. JU, p. 574.— 
Bene synonyme hiervan is Nastusê humilis Hassk.. waarvan 
de auteur geene beschrijving gaf. Toen Dr. Hasskarl dezen naam 
gaf, bezat hij niets dan onvruchtbare exx., en meende, waar- 
schijnlijk misleid door den inlandschen naam Tjamjkorc dioek 
(Tj. gêdè is Dinochloa Tjangkorreh), dat zijne plant eene bam- 



102 

boe-soort zoude zijn. JJe S. zag authentieke exx. in den tuin 
te Builenzorg. 

Bambusa Rum pk ia na Kukz — Leieba Bumphiana Kukz 
in Cat. Hort. Boy. (1866), p. 20 = B. alineata Munro == B. 
amahussana, atra, picta, bravo Llnoj,. = B. verticillata Bl., Miq., 
/. c, p. 416 (partim). — Fruticosa, culmis simpliciter ramosis; 
lurionuiu vaginae patenter setosae, ore auriculato rigide fim- 
briatae; folia vulgo largissima, spurie semiamplexicaulia, sub- 
sessilia; foliorum vaginae ore longe rigideque fimbriatae; spicu- 
lae saepe tortuoso-elongatae, sessiles v. pedicellatae; floruin 
herniaphroditorum valvula interior in angulis ciliala: antherae 
luteae: stigmata alba, purpureo-pilosa. — Molukken. — Waar- 
schijnlijk zal deze merkwaardige soort een afzonderlijk subge- 
nus uitmaken, dat aldus te omschrijven is: 

Leieba. Spiculae densiflorae, carinato-compressae, valvulae 
sursum deorsumque breviores: Qosculus summus hermaphrodi- 
tus; rhachillae omnes abbreviatae, persislentes; lodiculae nullae; 
antherae apiculatae. — Granien fruticosum, habitu valde pecu- 
liari ab omnibus Bambusis indicis valde discrepans, foliisque 
maxhnis gaudens. turionum vaginae lamina membranacea dis- 
creta: Leieba (gen.) Rümph., Teysm. 

Bambu.su u spe ra Koem. et Schult.: Miq., L c. p. 418; 
Giganlochloa Kürz (*), Cat. Hort. Boy. p. 20: arborea, culmis 
canescente-tomentosis ad nodos valde incrassatos radicoso-annu- 
lalis: turionum vaginae adpresse canescenle setosae, ore auri- 
culato rigide umbriatae: lingula lisso-tinibriata: folia margine 
scabra: vaginae foliorum albido-hispidae , ore parum producto 
hispido-iimbrialae: valvula interior in angulis marginibusqw 
albo-ciliata : antherae luteae: caryopsis mucronulata. — Indisch* 
Archipel, Aan de 31 ol ukken lot Singapore. 

B a m b ii s a (0'x y f e na n l h e ra) n i y r o-e i Hat a Bcese, Miq. 
/. c, p. 416: arborea; turionum vaginae adpresse fusco-setosaf 



(*) De S. belooft, latei- te zullen aantoonen dat het geruis GigantochUk 
niet kan behouden blijven. Ook zegt hij eene revisie toe van de indischt 
bamboesoorten. 



105 

ore decürrènti-auricülato, (imbriataê; lamina imperfecta pa lens; 
folia subtus pubesceritia , marginibus scabra; vaginae adpresse 
fusco-setosae, ore tiiinuto auriculato rigide fimbriataé; spiculae 
1 — P/4 'poll. longae, curvatae, valvulis marginibus rigide fusco- 
eiliatis: valvula interior in angnlis a medio fulvescente v. alhido- 
ciliata; stigmata purpurea. — Eene groote soort, die, wanneer 
zij niel bloeit of geene jonge scheuten heeft, moeijelijk van B. 
ater te onderscheiden is. 

Melocanna gracilis K u r z apud M un ro = Schizostacky um 
ckilianthum Kmz = Chloöthamnus Büse, Miq., /. c, p. 415. Het 
verschil tusschen Melocanna en Schizostacky um bestaat geheel in 
de vrucht, en niet in de afwezigheid van de bovenste palea, 
zooals Kol. Munro meent. 

Melocanna Zollingeri Kurz == Schizostachyun Steuü., 
Glum., p. 552. Onder dezen naam zijn weder ten minste 5, 
zoo niet 4 soorten met elkaar verward. Wanneer Kol. Munro 
de levende planten gezien had, zoude hij er nooit aan gedacht 
hebben ze allen onder één naam te vereenigen. Wat zouden de 
Javanen zeggen, als men hun wilde aantoonen, dat hunne bamboe 
ir aten, majang, sirit koeda en boeloe tot ééne soort behooren? 

Schizostacky a Zollingeri Steud., PI. VII, f\g. 2: ar- 
borea, culmis 2 poll. crassis: turionum vaginae adpresse-setosae, 
ore large auriculato longissime fimbriataé: lamina imperfecta 
erecta, ventricosa: foliorum vaginae glabrae, ore auriculato 
longissime (6 — 8 lin.) fimbriataé: spiculae 5 — 4-lineares, flos- 
culo penultimo hermaphrodito; valvula exterior fl. herm. mar- 
ginibus laevis: lodiculae nullae: antherae virescentes: stigmata 
alba. — Java. 

Schizostachyum brackycladum Kurz, Pt. VI, fig. 2; 
Melocanna Kurz in Cal. Hort. Bog. p. 20; M. Zollingeri /3 bra- 
chyclada Munro, Linn. Trans. XXVI, p. 154 (haud Kurz): ar- 
borea, culmis brach. hum. crassis: turionum vaginae adpresse 
setosae, ore minute auriculato fimbriataé, lamina imperfecta 
ventricosa; foliorum vaginae albido v. fulvescente setulosae, ore 
auriculato longiuscule (4 — 6 lin.) fimbriataé; spiculae 4 — 6 lin. 



104 

longae, llosculis duobus suimnis hennaphroditis: valvula exte- 
rior marginibus ciliata: lodiculae ciliatae; antherae purpureae. 
dein lutescentes nigro-marginatae . stigmata alba. — Eene bam- 
boesoort met zeer bijzonderen habitus, die eene hoogte van 
50 — 40 voeten bereikt. De zijtakken zijn zeer kort en dun. 
niet langer dan "> 5,% voe t- 

Sch i z o s t a v h y u rn I o n y i s p i c u I a I u m K i nz , Pt. \ / , j'uj. 1 : 
Melocanna Kurz, /. c: M. Zollingeri y longespiculata Munro, /. c. 
<haud Kurz): fruticosa, culmis digil. crassis: turionum vaginae 
adpresse albido-setulosae, ore auriculato setoso iimbriatae: fo- 
liormu vaginae glabrae, ore auriculato ngido-iinibrialae: spicae 
ultra pollicares, flosculo penultimo hermaphrodito: valvula ex- 
terior 11. herm. marginibus laevis: lodiculae uullae: antherae 
luteseente-virides: stigmata purpurea. — Een sierlijke gevulde 
heester, mei zeer lange, gewoonlijk liali'kliinmende. dunne 
halmen. 

B e e s h a c I e o a n / 1 s s i m a Kurz . Munro . /. c. , />. 1 46 = 
Schizoslachyum eleg^ntissim um Kurz. 

Salviniaceae. 

Salv i n i a vert i c i 1 1 a f a Koxb., in McClelland Calc. Journ. 
of N. HisL, IV, p. 469 = S. degans Hassk., Cal. Bog. p. 10 = 
S. natans Hof km. 

F 1 LI CES. 

Hemionitis Zollitu/cri Kurz. A. T., XXV11. />. 16. 
H. IVonde ïnembranacea dispari: sterili ovali-oblonga, obtusius- 
eula, basi cordata, attenuata, repanda: fertili subhyalina, sti- 
pitata lineari-lanceolata , undulata. — Java, waarschijnlijk bij 
Banjoewangi: in 's Lands plantentuin gekweekt. — Caudex obli- 
quus, crassus, radiculis crebris iirmis obsitus. Frons dispar: 
frondes steriles rosulatae, ovali-oblongae v. oblongae, obtusius- 
culae, basi quidquam attenuata cordatae et crispatae, mem- 
branaceae, laete virides: stipites breves. paleis brunneis lineari- 
lanceolatis dense vestiti. Frons Ier tuis linearis v. lineari-lanceo- 
lata, acuminata, basi decurrente. slipitata, undulata. % poll. 






105 

longa, 3—4 lin. lata, subhyalino-herhacea, liitesreute-viridis; 
stipes polliearis, herbaceus, pennae rorvinar crassitie, paleis 
Imiuneis secedentibus adspcrsus. Snri subeontiuui. PI. V. 

Lycopodiaceae. 

Sela gin ella imbricata J. Scott, List of higher crypte- 
gams, cultivated in Bof. Gard. Ca/c. p. 62, is waarschijnlijk = 
S. tinwlla Spring. Hare variëteit ?■ norrmte |. &.) = S. Belan- 
geri Spring, en de var. jS erectum verschilt in geen enkel op- 
zicht van S. Junghuhniana Spring. 



S. Kurz, ibidem, Vol. XL, 11, 1871. 

PoLYGALEAE. 

S k a p h i u m l a n ceat u m Miq., Flor. Suppl. I , p. 557 wordt 
door den S. voor eene soort Xanthophyllwm gehouden. 

Hhamnaceae. 

Gouania j avant ca Miq., Flor. /. 1 . />. 649 wordt dooi- 
den S. weder tot G. mauritiana Lam. teruggebracht, evenals 
Blume gedaan had, 

Leguminosae. 

Clia n I Ir u s B i n nend y k i a u u s Kurz. Herba perennis , 
erecta, raniosa, adpresse fulvo-villosa, ramis densius et paten- 
tcr villosis: folia impari-pinnata, breviter petiolata, rachide fulvo- 
villosa; foliola 11 — 29, elliptica v. elliptico-oblonga, brevissime 
petiohilata, obtusa, mucronata, eire. 1 poll. longa, juniora dense 
cl. adpresse fulvo-villosa, dein supra parcius pubescentia: Stipu- 
lae subulato-setaceae, villosae; racenii breviusculi, strictiusculi. 
axillares, longe pedunculati, folio vulgo longiores: bracteae de- 
ciduae, pollicem ferc longae, lineares, longissime subulato-acu- 
minatae, adpresse pubescentes: flores conspicui, médiocres, pur- 
purei, pedicellis 4 — 5 lin. longis, fulvo-villosis, apice sub calycc 
bracteolas duas, lineari-lanceolatas , calyce ipso paulo longiores 



106 

gerentibus; calyx 2 — 2*/ 2 lin. longlis, fulvo-pubescens, dentibus 
brevibus; carina 3 / 4 poll. longa, aeuminata, vexillo reflexo lon- 
gior; ovarium stylusque glaberrimus; legumen lineare, 5 — 5V 2 
poll. longum, breviuscule stipitatum, acuminatum , torulosuin, 
eoriaceum, nigrescens, glabrum, suturis incrassatis; semina 
nigra, eire. 2 lin. longa. — Molukken, Ceram (Binnendijk). 

Deze plant gelijkt in habitus op C. Dampieri, doch is kleiner 
en gemakkelijk te herkennen aan de priemvormige schutblaadjes. 

Rosaceae. 

Prunus javanica Miq., /. c, p. 565. Hierbij voegt de S. 
als synonymen P. Junghuhniana Miq., t. c. en P. martabanica 
Kurz, Andam. rep., Ed. 2% p. 57. 

Pygeum parviflorum t. et b., Miq., /. c, p. 561 =P. 
arboreum Endl. 

Rubus Hors field ii Miq., /. c, p. 575 is eene vorm van 
R. lasioearpus Smith. 

Ha ma me li de ae. 

L i q u idamb a r trio u s p i s Miq., Flor., Suppl. 7, p. 546 = 
Bucklandia populnea R. br. 

CoMBRETACEAE. 

Comb return Hor s field ii Miq., Flor. I, 1, p. 609 = 6'. 
exlensum Roxb. 

M EL ASTOMA CEAE . 

Dissochaeta a trost iet a Miq., Flor. Suppl. I , p. 518, 
Scheff., Obs. phyt. 2, p. 45 = D. pallida Naud., Miq., Flor. 
I, 1, p. 528. 

/>. palembanica Miq., 6'w/?p/. p. 517 = />. pepericarpa 
Naud., Miq., Mor., I, 1 , p. 522. 

Memecylon Hors/ieldii Miq., /. c, p. 572 = M. lampon* 
gum, Miq.. Suppl., p. 551 =#. Griffilhianum Naud. 

Amelettia acutidens Miq., Mor., / 1 , /?. 6 1 7 = A. «öm 
Roxb. = A mdióH dc. = Ammannia peploides Spring. 



107 

Mybtaceae. 

R h o d a m // i a c i tier e a Jack , Miq., /. c, p. i 78 = R. concolor 
Miq., Suppl. p. 515 = /?. Nageli Miq., Flor., I. e. — R. subtri - 
flora bl. = R. Muelleri bl. = R. trinervia bl. 

ISelitris pa I 1 es eens Miq., Suppl. , p. 514 = A^. pamculata 

LlMIL. 

CuCURBITACEAË. 

Als o mitra het 'er os pe r m a Roem., (Zanonia heterosperma 
Wall., Miq., /. e., p. 685; behoort klaarblijkelijk tot het 
geslach l Gomphogyne. 

Cornaceae. 

Styrax javanieum bl. , Miq., Flor. /, 2, />. 464 = 
Marlea hegoniaefolia Roxb. 

Mar Ie a v Ulo sa Kurz; Styrax bl., Miq., L c; arbuscula, 
ramulis lulvo-pubesceniibus; folia oblique lanceolala v. óblóngo- 
tanceolata, basi acuta v. obtusiuscula, petiolis eire. 2 lin. Ion- 
gis, fulvo-pubescenlibüs, obtüse acuuiiiiata. 2 — 4 pol!, longa, 
piembranacea, inlegra, snpra scctis nervos piiberula, subtus 
iulvescenti-pubeseentia; flores parvi, pedicellis 2 lin. longis suf- 
fulti, in racemos simplices subsecundos, adpresse i'ulvo-pubes- 
centes. eire. % P°N- longos, breviter pedunculatos , dispositi: 
ealycis liinbus cyathiformis, lato 5-dentatus, unacum tubo ad 
basin 1-bracteolalo, oblongo-cylindrico, adpresse pubescens: eo- 
rolla 5-petala, V4 poll. longa, petalis 5-linearibiis ulrinque ad- 
presse fulvo-pubeseeutibus: stamina o, filameiila fulvo-villosa, 
brevissima. antheris linearibus multoties breviora — Java , in 
Bi. Salak. 

Symplocaceae. 

Symploeos ileophylla Miq., Flor., Suppl. /, p. 476 = 
S. adenophylla Wall., Dc. Prodr. Vlll, p. 256. 

S. H o r s fi e l d i, a 11 a Miq., /. C, p. 475 = S. ruhigiuosa W r ALL., 
Dc. /. c. = S. ferruginea Roxb., Miq., Fl. 1, 2, p. 466. 



108 

Mybsineaceae. 

Mae sa glabra Roxb. — M. samalrana Scheff. . Comm. 
Myrs., p. 15 ==; M. ramentacea Roxb. 

Embelia gare in ia e folio Mio. , Scheff.. /. c, /?. 40 == 
#. floribunda Wall. 

Ar di si a pqlysticta Miq., Suppl. p. 576. Dr. Scheller 
meent dal deze soort, door de zamengestelde bloeiwijzen en dooi- 
de lang gesteelde schermen, goed Ie onderscheiden is van de A. 
crispa De, doch de soort is slechts een dier talrijke vormen van 
4. crispa, wier bloemsteelen van bijkomende gesteelde schennen 
zijn voorzien, zooals b. v. duidelijk te zien is in Bol. Reg., tab. 
555, sub A. lentiginosa. (*) 

Climacandra obovata Miq. Deze naam zal moeten ver- 
anderd worden in C. littomlis [Ardisia Andr. Repos. X, 650 . 
DeCandolle vereenigt, naar de meening van den S. ten onrechte, 
A. liUoralis met A. hmnilis. Tot dezelfde soort behooren f. 
multi flora Miq. en ,4. ambellala Koxb. (f) 

Sapotaceae. 

De indische geslachten van deze orde kunnen aldus on- 
derscheiden worden : 

A. Calycis et corollae lobi isomeri. 

1. Ckry sop hg I /um. FJpres 5 — 8-meri. Stamina 5 -8. 
Staminodia nulla. Ovarii loculi 5 — 8. 

2. Sideroxy Ion. Flores 5 — meri. Staminodia 5. Ova- 
rii loculi 5 — 2. 



(*) Ik heb de aangehaalde plaat (Bot. Reg.) niet te mijner beschikking 
en kan dus niet beoordeelen in hoeverre de laatste bewering van den Heer 
Kurz juist is. Echter is A. polyslicta Miq.. welke de S. waarschijnlijk niet 
gezien heeft, zeer bepaald verschillend^ van A. crispa De. De kelkslippen 
en de bloeiwijzen zijn zeer verschillend. 

(-f-) Om het aantal synonymen niet noodeloos te vermeerderen, meen ik 
dat bet beter is den naam, door Miquel gegeven, te behouden. Reeds in 
mijne Comment. Myrs. p. 95 heb ik aangetoond dat A. mnbellata Roxb. 
met deze soort identisch is. C. multiflora Miq. is dezelfde als C. salicifolia 
Miq., welke weder eene goed te onderscheiden variëteit is van de C. obova/a 
Miq. Zie Obs. phyt., 3, p. 103. 



109 

5. Ac kras. Flóres 6-meri. Slamina 6. Staminodia 6. 
(h:irii loculi 12. 

4. Jsonandra. Flores 4 — 6-meri. Slamina lobis duplo 
pluria, uniseriata. Staminodia nulla. Ovarii loculi calycis lo- 
lt is isomeri. 

B. Calycis el corollae lobi anisomeri. Ovarii loculi lot quol 
calycis lobi. 

.). Payena. Calycis lobi 4 V. 6: corollae lobi duplo plures. 
Slamina corollae lobis duplo pluria , biseriata. Staminodia nulla. 

0. Bassia. Calycis lobi 4 v. 6; corollae lobi 8 — 14. Sta- 
mina corollae lobis circiler duplo v. triplo pluria, 1 — 5-seriata. 
Staminodia nulla. 

Chr y s ophyll u m s ti m a I r a n a m Miq. , Suppl. p. o 79 = 
Ch. Roxburghii G. Don. 

Cacosmanthus Hassk., Miq., Flor. II, p. 1040 behoort 
lol het geslacht Bassia. 

B a s s i a p hy po Ie uc a Miq. , Suppl. p. 582 = Isonandra obo- 
vata Griff., Nof. Dicot., p. 295. 

Ceratophorus Wightii Hassk.. Miq., Flor. ff, p. 1059 = 
Payena lucida De. Decandolle zag de filamenten , waarvan de 
antherae waren afgevallen, voor staminodia aan: van daar liet 
verschil in de opgaven van het aantal stamina. Het geslacht 
kan gevoegelijk aldus verdeeld worden: 

Sec!. 1. Hexamerio. Calyx G-partitus : corollae lobi el sla- 
mina calycis lobis duplo plura. 

Sect. ±. Payena. Calyx 4-partilus: corollae lobi et slamina 
calycis lobis duplo plura. 

a. Antherae pilosae : Ceratophorus Hassk. Hiertoe hehooreu 
/'. Leerii Ken/ en P. longipetiolata Ki ir/ Ceratophorus t. et b.) 

//. Antherae glabrae. Tol i\e/r aMeeïing kan gebrachl wor- 
den P. lucida A. De. 

Ebanaceae, 

Diospyros oleifolia Wall., Dc. Prodr., I. c, //. 30. 
Ailioi- mediocris, glabra; folia eMfptica ad oblongo-lanceolata, 



110 

petiolis 2 — 5 lin. longis suffulta, 5 — 5 poll. longa, subcoriaeea, 
utrinque laevia et nitida, nervis subtilissimis impressis et in- 
conspicuis percursa; flores parviusculi , alhi, 4-meri, breviter 
pedicellati , vulgo terni , peduncujis 5 — 6 lin. longis, subtiliter 
pubescentibus , axillaribus suffulti; calyx 5 lin. fere longus, 
extus glaber , intns dense fulvo-lomentosus, lobis lalis acutis : 
corolla calyce plusquam duplo longior, extus fulvo-tomenlosa, 
tubo amplo et inflato, c. 5 — 5Vs lin. longo, lobis brevibus ro- 
tundatis; stamina in fl. masculis eire. 20, ima basi corollae et 
toro inserta; filamenta inconspieua; antherae lineares, acumi- 
natae, c. 2 lin. longae; ovarii rudiment nm fl. mase. minulnm, 
fnlvo-pubescens ; fl. foeminei et baccae ignolae. — Pegn (Dr. Bran- 
dis), Java, Wijnkoops-baai (Teysmann). Mal.: Kajoe-ara?ig. 

AcANTHACEAE. 

Strobilanthes suma tra na Miq. , l. c, p. 8ü2 r= 6'. 
pentstemonoides T. And. 



S. Kurz. »Eine bemerking über ïnoddphnis Miq. und übei 
ein paar Indische Eichenarten" , in Flora />. Z. 1872, p. 597. 

Prof. Miquel heeft in het Supplement van zijne Flora van 
Nederlandsch-Indie een nieuw geslacht voorgesteld onder den 
naam van Inodaphnis, en daarbij eene diagnose gevoegd, welke 
meer gelijkt op die van een fossiel geslacht, dan op die van eene 
levende plant. Hij oppert dan ook de vraag of dit genus met 
de Hernandiaceae of met fnocarpus verwant is. Prof. Meissner 
plaatste het naast Hemandia. Later (Am. Mus. Lugd. Bat. UK 
p. 89) bracht M. het geslacht onder de Chrysobahneae, in de 
nabijheid van Parast emon of Diemenia. 

De S. meent echter dat deze plant duidelijk eene Grewia 
is. Zij komt zoo zeer overeen met zijne G. calophijlla An- 
dam. Rep., Ed. 2 a , p. 52) dat het zeer waarschijnlijk is dat 
beter materiaal de identiteit van beiden zal bewijzen. Echter 
zag de S. geene vruchten van zijne plant. De bloeiwijze daar- 



111 

van is met een grijsachtig poeder bedekt of hij na kort behaard, 
de bladeren hebben eenen langeien steel, zijn aan de basis af- 
gerond en lot eene aanmerkelijke hoogte 3-nervig; terwijl bij 
(,. Miqueliana, zooals de heer Kurz de hodaphnis voorloopig 
noemt, de bladsleelen en de onderste nerven zeer kort en de 
bladeren lancetvormig en hier en daar bochtig uitgerand zijn. 
Beide soorten zijn verwant met G. microcos, van welke zij 
onder anderen door bet vezelige mesocarpium der vruchten 
gemakkelijk te onderscheiden zijn. 

De S. voegt bierbij o. a. nog de volgende synonymen : 

Q (i e r c u s d i v a r i c a t a Lindl. , De, Prodr. XVII, 2, p. 10S 

= Castanopsis rhamnifolia Miq. (Castanea Bc, /. c, p. 115). 
( 7 a s I a n o p s i s s u m a 1 r a n a Miq., Dc /. c. = Castanea in- 

ermis Lindl. 

In hel tweede gedeelte van zijn »New Burme.se platits", gepu- 
bliceerd in bet Journal Asiatic Society of Bengal vol.XLH, part 
II, p. 1)9, komen de opmerkingen voor, dal beide soorten van 
Chaenolobium, door Miquel (Flor. Suppl. ƒ, p. 111) voorgesteld, 
moeten teruggebracht worden tot Ormosia coarctata Jack. en 
dal Ficus chrysocarpa Heinw. door denzelfden auteur voor sy- 
noniem met F. diversifolia wordt gehouden. 



VERGADERING 

DER DIRECTIE VAN DE 

KONINKLIJK-NATUURKUNDIGE VEREENIGING 

op Zaturdag 17 Januari 1874. 



Tegenwoordig de heeren dr. P. A. Bergsma, dr. J. A. C. 
Oudemans , dr. Hoorweg , dr. C. L. van oer Burg , A. A. 
Backer Overbeek, H. L. Janssen van Uaaïj, J. Heringa en 
L. W. G. de Roo, secretaris. 

Het lid dr. P. A. Bergsma opent de vergadering en draagt 
liet praesidium over op den nieuw benoemden voorzitter dr. 
J. A. il Oudemans met den wensch, dat liet hem moge gege- 
ven worden de Koninklijk-Natuurkundige Vereeniging in bloei 
te doen toenemen. 

Daarna worden de notulen der vorige vergadering gelezen 
en goedgekeurd. 

Ter tafel worden gebracht: 

I. de Gouvernements renvooien van 29 November, 2 en 12 
December, 1873 en 15, 15 en 16 Januarij 1874 no. 22955, 
23502 t/m. 23505, 23278, 23280, 318, 317, en 1723 strek- 
kende ten geleide der missives: 

a. van den resident van Krawang, van 9 Januarij 1874, no. 
71/4; 



115 

h. van den resident van Vfadioen , van 17 November 1875, 
no. 6824/25: 

c. van den residenl van Sóeracarta . van 15 November 1875. 
no. 5615: 

d. van den resident van Sumatra's Westkust, van 26 Oc- 
tohei 1875, no. 787: 

è. van den gouverneur van Celebes en ónderhoorigheden, 
van 18 November 1875, no. 4694: 

/'. van den resident van Menado van 2 November en 5 De- 
cember 1875, no. 2125 en 2591: 

g. van den residenl van Amboina , van 16 October, 5 en 
19 November 1875, no. 2455, 2556 en 2688: 

alle handelende over in die gewesten waargenomen natuur- 
verschijnselen. 

Deze bescheiden worden gesteld in handen van bet lid dr. 
Rergsma ter aanleekening en terugzending. 

II. De Bibliothecaris brengt het volgende verslag uit oml rent 
den toestand der bibliotheek en hetgeen door hem in het belang 
daarvan is verricht. 

«Gedurende het jaar 1875 werd de boekerij der Vereeniging 
geregeld vermeerderd met de tijdschriften der binnen- en bui- 
lenlandsche genootschappen, waarmede ruil verkeer bestond. 

Een gelijk verkeer^ kwam lol stand: 

ten eerste, met »cks Deutsche Gesell schaft f ürNatur und Vól- 
kerkunde Ostasiens" gevestigd te Jeddo in Japan en zulks 
op verzoek van die Vereeniging en ontvangsl van hel eersle 
nummer van haar tijdschrift, en 

ten tweede, met de Nederlandsche geographische Vereeniging 
gevestigd te Amsterdam , waarvan een gelijk verzoek vergezeld 
van het reglemenl dier Vereeniging ontvangen werd. 

Van de regeering van Brazilië werd hel belangrijke werk 
van Em. Liais »Climats, geologie, faune el gêographie botanique 
dn Brésil" ontvangen, welk geschenk op voorstel van den Pre- 
sident , beantwoord zal worden door aan bel observatorium 
Ie Kio de Janeiro onder beheer van Liais, een zoo veel inoge- 

DEEL XXXIV. 8 



114 

lijk compleet exemplaar van het tijdschrift der Vereeniging toe 
te zenden , terwijl bereids voorgesteld is met die wetenschap- 
pelijke inrichting in geregeld ruil-verkeer te treden. 

Door aankoop werden dezelfde tijdschriften bijgehouden als 
in het vorige jaar. 

Ten geschenke werden ontvangen van den heer J. C. Ber- 
nelot Moens. «Hel drinkwater te Batavia"; van Prof. A. C. 
öudemans te Delft »een onderzoek van het Podocarpinezuur"; 
van Au. Quetelet te Brussel eenige brochures; van het bestu- 
rend lid Janssen van Raaij de verslagen van de Gouvernement* 
telegraaph van 1861 — 70 en van 1871. Al deze werken door 
de gevers geschreven. Nog werd van den laatsten ten geschenke 
ontvangen, de levensbeschrijving van Maurij door zijn zoon. 

De heer L. Taats bood twee belangrijke werken over Zuid- 
Afrika aan, nam: «Damberger Landreise in Afrika" en «Temen. 
Bhopalocera Africae Australis". Van de Piegeering werd het 
eerste Jaarboek van het mijnwezen in ^ederl. 0. I. ontvangen, 
alsmede deel 6 van De Jonge's opkomst van het Nederlandscb 
gezag in Oost-Indie, en het Koloniaal verslag over 1872. 

Na afschaffing van den Europeschen helper in de bibliotheek 
werd mij vrijheid gegeven van tijd tot tijd, als het noodig 
was, over eenig schrijfloon te beschikken; daarvan werd ge- 
durende dit jaar (met inbegrip van sommige gedwongen fran- 
keeringen) tot een bedrag van / 70, — gebruik gemaakl. 

Met het binden werd geregeld voortgegaan, zoodat de orde 
in de bibliotheek, door 't vereenigen van de losse afleveringen 
der periodieken, veel verbeterd is. 

Het in orde brengen en bijhouden van den catalogus ver- 
eischte veel tijd; toch zijn de natuurwetenschappelijke afdee- 
lingen nu bijna gereed, zoodat met het drukken van een nieuwen 
catalogus een begin zou kunnen gemaakt worden, indien de 
toestand van de geldmiddelen der Vereeniging zulks gedoogde. 

Ofschoon dat voor het oogenblik niet het geval is, zoo blijft 
de hoop echter levendig dat het steeds toenemend ledental daarin 
spoedig de gewenschte verbetering zal brengen." 



115 

De voorzitter dankt den verslaggever voor zijne vele moeiten 
en beveelt het beheer der boekerij verder in zijne goede zor- 
gen aan. 

III. De thesaurier brengt onder de aandacht dat de fondsen 
der Vereeniging zeer beperkt zijn en het saldo in kas slechts 
f 500,— bedraagt. 

Hij is verhinderd geworden zijne rekening over het afgeloo- 
pen jaar af te sluiten en verzoekt deswege diligent te worden 
verklaard. Na eenige gedachlenwisseling omtrent hetgeen zou 
kunnen worden gedaan ter verbetering der inning van de con- 
tributien , vooral buiten Batavia, alwaar door verhuizing en ver- 
trek van leden, die niet tot de kennis van het Bestuur komen, 
dikwijls achterstand en onregelmatigheid ontstaan, geeft de 
thesaurier in overweging in zijne plaats te benoemen het lid 
Janssen van Raali , die door zijne relatien beter dan iemand 
anders in staat is, eene geregelde inning der contributien buiten 
Batavia te bevorderen. 

Daar de heer Janssen zich bereid verklaard de functien van 
thesaurier te aanvaarden, wordt; hel voorstel van den heer 
van der Burg met algemeene stemmen aangenomen. Tevens 
wordt besloten onmiddelijk aan de Regeering de beschikbaar- 
stelling te vragen der jaarlijksche subsidie van f 2000. — 

IV. Worden benoemd lol gewone leden de heeren F. W. 
Hudig , D. J. de Leeuw, H. G. C. Heringa, A. C. van Ra- 
venswaaij, J. Sturmer , J. Netter , C. H. J. A. Glasmacher, 
K. F. A. Bachman , H. Visscher van Gaasreek , C. J. H. Bie- 
gon von Czudnochowsky , en J. M. Muller. 

Tot leden der directie de heeren B. E. J. H. Becking . V. 
van Dijk, R. Everwijn en dr. C. Gutteling. 

V. Het lid dr. Bergsma vestigt de aandacht der directie op 
een in de comptes rendues van 10 November 1873, no. 19 
voorkomende mededeeling van Berthelot betreffende de theorie 
der dierlijke warmte. Deze mededeeling luidt ongeveer als yolgt : 

»Toen Lavoisier ontdekt had, dat bij de ademhaling -der 
dieren bel gehalte aan zuurstof in den dampkring vermindert. 



1 1G 

daarentegen koolzuur door de longen uitgestooten wordt, ver- 
geleek hij dit verschijnsel met eene slechts zeer langzaam voort- 
gaande verbranding, in hoofdzaak geheel overeenkomende met 
die van koolstof; deze verbranding had volgens Lavoisier plaats 
in de longen, zonder dat daarbij licht ontwikkeld werd, omdat 
de lichtstof onmiddelijk door de vochtige organen opgeslorpt 
werd: de bij deze verbinding ontwikkelde warmte werd mede- 
gedeeld aan het door de longen stroomende bloed en langs de- 
zen weg door het dierlijk lichaam verspreid. 

»Deze theorie der dierlijke warmte wordt, wat haar hoofd- 
beginsel betreft, nog steeds in de wetenschap aangenomen ; ie- 
der schrijft namelijk nog steeds de dierlijke warmte toe aan 
de scheikundige werkingen, welke in bet lichaam plaats grijpen, 
en waarvan de verbinding van koolstof met zuurstof de voor- 
naamste is; niemand neemt meer aan, dat deze scheikundige 
werking haren zetel alleen in de longen heeft. De eerste te- 
genwerpingen tegen dit gedeelte van Lavoisier's theorie werden 
door Lagrange gemaakt. 

«Lagrange was van oordeel, dat indien de geheele hoeveel- 
heid warmte, die door het dierlijk lichaam verspreid is, in de 
longen ontwikkeld werd, deze noodzakelijk eene voor hel fijne 
weefsel, waaruit zij bestaan, schadelijke temperatuur zouden 
moeten hebben; dat ook het onderscheid in temperatuur lus- 
schen de longen en de overige lichaamsdeelen zoo groot zoude 
moeten zijn, dat dit gemakkelijk zoude moeten kunnen waar- 
genomen worden; hij nam dus aan, dat de warmte van hel 
dierlijk lichaam niet alleen in de longen, maar in alle deelen, 
door welke het bloed stroomt, ontwikkeld wordt door eene 
langzame verbranding ten koste van de in de longen door bel 
bloed opgenomen en daarin opgeloste zuurstof. 

«Latere onderzoekingen hebben deze meening in hoofdzaak 
geheel bevestigd; maar nergens heb ik de opmerking gevonden, 
dat de redenering waardoor Lagrange er toe gekomen is, en 
welke redenering lot op den huidigen dag toe steeds wannee?- 
dit onderwerp besproken wordt, herhaald wordt, niet juist is: 



117 

de geheele hoeveelheid warmte, welke bij de verbinding van 
de ingeademde zuurstof niet koolstof vrij wordt, zon indien zij 
in de longen ontwikkeld werd, de temperatuur dezer organen 
slechts een klein gedeelte van een graad kunnen verhoogen. 
Dit is gemakkelijk aan te toonen. 

«Volgens de onderzoekingen van Andral en Gavarret be- 
draagt de geheele hoeveelheid koolstof, welke door een mensch 
in den vorm van koolzuur per uur uitgeademd wordt, niet 
meer dan 10 a 12 gram, dat is 0.167 a 0.200 gram per mi- 
nuut. Indien men aanneemt, dat de stoffen welke de uitge- 
ademde koolstof afgegeven hebben, ongeveer dezelfde hoeveel- 
heid warmte ontwikkeld hebben als zuivere koolstof (wat niet 
ver van de waarheid verwijderd is) zou deze warmte in staat 
zijn 1.5 a 1.6 kilogram water 1° C. per minuut in tempera- 
tuur te doen rijzen. Veronderstelt men, dat er zestien in- 
ademingen per minuut plaats hebben, dan wordt bij iedere 
van deze eene hoeveelheid warmte ontwikkeld in staat om 
hoogsten 100 gram water 1° in temperatuur te doen rijzen, 
Deze hoeveelheid warmte verdeeld over de geheele massa dei- 
longen (2.0 a 2.5 kilogram) zou bij iedere ademhaling de tempe- 
ratuur er van slechts een klein gedeelte van een graad (een 
twintigste a een vijf- en twintigste van een graad) kunnen 
doen toenemen. Het voortdurend door de vaten stroomende 
bloed, tusschen twee inademingen ongeveer 500 a 400 gram 
bedragende, en de omliggende lichaamsdeelen zouden deze 
warmte opnemen naarmate zij ontwikkeld werd, en dus ver- 
hinderen dat hare werking zich ophoopte. 

»Het blijkt dus, dat de werking van de zuurstof op de ver- 
brandbare bestanddeelen van het dierlijk organismus, zelfs in- 
dien zij alleen in de longen haren zetel had, — hetgeen niet 
het geval is, — slechts nioeielijk waarneembare veranderingen 
in dat gedeelte van het lichaam zoude teweegbrengen. De ge- 
volgtrekkingen van Lagrange waren echter overeenkomstig het- 
geen werkelijk plaats grijpt, niettegenstaande de gronden waar- 
van hij uitging, onjuist waren: maar het is niet het eenige 



118 

voorbeeld in de geschiedenis der wetenschap, dat eene onjuiste 
redeneering tot belangrijke ontdekkingen aanleiding heeft ge- 
geven. 

VI. Vervolgens verleent de voorzitter het woord aan den 
heer Hardeman die, na eene verklaring gegeven te hebben van 
de di-electrische machine van Carré . niet dien toestel eenige 
goed gelukkende proeven neemt, en daarna proefondervindelijk 
aantoont, dat de inductie electriceer machine van Holz, — die 
tot nog toe , in weerwil van alle voorzorgen , te Batavia niet 
in werking kon gesteld worden, — goede resultaten geeft, 
wanneer hare papierbekleeding eene geringe voorloopige lading 
ontvangt van de machine van Carré. 

De voorzitter dankt de sprekers voor hunne gewichtige bij- 
dragen. 

VII. Lijst der ingekomen boekwerken. 
Aangekocht. 

1. Goinptes reudus des séances de l'academie des sciences. 
T. LXXVII no. 17—20. Paris 1875, 4°. 

t. Annales de chimie el de physiquc par Begnault etc. 
4 e Serie, ï. XXX (Novembre 1873). Paris 1875, 8°. 

5. J. C. Poggendorff's. Aunalen der Physik und Chemie. 
Band. CXLIX stück. 5. Leipzig, 1875. 8°. 

Als geschenken, gedeeltelijk in ruil. 

4. Monatsbericht der kon. preuss. Akademic dei" Wissen- 
schaften zu Berlin, Mai no. 2, Juni, Juliu August 1875. Ber- 
lin 1875, 8°. 

5. Verslagen en inededeelingen der Kouinklijke Akademie 
van Wetenschappen. — Afdeeling Natuurkunde, 2 e reeks, Dl. 
VII. 2 e stuk. 

6. B. Friederich et L. W. C. van den Berg. — Codicuni 
arabicorum in bibliotheca societatis artium et scientiarum quae 
Bataviae floret asservator urn catalogum. Bataviae, 's Hagae 
1875, 8°. 

7. Tijdschrift van bet Indisch landbouw-genootscbap. 5' 
Jaarg., no. 11 en 12. Samarang 1875. 8°. 



119 

Van de Regeering. 

8. Jaarboek van hel mijnwezen in Nederlandsen Oost-Indie. 
2 e Jaarg., l e deel. Amsterdam 1873, 8°. 



VERGADERING DER DIRECTIE 

van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging op Zaturdag 28 

Februari 1874. 

Tegenwoordig de heeren dr. J. A. C. Oudemans, H. L. Jans- 
sen van Raaij , J. Heringa , B. E. J. H. Becking , R. Everwijn, 
P. van Dijk, dr. C. Gütteling, L. W. G. de Roo, secretaris. 

De notulen der vorige vergadering worden gelezen en goed- 
gekeurd. 

Daarna brengt de voorzitter ter tafel de missives der nieuw 
benoemde leden Becking , Everwijn , van Dijk en Gütteling 
houdende kennisgeving dat zij zich bereid verklaren het lid- 
maatschap der directie te aanvaarden en heet hij hen welkom 
met den wensch, dat het hun gegeven moge worden den bloei 
der Vereeniging te bevorderen. 

Vervolgens worden gelezen: 

I. Gouvernements renvooien van: 3, 10 en 17 Februari, 
nos. 1933, 2494, 2620 en 2058 strekkende ten geleide dei- 
missives : 

a. van den resident der Preanger-regentschappen , dd. 23 
Januari 1874, no. 496; 

/>. van den resident van Cheribon, dd. 28 Januari 1874, 
DO. 514; 

c. van den resident der Preanger-regentschappen. dd. 31 
Januari 1874, no. 675; 

d. van den resident van Ambon, dd. 19 December 1874. 
no. 2886: 

allen handelende over in die gewesten waargenomen natuur- 
verschijnselen. 



120 

Het lid Heringa voegt daarbij eeue van het lid van Hattem 
ontvangen mededeeling betreffende eene aardbeving te Padang 
Sidempoean. 

Wordt besloten deze beseheiden te stellen in handen van 
het lid dr. Bergsma ter aaiiteekening en terugzending . 

II. De missive van het lid K. A. Sijthoff houdende ver- 
zoek om van de ledenlijst te worden afgevoerd. 

Wordt besloten aan dit verzoek te voldoen. 

III. De missive van den heer A. H. J. Bloijs van Tres- 
long Prins van 24 Februari 1874 houdende aanbieding van 
eenige stukjes graniet afkomstig van bet eiland Tjilakka of 
Tjilagi gelegen ten Westen van de Marlieldslraal. 

Wordt besloten den heer Prins voor dit bewijs van belang- 
stelling te bedanken. 

IV. De thesaurier deelt mede dat tiij na inning van ver- 
seheiden achterstallige contributiën en na afbetaling van eenige 
onafgedane posten meent te kunnen rekenen op een batig saldo 
van ± /' 800, onder ultimo December jl. 

In verband hiermede geeft hij in overweging om op de ten 
laste der vereeniging loopende hypotheek op het gebouw af te 
lossen eene som van /' 645,78. Dienovereenkomstig wordt 
besloten. 

V. Als uit Indië voor goed vertrokken worden van de leden- 
lijst afgevoerd H. J. E. Ch. Chevalier , D. Ekkma. W. F. 
Godin, G. C. L. Moesman, C. H. Palm, j. H. Tobias en H. E. 
üe Vogel. Daar gebleken is dat reeds voor korter of langer 
tijd hebben bedankt J. B. A. Focquin, W. J. van de Graaff. 
S, L. P. D. Niepce, C. Bosscher , en G. P. Servatius . wor- 
den ook deze heeren afgevoerd als leden waarvoor zij nog bij 
vergissing te boek stonden. 

VI. Tot leden der vereeniging worden benoemd : F. W. Tab . 
^Salatiga) A. F. van de AVall, J. C. van Lier, J. J. van San- 
ten , A. Fitz Verploegh , H. W. M. Th. Aalstius oen Afpel . 

C. HOCHSTETTER, H. HeRRINGS , H. RoSENTHAL , A. VON S TRORACll 

en F. Hekmeijer, allen te Batavia. 



121 

VII. Oe voorzitter deelt mede, dat de onder-voorzitter door 
ziekte en andere omstandigheden verhinderd wordt het verslag 
over liet afgeloopen jaar ter tafel te brengen en deswege ver- 
zoekt diligent te worden verklaard. Dienovereenkomstig wordt 
besloten. 

VIII. Het lid P. va* Dijk brengt onder de aandacht dal 
onder de aardbevings-berichten in hel Tijdschrift der Vereeui- 
ging onderscheidene opgaven gemist worden, van aardbevingen 
die in de vlakte van Ambarawa en andere militaire neder- 
zettingen, — bijv. te Klaten en te Kedong Kebo, — hebbeu 
plaats gehad, zoo als hem gebleken is uit telegrammen en rap- 
porten aan den Directeur der Genie voorhanden in het archief 
der onder-Directie van de Genie te Willem I. Hij geeft in 
overweging om het Militair Departement uit te noodigen, alle 
aardbevings-berichten, gericht aan de Directie der Genie, ter 
kennis te willen brengen van de K. Nat. Vereeniging. Daar- 
toe wordt besloten. 

IX. De Secretaris deelt mede, ten gevolge van huiselijke 
omstandigheden genoodzaakt te zijn voor korten tijd zich naar 
Europa te begeven en verzoekt vergunning zijne funetien tijde- 
lijk te doen waarnemen door het lid J. Herisga , die zich daar- 
toe bereid heeft verklaard. De gevraagde vergunning wordt 
verleend. 

X. Lijst der ingekomen boekwerken. 
Aangekocht. 

1. Comptes rendus des séances de 1'aead. des sciences. tables 
1« sem. 1873. T LXXVI. Paris 4°. 

2. Annales de ehimie et de physique. T. XXX, Dec. 1875. 
Paris 8°. 

5. J. C. Poggendorff's. Annalen der Physik und Chemie. 
Bnd. CL, Sttick 1, (1875 no. 9). Leipzig 8° 

4. Du. F. 11. Tkosciikl's. Archiv für Naturgeschichte. Jahrg. 
57, Heft 6". Jahrg. 59, Heft 5 es . Jahrg. 40, Heft V\ Ber- 
lin 1875, 1874, 8°. 



m 

Als geschenken deels in ruil. 

o. Geneeskundig Tijdschrift N. 1., Dl. XVI, afl. 4 en 5. Ba 
tavia 1875, 8°. Uitgegeven door de vereeniging tot bevorde- 
ring der Geneeskundige Wetenschappen. 

6. Notulen van de algemeene en bestuurs-vergaderingen van 
het Bataviaasch genootschap van K. en W., Dl. XI, 1875 no. 5 
en 4. Batavia 8°. 

7. Monatsbericht der kön. preussisutien Akademie der Wis- 
senschaften zu Berlin. Sept. u Oct. 1875. Berlin 1875, 8°. 

8. Bulletin de la société impér. des naturalistes de Moscou. 
Année 1872 no. 2—4. Ann. 1875 no. 1.- Moscou 1872 et 
1875, 8°. 

9. Abhandlungen herausgegeben vom naturwissenschaftlichen 
Vereine zu Bremen. III Bnd., 5 e * Heil. Bremen 1875, 8°. 

10. 14 er Bericht der Oberhessischen Gesellschaft fiir Natur- 
und Heilkunde. Giessen 1875, 8°. 

11. Sitzungsberichte der königi. Böhmischen Gesellschaft der 
Wissenschaften in Prag. Jahrg. 1871, Jahrg. 1872, (Jan.~ 
Juni). Prag. 8°. 

12. Mémoires de la société de physique et d'histoire natu- 
relle de Genève. T, XXI, part. 2 e . T. XXII, T. XXIII, 1" part. 
Paris et Bale 1872 et 1875, 4°. 

15. Mémoires dë 1'academie impér. des sciences de 67. Pé- 
tersbourg. VII* Serie, f. XVIII no. 8—10, T. XIX no. 1—7. 
St. Pétersbourg 1872 et 1875, 4°. 

14. Bulletin id. id. T. XVII no. 4 et 5, T. XVIII no. 1 
et 2. Pétersbourg 1872, 4°. 

15. Abhandlungen der kon. Böhmischen Gesellschaft der Wis- 
senschaften vom Jahre 1871 — 1872, Sechste Folge, 5 eS Band. 
Prag. 1872, 4°. 

Van de Regeering. 

16. Koloniaal verslag van 1875. Folio. 
Als geschenken. 

17. Nederlandsch meteorologisch jaarboek voor 1868 en 1872, 
2 deelen. Utrecht 1872, 20 Jaarg. 2 e dl. en 24 e Jaarg. l e dl. 



125 

18. Schriften der königl. physikaliseh-ókonomischen Gesell- 
schaft zu Königsberg. 15 er Jahrg. 1872, T Ablh., 4°. 

19. Beilage no. 2 zu den Abhandlungen des JNaturwissen- 
schaftlichen Vereins zu Bremen. Tabellen über den Flachenin- 
halt des bremischen Staats, den Wasserstand der Weser und die 
Witterungsverhaltnisse des Jahres 1871. Breinen 1872, 4°. 

20. Jahrbuch der K. K. Geologischen Reichs-anstaït. Bnd. 
XXIII Jahrg. 1875 no. 1 u 2. Jan,- Juni, 8°. 

21. Verhandlungen der K. K. Geologischen Reichs-anstalt 
1875 uo. 1—10, 8°. 

22. Abhandlungen der K. K. Geologischen Reichs-anstalt. 
Bnd. V, Heft 4 u 5, 4°. 

25. Annales de la société entomologique de Belgique. T. XV, 8°. 

24. The journal of the Linnean Society. Botany Vol. XIII 
no. 68 72, Zoology Vol. XI no. 55 and 56. London 1872 
and 1875, cS° 

25. The transactious of the Linean Society of London. 
Vol. XXVIII part. 5 nd . Vol. XXIX pari. 2 nd . Londen 1875, 4°. 

26. Additions to the library of the Linnean Society. Keceived 
from June 16, 1871 to June 20, 1872, 8°. 

27 Proceedings of the Linnean Society of Londen. session 
1872 -75), 8°. 

28. List of the Linnean Society of London 1872, 8°. 

29. F. A. W. Miquel. lllustrations de la flore de PArchi- 
pel Indien. T 1 livr. 1 — 5, coinpl. Amsterdam, Utrecht, 
Leipzig 1870—71, 4°- 

50. Müsée botanique de Leide par W. F. R. Suringar. Vol 1 
livr. 15. Leide 1871, 4°. 

51. Third and fourth anmuil reports of the geolögical survey 
of Indiana, made during the years 1871 and 1872. — With. 4 
maps. Indianapolis 1872, 8°. 

52. (Annales du Jardin imp. de bolanique de St. Péters- 
bourg?) Tomb Btopo vi (2 e dl.?) 1875, 8°. 

(Russische titel). 

55. Oversigt over def kongel. Danske videnskabei'n es sels- 



124 

kabs forhandliiiger og dets medlemmers arbeider i aaret 1871 
no. 5, 1872 no. 1 og %. Kjöbenhavn. 8°. 

34. Videnskabelige meddelelser fra naturhistorisk forening i 
Kjöbenhavn for aaret 1872 no. 1 — 14, 8°. 

55. Mémoires de 1'acad. royale de Copenhague, Classe des 
Sciences Naturelles. V e Serie. 

(Vidensk. selsk. ski'. V raekke naturvideuskabelig og mathe- 
matisk. Afd. IX Bd. 6—9. Af'd. X Bd. 1 og 2. 



VERGADERING DER DIRECTIE 

van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging op Zaturdag den 
21 Maart 1874. 

Tegenwoordig te lieeren : dr. J. A. C. Oude.mans . presidenl 
H. L. Janssen van Raali , R. Everwijn, P. van Duk, B. E. 
1. H. Becking, A. A. Backer Overbeek, H. J. Hardeman en J. 
Heringa, secretaris. 

De voorzitter deelt mede, dat de vice-president , de heer P. 
A. Bergsma nog steeds door ziekte verhinderd wordt de ver- 
gadering bij te wonen en om dezelfde reden zich verplichl ziet, 
de redactie van het tijdschrift der Vereeniging neder te leggen. 

Van den heer dr. C. L. van oer Burg, is eveneens bericht 
ingekomen dat hij verhinderd is de vergadering bij te wonen. 

De notulen der vorige vergadering worden gelezen en goed- 
gekeurd.. 

Daarna brengt de voorzitter ter tafel : 

I. A. R. Wall ace » Insulinde : het land van den orang-oulau 
en den paradijsvogel vertaald door Prof. P. J. Veth." In ge- 
heel linnen band met vergulden titel en stempels: geschenk 
van het lid dr. P. A. Bergsma voor de Bibliotheek der Veree- 
niging. 

Wordt besloten den gever schriftelijk dank te zeggen. 

II. Een dierkundig werk uit de vorige eeuw, geschenk van 
het lid A. G. Vorderman, getiteld: P. S. Pallas, Dierkundig 



in 

mengelwerk vertaald door P. Boddaert, Med. dr. - Besloten 
als voren. 

III. Een schrijven van denzelfden over een op den 19 Ja- 
nuari jl. te Krawang door Chineezen waargenomen , zoogenaamde 
abloedregen." Van genoemd schrijven wordt met belangstel- 
ling kennis genomen en besloten om indien de president niel 
spoedig antwoord mogl krijgen op zijn verzoek om iels van de 
stol', die in bel regenwater bezonk, te mogen ontvangen, mi 
dergelijk schrijven van de Vereeniging' te doen uitgaan. 

IV. Eene missive van het militair departement in antwoord 
op een verzoek van de Vereeniging om de bij den Chef van 
bel wapen der Genie inkomende aardbevingsrapporten ter in- 
zage te mogen hebben, behelzende het bericht, dat genoemde 
rapporten slechts dan worden ingediend als schade aan gebou- 
wen is veroorzaakt en dus onvolledig zijn. 

Wordt besloten te verzoeken ook deze berichten ter aanvul- 
ling van andere te mogen ontvangen. 

V. Missive van het lid H. J. Hardeman, die verklaart het 
lidmaatschap der directie met genoegen te aanvaarden. De voor- 
zitter heet genoemden heer welkom. 

VI. Een schrijven van Prof. J. W. Gunning te Amsterdam, 
inhoudende eene beshrijving van door Z. Hooggel op last van 
den Minister van Koloniën vervaardigde tabellen ten gebruike bij 
de vocht weger en thermometer onder zijn toezicht vervaar- 
digd om te dienen bij de heffing van accijns op het gedistil- 
leerd in Neerl. Indie. Gemeld schrijven gaat vergezeld van 
de twee beschreven vochtwegers en van een thermometer in 
étui. Wordt besloten de mededeeling op de nemen in het tijd- 
schrift . de instrumenten in het archief te deponeren en Prof. 
Gunning voor een en ander te bedanken. 

VII. Een schrijven van het lid Dietriech, die mededeelt 
naai" Banda te zullen gaan en vraagt op welke wijze hij der 
Vereeniging van nut kan zijn: wordt besloten hel dirigerend 
lid de Gavere dil schrijven in banden te stellen met verzoek 



126 

op te geven of ook bijzondere natuurproducten van Banda voor 
het museum gewenscht worden. 

VIII. Een brief van de commissie voor het aanstaande land - 
bouw-congres, houdende kennisgave dat dit congres in April 
1875 te Djokdjokarta zal gehouden worden. 

Voor communicatie aangenomen. 

IX. Missive van den resident van Batavia verzoekende ver- 
slag van de verrichtingen der vereeniging in het afgeloopen jaar. 

Besloten hieraan met spoed Ie voldoen. 

X. Voor de Bibliotheek Wordt door den president aangebo- 
den een verslag van de bepaling der geographische ligging van 
punten in den Riouw en Lingga-archipel , van hemzelven. 

XI. Dr. Oudemans biedt aan namens den heer van i der Sande 
Bakhuizen een supplement op zijne eigene opgave van wijlen 
Prof. Kaizers werken. Wordt besloten tot plaatsing in het 
Tijdschrift. 

XII. Bij de stemming voor een nieuwen redacteur van 
het Tijdschrift valt de keus op den heer P. van Dijk, die de 
benoeming aanvaart. 

XIII. De heer Janssen van Raam deelt namens de Commissie 
van onderzoek mede dal de rekening en verantwoording over 
het vorige jaar in orde is bevonden. 

XIV. Op een verzoek van het Indisch-landbouw-genootschap 
om opgave van de voorwaarden waartegen een compleet exem- 
plaar van de werken der Vereeniging te verkrijgen zou zijn , 
wordt besloten dat genootschap een zooveel mogelijk compleet 
exemplaar ten geschenke aan te bieden en verder de gevraagde 
inlichting omtrent aschbepalingen van suikerriet te verschaffen. 

XV. Op een schrijven van den heer Maarschalk dat ZEd. 
bedankt voor bet lidmaatschap der Vereeniging wegens vertrek 
naar Europa , wordt besloten genoemden heer van de ledenlijst 
af te voeren even als den heer H. A. F. de Vogel, om over- 
eenkomstige reden en den heer Waerseoers, die bericht voor 
het lidmaatschap te hebben bedankt. 

XVI. De thesaurier Joel mededeeling van de ontvangst der 



127 

f 2000, — subsidie van de regeering, waarvan voorloopig 
/ 1500, op de spaarbank is geplaatst. 

XVII. Het lid Heringa biedt aan voor het Tijdschrift een 
onderzoek van eetbare aarde afkomstig van Sumatra. 

XVIII. Tot gewone leden der vereeniging worden metalge- 
meene stemmen benoemd de heeren C. Hiinske , M. Eernstman , 
S. J. Wolff en H. Schröder Pisser. Tot correspondend lid 
Prof. Dr. J. W. Gunning. 

XIV. Lijst der ingekomen boekwerken. 
Aangekocht : 

1. Comptes rendus des séances de 1'academie des sciences 
T. LXXVII no. 21—25. Paris Nov. et Dec 1875. 4°. 

2. J. C. Poggendorff's. Annalen der Physik und Chemie 
Band CL Stück 2. Erganzungs Band VI Stück 5. Leipzig 1875. 8°. 

5. Annales de Chimie et de physique par M. M. Chevreul 
etc. 5 mp série T. I er (Janvier 1874). Paris. 8°. 

Geschenken , gedeeltelijk in ruil : 

4. Tijdschrift van het Indisch landbouw-genootschap 4 e jaarg. 
no. 1 en 2. Samarang 1874. 8°. 

.">. Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie 
van Wetenschappen. Afdeeling Natuurkunde. 2 e Reeks Dl. VII, 
7> e Stuk. Amsterdam 1875. 8°. 

6. Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde uit- 
gegeven door het Bataviaasch genootschap van K. en W. Dl. XXI 
afl. 2. Batavia 1874. 8°. 

7. Jhr. Mr. J. K. .1. de Jonge. De opkomst van het Neder- 
landsen gezag in Oost-Indië. 7 e . Deel. 's Gravenhage en Am- 
sterdam 1875. 8°. van de regeering. 

8. Monatsbericht der Kon. pruiss. Akademie der Wissen - 
schaften zu Berlin. Nov. 1875. 8°. 

9. A. R. Wallace. Insulinde : het land van den orang- 
outan en den Paradijsvogel, vertaald door Prof. P. J. Veth. 
Amsterdam 1870—71. 2 deelen 8°. in linneu. 

10. Dr. J. W r . Gunning. Tafels tot het bepalen van de 
hoeveelheid alcohol in gedistilleerd ten behoeve van de admini- 



128 

stratie der in- en uitvoerregten en accijnsen in Nederlandsch- 
Indië. Amsterdam 1865. 8°. 

11. P. S. Pallas. Dierkundig mengelwerk, in het welke 
de nieuwe of nog duistere zoorten van dieren door naauwkeurige 
afbeeldingen , beschrijvingen en verhandelingen opgehelderd wor- 
den vertaald door P. Boddaert. Med. D. Utrecht 1770. VT 
Stukken in één band. 4°. 

12. Mittheilungen der deutschen Gesellschaft für Natnr und 
Völkerkunde Ostasiens. 3 es Heft (Sept. 1875) Yokohama, folio. 

15. Verslag van de bepaling der geógraphische ligging van 
punten in Riouvv en Lingga-archipel door Batavia 22 Maart 
1874 Dr, J. A. C. Oudemans. 



BEPALING VAN HET LENGTEVERS0H1L 

VAN 

BATAVIA en SINGAPORE 

DOOR MIDDEL VAN SEINEN MET DEN 

ONDERZEESCHEN TELEGRAAFKABEL 

DOOR 

I>r. JT. A. O. OTJIXEMiAlVS, 

Hoofdingenieur van de Geographische Dienst in N. I. 



Inleiding. 

In het jaar 1858 werd Batavia de eerste maal met Singapore 
door eenen onderzeeschen telegraafdraad verbonden. Deze werd 
gelegd geheel op kosten der Nederlandsche Regeering. Reeds 
bestond het plan voor de bepaling van het lengteverschil tus- 
sehen beide plaatsen den kabel te gebruiken; doch de spoedige 
beschadiging van den kabel was oorzaak dat er toen niets van 
dat voornemen konde komen. 

In 1870 werd Batavia voor de tweede maal begunstigd me 
eene telegraphische verbiuding met Singapore, die door de 
British Australian Telegraph Company werd tot stand gebracht. 
Door de beleefdheid van den heer A. Fraser alhier eene aan- 
beveling ontvangen hebbende bij den Ingenieur van den kabel, 
den heer Forde, en door dezen in aanraking gebracht zijnde 
met den superintendent der genoemde maatschappij, den heer 
Hennett Peil, had ik het genoegen dat mij door den laatsten 
op mijne eerste aanvraag zonder eenige reserve het. kosteloos 

deel xxxiv. 9 



130 

gebruik van den kabel voor het meergenoemde doel werd toe- 
gezegd, zoodat spoedig het desbetreffende voorstel aan de Pie- 
geering gedaan kon worden, en bij Regeeringsbesluit van 4 
December 1870 no. 5 de verlangde machtiging voor het uit- 
voeren dezer bepaling verkregen werd. 

Daar de assistent, thans. ingenieur, Soeters te Batavia beschik- 
baar was, verzocht ik hem mij bij deze bepalingen te assis- 
teeren. Ter eliminatie onzer persoonlijke verschillen zou eerst 
de heer Soeters te Singapore en ik te Batavia, en later ik te 
Singapore en de heer Soeters te Batavia waarnemen. 

Gebruikte hulpmiddelen. 

In Europa ïijn in den laatsten tijd verscheidene lengte- 
verschillen met de electromagnetische telegraaflijnen bepaald, 
voor zoo ver zij mij bekend zijn geworden , alle lengteverschillen 
tusschen sterrewachten onderling of van eene sterrewacht en 
een station van de Europesche graadmeting. Daarbij werden 
de tijdsbepalingen verricht met vaste meridiaankijkers of draag- 
bare passage-instrumenten van groote afmetingen, de tijd op 
de stations aangegeven door slingeruurwerken van de beste 
soort, en behalve de gewone methode met oog en oor, werd 
ook de nieuwe methode gevolgd, waarbij de doorgangen der 
sterren voorbij de draden der meridiaaninstrumenten dooreenen 
registreertoestel werden aangegeven. De geographische dienst 
bezit deze fijnere en kosltbare hulpmiddelen, die meer bepaald 
op een observatorium te huis behooren, niet, en daar ergeene 
sprake van zijn kon, deze voor de voorgenomene bepaling op- 
zettelijk te bestellen, zouden wij dus onze gewone universaal- 
instrumenten en tijdmeters gebruiken , en dezelfde wijze van 
werken volgen als vroeger door mij op Java gevolgd was. Nog- 
tans geloof ik door de zorg, waarmede de waarnemingen ge- 
daan zijn, een resultaat verkregen te hebben, zoo nauwkeu- 
rig als het met de ter onzer beschikking zijnde hulpmiddelen 
te verkrijgen is, nauwkeuriger dan voor de tegenwoordige be- 



I3i 

hoefte noodig is, en nauwkeurig genoeg voor alle te verwach- 
ten omstandigheden. 

Wijze, waarop de tijdmeters vergeleken werden. 

Ik kwam met den heer Peil overeen, dat beide waarnemers 
te 5 ! uur M. Tijd te Batavia op de telegraaf kantoren zouden 
zijn, om door telegraafseinen de tijdmeters aan beide stations 
te vergelijken. Den volgenden morgen even zoo te 7 uur, in- 
dien aan beide plaatsen waarnemingen verkregen waren ; hij 
die geene waarnemingen verkregen had, zou hiervan een be- 
richt naar het telegraaf kant oor zenden. 

Het vergelijken der tijdmeters zou geschieden door 
12 seinen, (enkele tikken,) gegeven te Singapore, 
12 » » » Batavia, 

12 » » » Singapore, 

12 » » » Batavia, 

dus in het geheel door 48 seinen waarvan echter meestal eenige 
gemist werden. Door het geven der seinen op beide plaatsen 
werd de tijdruimte geëlimineerd, die zij noodig badden om over 
te gaan, in de vooronderstelling dat hel oponthoud voor beide 
richtingen gelijk was, hetgeen niet merkbaar van de waarheid 
verwijderd kan zijn, daar de toestellen te Batavia en te Sin- 
gapore, waardoor de seinen zichtbaar werden gemaakt, volko- 
men van dezelfde constructie waren. 

Korte beschrijving van den seintoestel van Thomson. 

De electrische stroom , die den kabel van 450 Engelsche 
mijlen doorloopen moet, is te zwak om den scbrijftoestel van 
Morse in beweging te brengen. Voor deze soort van stroomen 
gebruikt men den toestel van Thomson , bestaande in een klein 
magneetje, 'ongeveer een centimeter lang, waaraan een 
spiegeltje bevestigd is. Dit spiegeltje hangt vertikaal tusschen 
twee draadjes, een er boven en een er onder; hel magneetje 
bevindt zich tegen den achterkant van het spiegeltje en is ho- 
rizontaal. Het spiegeltje hangt midden in de opening van eenen 



152 

multiplicateur d. i. van een' hollen ring, waardoor een aantal 
windingen van eenen draad loopen, waarvan het eene uiteinde 
met den kabel, het andere met de aardplaat in verbinding ge- 
bracht wordt. De windingen van dezen draad, zoowel als het 
magneetje, bevinden zich nagenoeg in het vlak van den mag- 
netischen meridiaan, en zoodra nu een electrische stroom dooi- 
den draad gaat, wijkt het magneetje en dus ook het spiegeltje 
af. Eene op de tafel geplaatste lamp werpt haar licht door 
een horizontaal buisje op het spiegeltje, en dit licht valt na 
de terugkaatsing op een vertikaal staand papierscherm. Elke 
afwijking van het spiegeltje wordt dus door eene overeenkom- 
stige beweging van het lichtbeeld op het scherm aangegeven 
en opdat dit lichtbeeld zich scherp zoude voordoen, bevindt 
zich aan het buitenste eind van het boven bedoeld buisje eene 
lens, die een brandpuntsafstand hebben moet, korter dan de 
lengte van het buisje, en aan het andere einde, dicht bij de 
vlam, een diaphragma met eene vertikale spleet; deze geeft 
dus op eenigen afstand van de lens een beeld, en men kan 
nu het scherm zoo plaatsen, dat dit beeld, nadat de lichtstralen, 
die het vormen, op het spiegeltje zijn teruggekaatst, er juist 
op valt en zich dus als eene scherp begrensde heldere lichtstreep 
voordoet. 

Terwijl nu bij het gebruik van eenen seintoestel van Morse, 
met één sleutel geseind wordt, en de letters van hel alphabet 
door punten en strepen worden aangeduid , die door den seiner 
eenvoudig worden voortgebracht door kort of lang op den sleu- 
tel te drukken, zijn er bij den -toestel naar Thomson twee 
sleutels naast elkander; met den een' wordt de verbinding 
daargesteld tusschen den kabel en de positieve pool der batterij 
met den anderen tusschen den kabel en de negatieve pool. 
Aan het kantoor van ontvangst wordt in het eene geval eene 
plotselinge beweging van het beeld op het papierscherm naai- 
de linker-, in het andere geval naar de rechterzijde waarge- 
nomen. 

Het alphabet van Morse blijft ook hier dienen, doch zoo dat 



[53 

de linksrlie afwijkingen in de plaats van de purtten , de recht- 
sche afwijkingen in de plaats van de strepen komen , en door- 
/ dien het lange aanhouden van den sleutel voor hel seinen van 
strepen vervalt, kan het seinen hij dezen toestel nog vlugger 
geschieden dan niet dien van Morse. 

Bij gehruik van den seintoestel naar Morse voor de verge- 
lijking van Iwee lijdmeters, aan de heide uiteinden der tele- 
graaflijn aanwezig, geeft aan het kantoor van ontvangst het 
anker van den eiectro-niagneet , aangetrokken wordende, een 
hoorbaren tik en wordt dus het oogenhlik waargenomen waarop 
deze tik of dit sein plaats heeft; de waarnemer, eens op den 
tijdnieter gekeken hebbende, telt de tijdmetertikken door en 
gebruikt dus verder alleen het oor, bij het schatten van het 
juiste oogenhlik van het sein. 

Bij den toestel van Thomson echter zijn de seinen aan het 
kantoor van ontvangst, even als bij alle naaldtelegrafen , niet 
hoorbaar, maar alleen zichtbaar, en men is dus verplicht het 
juiste oogenblik te schatten, waarop hel beeld van de spleet, 
op het scherm, zich in beweging stelt; oor en oog worden dus 
hierbij beide gebruikt. Het is daarom niet onwaarschijnlijk 
dat bij deze waarnemingen de personele verschillen tusschen 
twee waarnemers lot een grooter bedrag kunnen opklimmen 
en ook veranderlijker zijn dan bij het waarnemen der seinen 
op den toestel naar Morse. 

Over de methoden, gevolgd bij de tijdsbepalingen, en de 
daarbij gebruikte instrumenten. 

Bij het gebruik van universaal-instrumenten biedt de methode 
van tijdsbepaling door zenithsafs tanden van sterren veel voor- 
deel en gemak aan, en wordt zij ook steeds door ons gebruikt. 

Behalve het groot universaal-instrument van Bepsold, is bo- 
vendien geen der universaal-instrumenten zoo gebouwd, dat ik 
hun gebruik als passage-instrument zou verkiezen. Dat de 
resultaten, door eerstgenoemde methode verkregen, in nauwkeu- 
righeid niet onderdoen voor die, welke met een passage-instru- 



154 

ment verkregen worden , hebben mijne reeds gepubliceerde ver- 
slagen genoegzaam aangetoond. Ik herinner hier slechts, dat 
de waarschijnlijke fout van eene correctie der tijdmeters, be- 
paald door een stel van 5 of 6 zenithsafstanden derzelfde ster, 
niet meer bedraagt dan S ,06 tot O 8 , 12 en dat ter eliminatie van 
kleine fouten in de berekende refractie en de buiging, zoo die 
bestaat, des kijkers , steeds getracht wordt, zoowel oostelijke als 
westelijke sterren te gebruiken. 

De heer Soeters gebruikte een universaal-instrument met 8- 
dnims-cirkels van Pistor en Martins, (P. M. IV) , en ik het kleine 
universaal-instrument met 6-duims-cirkels van Repsold. 

Enkele avonden heb ik ook tijdsbepalingen met een passage- 
iustrumenl verricht. Dit instrument, het eenige eigenlijke 
passage-instrument, dat de geographische dienst bezit, behoort 
tot de eerste instrumenten, waarmede in het jaar 1850 de 
geographische ingenieur S. H. de Lange werd toegerust. Het 
is vervaardigd door den heer E. Wenckebach, en heeft eene 
bijzondere constructie. De kijker ligt namelijk als horizontale 
as op de pannen, en voor het objectief is een prisma beves- 
tigd, zoodat, als de as des kijkers loodrecht op den meridiaan 
gericht is, door totale reflectie in het prisma, gedurende eene 
draaiing des kijkers alle punten van den meridiaan des hemels 
in het midden van het veld des kijkers komen. 

Deze inrichting heeft boven die van een' gebrokenen kijker, 
het voordeel, dat het niveau op de as kan blijven staan, en 
ook dat men onder het prisma eenen kwikbak kan plaatsen 
om daarmede op de bekende wijze de collimatieföut en de in- 
dexfout des vertikalen cirkels te rectificeeren. Het is bespro- 
ken op blz. 150 en verv. van de verhandeling van wijlen den 
hoogleeraar Kaiser, »dc sterrekundige plaatsbepaling in dei 
Indischen Archipel", en hieruit blijkt, dat het bovendeel van het 
werktuig door een misverstand deze inrichting verkregen heeft, 
die Kaiser voor een ander werktuig bestemd had , maar die hij 
geenszins afkeurde. 

Zoo ver mij gebleken is, was het instrument zelden of nooit 



155 

gebruikt, en daarom stelde ik het des te meer op prijs, het te 
heproeven. In vele opzichten voldeed het mij wel ; in enkele 
bijzonderheden, die echter voor het goed gelukken der waar- 
nemingen van veel belang kunnen zijn , niet. Het voornaamste 
wat ik er gaarne anders in zoude gewenscht hebben, is eene 
geheele onafhankelijkheid van het oculair en het dradennet, 
zooals dit in de universaal-instrumenten van Repsold gevonden 
wordt, ten einde de onveranderlijkheid der collimatieibut te 
waarborgen. 

Ik had voor de meridiaanwaarnemingen met dit instrument 
een geschikt sterrelijstje zamengesteld , en hiervan ook een af- 
schrift aan den heer Soeters medegegeven, met aanbeveling 
om, wanneer het weder helder mocht zijn, ook meridiaanwaar- 
nemingen te nemen; maar daar te Singapore de lucht meestal 
gedeeltelijk bewolkt was, bepaalde hij zich liever tot de hoog- 
tenmethode, waarmede hij ook beter vertrouwd was. 

Bepaling van de betrekkelijke ligging der waarnemings- 
plaatsen te Batavia en den tijdklep. 

Mijne waarnemingen geschiedden achter mijne woning op 
Kramat, oostzijde, alwaar ik in 1866 een steenen pilaar met 
een zwaar fondament had laten metselen. De betrekkelijke 
ligging van dit punt en den tijdklep is met zeer veel zorg door 
middel van een aantal tusschenpunten bepaald; daar echter 
omtrent de juistheid van het hiervoor aangenomene resultaat 
geen twijfel mag bestaan, zal ik de details daarvan mededee- 
len. Ik zelf heb de betrekkelijke ligging bepaald van den ge- 
zegden pilaar en den gaslantaren bezuiden de brug van Pasar 
baroe; de heer Soeters bepaalde later de betrekkelijke ligging 
van dezen lantaren en den tijdklep. De door mij gebruikte 
tusschenpunten waren alle ook gaslantarens , en daar deze als 
vaste punten beschouwd kunnen worden, (eene verplaatsing zal 
zeker zelden plaats hebben,) zullen de opgaven, die punten be- 
treffende, wellicht nog voor andere doeleinden te pas kunnen 
komen. Ik noem : 



156 

den gaslantareu voor Lontar-Satoe N. 

» » op Kramat (Kamp. Bali) drie lanlar. noordelijker M, 
» » aan de znid-oost-zijde van den brug van Kwitang L, 
» » vóór het tweede huis op Pasar-Senin. . . K, 
» » bezuiden de brug » » «... I. 

» » » » * van Pasar Baroe . . . H, 

De afstanden werden minstens tweemaal gemeten met eene 
stalen meetveêr van 10 nieters, waarvan de lengte nauwkeurig 
bekend was, door vergelijking, in acht nemende de tempera- 
tuur, met de beide tot den inventaris of der Geographische 
Dienst behoorende ijzeren meters, die in 1850 door den heer Stam- 
kart met den ijzeren meter van van Swinden vergeleken waren. 
Het bleek namelijk dat die meetveêr volkomen gelijk was 
aan vijfmaal de beide ijzeren nieters te zamen, daar deze ech- 
ter bij 29° C. gemiddeld Va m - M. te lang waren, werd eene 
overeenkomstige herleiding ook op de metingen der afstanden 
toegepast. 

De azimulhen werden met het universaal-instrument door 
middel van den rechter- en linker zonnerand zorgvuldig bepaald. 
De pilaar (P) achter mijn huis en de gaslantaren N waren 
niet uit elkander "zichtbaar, zoodat voor de relatieve ligging 
dezer twee punten, een tusschenpunt noodig was, waar het 
azimuth van beiden bepaald werd. Tot controle nam ik twee 
tusschenpunten , een aan de zuidzijde en een aan de noordzijde 
van mijn huis. Bij de volgende opgaven worden de azimuthen 
als gewoonlijk van het noorden oostwaarts om geteld , en dien- 
overeenkomstig de relatieve coördinaten x en y van een punt 
ten opzichte van een ander positief genomen , wanneer het met 
betrekking tot dat punt noordelijk en oostelijk gelegen is. 
Ik vond nu voor de ligging van N ten opzichte van P 

Eerste bepaling x — —77,707 y = —112,703 meters, 
door het zuidelijk- Tweede —77,664 -112,733 

ste tusschenpunt. 



. Gemiddeld —77,686 —112,718 

door het noordelijkste -77,652 —112,677 



Aangenomen: -77,67 —112,70 







Afstand Verschil 

in der 
meiers. beide metingen. 


S 


M 


218,87 0,00 


M 


L 


508,42 0,10 


L 


K 


55,525 0,05 


K 


I 


607,74 0,01 


1 


H 


979,65 0,05 



in meters. 


y 

m meter- 


190,49 


-107,808 


498,85 


98,69 


37,12 


- 58,59 


462,05 


-594,81 


905,50 


—574,56 



157 
Vervolgens werd gevonden voer de verdere afstanden 

Azimulh. 

550°29 / ,5 - 
548 48 ,4 - 
515 55 ,5 - 
519 29 7" - 
557 52 2 - 
De som der coördinaten geclï : 

H ten opzigte van P -f- 2016,12 —1126,95. 

Op de gemiddelde breedte van beide punten, 6°10 / 51",2, is 
log 1" 'm den meridiaan == 1,487560 
in de parallel == 1,487708 
Hieruit : 

H ten opzichte van V\ x =■ 65",64 en // ±= - 56",66 

— 2 S 44 

De betrekkelijke ligging van den gaslantaren H en den tijd- 
klep werd door den heer Soeters door middel van 18 tusschen- 
punten bepaald. Het eerste bevond zich op ongeveer 10 meters 
afstand van H, het tweede op Goenong-Sahari , schuins tegen- 
over het Marine-Departement, en verder werd de weg van Ja- 
catra gekozen; op deze wijs werd veel minder last van het 
verkeer gevoeld, dan wanneer de groote weg langs Noordwijk 
en Molen vliet gevolgd was. De afstanden van deze punten 
werden weder dubbel gemeten en wel met de twee meel veeren, 
de ééne, die vroeger ook door mij gebruikt was , en de andere 
die 2 decimeters korter was, en met de vorige tot een geheel 
kon vereen igd worden. Werden zij te zamen gebruikt, dan was 
de correctie per meter + 0,000205 of ^ (1 -¥ ~). 

Om tegen alle vergissingen in de geheelè aantallen slagen 
van de meetveèr gewaarborgd te zijn, werden de afstanden 
eene derde maal overgemeten , doch met mindere zorg, met eene 
meetveèr van 40 meters. De laatste afstand s I, zie hier- 
achter, kon, wegens het zich tusschen deze twee punten 
bevindende havenkanaal, niet direkt genieten worden, doch werd 



138 

door driehoeksmeting afgeleid. Eerst werden door den heer 
Soeters alle hoeken op de tusschenpunten met het universaal- 
instrument gemeten, en alleen op het eerste en laatste tus- 
schenpunt eene azimuthhepaling met de zon, doch daar het hij 
de proef hleek, dat er ergens eene vergissing moest hebhen 
plaats gehad, nam de heer Soeters nu ook op het derde, vijfde, 
zevende, enz. tusschenpunt eene azimuthhepaling van het voor- 
gaande en volgende punt. De punten waren namelijk gemak- 
kelijk terug te vinden, daar op elk punt een piketpaaltje in 
den grond geslagen was, waarvan nog ten overvloede het mid- 
den der bovenvlakte door een' spijker werd aan gewezen. Door 
middel van een paslood werd het middelpunt van het univer- 
saal-instrument telkens nauwkeurig hoven den spijker gesteld, 
terwijl de punten waarnaar geviseerd werd, door een bamboe- 
zen baak werd aangeduid, die door een inlandschen handlanger 
op de piketpaaltjes gesteld en zoo goed mogelijk vertikaal ge- 
houden werd. Het spreekt van zelf, dat de kijker van het 
universaal-instrument steeds naar den voet van die baken ge- 
richt werd. 

Op elk tusschenpunt, waar het universaal-instrument werd 
opgesteld, werden de azimuthen tweemaal bij kijker rechts en 
tweemaal bij kijker links bepaald, telkens door beide zonneran- 
den. Het noordpunt berustte dus telkens op acht instellingen 
op den zonnerand. De baken weiden gewoonlijk vóór de waar- 
nemingen op de zon beide tweemaal ingesteld, beide keeren 
met kijker rechts en met kijker links, en één der baken nog 
eens na die waarneming, ter constatering van den onverander- 
den stand van het voetstuk. Daar de acht instellingen van den 
zonnerand, daaronder begrepen de aflezingen van het niveau 
en van den horizontalen cirkel, gemiddeld slechts 16 minuten 
vorderden, bedroeg het verschil met de vorige aflezing nooit 
meer dan eenige weinige sekonden. 



159 
Aldus werd door den heer Soeters verkregen: 





Afstand 


Verschil 








./•. 


y- 




in 


tusschen de 


Azimuth. 




in 


in 




nieters. 


beide metinger 


i. 






meters. 


meters. 


Ha. 


9,54 


0,005 


73< 


, 4.7/ j>7" 


■+ 


2,66 


-4- 9,16 


ab. 


458,79 


0,145 . 


60 


21 18 




226,95 


4- 598,74 


bc. 


926,04 


0,16 


545 


55 22 




898,25 


— . 225,24 


cd. 


756,77 


0,05 


545 


21 54 




752,22 


— 191,21 


de. 


225,25 


0,05 


286 


45 20 




64,25 


— 215,79 


e f. 


212,57 


0,02 


550 


57 26 




185,24 


— 104,27 


fg. 


97,66 


0,095 


551 


17 15 




96,55 


14,79 


gh. 


111,56 


0,01 


50 


26 20 




96,01 


-f- 56,42 


hi. 


178,57 


0,10 


518 


12 5 




155,12 


119,02 


ik. 


514,72 


0,17 


505 


50 49 




286,69 


— 427,49 


kl. 


450,68 


0,085 


281 


56 55 




95,50 


- 440,92 


lm. 


594,65 


0,155 


280 


20 54 




106,82 


584,98 


mn. 


159,76 


0,14 


527 


56 48 




118,02 


— 74,86 


n o. 


146,04 


0,17 


554 


50 8 




145,45 


— 15,15 


op. 


495,54 


0,20 


545 


52 45 


-f- 


476,05 


— 157,60 


pk. 


559,65 


0,21 


255 


12 56 


— 


105,89 


— 544,52 


qr. 


668,95 


0,06 


544 


56 51 


+ 


644,94 


177,54 


r s. 


109,80 


0,01 


271 


29 40 -h 


2,86 


109,76 


st. 


117,89 




289 


58 42 


-+- 


59,65 


111,05 




4245,04 


-2825,65 








Correctie. 


-4- 


0,87- 


0,58 



4245,98 — 2826,25 
Voor de gemiddelde breedte, 6° 8'49" is: 

log sin 1" in den meridiaan: = 1,487560 
» » » de parallel: == 1,487751 
en hieruit in sekonden : 

x — -4- 158",25 
y = - 91 ,95 = — 6 S ,15. 
Toen de heer Soeters voor de tweede bepaling Ie Batavia 
zou waarnemen, liet hij in de nabijheid zijner toenmalige woon- 



140 



plaats een' pilaar bouwen aan de noordzijde van het Konings- 
plein. De betrekkelijke ligging van dezen pilaar en de gaslan- 
taren H bepaalde hij door zes tiisschenpunten, en op het eerste 
en zesde nam hij eene aziniuthbepaling, op de andere werd 
alleen de hoek gemeten tnsschen het voorgaande en het vol- 
gende tnsschenpunt. Daar het eerste aziuuith, door deze hoe- 
ken op het laatste overgebracht, slechts een verschil van 25", 4 
aanbood, werd dit verschil gemiddeld en zoo werden de vol- 
gende uitkomsten verkregen. 





Afstand 


Verschil 




X 


y 




in 


tnsschen de 


Azimuth. 


in 


in 




meters. 


beide metingen 




meters. 


nieters. 


Qa' 


556,995 


0,05 


95° 51' 49" 


24,06 


-f- 556,18 


a'b' 


180,55 


0,055 


51 6 44 


-h 154,58 


95,29 


bV 


255,59 


0,02 


8 18 9 


252.92 


55,99 


c'd' 


144,51 


0,055 


86 21 40 


9,16 


144,02 


d'e' 


116,165 


0,01 


57 10 58 


92,56 


70,20 


è'f' 


559,96 


0,055 


62 45 46 


155,59 


-f- 502,27 


f'H 


15,845 


0,01 


292 56 51 


-f- 6,09 


— 14,65 




-f- 626,84 


-+-985,52 








Correctie . 


-+- 0,12 


-1- 0,20 



x — 626,96 # = 985,52 
Voor de gemiddelde breedte beider punten, 6°10' 5" is 
log 1" in den meridiaan: 1,487561 
» » » de parallel: 1,487715 
en hiermede in sekonden: 

* = -4- 20",41. 
y — -^ ^ ? 06 = 4- 2 8 ,14. 
Er moeten dus bij de herleiding van de uitkomsten der tijds- 
bepalingen tot den tijdklep de volgende getallen gebruikt worden: 
Voor de waarnemingen op den pilaar P op Kramat — 8 S ,57, 

» » » » » » Q » het Koningspi. — 5 ,99. 

Over de nog overblijvende onzekerheid in deze bepaling, zie 
hierachter Noot A. 






141 



Breedte der waarnemingsplaatsen te Batavia. 

De geographische breedte van den pilaar achter mijne woning 
op Kranial was zorgvuldig door mij bepaald en gevonden 

6°11 / 4",0 Zuid. (zie hierachter Noo! B.; 
Hier uit volgt: 

Z. breedte Gaslantaren H 6° 9' 58",36 
Pilaar Q 6 10 18 ,77 

ïijdklep 6 7 40 ,13 

De hier opgegevene breedten van P en Q werden bij de bere- 
kening der lijdsbepaling en gebruikt. 

Betrekkelijke ligging van de waarnemingsplaatsen te Singapore, 

de torenspits der cathedraal en den vlaggestok 

op Government-hill. 

Toen de heer Soeters in December 1870 te Singapore kwam, 
en zich bij onzen consul aldaar, den heer Reed, vervoegd bad, 
bood deze hem dadelijk met de meeste welwillendheid aan, 
hein, indien hij in het een of onder opzicht hulp noodig had, 
de noodige aanbeveling te verschaffen. De heer Soeters maakte 
van dit aanbod gebruik, en verzocht dat een pilaar voor zijne 
waarnemingen gebouwd zou worden. Deze pilaar werd door 
den luitenant der genie Sheppard geheel kosteloos op het veld 
opgericht, dat zich ten westen der cathedraal en ten zuiden 
der gouvernements-school bevindt, en van een planken vloer om- 
geven, die hem niet aanraakte, zoodal deze observatieplaats 
aan alle eischen voldeed. 

De heer Soeters bepaalde met het 8 duims universaal-instru- 
menl P.M. IV, door middel der beide zonneranden tweemalen 
bel azimuth van de torenspits der cathedraal, gezien uit het 
midden van den pilaar, en vond: 

den 21 Januari 1871 ZQQ%%'i(V r $ 
» » » 14 ,5 

23 » 14 ,55 

» » » 11 ,6 

Elk van deze vier resultaten berust op vier instellingen op 



142 

den zonnerand, namelijk bij Oculair links op beide randen en bij 
Oculair rechts evenzoo. Het arithmetisch midden 200°42 / 13",l 
werd aangenomen. Daar de horizontale hoek tusschen de to- 
renspits van den cathedraal (C) en den vlaggestok op Government- 
hill (V) gevonden werd 54°58'12",4, zoo volgde het azimuth van 
dezen 255°40'25",5. 

Ter bepaling van den afstand tusschen den pilaar en deze 
beide punten werden op hetzelfde veld twee hulppunten A en 
B gekozen en verder gemeten: 

1° op den pilaar: hoek C P V 
» CPB 
» C P A 
2° op het punt A: » C A V 
» C A P 
» C A B 
5° op het punt B: » ABP 
» ABC 
» A B V 
Voorts werd met de meetveêr gevonden : 
P A = 54,165 meters. 
PB = 48,73 
AB = 95,53 
Uit deze metingen werd afgeleid: 

PC = 229,0 meters. 
P V = 673,2 
waaruit in verbinding met de azimuthen gevonden werd: 
Pilaar ten opzichte van de torenspits van den cathedraal : 
Noordelijk: 214,2 m. = 6",97 
Oostelijk: 80,9 » = 2 ,62 = 0%17. 
Pilaar ten opzichte van den vlaggestok op Government-hill : 
Noordelijk: 166,6 m. = 5",42 
Oostelijk: 652,3 » =* 21 ,10 = 1 8 ,41. 
Toen ik later te Singapore kwam, heb ik ook eerst eenen 
avond eene tijdsbepaling op dezen pilaar genomen, doch daar 
ik, met het oog op het veranderlijke weder, den afstand tusschen 



54°58'12" 


149 44 17 


286 


7 45 


44 


43 1 


92 27 34 


113 


3 9 


23 


1 4 


48 


6 9 


104 


9 



143 

den pilaar en het logement te groot vond, nam ik voortaan 
waar op het door mij medegehrachte houten voetstuk, dat, 
van onderen zooveel mogelijk bezwaard, en door een' geisoleerden 
vloer omringd, voor tijdsbepalingen door zenithsafstanden even 
goed voldeed als de pilaar. 

Uit dat voetstuk vond ik door de zon voor het azimuth van 
den top van den vlaggestok : 

den 12 Februari 1871 295°14 / 40" 
>. Vó . 1871 46 



dus gemiddeld: 295°14'43" 

Hoek vlaggestok — spits cathedraal: 87 7 30 

Azimuth spits cathedraal: 22 22 13. 

Uit deze gegevens leidde ik af voor de betrekkelijke ligging 
van het voetstuk ten opzichte van de torenspits der cathedraal : 
Zuidelijk 185,7 m. = 6",05 
Westelijk 76,4 » = 2 ,47 = S ,17 
en ten opzichte van den vlaggestok: 

Zuidelijk 233",4 m. = 7",60 
Oostelijk 494 ,9 » = 16 ,01 = 1%07, 

Hieruit volgt nog: 
Voetstuk zuidelijk van den pilaar 13",02. 

Breedte der waarnemingsplaatsen te Singapore. 

De heer Soeters vond door 15 reeksen waarnemingen voor 
de poolshoogte van den pilaar: 

Noord. 1°17'39",8 (Zie noot C.) 
waaruit dus volgt voor het voetstuk: 

1°17'26",8. 

De lijdsbepalingen, door mij verricht, zijn herleid onder aan- 
name eener poolshoogte =r l°17 / 27' / ,2, zoo als eene eerste her- 
leiding van op het voetstuk zelf genomene breedtebepalingen mij 
gegeven bad. Het kleine verschil van 0",4 kan op de resul- 
taten dier tijdsbepalingen niet van invloed zijn. 



144 



Nog volgt, uit de breedtebepaling van den heer Soeters: 
voor den torenspits der cathedraal 1P17'52",8 

» » vlaggestok op Govèrnment-hill 1 17 54 ,4. 

Mededeeling van de resultaten der tijdsbepalingen en der 
vergelijking der chronometers door den telegraaf. 

EERSTE REEKS. 

Soeters te Singapore, Oudemans te Batavia. 
A. Tijdsbepalingen genomen te Singapore. 



Stter. 



1 Chr. Tijd 

der 
waarnem. 

ö 

- 



Correctie chr. 

voor waarn. 

plaats. 



Geredue. op vlaggestok 
correctie = — ï 8 ,41 



gem. chr. 
tijd der 
waarnem. 



Correctie 

chronome- 
ter. 



a> Sc 
bc 



11 



Rigel 


4 





8u 


37 m ,6 


Rigel 








9 


50 .9 


Fomalhant 


6 


w 


7 


17 .9 


/3 Ceti 


6 


w 


8 


2 ,7 


Rigel 


6 





8 


32 .4 


v. Ctiti 


6 


w 


9 


51 ,0 


Procyon 


6 





10 


46 ,0 


/3 Ceti 


4 


w 


7 


47 ,0 


a Hydrae 


6 


w 


16 


27 ,1 


Arcturus 


3 





17 


9 ,2 


Rigel 


6 





7 


37 ,3 


/3 Ceti 


4 


w 


8 


17 ,0 


« Ceti 


6 


w 


6 


27 ,6 


Procyon 


6 





9 


59 ,7 



Hohwü 391 




— ll m 52 8 ,095 


8u 37 m ,6 


—11 50 ,01 


9 50 ,9 


—10 33 ,05 


32 ,91 




32 ,86 


8 54 .0 


31 ,94 




32 ,195 




Frodsh. 2374 




+ 8 m 32 s ,74 


j 


36,41 


13 47 ,8 


37 ,415 


/ 


-+- 8 43,46 


| 


43 ,42 
44,03 


J 8 50 ,4 


44,51 


1 



-ll m 53 9 505 
-11 51,42 



10 34,00 



8 34.11 



+ 8 42 ,44 



i»,< 



4,29 



10 .50 



1+10,5; 



Ster. 



_• 


„j 




O 


o 




o 








"~ ' 


O 






re 


4-a 






03 


O 


O 


O 



Chr. Tijd 

der 
waarnem. 



141> 



Correctie chr. 

voor waarn. 

plaats. 



Gereduc. op vlaggestok 
correctie = — l. s 41 



gem. chr. 
tijd der 
waarnem. 



Correctie 
chronome- 
ter. 



6 


W 


6 





6 





G 


w 


6 


w 


6 





6 


w 


6 





6 





6 


w 


6 


w 


6 





6 


w 


6 





6 


w 


6 




1 



Ou 


54 m .3 


7 


32 .8 


10 


8 ,0 


11 


52 ,0 


6 


59 ,0 


7 


32 ,9 


8 


57 ,0 


10 


10 ,0 


7 


39 ,8 


8 


16 ,3 


8 


58 ,1 


9 


43 ,5 


7 


14 ,1 


7 


42 ,2 


8 


45 ,3 


9 


15 ,2 



+ 


8» 


1 53 s 


,44 






53 


.72 






55 ,06 






55 


,745 


+ 


9 


4 


,29 






4 


,26 






4,90 






5 


,70 


+ 


9 


35 


,50 






35 


,76 






ffi 


,08 






3G 


,52 


+ 


i) 


45 


,60 






45 


,90 






46,33 






4G 


,58 



9» 6 m .8 



8 26 ,4 



8 m 53\08 



+ 9 3,38 



8 39 .4 



9 34 .56 



f Ceti 
Rigel 
Procyon 
Rigel 

|3 Ceti 
Rigel 
« Ceti 
Procyon 

Rigel 
§ Ceti 
a Ceti 
Procyon 

j| Ceti 
Rigel 
a Ceti 
Procyon 



Den 25 December is de lijdmeter H. 591, waarschijnlijk door 
eenen stoot, versprongen. De gang van den tijd me ter was nu 
ook geheel veranderd, en toen de lieer Soeters dit bepierkte, 
besloot hij voortaan den anderen lijdmeler te gebruiken, die, 
zooals uil de laatste kolom blijkt, zeer regelmatig liep. 



8 14 ,2 



+ 944.69 



+ 10 s ,59 



10,36 



10 ,32 



DEEL XXXIV 



10 



146 



B. Tijdsbepalingen genomen te Batavia. 







a 




Tijd 


Goit. Tijdm. 


Gemiddeld 


Resultaat 


fcb 


Datum. 


Ster. 


o 
o 


op 


herleid 


tijd op 


Correctie 


ÖD 






~* 





Schmidt 


op Tijdklep. 


Schmidt 




"3 






eö 


4-i 

C/2 


325. 


(Corr.rr — 8 S ,57.) 


325. 


Tijdmeter . 


et 

Q • 






O 


O 











1870. 


Meridiaan 




















Dec. 20 


waarn. 






10" 50 m 


+ I m 59 s ,62 


10" 


50'" 


+ l ul 


59 s ,62 


+ K28 


. 22 


Fomalhaut 


6 


W 


8 13 


+ 2 2 ,02 


j 10 


3 


+ 2 


2,12 






Rigel 


6 


W 


11 53 


2 ,22 
























+2.57 


. 24 


Rigel 


6 





8 55 


+ 2 7 ,14 


8 


55 


+ 2 


7.14 




1871. 






















Januari 2 


Rigel 
k Hydrae 


6 

6 


W 



12 44 

13 18 


+ 2 35 ,12 
34,90 


\n 


1 


+ 2 


35,01 


+3,21 


3 


« Hydrae 
Spica 


6 
6 


W 



16 59 

17 35 


+ 2 38 ,77 
38,81 


1" 


17 


H-2 


38,79 


+3,94 


4 


a Ürionis 


2 


w 


13 22 


+ 2 42 ,01 


L 












]3 Leonis 


2 





13 33 


42,09 


' 1 Q 


28 


+ 2 


42,05 






Tijd op 


Corr. 


(lem. 


tijd 














Schmidt 


Schmidt 


op Schm. 
















334. 


334. 


33 


4. 










Meridiaan 




















7 


en Rigel 






10» 38™ 


- 1'" 41\645 


10" 


38'« 


— In. 


41\645 


-2,01 


» 11 


Rigel 
y Geminor 


4 

3 






7 38 
9 19 


— 1 49 ,71 
1 49 ,83 


} 8 


28 


- 1 


49,77 


-1 ,69 


. 12 


Meridiaan 






7 50 


-1 51,36 


j 












Rigel 


4 


w 


10 56 


1 51 ,69 


9 


23 


-I 


51 ,525 


-1 ,62! 


■ 13 


Rigel 
« Celi 


6 
6 




w 


7 42 
9 8 


— 1 53,22 
53,03 


J 












Procyon 


4 





10 56 


53,27 


9 


31 


— 1 


53,16 






« Hydrae 


6 





11 4 


53,39 


' 








2,18 


15 


Rigel 


6 





7 59 


- 1 57 ,28 


7 


59 


— 1 


57 ,28 


1,94 


. 16 


Rigel 


6 


w 


12 13 


- 1 59 ,55 


l 












« Hydrae 


5 





12 52 


59,73 


12 


50 


-1 


59.61 






Procyon 


4 


w 


13 22 


59,41 


) 






. 1 





147 



C. Resultaten der vergelijking der reide tijdmeters door 

DEN TELEGRAAF. 



Datums. 



Aanwijzing 
op Tijdnieter te Sin- 
gapore. 



Tijdmeter te Batavia. 
— » » Singap. 



1870 December 


22 


5 U 


40* 


,6 




G)m 


4% 77 






19 


41 


,6 


— 


2 


4,485 


1871 Januari 


3 


5 


40 


,6 





1 


21,55 






19 


29 


,0 


— 


1 


20, 11 


„ 


11 


5 


24 


,1 


+ 


22 


21, 06 






19 


41 


, 5 


H- 


22 


28 , 66 


» 


12 


ij 


22 


,0 




22 


33,49 






19 


17 


2 




22 


40,66 


» 


13 


5 


19 


,1 




22 


45, 73 






19 


40 


,9 




22 


53 , 23 


» 


16 




37 


,0 




23 


23 , 27 






19 


36 


, 1 




23 


30 , 39 



148 

TWEEDE REEKS. 

(Oudemans te Singapore, Soeters te Batavia.) 



A. Tijdsbepalingen, genomen te Singapore. 



Datum. 



Ster. js 



jjj 


^j 


03 




O 




o 








'" "■ 


o 














o 


o 


O 





Tijd 

op 

Schmiilt 



Corr. Chron. 

gereduceerd 

op VI. Slok. 

(Corr. =2— i«,07.) 



Gemiddeld. 



Tijd op ! 

Schmidt Corr. Ciiron. 



1871. 
Februari 8 
12 
13 

14 



20 



Meridiaan 

« Ceti 

j3 Leonis 
Procyon 

« Ceti 

Procyon 

Rigel 
a Hydrae 

Procyon 

a Ceti 

Procyon 
a Hydrae 

Rigel 



Procyon 
Rigel 
cc Hydrae 
Kegulus 
Procvon 



Procyon 



Rigel 



Hydrae 
Regulus 
Procyon 



9 




2 


W 


6 





2 


W 





W 


6 





6 


w 


(3 









w 


6 


w 


6 





6 





6 


w 


6 





6 


w 


4 





4 





6 


w 


6 





6 


w 


4 





4 





6 


w 



Hu 30- 9 m 49 s .82 
11 53 49,90 



8 8 

8 40 

9 33 
10 22 



8 2 

8 39 

9 10 

8 39 

9 12 
9 56 

10 16 

10 40 

7 58 

8 31 

8 5G 

9 21 
10 31 



9 47,60 
,67 
,45 

,26 



9 42,56 
42 ,45 
42,36 
42,36 

9 37,26 
37,03 
36,71 
36,86 
37,06 

9 31,40 
31 ,58 
31 ,38 
31 ,37 
31,36 



10" 30^ 

7 40 

11 41 

9 11 

9 41 

8 20 



\ 9 46 



8 58 



+ 10" 1 8 ,79 
-i- 9 51,93 

+ 9 49.86 



-f- 9 47.51 



+ 9 44,92 



9 42,43 



9 37,00 



9 31,44 



149 



B. Tijdsbepalingen te Batavia 



Datum. 



Ster. 



Tijd 

op den 

waarncm 



Corr. Chron. 

Hohwfi 

514. 



(iereduceerd op Tijdklep 

(Corr. = — 3»,99.) 



Gem. Chr. 
tijd op den 
waarnem . 



Corr. Chron. 

Hohwü 

514. 



1871. 
nruaril2 



13 



14 



16 



18 



20 



Rigel 



Procyon 

/? Leonis 
v. Hydrae 

Rigel 
<y. Hydrae 

Regulus 

Procyon 

Rigel 
a Hydrae 

Regulus 

Procyon 

Rigel 
a Hydrae 

Regulus 
/3 Leonis 

Procyon 

Regulus 

Rigel 
p Leonis 

Procyon 

Rigel 
Procyon 
£ Leonis 



6 


VV 


6 





6 


w 


6 





6 


w 


6 


w 


6 





6 





6 


w 


6 


w 


6 





6 





6 


VV 


6 


w 


6 





6 





6 





6 


VV 


6 





6 


w 


6 





6 


w 


6 


W 


6 


w 


6 






10" 54'M 

11 37 ,1 

12 16 ,0 
12 49 ,7 
14 .1 

9 31 .2 

10 2 ,8 

10 35 ,5 

11 22 .0 

9 11 .1 

9 44 A 

10 14 ,9 

11 18 ,0 
9 3 .3 

8 52 ,3 

10 26 ,1 

11 12 ,0 
11 41 ,8 
10 23 ,1 

10 52 ,4 

11 22 ,6 

11 50 ,7 

9 23 .9 

12 4 .0 
12 26 ,9 



52 s ,39 
52 ,27 

52 .07 
52 ,20 
52,44 
53,15 
53,12 
53,36 
52,83 
53,80 

53 .95 
53,91 
53 ,74 
55 ,27 
55 ,19 
55 ,33 

55 ,37 
54,89 

56 ,28 
56 ,25 

56 ,38 
56,14 

57 ,41 
57 ,33 
57,52 



12"19'>\4 



10 22 ,9 



10 7 ,1 



10 27 .1 



11 7 ,2 



11 18 ,3 



56V26 



57,10 



57 ,84 



59 ,22 



60 ,25 



- 61,41 



150 



C. Resultaat der vergelijkingen der reide tijdmeters 

DOOR DEN TELEGRAAF. 



Datum. 



Aanwijzing 
op lijdmeier te Sin- 
gapore. 



Tijdmeter Ie Batavia. 
— » » Singap. 



1871 Februari 


12 


5 U 


20 m 


, 1 


_j_ i>2 m 


59% 22 






20 


15 


,4 


22 


58,47 




15 





14 


,8 


22 


58 , 50 






20 


22 


,8 


22 


57,45 


» 


14 


5 


20 


,6 


22 


56 , 854 






20 


26 


,6 


22 


55 , 72 


» 


16 


5 


18 


, 5 


22 


55 , 00 






25 


8 


, 1 


22 


51,45 


,, 


18 


5 


15 


,0 


22 


28,82 






20 


14 


,7 


22 


27 , 40 


» 


20 


o 


16 


, 5 


s>9 


24 , 27 






25 


10 


-* 


99 


22,616 



151 



Afleiding der Resultaten. 

Vergelijking van den betrekkelijker! gang der gebruikte tijd- 
meters, zooals die door de vergelijking mei den telegraaf ge- 
vonden is, met de beide gangen, gevonden door de sterrekun- 
dige waarnemingen. 

[Hier werd voor eiken avond hel midden genomen tus- 
schen den voorgaanden en den volgenden gang, althans zoo 
beide aanwezig waren. Voor December 22, Januari 5 en Fe- 
bruari 20 kon het niet.] 

EERSTE REEKS. 



MUM. 



5 bc 

re « 

ca "ö 



H «8 

re - > 
o 



re •—, — - 



bc 'P 



O 


bc 


^a 


* 


;fjs 










S- C/3 


"3 


ft 1 

bc M 


O) 


c 


cq 


re 




bc 



Tijdverloop lusschen 
de vergelijkin- 
gen. . 







Product. 


Door de 

gelijking 

vonde 



ec. 22 

ui. 3 

L 11 

12 

13 

16 



4- K92 


4- l s ,98 


— S ,064 


3,575 


4,92 


— 1 ,315 


- 1,85 


+ 10 ,51 


- 12 ,36 


- 1 ,655 


4- 10,555 


— 12 ,21 


- 1,90 


4- 10 ,475 


- 12 ,375 


— 1,94 


4- 10,34 


- 12,28 



14" l m ,9 

13 48 ,4 

14 17 ,2 

13 55 ,2 

14 21 ,8 
13 59 ,1 



0,5846 
0,5753 
0,5953 
0,5800 
0,5985 
0,5827 



— 8 ,037 


- S ,255 


- ,76 


— 1,44 


— 7,36 


— 7,60 


-7,08 


— 7,17 


- 7,41 


- 7,50 


— 7,16 


— 7,12 



— S ,22 

— 0,68 

- ,24 

- ,09 
-0,09 
+ 0,04 



1). 12 


- 0\91 


- 2-,02 


4- 1M1 


13 


-0,83 


- 2,08 


4- 1 ,25 


' 14 


- 0,72 


- 2 ,47 


-f- 1,75 


Mi 


-0,60 


2 ,72 


4- 2,12 


18 


- ,545 


- 2 ,815 


4- 2,27 


20 


-0,58 


- 2 ,83 


4- 2,25 



TWEEDE REEKS. 

14" 55 m ,3 = 0,6217 

15 8 ,0 = 0,6306 

15 6 ,0 = 0,6292 

17 49 ,8 = 0,7429 

14 59 ,7 = 0,6248 

17 54 ,1 = 0,7459 



+ S ,69 


+ 0\75 


0,79 


0,85 


1,10 


1 41 


1,57 


1 .55 


1 ,42 


1,42 


1,68 


1 .65 



4- S ,06 
+ 0,06 
4- ,01 
- ,02 
0,00 
-0,03 



152 



Het blijkt uit dit onderzoek duidelijk, dat het resultaat van 
5 Januari in het geheel geen vertrouwen verdient en dus ver- 
worpen moet worden. De tijdmeter te Singapore versnelde 
sterk , en het is gelukkig dat de heer Soelers voor de volgende 
avonden den anderen tijdmeter gebruikte. Hoewel de genomen 
proef bij December 22 en Januari 11 niet zoo goed uitkomt 
als bij de andere dagen, vind ik echter geene reden, de op die 
dagen verkregene resultaten te verwerpen. 

Afleiding van het lengteverschil. 

EERSTE REEKS. 



M. T. te Singapore. 

(Midelen tusschen de beide 

tijdstippen, waarvoor de 

tijdsbepalingen te Singapore 

en Batavia gelden). 

M. T. Bat. — Chr. Batavia. 

Chr. Sing. — M. T. Sing. 

Chr. Batavia — Chr. Sing. 



M. T. Bat. — M. T. Sing. 

Gewicht. 



December 22 


Januari 11 


Januari 12 


Januari 13 


Januari 16 


9u 9 m 


8" 37' u 


9» 12 m ,5 


8u 56 ,n 


10» 43 m 


+ 2 m 2 S .062 


1"'49\799 


- l m 51 s ,529 


- 1-53U33 


— l m 59\457 


+ 11 53,445 


- 8 42,277 


- 8 53,057 


— 9 3,532 


— 9 35,371 


— 2 4,673 


+22 22.691 


+22 35,393 


+22 47.562 


+23 25,782 


+ 11 50,83 


+ 11 50,615 


+ 11 50,81 


+ 11 50,88 


+ 11 50,95 


0.67 


1,33 


1,33 


2,00 


1.72 



Gemiddeld , lettende op de gewichten: ll m 50 s .83 Gew. 7,05. 

TWEEDE REEKS. 



Gewicht. 



Februari 12 
9" 41 m 5 



Februari 13 
10" 41 m 



56U8 — 57M3 

- 9 51 ,75 — 9 49 ,93 

+22 38,99+22 37.99 



Februari 14 
9u 18°» 

— 57*,83 

— 9 47 ,48 
+22 36,53 



F< 


ïbru 


ari 16 




9« 


3 m 







59\20 







42,33 


+ 


22 


32 ,66 



Februari 18 


Fel» 


10u 5 m 


9u 


— 1 0\24 


— : 


— 9 36 .94 


— i 


+22 28,35 


+2! 



+11 51,06 
0,46 



+ 11 50,93 
0,83 



11 51.22 
2,00 



+ 11 51,13 
2,00 



Gemiddeld, lettende op de gewichten: ll m 51 s ,14. 



+ 11 51,17 
2,00 

Gew. 9,17. 



+ 1 



t:>5 

De hier aangenomen* gewicblen werden berekend naar de 
fornmle !— als n en n respectivelijfe het aanlal tijdsbepa- 
lingen te Singapore en te Batavia befeekenen. 

Tijd, dien de seinen noodig hadden om over te gaan. 

Deze tijdruimte, in het dnitsch de Sfrom-eil genoemd, wordt 
gevonden door het verschil der tijdmeters, zoo als de seinen 
van Batavia het gaven, te vergelijken met hetzelfde verschil zoo 
als de seinen van Singapore het opleverden. 

Het onderscheid tusschen de beide verschillen is de dubbele 
»st roomt ijd", vermengd met de personele fouten der waarne- 
mers. Ik vond voor den enkelen stroomlijd : 

December 22—50 . . S ,205. 

Januari 2—10 0,181, 

11—17 0,100. 

Februari 8—20 ,097. 

Hierbij zijn ook opgenomen de vergelijkingen op de dagen , 
waarop niet geobserveerd werd. 

Het arithmetisch midden tusschen de door beide soorten van 
seinen gevonden waarden van het verschil der chronometers, 
is vrij van den stroomtijd, maar daar telkens 4 twaalftallen 
seinen gegeven werden, het l e en 5 e twaalftal van Singapore 
en het 2 e en 4 r twaalftal van Batavia, zoo gaf het l e en 2 e 
een onafhankelijk resultaat en evenzoo de 5 C en 4 e twaalftal. 

Vergelijkt men de door de enkele seinen verkregen chrono- 
meterverschillen met het midden van elk twaalftal, dan schijnt 
de w. fout van elke bepaling zeer klein toe, maar ik geloof 
eene meer vertrouwbare waarde voor de w. fout eener chro- 
nometervergelijking door vier twaalftallen te verkrijgen, door 
hei resultaat uit het eerste en tweede twaalftal te vergelijken 
met dat uit het derde en vierde twaalftal, hierbij natuurlijk 
de gang der chronometers in acht nemende. 

Aldus vond ik , uit beide reeksen nagenoeg hetzelfde, n.1. 
waarschijnlijke fout van het midden uit een twaalftal ± S ,03 14, 

Dus van het midden uit vier twaalftallen ± 8 ,016 



154 

Ook de stroomtijd werd uit het eerste en tweede twaalftal 
niet even groot gevonden als uit het derde en vierde twaalftal, 
dorh uit de gevonden versehillen, werd de zelfde w. fout voor 
het midden uit één twaalftal afgeleid als zoo even gevonden is ; 
waaruit dus hewezen wordt, dat die verschillen niet aan eene ver- 
anderlijkheid van den stroomtijd mogen toegeschreven werden. (*) 

Voor de w. fout van eene tijdsbepaling uit waarnemingen 
op ééne ster vond de heer Soeters ± S ,12, 

Ik vond uit mijne waarnemingen evenzoo ± ,09. 

Derhalve zonde voor een lengteverschil, bepaald door eene waar- 
neming op ééne ster te Batavia en eene ster te Singapore volgen: 



v 0,12 2 -+- 0,09 2 -f- 0,016 2 == ± 0,15, 
wanneer wij echter de bij elke reeks voor het lengteverschil 
Batavia-Singapore verkregene uitkomsten met het voor die reeks 
geldend midden vergelijkt, dan verkrijgen wij voor dezelfde 
w. fout slechts ± () s ,086, 

dat dit laatste getal zooveel gunstiger uitviel, kon verwacht 
worden, want ten eerste worden op elke waarnemingsplaats, 
door sterren in het oosten en in het westen te nemen, even- 
tuele buiging der kijkers, onregelmatigheden in de straalbre- 
king en ook eenigzins verdeelingsfouten geëlimineerd, ten tweede 
zijn opzettelijk op beide stations dezelfde sterren waargenomen 
om een resultaat te verkrijgen onafhankelijk van de rechte op- 
klimmingen der sterren. Wij mogen dus de a posteriori gevon- 
dene w. fout S ,086 voor eene bepaling met een gewicht = aan 
de eenheid aannemen en vinden dan nu voor ons eindresultaat: 

BATAVIA (Tijdklep) OOST VAN SINGAPORE (vlaggestok op Gov. hill). 
ll m 50 8 ,985 met eene w. fout = + O 8 , 022. 



(*) Hel aantal cellen der batterij was te Batavia niet altijd gelijk. Van 
22 December — 3 Januari werkten er 3 cellen, van 2 tol 5 Januari llu20 m 
1 cel, van 5 Januari 12u 50 m lol 17 Januari des middags 4 cellen. In Fe- 
bruari 3 cellen. Te Singapore was hel aantal cellen waarschijnlijk altijd 
gelijk twee. 



Noot A 

De in de hier medegedeelde gelallen nog overblijvende onzekerheid moei 
aan de volgende oorzaken geweien worden: 
1°. de toevallige ibulen der meting mei de meetveêren. 
2°. de toevallige fouten der azimuthbepalingen, voor zoover die afhangen: 
d) van de bepaling van het noordpunt door het instellen op den zon- 

nerand ; 
b) van de instelling op de baken. 
3°. de fout in de aangenomene lengte der meetveêren, ontstaande : 

a) uit de foul begaan bij de vergelijking met twee ijzeren meters; 

b) uit de aangenomene lengte van deze meters, voor zoover die van de 
vergelijking met eene standaardmaat afhangt; 

c) uit de aangenomene lengte van deze meiers, voor zoover die van den 
aangenomenen uitzettingscoëiïiciënt afhangt. 

4°. de fout in de lengte der meetveêren, voortspruitende uit verschil in 
temperatuur met die, waarbij de vergelijking met de ijzeren meters plaats had. 
5°. het niet zuiver stellen der bamboezen baken op de piketpaaltjes. 



1°. Wat de toevallige fouten der meling met de meetveêren aangaat. 

deze kunnen uit de dubbele metingen van eiken afstand afgeleid worden. 

Het komt er echter op aan, welke onderstelling men aanneemt omtrent de 

afhankelijkheid der toevallige fout van den gemeten' afstand. Dikwijls word! 

\ i 
gesproken van cene zekerheid van -y? 1( ^ ? enz. even als of de w. fout 

eener meting evenredig was aan den afstand. Dit strijdt echter ten eenen- 
mal'e tegen het begrip van toevallige fout; en kan alleen dan van toepassing 
zijn als de onzekerheid, die in hel resultaat overblijft, eene standvastige ooi- 
zaak heeft, bijv. liet te lang zijn der meetveêren of kettingen, wanneer gecne 
middelen voorhanden zijn deze nauwkeurig te verilieeren; of ook het geheel 
verwaarloozen van aanzienlijke temperatuurverschillen. Heide deze gevallen 
hadden hier niet plaats en hier is dus aangenomen dat de onzekerheid der 
meting evenredig is aan den vierkantswortel uit den gemeten' afstand. Noem 
nu m de middelbare, w de waarschijnlijke fout, bij hel meten van één me- 



156 

t:<#, en dus m ]/ L, w ]/ L, die welke bij het meten van eenen afstand van 
L meters te duchten is. Stel verder dat er te zamcn N metingen gedaan 
zijn van N' afstanden, en laat ons eerst het geval behandelen dal elke af- 
stand niet evenveel maal gemeten is. Noem het aantal malen, dal elke af- 
stand gemeten is n, de enkele resultaten voor eiken afstand Z, en het arithme- 
liseh midden L, dan geven de melingen van eiken afstand eene vergelijking 

L nfl = *■ C-Q* (1). 

n — 1 

Elke gemelene afstand geeft nu zulk eene vergelijking, en uit al deze ver- 
gelijkingen moei iift door de methode der kleinste kwadraten opgelost worden. 
Maar daarbij moet in achl genomen worden dat al die vergelijkingen niet 
hetzelfde gewicht hebben. Het is uil de theorie der genoemde methode be- 
kend, dat de waarschijnlijke foul van tfen bepaling eener middelbare of waar- 
schijnlijke fout, (hier eene middelbare foul m \y L) gelijk is aan die zelfde, 
vermenigvuldigd met de breuk 

0,476936 

Nu is d x% — 2.rd x, dus de m. fout van L ufi = 2 m \x L x de m. foul van m \/ L 

= 2^iX °- 476936 xn,^L= O- 953872 X L ,nX 

]/n \/n 

En derhalve, den constanten factor 0,953872 nfi buiten rekening latende. 

zijn de middelbare fouten der gevondene waarden van L m 2 evenredig 

L n 

, en de gewichten evenredig aan 



De vergelijkingen (1) moeten dus ieder vermenigvuldigd worden met den 

n n 

coëfficiënt L en daarna met , of in eens met — = — . Het product voor 

Ij" Ij 

elke vergelijking is: 



L n — l 

n , S. (/ — Lf 



2.$-Ep 



n — X L 

en de som van al deze vergelijkingen : ..... 

r » 

* "* = [*• iT=-i Y ] 

of eindelijk 

Ir 77 S. [l — Lf 1 .„ 

n i 

Is n bij alle afstanden gelijk, dan kan — — r voor Jiet summatietceken ge- 
plaatst worden, en dan wordt 



137 

1 2.(1— Lf 

m = ^w=w-' *• l ro- 

Is n overal = 2. zooals in ons geval, dan is N = 2 iV\ en noemt men de 
verschillen der heide melingen v, dan is voor èlken afstand 2. (/ — L)" 1 = \v%\ 
zoodat dan 

1 V 2 

??Z = \/ — — - v 



Is nu m gevonden, dan is de middelbare fout van eiken afstand 

L 

m \s ; het azimulh a noemende, is dus de 

n 

m. fout van het hreedteverschil = m cos a W 



n 

L 

» lengteverschil = m sin a V 

Ons voor den geheelen afstand tusschen de uiterste punten: 

L cost a 



m. fout van het hreedteverschil = m' = m \/ 2. 



[u vvs* a i 
n J 

» lengteverschil = m = m \/ s. 

en voor de waarschijnlijke fouten overeenkomstige formulen. 

Wil men ten slotte de onzekerheid van den afstand der uiterste punten 
en hun wederkeerig azimulh kennen, dan noeme men den afstand D, het 
azimulh A, het breedte verschil B, het lengteverschil 6, dan is: 

/)2 - B2 + C/2 

dus 

B C 

d I) = -~- d B -f -jp- d C 

= cos A d B + rin A d C 

derhalve 

(ml f. Df - cos* A [m. /. Bf + sin» A (m. /. C)2. 
Eindelijk 

6' 

* A = ~r 

dus 

cos 2 A s«w 1" < 6' ? 

d A = — : 5 < 5- d B + </ 6 1 > 

Dit* ^ 

derhalve 

co$2 A sim 1" r C2 , , _ -i 

m /■ A H ~ - X 1/ _—- (m. A tf)* + («i. A- C)2j 

co.v A ,vm 1" 



I) 
# sm 1' 



D9 



X idem. 
x idem 



158 

Neemt men de boven vermelde metingen alle te zamen, dan verkrijgt men 
m = 0,0040 M. 
of 

iv = 0,0027 M: 
waar w de waarschijnlijke fout beteekent van de meting van één meter, 
dus voor eenen afstand van L meters is deze w. fout: 

= 0,0027 1/ L. 
Derhalve 

voor 100 meters 0,027 of ~ 

200 . 0,038 ; JL 

300 '. 0046 i 4 

400 » 0,054 » ~ enz. 

74ÜU 

De boven gevonden formulen geven nu voor den afstand P — Tijdklep: 
,w. fout van hel breed teversch il = w 1/ 2765 = ± 0,142 ML 
» » » » lengleverschil = w is 1723 = ± 0,112 » 
en voor den afstand Q — Tijdklep: 

w. fout van het breed teversch il = w \/ 2113 = ± 0,124 M. 
• » » » lengleverschil = w 1/ 1868 = ±0,117 



2°. Het onderzoek van de fouten der tweede categorie heeft gegeven: 

De waarschijnlijke fout van elke bepaling van het noordpunl, door beide 
zonneranden in éénen stand der kijkers volbracht, werd gevonden = ± 3".1 
de waarschijnlijke fout van elke instelling op eene baak = 2",1 

Bij deze waarnemingen werd elk mikroskoop slechts ééns op één verdeel- 
streep afgelezen, en slechts heele deeltjes d. i. dubbele sekunden aangezet. 

Derhalve moet de w. fout van elk azimuth geacht worden gelijk te zijn 
aan: 

w a = y [ \ (2*,lj> + \ (3'M)2 1 = ± 2",2. 

Men vindt licht, dat ten gevolge van deze fout de w. fout van het breedte- 
verschil tusschen de twee uiterste punten is: 

w, == w sin V \/ s. (L" 2 siri* a) 
ba K ' 

en de w. fout van het lengteverschil dier zelfde punten 
w — w sin V' \y s. (L 2 coit 1 «). 
Hetgeen bedraagt: 

P — Tijdklep. Q — Tijdklep. 

w. /. Breedteverschil ± 0,013 M. ± 0,013 M. 

. » Lengteverschil ± 0,020 ± 0.019 



159 

3°. Wal de fout in de aangenomene lengte der meetveêren betreft, deze 
kan, voor zoover zij van \\e vergelijking met de ijzeren meters afhangt, hoog- 
stens een halve streep op de 10 meiers of ^^ der waarde bedragen. 

De ijzeren meters werden met de einden tegen elkander gelegd, en op die 
wijze eene lengte van 10 meters afgezet, waarmede de meetveêr vergeleken 
werd. 

Die ijzeren meters waren in het jaar 1850 door den heer Stamkarl indi 
rekt met den platina-standaardmeter vergeleken. Ziehier zijne opgave: 

IJzeren meter No. 3 = No. 88 — 0,0399 m M. ± 0,00024 m M. 
4 = No. 88 — 0,0277 m M. ± 0,00012 m M. 
bij Fahrenheit 63° = Celsius 17°, 22. 

De laatste termen in deze opgave beteekenen de waarschijnlijke fouten dei' 
bepaling; zij zijn zoo gering dal de fout hierboven onder 3° b vermeld = 
gesteld kan worden. 

De meter No. 88 is insgelijks van ijzer en is = de ijzeren meter van 
Van Swinden + 0,0197 m M. 

Verder is bij 0° C: 

De ijzeren nieter van Van Swinden = A -+- 0,00056 m M. Zijnde A 
de platina-standaard, die bij 0° C zijne ware lengte heeft. 

Hieruit volgt, bij Ü° C. 

No. 88 = A -f- 0,02626 m M. 
No. 3 = A - 0,0136 . » 
No. 4 = A — 0,0014 » . 

De uitzetting der ijzeren meters is niet opzettelijk bepaald geworden, der- 
halve, aannemende den uitzettingseoëfflciënt van het ijzer naar Borda, zet 
een ijzeren meier voor eiken graad Celsius uit 0,01156 in M, zoodal bij 
29 C C, de gemiddelde morgentemperaluur te Batavia, waarop ook de verke- 
lijking plaats had, de uitzetting bedraagt 0,3352 m M., derhalve is voor deze 
temperatuur: 

IJzeren meter No. 3 = 1000,322 Meier. 
» 4 = 1000,334 ■ 

Deze getallen zijn in alle geval zeer nauwkeurig, doch laat ons de moge- 
lijke onzekerheid van den uitzettingscoëfficiënt op 1 / 10 en dus de waarsch. 
fout op V'20 zijner waarde schatten , dan is de daardoor voortvloeiende on- 
zekerbeid — 6Q0QQ en is dus zoo gering, dal zij hier Ier nauwernood in 
aanmerking komt. 



4°. Anders is het gelegen met de temperatuur der meetveêren bij de 
meting op hel terrein. Deze is niet aangeteekend en de middelbare tempe- 
ratuur der meetveêren zal niet veel van 29°C kunnen verschillen, d;iai de 



160 

metingen 's morgens vroeg begonnen als het koeler was, en des namiddags 

eindigden als het warmer dan 29°C was. Aannemende echter, dat in dp 

temperatuur nog eene onzekerheid overblijft van 2i/ 2 °. dan zou hierdoor 

nog slechts eene correctie van het crevolg zijn. 

ö 40000 r & J 



5°. De hoegrootheid der fout, voortspruitende uit het niet zuiver stellen 
der baken op de piketpaaltjes eindelijk kon afgeleid worden door eene ver- 
gelijking van de vroeger gemeten hoeken met de hoeken afgeleid' uit de azi- 
muthbepalingen. Het bleek daaruit dat, aannemende, dal bij het stellen 
der baken eene waarschijnlijke fout f van één centimeter begaan werd, de 
tweede machten der gevondene verschillen volkomen verantwoord waren. 
De invloed van deze fout doet zich alleen gevoelen, in de richting loodrecht 
op die, waarin geviseerd wordt en is dus: 

op het breedteverschil = f. sin a 
» lengteverschil = f. cos a 
zoodat de waarschijnlijke totale invloed op de betrekkelijke ligging der beide 
uiterste punten zijn zal : 

in breedte = ± f. ix 2 (sin 2 «) 

in lengte = ± f. ix s (cos 2 «) 

Tusschen den pilaar P en den gaslantaren H zijn geene piketpaaltjes 

gebruikt, doch wel tusschen H en den tijdklep, en tusschen H en den 

pilaar Q. Voor deze beide gedeelten wordt dus de w. fout, voortspruitende 

uit deze oorzaak, gevonden: 

voor den afstand H — Tijdklep. dus ook 
» ■• » P^- Tijdklep; 
w. f. breedteverschil = 0,01 ix 9,54 i= ± 0,031 
■ » lengteverschil = 0,01 1/ 9.46 = ± 0,031. 
En voor den afstand Q — Tijdklep 

w. f. breedteverschil == 0,01 i/ 13,83 = ± 0,037 
» » lengteverschil = 0,01 IX 12,17 = ± 0,035. 
Alles resumerende, verkrijgen wij dus voor de w. fout van het breedte- 
verschil P — Tijdklep: 
K (0,1422 + 0,0132 + 0,3132 + o,1042 + 0,1562 + 0,0312) - ± 0.393 M. 

en voor die van het lengteverschil derzelfde punten: 

ix (0,1122 + 0,0202 + 0,1982 + 0.0662 + o,0992 + 0,0312) = ± 0.259 M. 

Evenzoo voor de w. fout van het breedteverschil Q. — Tijdklep: 

IX (0,1242 + 0,0132 + 0,2442 + 0,0812 + 0,1222 + 0.0372) = ±0,31 3 M 
en voor die van het lengteverschil derzelfde punten : 

ix (0,1172 + 0,0192 + 0,0922 -j- 0,0312 + 0,0462 + 0,0352) - ± 0,164 M. 



161 



En nemen wij nu voor de uiterste limiet eene onzekerheid aan van 5 
maal de w. fout aan, (volgens de waarschijnlijkheidsrekening bestaat er slechts 
1 tegen 1350 kans, dat deze limiet overschreden wordt,) dan komt er voor 
de onzekerheid: 

1,965 Meter = 

1,295 ■ = 



Tijdklep. 



breedte 
lengte 



van Q — Tijdklep. 



0,064 
,042 
± 8 ,0028 
breedte ± 1,565 ■ = ± 0",051 
lengte ± 0,820 ■ = ± ,055 
= ± 8 ,0037. 
Binnen de grenzen der zekerheid onzer tijdsbepalingen is dus de betrek- 
kelijke ligging der pilaren en van den tijdklep meer dan voldoende nauw- 
keurig bepaald. 



DEEL XXXIV. 



41 



/ Noot B. 

Deze breedte berust op de volgende bepalingen door circummeridiaans- 
zenithsafstanden van noordelijke en zuidelijke sterren. De schijnbare plaatsen 
dezer sterren werden wel uit den Nautical-Almanac van 1869 en 1870 oht- 
leend, doch herleid tot den catalogus van den Nautical-Almanac van 1871, 
waarin de plaatsen der sterren voor het eerst ontleend zijn aan de eerste 
Greenwich Seven Years Catalogue, die weder het voordeel boven de vroegere 
van de sterrewacht uitgegane Twelve Years Catalogue en Six Years Catalogue 
heeft, dat de bij haar voorkomende sterreplaatsen door waarnemingen met 
den nieuwen grooten meridiaancirkel bepaald zijn. 

Noordelijke Sterren. Zuidelijke Sterren. 

November en December 1869. April 1870. 

/? Piscium. j3 Arietis. £ Ceti. S Hydrae. £ Corvi. ]3 Corvi. 

Nadir op z = —21° —26° —14° +8° -f- 16° + 16° 

0° 6°11'3",2 (6) r,3 (6) 3",2 (6) 4",5 (6) 3",9 (12) 5",1 (12) 

30 4 ,9 (6) 2 .3 (6) 4 ,1 (6) 4 .7 (18) 3 ,8 (12) 3 ,9 (18) 

60 4 ,5 (6) 3 ,8 (6) 1 ,8 (6) 5 ,2 (6) 3 ,5 (6) 3 ,3 (8) 

90 5 ,0 (6) 3 ,8 (6) 5 ,5 (6) 5 ,9 (6) 3 ,7 (6) 2 ,9 (6) 

120 3 ,9 (6) 3 ,3 (6) 4 ,7 (9) 4 ,9 (6) 4 ,2 (6)_ 5 ,4 (6) 

150 3 ,6 (6) 4 ,1 (6) 2 ,6 (6) 3 ,1 (6) 4 ,8 (6) 4 ,8 (6) 

Gemiddeld 6°11'4".2 3 ,\ 3 ,6 4 ,7 4 ,0 4 ,3 

6°ir 4',0. 

Zoo als men ziet, werd de vertikale cirkel telkens 30° verzet, zoodat de 
zenithsafstanden langs zes verschillende bogen van den cirkel gemeten werden. 

Bij de waarnemingen van November en December 1869 waren twee sto- 
rende invloeden aanwezig. In de eerste plaats ging de mikrometerschroef 
van het linksche mikroskoop stroef, en de reden daarvan werd eerst na het 
einde der reeks ontdekt en verwijderd. (*) 



(*) Het mikrometerdoosje was te ver op de mikroskoopbuis geschroefd, zoodat deze binnen het 
doosje even vooruitstak, en het raampje er over schuurde, waarop de spinragdraden gespannen zijn. 
Het soldeersel van het ringetje, dat bestemd was, om dit te beletten, bleek los te zijn. 



163 

Ook bleek nu en dan dat, hoe zwaar het fundament van den pilaar was, 
het niveau niet geheel ongevoelig was voor de verplaatsing van mijn ligchaain. 
In de eerste drie maanden van 1870 was ik door ongesteldheid verhinderd 
de waarnemingen te vervolgen, doch toen ik daartoe in April kon overgaan, 
liet ik een stevigen bamboezen vloer om den pilaar maken, die slechts op 
eenigen afstand van den pilaar op metselsteenen rustte, die op den grond 
gelegd werden. 

Nog in een ander opzicht verschilden de waarnemingen dezer beide reek- 
sen. Bij de eerste reeks was namelijk, zooals steeds in de instrumenten, die 
door de makers afgeleverd worden, het geval is, slechts één paar afleesdra- 
den in de mikrometers der mikroskopen gespannen, en werd de naastvoor- 
gaande verdeelstreep twee malen afgelezen. Bij de tweede reeks had ik op 
een' afstand nagenoeg gelijk aan li/ 2 schroefom wenteling een tweede paar af- 
leesdraden gespannen, en werd het ééne paar op de voorgaande en het an- 
dere paar op de volgende verdeelingstreep éénmaal ingesteld en afgelezen. 
Bij de eerste reeks werden de aflezingen voor periodieke ongelijkheden der 
mikrometerschroeven verbeterd, bij de tweede was het midden der beide 
aflezingen daarvan nagenoeg geheel vrij, en kon die correctie daarom nage- 
laten worden. 

De gang der mikrometerschroeven werd eiken avond opzettelijk bepaald; 
dit wordt in den regel gedaan door zesmaal drie verdeelingsintervallen = 30' 
uit te meten, telkens drie volgende verdeelingsintervallen nemende, alleen 
werd bij de eerste reeks, wegens het stroefgaan der mikrometerschroef, bij 
het linksche mikroskoop slechts telkens één interval gebruikt. De verschillen 
tusschen de resultaten, op verschillende avonden verkregen, waren gering, 
maar toch soms duidelijk te onderkennen. Daar bij dit instrument de mi- 
kroskopen aan de dragers, de vertikale cirkel aan de horizontale as beves- 
tigd is, zouden deze verschillen verklaard kunnen worden door eene geringe, 
nauwelijks merkbare speling van de horizontale as op de pannen der dragers, 
in de richting van de lengte der horizontale as. In die meening verkeerende, 
heb ik de -waarnemingen voor eiken avond herleid met de gangen der mi- 
krometerschroeven zooals die voor eiken avond opzettelijk gevonden was. 
Later is mij echter in de gedachte gekomen, dat indien zulke eene speling 
de ware oorzaak der gevondene verschillen is, alsdan beide mikroskopen op 
denzelfden avond afwijkingen in denzelfden zin moeten verraden, hetgeen 
echter het geval niet is. Eene andere oorzaak zou te zoeken zijn in eenen 
niet volkomen loodrechten stand van den vertikalen cirkel op de horizontale 
as; in dat geval zouden echter de beide mikroskopen tegenovergestelde af- 
wijkingen moeten verraden, hetgeen evenmin doorgaat. Wellicht dus dat 
de gevondene verschillen toe te schrijven zijn aan eene personele fout be- 
gaan bij het instellen van de verdeelingstrepen bij het uitmeten; en wel 



164 

ëene personele fout, die verschilt bij de instelling van eene verdeelstreep 
boven het midden en beneden het midden van het veld, doch die voor bei- 
den constant blijft gedurende de zes metingen, die achter elkander plaats 
vonden. De grootste afwijking werd gevonden in de eerste reeks; waar 
den 29 November voor mikroskoop IV gevonden werd 600^,75 — 600' en 
den 24 December 602 d ,7 == 600'. 
Voor de eerste reeks werd gevonden: 

waarschijnlijke fout van eene enkele waarneming ± 1',63 

1,63 
dus theoretisch van het midden uit zes waarnemingen ± — ~ x= ± 0",67 

terwijl door vergelijking met de middens gevonden werd ± 0",74. 

Voor de tweede reeks vond ik daarentegen : 

waarschijnlijke fout van eene enkele waarneming. ± 1'.26 

derhalve van een midden uit 6 waarnemingen ± ,52 

terwijl de vergelijking met de middens gaf: ± ,59. 

Het geringe verschil tusschen de beide laatste getallen, en evenzoo tusschen 
de overeenkomstige van de eerste reeks, toont genoegzaam aan, dat geene 
merkbare onregelmatigheden in de verdeeling van den cirkel bestaan. 

Het vergelijkend onderzoek tusschen de beide reeksen gaf nog tot andere 
niet onbelangrijke gevolgtrekkingen aanleiding. 

Zoo was in het veld eene dubbele middendraad gespannen, en aan beide 
draden werden de doorgangen waargenomen. Beide waarnemingen werden 
steeds afzonderlijk herleid en daardoor kon uit eiken doorgang de afstand 
der draden afgeleid werden. 

Door al de waarden voor dezen afstand gevonden, met haar arithmetisch 
midden te vergelijken, kon de w. fout van eiken afstand, en door deeling 
met 1/2, de w. f. van eiken doorgang (Fadenantritt) bepaald worden. 

Terwijl nu de eerste reeks voor de w. fout van de waarneming van den 
doorgang aan een draad gaf ± 0"53, werd bij de tweede reeks gevonden 
± 0",90. Ik kan dit verschil alleen toeschrijven aan de omstandigheid dat 
de spinragdraden wellicht bij de tweede reeks meer aangegroeid waren dan 
bij de eerste reeks; zoodat dan door cijfers de wenschelijkheid aangetoond 
zou worden, hoewel de draden zich met een fijn penseel of eene uitgeplozene 
katoendraad, zeer goed van de aangroeiende schimmeldraden, laten zuiveren, 
voor fijne waarnemingen liever nieuwe draden in te zetten. 

Eene tweede opmerking gaf het onderzoek naar de w. fout eener instel- 
ling en aflezing der mikroskopen. Voor deze vond ik, door vergelijking der 
beide aflezingen derzelfde streep uit de eerste reeks: 

Mikroskoop III. Mikroskoop IV. 
± r,07. ± 0,97. 

Bij de tweede reeks echter was elke verdeelstreep slechts ééns ingesteld, 
en daarom kon deze wijze van onderzoek niet gevolgd worden. De telkens 



165 

verkregen aflezingen van beide dradenparen op de voorgaande en de vol- 
gende deelstreep, zouden een 'standvastig verschil moeten opleveren, indien 
er geene fouten bij de aflezing begaan werden en indien de mikrometer- 
schroeven geene periodieke ongelijkheden hadden. Verdeelt men echter de 
gevonden verschillen, naar gelang de aflezing van het voorste dradenpaar 
lusschen en 50", tusschen 50 en 100" enz... en eindelijk tusschen 550— 
600 ligt, dan verkrijgt men reeksen verschillen, die met elkander vergelijk- 
baar zijn. Uit deze nu vond ik voor de tweede reeks: 
Mikroskoop III. Mikroskoop IV. 
± 1",37. ± 1",48. 

Ook voor deze schijnbaar vreemde vermeerdering der w. fout bij eene 
tweede reeks waarnemingen, die met de bedoeling ondernomen werd, wat 
nauwkeurigheid aangaat, minstens aan de eerste gelijk te zijn, ligt een aan- 
neembare grond voor de hand. De mikroskopen van het kleine universaal- 
instrument van Repsold hebben eene zeer geringe vergrooting n. I. slechts 
14 maal, waarop wijlen de hoogleeraar Kaiser reeds in zijne verhandeling 
«over de sterrekundige plaatsbepaling in den Indischen Archipel" gewezen 
heeft. Wel wordt daardoor veel in licht gewonnen , zoodat een lantaren 
met eene gewone stearinekaars voldoende licht voor de aflezing geeft, maar 
toch zijn zuivere aflezingen alleen met eene buitengewone inspanning der 
oogen te verkrijgen. Een gevolg hiervan is, dat zoodra die inspanning door 
vermoeienis of afleiding vermindert, somtijds een groot verschil bijv. van 10" 
of meer tusschen de beide aflezingen gevonden wordt, dat den waarnemer 
dan dadelijk bewijst, dat zijne aandacht verminderd is. Ook is de mikros- 
kopendrager wel wat zwak van inrichting, zoodat eene geringe trekking aan 
de mikrometerschroef licht ook zulk een verschil kan veroorzaken. 

In dergelijke gevallen heb ik wel eens, even als, geloof ik, ieder waar- 
nemer doen zou, de beide aflezingen verworpen en met meerdere oplettend- 
heid overgedaan. 

Ook is het een bekend feit dat men zeer geneigd is, tweemaal achtereen 
op dezelfde wijs in te stellen en af te lezen, zoodat men bijv. op twee ver- 
schillende dagen voor den afstand van dezelfde twee verdeelstrepen waarden 
kan verkrijgen, die meer van elkander verschillen, dan uit de w. fouten der 
aflezingen verwacht zou worden. 

Zijn er nu daarentegen twee paar afleesdraden gespannen, dan heeft men, 
vooral wanneer de aflezingen aan beide paren door de periodieke onregel- 
matigheden der mikrometerschroeven niet altijd hetzelfde kunnen verschil- 
len, geene aanleiding, eens verkregene aflezingen te verwerpen en over te 
doen, en het natuurlijk gevolg is dat men a posteriori eene grootere w. fout 
voor elke aflezing vindt. 

Ik vermeld hier nog, dat de afstand der draden gemiddeld 109" bedroeg, 



166 

dus dat, bij de tweede reeks, de gemiddelde waarschijnlijke fout eener afle- 
zing (r',425) — bedraagt van den afstand der draden. Voor de gezamen- 
lijke breedte van een' spinragdraad en eene verdeelstreep werd gevonden 43". 
Onder dergelijke omstandigheden kan het vrij voldoende heeten, wanneer 
van de breedtebepalingen door zes verschillende sterren geene enkele eene 
volle sekonde van het arithmetisch midden afwijkt. 

Eene verbetering in de methode van observeren zou zijn, de beide draden- 
paren tweemaal af te lezen, zoo als ik ook later bij de tijdsbepalingen ge- 
daan heb, die in dit verslag vermeld zijn, en zoo als ik heb voorgeschreven 
voor de breedtebepalingen, die voor de graadmeting van Java gedaan worden. 

Bij de waarnemingen te Singapore schreef ik zelf niet op, waardoor van 
zelf alle aflezingen geboekt werden. Ik vond door de vergelijking van de 

beide aflezingen derzelfde streep ook hier ± 0",985 = — van den gemid- 
delden afstand der draden. 



Noot C. 



De heer Soeters bepaalde de poolshoogte van den pilaar te Singapore door 
waarneming van circummeridiaans-zenithsafstanden van sterren ; als het weder 
het niet verhinderde, nam hij van elke ster gewoonlijk 6 waarnemingen. 

Na elke waarneming werd het bovendeel omgedraaid. In den kijker waren 
twee horizontale middendraden gespannen en aan beide werd de doorgang 
waargenomen; uit de verschillende waarden,^ voor den afstand der draden 
verkregen, volgde de w. fout van eiken doorgang = 0",36. 

In de mikroskopen waren twee paar afleesdraden gespannen op nagenoeg 
I1/2 schroefom wenteling van elkander, die op twee op elkander volgende 
deelstrepen, telkens tweemaal werden afgelezen. De waarschijnlijke aflezings- 
fout werd door mij uit zijne aflezingen gevonden = 0',85; en bij eiken 
zehithsafstand behoorden acht aflezingen. 

De voor de poolshoogte van den pilaar verkregene uitkomsten waren de 
volgende: 

Noordelijke Sterren, Zuidelijke Sterren. 



1871 










Januari 23 


/3 Tauri 


1°17'40',5 (6) 


e Can. Maioris 1°17'37',1 (3) 


• 


/* Gemin. 


40 ,4 (5) 


15 Argus 


38 ,1 (6) 


24 


cc Tauri 


40 ,3 (5) 


£ Can. Maioris 


38 ,3 (5) 


» 


jS Tauri 


40 ,5 (3) 






25 


a Tauri 


40 ,2 (6) 


c Can. Maioris 


40 ,15 (6) 


» 


p Tauri 


38 ,2 (6) 


15 Argus 


39,8 (6) 


• 


/* Gemin. 


39 ,5 (6) 


1 Argus 


43,1 (6) 


» 


Castor 


42 ,3 (6) 






» 


1 Ursae ! 


Vlajoris 39 ,6 (3) 










1°1740',17 


1°1739",8 Noord. 


1°17'39',42 




Gemiddeld uit noordelijke | 





en zuidelijke sterren 
Hieruit volgt nog: 

N Breedte Vlaggestok op Gov. hill 1°17'34',4 
Torenspits der Cathedraal 1 17 32 ,8. 



168 



De overeenkomst der afzonderlijke resultaten, door verschillende paren waar- 
nemingen voor elke ster verkregen, blijkbaar uit de w. fout ± 0",50 voor 
het midden uit elk paar, dus ± 0",71 voor elke waarneming, is buitenge- 
meen gunstig en pleit voor de zorgvuldigheid der waarnemers. Ingeval nu 
geene andere dan de toevallige waarnemingsfouten in aanmerking kwamen, 
zou men voor de w. fout voor elk resultaat moeten vinden omtrent 
0',71 



1/5 



± 0",32. De vergelijking met de einduitkomst geeft echter 



± 1",06, hetgeen aan de fouten der verdeeling, de gebruikte declinaties en 
ongelmatigheid der straalbreking moet toegeschreven worden. 

Ik voeg hier nog ter vergelijking eenige uitkomsten van breedtebepaling 
bij, door mij in 1862 en 1871 volbracht, en op den vlaggestok op Govern- 
ment-hill herleid. De 4 eerste zijn aan een vroeger verslag van mij ontleend. 



Noordelijke Sterren. 



1862 
Juni 9 

1871 
Febr. 16 



| o Draconis 1°17'36",9 


(4) 


j * Ursae 


Majoris 34 ,0 


(4) 


j £ Leonis 


34,3 


(4) 


j * Cancri 


31 ,6 


(6) 




1°17'34",2 





Zuidelijke Sterren. 

/3 Centauri 1°17'33",7 (4) 

«2 . 37 ,6 (4) 



15 Argus 



34 ,3 (6) 



1°17'35,2 



1°17'34',7 
gevende dus slechts een verschil van 0',3 met het resultaat van den heer 
Soeters. 



OVER DE WERKTUIGEN EI TABELLEN TEN DIENSTE 

DER HEFFING VAN REGTEN EN ACCIJNS OP 

HET GEDISTILLEERD IN NED.-INDIE, 



DOOR 



Prof. J. W. GUNNING, 

MET GELEIDE-BRIEF AAN Dr. J. A. C. OüDEMANS 



Amsterdam, 18 November 1875. 
Hooggeachte Heer! 

Per » Holland" van de Stoomvaart-Maatschappij Java, op 15 
dezer vertrokken, had ik de eer aan Uw adres te verzenden 
een kistje bevattende eenige bussen met vochtwegers en 
thermometers, alsmede even zoovele Ex. van tafels bij die 
werktuigen behoorende, om uit de waarneming dier beide het 
alcoholgehalte van gedistilleerd af te leiden. Deze stukken zijn 
bestemd voor de Natuurk. Vereeniging en eenige van hare 
leden. De toezending geschiedt om u bekend te maken met 
de middelen die het Gouvernement gebruiken zal bij de 1°. Jan. 
in te voeren accijnsen en regten op gedistilleerd. 

Eene toelichtende nota is er bij gevoegd, en het is ten be- 
hoeve van deze, dat ik mij veroorloof u deze regelen nog 



170 

bovendien toe te zenden. Bij de eenigzins haastige bewerking 
is dit gedeelte dezer nota, waarin verwezen wordt naar eene 
bijlage bevattende de experimentale bewijzen, dat zekere for- 
mule ook tusschen 30 en 40° geldig is, niet juist geredigeerd. 
Ook de aanhef dier bijlage zelve vereischt eene kleine verbete- 
ring. Deze verbeteringen ben ik zoo vrij u op de volgende 
bladzijden toe te zenden in de hoope dat gij wel de vriendelijk- 
heid zult willen hebben, bij de behandeling dier nota in 
uwe vergadering, daarvan nota te nemen. 

Het kistje zal U worden bezorgd door den heer Jonkheer de 
Koek, die de reis per Holland als passagier mede maakt, en zich 
welwillend met de zorgvuldige overbrenging heeft belast. 

Wil mij met vriendschappelijke hoogachting gelooven. 

Uwen dw. Dr., 
J. W. GUNNING. 



Aan 
de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsen- Indie 
te Batavia. 

De Minister van Koloniën heeft mij in April dezes jaars, op 
voorstel van het Indisch Bestuur uitgenoodigd, om mijne me- 
dewerking te verleenen ter verkrijging van de materiële hulp- 
middelen, welke de Administratie der In- en Uitvoerregten en 
Accijnsen in Nederlandsch-Indie behoefde voor de eerlang in te 
voeren heffing van regten en accijns op het gedistilleerd. On- 
der meer werd vooral van mij verlangd de verschaffing van 
vochtwegers en daarbij behoorende tafels, naar hetzelfde stelsel 
ingerigt als sedert een aantal jaren door de Nederlandsche Ad- 
ministratie ter bepaling der sterkte van gedistilleerd wordt ge- 
volgd. Voor Indie behoefden de tafels echter eene uitbreiding 
tot de temperatuur van 40° C. — terwijl de hier gebruikelijke 
slechts tot 30° gaan. Ja zelfs werd voor de uitzettingstafel, 



171 

die noodig is om voorkomende volumenreductiën op andere 
temperaturen te kunnen bewerkstelligen, verlangd, dat zij tot 
45° zoude reiken. 

Met de voorloopige voleinding der mij opgedragen taak is in 
Indie eene tot dus verre aldaar niet bekende toepassing van 
wetenschappelijke middelen van onierzoek ter perceptie eener 
belasting, van Regeringswege tot stand gebragt. Uwe Ver- 
eeniging, die met evenveel ijver als gelukkige uitkomst den 
bloei der Natuurwetenschappen in Indie behartigt, blijft gewis 
bij dit feit niet onverschillig, en ondersteld mag worden, dat 
zij de gelegenheid niet afwijzen zal om kennis te nemen van 
de beginselen, waarnaar die toepassing plaats heeft. 

Uit dien hoofde heb ik gemeend wel te doen, met aan Uwe 
Vereeniging en aan eenige Harer mij persoonlijk bekende leden, 
een stel vochtwegers en thermometer met een exemplaar der 
daarbij behoorende tafels aan te bieden, welke stukken dit 
schrijven vergezellen. 

De vocht weger is een volumeter met den modulus 100; d. i. 
de ligchamelijke inhoud van eiken graad is één honderdste van 
den inhoud van het werktuig beneden het aanvangspunt der 
schaal. Dit nulpunt is geplaatst op het punt tot waar de 
vochtweger bij 15° inzinkt in eene vloeistof welke bij die tem- 
peratuur dezelfde digtheid heeft als water bij 4°. 

De schaal is vervaardigd en kan gecontroleerd worden, door 
het werktuig, bij eene willekeurige temperatuur, te laten drij- 
van in vloeistoffen , wier schijnbare digtheid bij diezelfde tem- 
peratuur door een geschikten glazen pijknometer is bepaald. 
Als volumen van dien pijknometer wordt natuurlijk genomen 
het gewigt der hoeveelheid vloeistof van spec. gew. 1, bij 15°, 
die het werktuig bij 15° bevatten kan. Men verkrijgt deze 
grootheid door er zuiver water van 15° in te wegen en dit gewigt 
te deelen door het soort. gew. van water bij die temperatuur. 

De schijnbare digtheden zijn omgekeerd evenredig aan de 
schijnbare soortelijke volumina bij elke temperatuur, d. i. aan 
100 plus den inzinkingsgraad van den volumeter. 



m 

Alle in gebruik gestelde vochtwegers dragen ten bewijze van 
plaats gehad hebbende keuring mijne handteekening. Als regel 
is daarbij aangenomen dat de vochtweger geene inzinking ver- 
toonen mag, die om de helft van de kleinste op de schaal 
voorkomende onderafdeeling of meer van de juiste inzinking 
afwijkt. 

De thermometers zijn allen minstens drie maanden voor de 
schaleering geblazen en gevuld. Ook hier is de regel van zoo even 
bij de keuring gevolgd, maar eene iets te lage temperatuur is 
toegelaten , wegens de waarschijnlijke , ofschoon stellig geringe , 
nog te wachten rijzing van het nulpunt. De juiste tempera- 
turen zijn beoordeeld naar eigen gemaakte standaard thermo- 
meters, die sedert jaren voor dit doel dienden, en van tijd 
tot tijd worden gecontroleerd. 

Over de Tafels zal het noodig zijn in eenige meerdere bij- 
zonderheden te treden. 

In het jaar 1860, heeft de Hoogleeraar von Baumhauër zijne 
welbekende onderzoekingen over de densiteit, enz. van meng- 
sels van alcohol en water uitgegeven en naar deze gegevens 
zijn de tegenwoordig in Nederland gebruikelijke officiële Tafels 
vervaardigd, die echter wegens het ontbreken van temperaturen 
boven 50° voor Indië ongeschikt waren, terwijl de tempera- 
turen 0—10° konden worden gemist. 

Na bekomen voorlichting omtrent de bezwaren van onder- 
scheiden aard die aan eene wijziging in dien zin den Neder- 
landsche Tafels in den weg stonden, heeft het Indisch Bestuur 
beslist, dat voor de dienst aldaar nieuwe Tafels zouden wor- 
den vervaardigd. De keuze der grondslagen bleef echter vrij , 
maar natuurlijk geheel voor mijne verantwoording. 

Het lag voor de hand , daartoe de gegevens te gebruiken , 
die zijn voort gevloeid uit het uitvoerige onderzoek door Prof. 
Mendelejeff in 1865 in het Russisch uitgegeven en in 1869 door 
uittreksels in Poggendorff's Annalen Band 214, bldzd. 105 en 
230 in ruimer kring bekend geworden. 

Door dezen scheikundige zijn, — met het doel om eene bij- 



175 

drage te leveren tot de kennis der scheikundige verbindingen 
in veranderlijke proportiën, — de digtheden bij verschillende 
temperaturen van mengsels van alcohol en water bepaald met 
alle hulpmiddelen , die aan Phijsica , Chemie en Wiskunde ont- 
leend kunnen worden om tot de uiterste grenzen der bereik- 
bare naauwkeurigheid te geraken. Met niet minder zorg zijn 
de uitkomsten van vroegere onderzoekers door hem aan eene 
nieuwe kritiek onderworpen en daarbij zijn bepaaldelijk de 
oude en welbekende onderzoekingen van Gilpin op nieuw ge- 
bleken eenè zeer hooge mate van ver trouwen te verdienen. 
Gilpin heeft, gelijk bekend is, zijne mengsels gemaakt uit 
alcohol van 0,825 spec. gew. en water. 

MendelejelT heeft het nu volkomen overbodig bevonden deze 
densiteiten op nieuw te bepalen en zich kunnen vergenoegen 
met eene juiste bepaling van de zamenstelling van den Gilpin- 
schen alcohol, waardoor hij gelegenheid kreeg diens resultaten 
te sluiten aan de zijne, welke hoofdzakehjk over de sterkere 
alcoholen van 40 tot 100 procent loopen. 

Het geheel van densiteiten voor verschillende temperaturen 
en verschillende gewigtsprocenten alcohol, dat uit deze onder- 
zoekingen is voortgevloeid, (zie de Tafel in PoggendorfTs t. a. 
p. bladz. 279) schijnt mij toe bij den tegenwoordigen stand 
der wetenschap niet voor verbetering vatbaar, tenzij de aan- 
wending van eene nieuwe methode eene nog grootere naauw- 
keurigheid bereikbaar maakte. 

Dit laatste echter schijnt niet geheel onwaarschijnlijk. De 
pyknometer-methode , die zoowel Gilpin als MendelejelT volgde, 
lijdt onder meer aan bet gebrek, dat zij niet goed veroorlooft, 
uitzettingscoëfïicenlen te verkrijgen door directe vergelijking 
met die van kwikzilver. Eene methode, die dit toeliet, zou 
verre de voorkeur boven de tot nog toe gebruikelijke verdienen. 
Ook schijnt bij den tegenwoordigen stand der weienschap, bij 
onderzoekingen van blijvende waarde, de vervanging der nooit 
geheel vergelijkbare kwikthermometers door den luchlthermo- 
trteter een gebiedend veieischle. 



174 

Aan pogingen, om deze twee voorwaarden van verbetering 
te vervullen, heb ik in de laatste maanden met mijne assis- 
tenten veel arbeid besteed. Daarbij is de overtuiging gewon- 
nen dat zoodanige verbeteringen in de bepaling der uitzettings- 
coëfïicenten van vloeistoffen aan te brengen zijn, gelijk ik later 
elders hoop aan te toonen, en het is alleen aan de kortheid 
van den mij gegeven tijd te wijten, dat geene resultaten ver- 
kregen zijn, die aan het tegenwoordige doel dienstbaar konden 
worden gemaakt. 

Ik heb mij dus tot de gegevens van Mendelejeff moeten be- 
palen, waardoor trouwens aan de eischen der practijk op meer 
dan genoegzame wijze kan worden voldaan. 

Uit zijne resultaten, met inbegrip van die van Gilpin, heeft 
Mendelejeff, eene overigens hoogst uitvoerige formule afgeleid 
voor de wijze waarop het soortgelijk gewicht bij verschillende 
temperaturen (S\) met die temperatuur en het gewichtspro- 
cent gehalte (p.) verandert. Van deze formule, die alleen in 
de russische verhandeling wordt aangetroffen, waar de bereke- 
ningswijze ook uitvoerig wordt medegedeeld, wordt als bijlage 
een afschrift door mij gegeven. Het is deze formule, waarvan 
ik mij bediend heb, om de densiteiten bij 10, 15, 20, 25, 30 
en 40° te berekenen van alcoholen van 5, 10, 15, 20. . . .100 
procent gewichtsgehalte, welke densiteiten daarop tot inzin- 
kingen op den vochtweger zijn herleid, terwijl de gewichts- 
procenten tot volumeprocenten zijn omgerekend, met inacht- 
neming van het volumen , dat aan het alcoholmengsel op die 
temperatuur toekomt. 

Een groote vlak geslepen lithographische steen was inmid- 
dels aan het Topographisch Bureau van het Ministerie van Oor- 
log over eene oppervlakte van circa een D meter met stelsels 
van elkander rechthoekig snijdende lijnen bedekt, zoodat ge- 
lijke vierhoeken ontstonden van iets meer dan 1 D millimeter 
oppervlakte. Deze lijnen werden als ordinaten en abscissen 
gebruikt voor de inzinkingen en de daarbij behoorende alcohol- 
gehalten. Na aanbrenging der berekende punten werd door 



175 

degene, die tot eene zelfde temperatuur behoorden, eene kromme 
getrokken , welke kromme , in zoo kleine stukken verdeeld, dat 
deze als regte lijnen mogten worden aangenomen, een aantal 
vaste punten opleverde voor de temperatuur lijnen 10, 15, 20, 
25, 50, 55 en 40, welke in de tafels werden gebracht en wier 
afstanden in gelijke deelen mogten worden verdeeld. Het bleek 
daarbij noodzakelijk sommige gedeelten der krommen nog eens 
afzonderlijk op vergrootte schaal te construeren. De afstanden 
tusschen de tot eene zelfde inzinking behoorende punten der 
verschillende temperatuurlijnen werden, waar het noodig was, — 
bij de lagere gehalten — door hulpkrommen , uit de eerste 
afgeleid, in stukken onder verdeeld, tot dat de aangrenzende 
gedeelten niet meer dan één ruitje (gelijkstaande met 0,001 
alcoholgehalte) van elkander verschilden, als wanneer ook deze 
verschillen in gelijke deelen verdeeld, in de tabellen werden 
gebragt. 

Bij deze bemerkingen en berekeningen is stilzwijgend onder- 
steld, dat de formule van Mendelejéff, die alleen uit waarne- 
mingen tusschen en 50° is opgemaakt, ook geldig is voor 
temperaturen, boven 50° gelegen, eene onderstelling die blijk- 
baar niet zonder experimenteel bewijs mag worden aangenomen. 

Dien ten behoeve zijn dan ook eene serie van de densiteits- 
bepalingen ondernomen met mengsels van water en zuiveren 
alcohol, uit wier densiteit bij 50, 55 en 40° naar de formule 
van Mendelejéff het gehalte is bepaald. De beschrijving der 
proeven zelve, die uit hydrostatische wegingen op vrij groote 
schaal bestonden , moge hier kortheidshalve achterwege blijven. 
De resultaten worden echter in eene bijlage medegedeeld, en 
daaruit blijkt, dat door de gemaakte onderstelling van de gel- 
digheid der formulen tusschen 50 en 40°, geene fouten in de 
tafels werden ingevoerd. 

Ofschoon geen middel van controle, dat onder mijn bereik 
lag, is achterwege gelaten, kan ik er niet voor instaan dat in 
dezen omvangrijken en ingewikkelden arbeid, waarvoor boven- 
dien slechts zoo weinig tijd beschikbaar was gesteld, geene 



176 

fouten hoegenaamd zijn overgebleven. Ik mag echter het goed 
vertrouwen uitspreken , dat deze tafels met eene aan het tegen- 
woordige standpunt onzer kennis beantwoordende juistheid, het 
alcoholgehalte aangeven behoorende tot de daarbij geplaatste 
temperaturen en inzinkingen, wanneer deze op juiste werk- 
tuigen door geoefende personen zijn afgelezen. 

De alcoholgehalten konden op den steen tot minder dan 0,001 
afgelezen worden. Wanneer echter de onzekerheid, die in der- 
gelijke door constructie verkregen grootheden noodzakelijk over- 
blijft, alsmede de invloed der weggelaten decimalen in aan- 
merking genomen worden, dan zal de naauwkeurigheid der 
tafels op 1 a 1,5 duizendste kunnen worden geschat. Meer 
kan, naar mijn gevoelen, van zoodanige tafels ook niet wor- 
den geèischt. 

Gaarne verklaar ik mij natuurlijk bereid tot het geven van 
nadere inlichtingen. Het medegedeelde zal echter, naar ik ver- 
trouw , voldoende zijn om Uwe Vereeniging een oordeel te doen 
vellen over het gehalte van dezen arbeid en bij gevolg over 
de waarde der middelen, welke de Indische Regeering zal aan- 
wenden ter bepaling der sterkte van het gedistilleerd. De vraag 
zal en mag niet uitblijven of de belangen, zoo wel van de schat- 
kist als van de belastingschuldigen, met zooveel zekerheid zijn 
gewaarborgd als van de tegenwoordige wetenschap kan worden 
geëischt. Bij de beantwoording dier vraag komt in Indie aan 
Uwe Vereeniging als vertegenwoordigster dier wetenschap in de 
eerste plaats gezag toe. Bijzonder aangenaam zal het mij zijn 
als, na onderzoek, ook Uw invloed mede zal kunnen werken 
om het vertrouwen van Regeering en publiek daarop te beves- 
tigen. Dat het succes van dezen, ook in zijne indirecte gevol- 
gen, voor Indie zoo belangrijken nieuwen maatregel van bestuur 
daardoor aanmerkelijk kan worden bevorderd , is aan geen twij- 
fel onderhevig. 

J. W. GUNNING. 

Amsterdam, den 14 November 1875. 



177 

BIJLAGE, bevattende de resultaten van eenige hydrostatische 
wegingen, ter beantwoording van de vraag of de 
formule van Mendeléjeff ook voor hoogere tempera- 
turen mag worden gebezigd. 

Ter beoordeeling van deze vraag is, in de volgende proeven 
uit het gewigtsverlies eener glazen peer in alcoholen van zeven 
verschillende sterkten bij 50, 55 en 40°, vergeleken met het be- 
kende gewigtsverlies in water van 15°, de inzinking berekend 
welke de vochtweger bij die temperaturen daarin zoude ver- 
toonen. Deze inzinkingen zijn in de eerste kolom der volgen- 
de tabel opgegeven. Daarnevens in de tweede kolom is ge- 
plaatst het alcoholgehalte volgens de graphische constructie bij 
die inzinkingen behoorende. Wordt nu uit deze gegevens, die 
alzoo uitsluitend voortgevloeid zijn uit de formule van Mende- 
léjeff, het gewigtsprocentgehalte van eiken alcohol berekend en 
geeft deze berekening voor de drie waarnemingen nagenoeg 
hetzelfde resultaat, dan blijkt daaruit dat een mengsel van al- 
cohol en water zich tegenover de formule van Mendeléjeff bij 
55 en 40° evenzoo gedraagt als bij 50°. — Dit berekende alco- 
holgehalte is in de derde kolom opgenomen. 

Dien ten behoeve zijn dan ook eene serie van densiteilsbe- 
palingen ondernomen met een zevental mengsels van water en 
zuiveren alcohol, uit wier densiteit naar de formule van Men- 
deléjeff het gehalte is afgeleid zoowel bij 50 als ook bij 55 en 
40°. De beschrijving der proeven zelve, die in hydrostatische 
wegingen op vrij groote schaal bestonlen, moge hier kortheids- 
halve achterwege blijven. De wijze van berekening echter en 
de resultaten zijn in eene bijlage medegedeeld, en daaruit 
blijkt dat door de gemaakte onderstelling van de geldigheid dei- 
formule tusschen 50 en 40° geene fouten in de Tafels werden 
ingevoerd. 



deel xxxiv. 12 



178 



Kolom A. 



Kolom B. 



Kolom C. 



No. 




Inzinking v. d. 


Alcohol vol. °/ 


Ge wig Is % 


VAN DEN 


£3 

H 

-<* 

es 


vocht w. bere- 
kend uit de hy- 


volgens de 

graph. constr. 

met de inz. 


alcohol uit kol. 
A en B 


Alcohol . 




drost. weging. 


overeenkomend. 


berekend . 





50 


5,557 


55,04 


29,500 


No. 1 


55 


5,704 


54,98 


29,546 




40 


6,064 


54,88 


29.562 




50 


5,100 


55,60 


28,027 


No. 2 


55 


5,455 


55,50 


28,055 




40 


5,781 


55,55 


28,001 




50 


5,459 


22,68 


18,626 


No. 5 


55 


5,728 


22,66 


18,655 




40 


5,994 


22,64 


18,686 




50 


6,679 


41,89 


55,467 


No. 4 


55 


7,071 


41.75 


55,478 




40 
50 


7,482 


41,57 


55,461 




8,650 


50,56 


45,599 


No. 5 


55 


9,095 


50.40 


45,658 




40 

50 


9,541 


50.10 


45,558 




16,970 


77,50 


71,947 


No. 6 


55 


17,572 


77,16 


72,002 




40 


16,116 


76,60 


71,890 




50 


19,165 


82.70 


78,216 


No. 7, 


55 


19,759 


82,50 


78,212 




40 


20,544 


81,75 


78,082 



179 



Cü 
Cd 






bc 

e 

'Sb 



O 
O 



a 

cd 



CD 

^3 



'p 

bC 



s 



$-1 

s- 
cd 

E 
cd 



a 

o 
p 

EL 

«2 



CD 
CD 

bc 



bc 



bc 



~ GO G, 



Oh 

c© 

*0 
I> 
l> 

o 

CO 

+ 



o 

CO 
l> 

C5 



co 

CO 
O 



+ 



*•* 
fcO 

+ 



o: 

05 



rJl 







SU 




<M 






W 


CO 




** 


O 




50 


C5 




to 


<5<1 




O 


(•M 


o 


o 




&< 


© 


1 


00 


+ 


SU 


5C 


.u? 




sq 




00^ 


<t< 


r* 




+ 


CO 
CO 

o" 


CO 




1 


+ 


<*< 


1 


eo 


-* 


o 


SU 


■H 
CO 


sq 


CO 


<5<1 

T— 1 




CO" 

C5 


TH 


■ 


ao 




&■ 


fcO 



O 

o 

CO 

i-H 

©q 

co 

+ 



IO 

©q 
©q 
©q 



s + 



Oi 

OS 

Cv 



IC 

o 
o" 

+ 

CO 



■§ 






.SS 5> 



g 



+ i — 



.o 



«o 

«3 



CO 


IO 


o 
o 





te 
S 

'CO 

o 



00 



+ + 



co 
ei 
05 



IQ 



+ + + 



SUPPLEMENT 



CHRONOLOGISCHE TAFEL 



WERKEN van E. KAISER. 

MEDEGEDEELD IN DEEL WXIII VAN DIT riJDSCHRlFT 
BLZ. 175 EN VERVOLGENS 



181 



T I T E L 



Waar kepiiblibkerh. 



Verhandeling over de Sterrrenkundige ontdekkingen, 
die wij ter vermeerdering onzer kennis van den ster- 
renhemel aan de uitvinding der teleskopen verschul- 
digd zijn. 

Verhandeling over den invloed der sterrekunde op 

de beschaving. 

Handleiding tol de kennis der perspectief, vrij ge- 
| volgd naar het Fransch van M. G. L. Richard. Lei- 
j den hij Cyfveer 1829. 

Beschrijving van den sterrenhemel, door Bleibtreu 
| omgewerkt en vermeerderd. 

Berigt van een' Nederlander nopens de sterrekun- 
kundige observatoria in Rusland. 
I 

Recensie van Fran'coeur's, werkdadige sterrekunde 
I vertaald door J. G. Pilaar. k 
I 

Recensie van hel hoek: De sterrenhemel, christe- 
lijke bespiegelingen tot verheffing des harten. Naar 
het hoogduiïsch van .1. H. Daub, Amsterdam 1837. 

Recensie van hel hoek : De maan en hare bewoners 
door H. van Blanken. 



Vriend des Vaderlands 



Vriend des Vaderland* 
Deel III, No. 7. 



(Anonym 



Amsterdam. Sulpke. 



(Anonym). Vriend des 
Vaderlands. 

(Anonym). Kunst- en Let- 
terbode. 1835, No. 3. 

(Anonym). Gids Deel III. 
No. ï. 



Anonym). Gids Deel lil. 
No. 2.' 



Levensherigt van den heer J. Huidekopcr 



Aanhangsel op hel wooi- 
denb. v. Nieuwenhniv . 



Berigt aangaande de werkzaamheden bpdePulkow; 



l Anonym). Kunst- en Let 
terb. 1840 No. 6. 



Recensie van : Leeshoek over de beginselen der 
sterrekunde enz. in den vorm van gesprekken. Delfl 
bij J. de Booy 1830 41 

Beoordeeling der Koninklijke Akademie voor burger- 
lijke Ingenieurs te Delft. 



Gids 1842 No. 3- 4. 



Anonym, ml liet weten- 
schappelijk tijdschrift ter 
bevordering van de stu- 
die der paedagogie ir 
Nederland Ie stuk pag. 



De populaire sierrekunde als middel ter vorming 
van den geest. Verslag omtrent de verhandelingen van 
Ofterdinger en Birnbaum. 

Verslap van de vorderingen der metingen met den 
mikromeler. welke volbracht worden op hel observa- 
torium der Hoogesehool te Leiden. 



Anonym in hetzelfde 

tijdschrift 2e *tuk pag. 

78. 

Tijdschrift h"t Instituut 

1844 No 2. 



182 



JAAR. 



TITEL. 



Waar gepubliceerd, 



1845. 

1845. 
1846. 

1846. 

1847. 

1847. 

1847. 
1848. 

1848 
1848. 

1849. 

2849. 
1849. 
1849. 
1850. 

1854. 



Hemelplein, stereographisch ontworpen en geteekend, 
met eene verklaring. Amsterdam bij C. G. Sulpke. 

Berigt omtrent de Komeet van de Vico. 

Berigt aangaande den dood van Bessel. 



Het plan ter oprigting van een tijdmeter-observato- 
rium te Rotterdam verdedigd en toegelicht. 

De Storingen in de beweging der ligchamen van 
ons Zonnestelsel. 

Over den Prisma-cirkel van Kaïser. 



Korte beschrijving van den Prisma-cirkel van Kai- 
ser en zijn gebruik. 

Brief aan de Redactie der Leidsche Courant over 
de komeet, wier verschijning thans wordt te gemoet 
gezien. 

Berigt aangaande de ontdekking eener nieuwe pla- 
neet. 

Astronomische Nachnchten aus den Niederlanden. 



Ueber der von den wissenschaftlichen Verein in 
arlen gi 
III 1846. 



Harlen gestellte Preis für die beste Arbeit über Comeet 



Ueber zwei gekrönte Preisschriften von Dr Brünnow 
und A. J. van Deinse. 

Beobachtungen der Melis, 1848 
Beobachtungen der Flora, 1847 und 48. 



Brief aan den Heer J. A. C. Oudemans over het 
werkje van den Heer van den Huil betreffende den 
ring van Saturnus. 



Ontdekking eener nieuwe planeet. 



Leids. Ct. 1845 No. 33. i 

(Anonym). Leidsche Ct. 
1846,' 27 Maart. 

N. Rott. Ct. 1846 No.l 
260, 262, 264. 

Afzonderlijk uit den 'Ster- 
renhemel" afgedrukt. 

Tijdschrift toegewijd aan 
het zee wezen van J. C. 
Pilaar en J. M. Obreen, 
2e reeks, 7e deel derde 
stuk. 

Hetzelfde tijdschrift 2e 
reeks. 7e deel, 5e stuk. i 

Leids. Ct. 19 Febr. Il 



Leids. Ct. 12 Mei 



Jahn's Wöchenthche Un 1 
terhaltungen, 1848 No! 
28, 29, 30. 

Astron. Nachr. vol. 2S 
pag. 130. 



Astron. Nachr. vol. 2£ 
pag. 129-130. 

Astron. Nachr. vol. 
pag. 131. 

Astron. Nachr. vol. 5 
pag. 133. 

Tijdschrift de Recensen 



Letterbode, 5 Dec. Il 



183 



T I T E L. 



Waar gepubliceerd. 



1856. 

1856. 

1856. 

1857. 
1858. 



1860 



1862 



Het magnetismus der aarde populair beschreven door 
Dr. J. Lamonl. Uil hei Iloogduilsch door VV. F. 
Kaiser. Met een voorrede en bijvoegsel over hel mag- 
netisme van Zon en Maart door F. Kaiser. 



De afwisselende schijngestalten der Maan. Eenc 
populaire voorstelling van de voornaamste grondwaar- 
heden der sterrekunde. 



1863 



De stelling van Secchi te Rome, omtrent den ring 
van Saturnus, getoetst aan metingen volbragt op het 
observatorium te Leiden. 

De verduisteringen van Zon en Maan. 

Rapport aan Zijne Excellentie den Minister van Ma- 
rine over het zoogenaamde Pelorus-kompas. 

De nieuwe artilicieele kwik-horizonten der Neder- 
landsche Marine, beschreven door F. Kaiser. 

Resehrijving van de Palentcirkels en Sextanten van 
Pistor en Martins. 

De afwisseling der jaargetijden. 



Enarratio fatorum Academiae Lugduno-Ratavae, ha- 

hela die 8 Febr. 1858, quum magistratum aeademi- 
cum solemmi ritu deponeret. 

De tijdseinen der Nederlandsche Marine beschreven. 



Het Controle-kompas van den Raron von Wedel 
Jarlsborg. 

De nieuwe Kompaslampen en Vloeistof-kompassen 
der Nederlandsche Marine. 

De Sterrenhemel verklaard. 3e Druk. Amsterdam, 
.1. C. A. Sulpke, 1860. 

Rerigt omtrent cene thans zichtbare komeet. 

Nader berigt omtrent de thans zichtbare komeet. 

Inlichtingen omtrent de verbeterde Vloeistof-kom- 
passen der Nederlandsche Marine. 



Rerigt omtrent de twee thans zichtbare kometen. 
Nader berigt omtrent de 2e der thans zichtb. kometen. 



Zwoll. live J. J. Tyl 



Volksalm. v. h. jaar 1857 
van de M. t. N. v. 't Alg. 
pag. 75-96. 

Vers. en Med. K. A. v. VV. 
Deel V, bl. 354. 



lu de Volksalmanak. 

I Beiden in de „Verhande- 
' hngen en Berigten" van 
j Jacob Swart. Jaargang 
I 1858 No. 3. 

Verband, en Rerigt. etc. 
Jaarg. 1858 No. 4. 

Volksalm. der M. tol IS 
v. 't Alg., Jaarg. 1859. 



Verband, en Rer. van J. 
Swart, Jg. 1860 No. 1 

Idem No. 3. 



Idem No. 2. 



L Ct. 6 Aug. No. 94. 

. 27 » ■ 103. 

Mededeel, betredende het 
zeew. uilgeg. door het 
Dep. van Marine, 2e deel. 

L. Ct. 29 April No. 51. 

4 Mei » 53. 



184 



JAAR. 



TITEL. 



Waar gepubliceerd. 



1863. 

1864. 

1865. 

1866. 
1869. 

1871. 

4872. 



1871 



1869. 



1871. 



Berigt omtrent de komeet, den 29 Oct. jl. ontdekt 
door Backer te Nauen. 

Berigt omtrent eene tweede thans zichtbare komeet. 

Het nieuwe werktuig voor de tijdsbepaling in het 
Maatschappelijk leven van W. van der Kraan te Us- 
selmonde, beschreven en aanbovelen. 

Zweite Reihe der im Jahre 1864 am Meridiankreise 
der Sternwarte in Leiden angestellten Planeten-Beobach- 
tungen von den Herrn Observ. Kam und v. Hennekeler. 

Eene nieuwe poging om de tijdrekening te verbe- 
teren kortelijk vermeld. 

Planeten- und Cometen-Beobachtungen angestellt 
mit dem Meridiankreise der Sternwarte in Leiden von 
Herrn Dr. Kam und Cand. v. Hennekeler. 



Beobachtungen von Planeten und Vergleichslernen 
angestellt am Meridiankreise der Sternwarte in Lei- 
den von den Herrn Dr. Valentines und Dr. Becker. 



Beobachtungen von Planeten und Vergleichsternen 
angestellt am Meridiankreise der Sternwarte in Leiden 
von den Herrn Dr. Valentines und Dr. Becker. 

Beobachtungen am 6zólligen Refractor der Stern- 
warte in Leiden. 

Bericht über die Betheiligung der Sternwarte in 
Leiden an den von der Astronomischen Gesellschaft 
verordneter Zonenbeobachtungen. 

Beobachtung des Planeten (113) auf der Sternwarte 
in Leiden. 

Meridianbeobachtung des Planeten (108) auf der 
Sternwarte in Leiden. 

Beobachtung der planeten (117) am Meridiankrpiso 
der Stermvnrle in Leiden. 



L. Ct. 28 Oct. No. 129. 

4 Dec. • 146. 
Alb. d. Nat. 1864 No. 10. 

Astr. Nachr. No. 1516. 

Alb. d. Nat. 1866 No. 61 
Astr. Nachr. No. 1749.; 

• 1841. 

. 1881. 

. 1882. 



Vierteljahrschrift der te 
tron. Gesells. 6e jalirj 
4e Heft. 



Verder is te verbeteren: 
De titel van het stuk in A. N. 1464 is: 

Planeten- und Cometen-Beobachtungen angestellt am 6 zölligen Refractor. 
In den titel van het stuk A. N. 1498 staat: Beobachtungen, lees: Refractor-Beobachtunge 
Eindelijk staan de stukken, opgegeven te staan in A. N. 1749 en 1822. respect, in A. 
1747 en 1749, en in A. N. 1819, 1820 en 1822. 



EETBARE AARDE 



VAN 



SUMATRA, 



DOOR 



Jod. HERINGA. 



Na de uitvoerige verhandeling van J. J. Altheer [Natuurk. 
Tijdschrift N. I. Dl. XIII pag. 85 — 100.] moge het eenigzins 
overtollig heeten nog iets over eetbare aarde te vermelden ; het 
geldt hier echter minder de eetwaar dan wel de delfstof en 
de plaats waar zij gevonden wordt. 

In het begin van 1871 ontving ik te Padang van den Offi- 
cier van Gezondheid J. W. van Hattum, die van eenen togt 
in de zuidelijke afdeeling van Sumatra's Westkust ter bestrij- 
ding eener pokken-epidemie huiswaarts keerde, een' rooden, zach- 
ten steen, die hem was bezorgd door den heer Maidman, op- 
ziener te Balang-Kapas en uit het daar nabij gelegen gebergte 
gehaald was. Daar het berigl er bijgevoegd werd, dat vooral 
zwangere vrouwen van dezjen steen aten, achtte ik het dei- 
moeite waardig de bestanddeelen er van te bepalen, in de 
meening dat ze misschien eene of andere bijzonderheid zouden 
opleveren. Daar de steen in sterke minerale zuren niet geheel 
oplosbaar bleek te zijn werd het onderzoek uitgesteld en later, 



186 

toen mij te Batavia voldoende gloei-apparaten ten dienste ston- 
den, weder opgevat. 

't Is mij nu gebleken dat de zachle steen niets anders is 
dan eene soort tanah-ampoh [eetbare aarde] ongeveer van de- 
zelfde zamenstelling als de meeste dier aardsoorten, dat is 
eene soort pijpaarde of onzuivere kaolin. 

Het is bekend, dat op Java inlandsche vrouwen vooral in 
zwangeren toestand gaarne die tanah-ampoh , bijv. stukken van 
de bekende Samarangsche gendie's [inlandsche roode aarden 
poreuse waterkannen] eten. 

Als zoodanig leverde dus mijn onderzoek niets nieuws op, 
als alleen het feit, dat die eetbare aarde op genoemde plaats 
ook en wel in ruime hoeveelheid voorkomt en gebruikt wordt. 
Volgens later ontvangen mededeeling van den heer van Hattum 
komt genoemde of soortgelijke aarde voor op meerdere plaatsen 
van Sumatra's Westkust, onder anderen ook in de nabijheid 
van Padang Sidempoean , waar ze ook door vrouwen gegeten 
wordt. Van een' heuvel, nabij die plaats; wordt die aarde 
door Battahsche vrouwen weggehaald om ze, van af het begin 
harer zwangerschap tot eenigen tijd na de bevalling, dagelijks 
te nuttigen. Ook tegen diarrhoeën wordt die aarde als genees- 
middel gebruikt. 

Uit het onderzoek bleek het volgende: 

De kleur der aarde is roodbruin, hier en daar met witte 
punten. Hare hardheid 1 — 2, daar de steen met den nagel 
gemakkelijk gekrast wordt. Ze is reuk en smaakloos, de lip- 
pen aanhangend, zeer gemakkelijk water absorberend, eenig- 
zins vetachtig op het aanvoelen als magnesia-mineralen en ge- 
makkelijk in een' steenen mortier te verbrijzelen. De streek 
is rood. Bij gloeijing wordt als van alle roode kleisoorten de 
kleur wat donkerder, zonder eahter iets anders als water te 
verliezen, waardoor de afwezigheid van organische stoffen werd 
bewezen. In zoutzuur is ze slechts voor een gedeelte oplos- 
baar, het restant is kleurloos en laat zich door gloeijing met 
eene 5 a 4 voudige hoeveelheid van een mengsel van koolzure 



187 



potasch en soda in eene in zoutzuur oplosbare massa omzetten. 
In zoutzuur waren opgelost aluinaarde, ijzeroxyde, weinig kalk, 
kiezelzuur en sporen van magnesia en phosphorzuur. Het in 
zoutzuur onoplosbare gedeelte leverde slechts aluinaarde en 
kiezelzuur. Dit qualitatief onderzoek had plaats volgens de 
gewone wijze door Fresenius aangegeven, en een opzettelijk 
onderzoek naar alkaliën, barium, strontium, borium, mangaan 
en andere metaaloxyden leverde negatieve resultaten even als 
dat naar zuren [behalve kiezelzuur.] Het quantitatief onder- 
zoek werd gedaan van de onder den exsiccator gedroogde stof, 
waar zij in poedervorm 5.15 °/ water verloor. 

Het in zoutzuur oplosbaar gedeelte bedroeg , al naar mate de 
uitkoking mindere of meerdere malen werd herhaald , bij de 
verschillende proeven van 29.3 — 51.5 procent. 

Het watergehalte [water, dat niet onder den exsiccator ont- 
week] werd bepaald door gloeijing. 

Het kiezelzuur werd bepaald door de stof met 3 a 4 voudige 
hoeveelheid zuivere koolzure potasch en soda te gloeijen , daar- 
na in zuiver zoutzuur op te lossen en tot droog toe op een 
waterbad uit te dampen tot geen zoutzuur reuk meer was 
waar te nemen, daarna te digereeren met verdund zoutzuur 
en het onoplosbaar blijvende af te filtreren, uit te spoelen, te 
gloeijen en te wegen. 

Na afscheiding van het kiezelzuur werd [daar een opzettelijk 
ondernomen quantitatieve bepaling van kalk en van magnesia 
bewezen had, dat hiervan slechts sporen aanwezig waren] het 
ijzeroxyde van de aluinaarde gescheiden door het eerste door 
koking met zwaveligzure soda tot oxydule te reduceren en na 
neutralisatie met koolzure soda de vloeistof met bijlende soda 
in overmaat te koken waarbij, zooals bekend, de aluinaarde 
opgelost en het ijzeroxyde en oxydule onopgelost blijft; alles 
geschiedde al weder met inachtname der voorzorgen door Fre- 
senius in zijne handleiding voor quantitatief onderzoek aange- 
geven en onnoodig hier te herhalen. De aluinaarde werd uit 
de alkalische oplossing door toevoeging van zoutzuur en chloor- 



188 



ammonium door koken afgescheiden, doch deze bepalingen zijn 
bij herhaling mislukt, terwijl mij de gelegenheid voor verder 
quantitatief scheikundig onderzoek door diensthezigheden op eens 
was ontnomen. Daarom dient eene gezamenlijke bepaling van 
ijzeroxyde en aluinaarde na aftrek van het afzonderlijk bepaalde 
ijzeroxyde voor bepaling der aluinaarde. 

De gevonden bestanddeelen waren de volgende: 
Kiezelzuur. 



Si 3 l e 


bepaling 41.0 procent. 


2 e 


40.67 


5 e 


41.92 


» 4 e 


41.17 


5 e 


40.486 » 


Kiezelzuur gemiddeld 


. . . 41.05 procent. 




Ijzeroxyde. 


Fe 2 3 1. 


bepaling 10.789 procent. 


Fe 2 8 2 e 


11.006 


Ijzeroxyde gemiddeld 


. . . 10.9 




Aluinaarde. 


Fe 2 3 4- 


Al 2 3 = 46.4 procent. 


af F 2 3 


— 10.5 


[: Aluinaarde:] Al 2 3 


= 55.5 procent. 



Water-bepaling. 

Het totaal verlies door gloeijing was 16 °/ G , dit, verminderd 
met het verlies onder den exsiccator a 5.15 procent, levert een 
watergehalte van 12.85 pro. 96.85 of van 13.27 procent voor 
de onder den exsiccator gedroogde stof. 

Recapitulatie. 

Si 3 =41.05 °/ c 

Fe 2 8 — 10.90 % 

' Al 2 3 = 55.50 °/o s 

N = 15.27 °/ 



Te zamen 



100.72 % 



189 

Wanneer men het ijzeroxyde eens geheel buiten beschouwing 
laat en alzoo zich den steen slechts zamengesteld denkl uit de 
gevonden hoeveelheden kiezelzuur, ijzeroxyde en water, dan 
verkrijgt men bij berekening op 100 deelen eene verhouding 
die slechts weinig verschilt met de bestanddeelen van Porce- 
leinaarde [kaolin], dat tot formule heelt 5 Al 2 3 , 4 Si 3 
+ 6 Hü. Ter vergelijking stellen we de procentische zamen- 
stellingen hier naast elkander: 

Onderzochte steen Kaolin. 

Si 3 45.705 °/ c . 46.332 °/ 

Al 2 3 39.524 °/o 39.768 % 

H O 14.775 °/ 13.900 °/ 



Totaal. .- 100.000. Totaal. . 100.000. 
Nog beter komt de overeenkomst uit als wij aannemen, dat 
het hoogere watergehalte afkomstig is van het bijgemengde 
ijzeroxyde en daarom alleen de verhouding van kiezelzuur en 
aluinaarde in beide vergelijken; wij hebben dan: 

Onderzochte steen kaolin. 

Si 3 53.625 % 55.812 % 

AL, 3 46.575 °/ 46.188 °/ 

Wij kunnen dus onzen steen eene mei ijzeroxyde bedeelde 
porceleinaarde of goede pottebakkersaarde noemen. Als zooda- 
nig is de keunis der verspreiding wel van eenig belang. 

Uil het onderzoek naar de zamenstelling is dus gebleken, 
(Uil de si een als voedingsmiddel noch als geneesmiddel eenige 
waarde heeft. Voor de industrie kan ze intusschen tot het 
vervaardigen van aardewerk dienstbaar zijn. Het is mij echter 
niet bekend, dat ze daartoe op Sumatra al gebezigd wordt. 

Batavia. Maart 1874. 



VERSLAG 

NOPENS DE 

KIIA-KÏÏLTÏÏÏÏE OP JAVA, 

over het jaar 18^3, 

door den Directeur der Gouvernements Kina-Onderneming 
K. ^V. VAN GORKOM. 



De weersgesteldheid was, even als in 1872, over het alge- 
meen, vrij gunstig voor de kuituur. In de maand September 
leden echter, te Rioengoenoeng , vooral de groot-bladerige kina- 
soorten, nog al schade door een zwaren hagel. 

Op last der Regeering, werd door den Direkteur der kina- 
onderneming, eene volledige collectie van op Java gekweekt 
kina-materieel, naar de internationale expositie te Weenen ge- 
zonden (voor welke collectie, volgens partikuliere mededeelingen 
van leden der Jury en dagblad-berichten, aan het Neder la ndsch- 
Gouvernement, het Eere-diploma en aan den Direkteur der on- 
derneming, de Fortschrits-medaille moet zijn toegekend.) 

s.i-; 

Verïiieiiïg'viilcli|£iiig , é 

Het totaal-cijfer der planten in den vollen grond, bij het 
einde van 1872, 1,705,542 bedragende, was op ultimo Decem- 
ber 1873 (nog slechts) 1,694,690. 



191 

[Deze reduktie is te wijlen aan de afschrijving van circa 
154,000 planten (Calisqja) op het Kcndeng-Patoeha gebergte, 
waar die kina-soort slecht ontwikkelde en liet voordeeliger ge- 
acht werd, haar alsnog geleidelijk te vervangen door Cinchona 
Oflicimlis, maar hovendien werden aan den oogst van 25000 
kilo's drogen bast, — waarvan bij de 4000 kilo's, als afval, 
nog op bestemming wachten, — een meer dan gewoon aanla 
hoornen opgeofferd, doordal op de verschillende élablissemen 
ten bij voorkeur die individuen zijn uitgegraven en geschild, 
welke door ziekte veel hadden geleden en daardoor in hunne 
goede ontwikkeling gestoord waren.] 

Anderzijds werden zeer weinig Calisaja's bijgeplant, omdat 
sinds de superioriteit der Calisaja Ledgeriana aan het licht 
kwam, het redelijker geoordeeld is te wachten tot uitsluitend 
met deze uitstekende kina-soort kan worden uitgebreid. 

In de kweekerijen waren op 51 December, 250,200 plantjes 
aanwezig tegen 582,169 een jaar te voren. Om niet gedwon- 
gen te worden weder eene groote hoeveelheid planten van twij- 
felachtige waarde voor de kinine-fabrieken, in den vollen grond 
te brengen, zijn in de maand September, meer dan 100,000 
zeer jonge Calisaja-^lkntjes uit de kweekerijen verwijderd. 

In cijfers moge de kuituur gedurende 1875 achter uit ge- 
gaan schijnen, in degelijkheid heeft zij stellig gewonnen. 

§ II. 
Kina-soorten. 

De voorlgezelte onderzoekingen van den scheikundige hebben 
de wenschelijkheid bevestigd om zich, bij de massale ver- 
menigvuldiging, vooreerst te bepalen lol twee kina-soorten, de 
Cinchona Calisaja, variëteit Ledgeriana en de C; Offighialis. Van 
de Ledgeriana werden in 1865 de eerste zaden ontvangen uil 
Caupolióan (Bolivia), door tussehenkomsl van den Engelschman 
Ledger. De eerste zaden van C. Ofjicinalis werden in 1866 
aangeboden door de leiders der kina-kultuur in Britsch-Indie. 



19-2 

Beide deze kina-soorten, maar bovenal de Ledgeriana, leve- 
ren eenen kinine-rijken bast. 

Basten voor pharmaceutiseh-gebruik zullen, in de eerstvol- 
gende twintig jaren, voldoende geoogst kunnen worden van al 
de overige kina-soorten. Door de plantsoenen dezer, stelselma- 
tig ieder jaar uit te dunnen, wordt aan de telkens overblijven- 
de boomen een sterker ontwikkelings-vermogen en daarmede 
eene, betrekkelijk, ruimere produktie verzekerd. 

De basten, voor kinine-bereiding geschikt, worden voor phar- 
maceutiseh-gebruik, niet versmaad, en daar aan de kweeking 
van goede en inférieure kina-soorten evenveel zorgen en kos- 
ten verbonden zijn, is het rationeel, om uitsluitend de supé- 
rieure soorten te teelen. Door die beperking wordt ook ver- 
warring voorkomen die, in weerwil van alle waakzaamheid, 
allicht een gevolg kan zijn van groote verscheidenheid in soor- 
ten en variëteiten. 

Zaden van C. Ojfwinalis zijn in overvloed beschikbaar en ook 
/laat deze kina zich gemakkelijk en snel, kunstmatig vermenig- 
vuldigen. De Ledgeriana- 's leveren nog niet veel vruchten, maar 
een tiental-boomen, in hunnen bast gemiddeld 10,27 pCt. alka- 
loïden, waarvan 7,34 pCt. kinine bevattende, beloven in de 
eerstvolgende maanden eene ruimere hoeveelheid zaden. 

Zooveel mogelijk worden van de Ledgeriana, ook stekken 
genomen en zijn daardoor reeds een 3000 fraaie planten aan- 
gewonnen. 

De heer Schuhkraft, Nederlandsen konsul-generaal te la Paz 
^Bolivia), zond weder kina-zaden, maar zij zagen er niet 
best uit en er is ook minder waarde aan gehecht, omdat met 
grond betwijfeld mocht worden, of zij wel van supérieure, ki- 
nine-rijke boomen afkomstig waren. In vroegere jaren toch, 
1864 en 1869, zond de heer Schuhkraft veel Calisaja-zdL&en 
waardoor 5 a 600,000 planten zijn verkregen, die door de eerste 
analyses boven onze oudere Calisaja's schenen gesteld te moe- 
ten worden, terwijl ook de botanische bestemming tot deze 
hoogere waardeering leidde; maar latere onderzoekingen van 



195 

monsters bast, genomen uit het, van de oudste hoornen, voor 
het eerst geoogst produkt, hebben deze verwachting zeer teleur- 
gesteld. In ieder geval werd bewezen, dat de Üalisaja-Sóhuh- 
kraft zeer Onderscheiden van gehalte is. 

Ook zond de heer Schuhkra/Ï monsters kina-bast uit den 
Amerikaanschen handel, en, zooals uit de scheikundige analyses 
bleek , kunnen de beste monsters zelfs niet in vergelijk komen 
met onze Ledgeriana, terwijl de middel-soort niet hooger slaat 
dan onze gewone Calisaja in het algemeen. 

Ontginningen. Onderhoud. 

In het vorig verslag werd aangeteekend, dat sinds 1864, 
ongeveer 900 bouws oorspronkelijk bosch ontgonnen zouden 
zijn. De verspreiding der plantsoenen door een sterk bergach- 
tig terrein, maakte eene juiste schatting niet best mogelijk. 

De machtiging der Regeering werd daarom gevraagd om de 
plantsoenen te doen opmeten en inkaartbrengen , door de in de 
Preanger werkzame «tweede Brigade der topografische opne- 
ming." Deze arbeid zal nu weldra zijn afgeloopeu. Zelfs de 
geoefende opnemers moesten zich in de uitgestrektheid vergissen 
en zoo is nu gebleken, dat sinds 1864, Wegen en erven niet 
medegerekend, omstreeks 800 bouws ontgonnen zijn. 

Voor een aanplant van twee millioen kina-boomen, is vol- 
doende terrein ontgonnen, zoodat voortaan niet veel meer dan 
voor aansluiting en afronding te verwerken valt. De kosten 
der kuituur zullen zich daardoor meer tot onderhoud en ex- 
ploitatie, en tot nieuwen aanleg op oud terrein bepalen. Deze 
nieuwe aanleg geschiedt gemakkelijker, daar de oorspronkelijk 
gekapte woud-boomen van lieverlede, voor een groot deel ver- 
gaan zijn. De tweede aanplantingen krijgen dan ook een net- 
ter en ordelijker aanzien. 

Aan het onderhoud is in 1875 veel zorg gewijd. Het regel- 
matig snoeien der planten wordt steeds als eene voorname voor- 
waarde hunner goede ontwikkeling beschouwd. 

deel xxxiv. 13 



194 

§ IV- 

Ontyv* ^ il^:I£eling , . GrX"oeiki*a,c1rt. 

Hoewel tamelijk onregelmatig en afhankelijk, zoowel van 
situatie als van vruchtbaarheid van bodem, is de ontwikkeling 
der kina-planten over het algemeen niet ongunstig, en de groei- 
kracht op vele plaatsen zelfs zeer sterk. De tabel L M . A. kan 
daarvan een denkbeeld geven. 

§v. 

Oogst van Kina. 

De oogst van 1875 bedroeg ruim 25000 kilogrammen dro- 
gen bast, waarvan 21050 kilo's naar Europa zijn gezonden, in 
332 kisten. Met het stoomschip Prins Hendrik gingen daar- 
van 80 kisten te loor. 

[Den 27 Mei 1873, werden te Amsterdam (derde openbare 
veiling) 176 kisten met 11322 kilos bast en 52 kisten met 
5819 kilos kina-poeder verkocht. De rapporten nopens het 
voorkomen en de emballage van het produkt waren gunstig. 
Men konstateerde weder vooruitgang. 

De basten brachten van f 1,10 tot f 5,02, p. 1 I 2 kilo, gemid- 
deld f 1,42 27 op. Het poeder w T erd verkocht tegen den gemid- 
delden prijs van f 0,1 5 34 p. 1 j 2 kilo. 

De buitengewoon hooge prijs van f 5,02 was behaald door 
een proef van 270 kilos. Calisaja Ledgeriana, van welke soort 
in 1875 circa 1472 kilos zijn uitgevoerd en nog 400 kilos afval, 
houdende 5 pCt. kinine, voorradig liggen.] 

§ VI. 

Verspreiding dei- Kina. 

Gedurende 1875 zijn voor lands rekening 1071, en voor 
partikuliere rekening, 9176 kinaplanten verspreid. In het ge- 
heel zijn hiermede sinds 1869, ongeveer 50000 planten uil de 
Gouvernements-kweekerijen afgeleverd. 



1915 

Door tusschenkomst van Mr. Kleijn, consul van Portugal, Ie 
Batavia, zijn in de maand December, 79 planten naar Timor 
Deli gezonden. 

Zaden werden gestadig, zoowel op als buiten Java, aange- 
vraagd en konden steeds in massa worden verstrekt. 

In sommige gewesten , schijnt bij de bevolking eenigen zin 
voor de kinateelt te kunnen worden opgemerkt. De Gouver- 
neur van Celebes achtte bet wenschelijk om in zijn gebied, Ie 
Lokka, een centraal-kweekerij aan te leggen en die onder be- 
hoorlijk toezicht te stellen. Het voorstel is in overweging om 
daarvoor uit de fondsen der kinakultuur, voor den tijd van 
twee jaren , ƒ 25 's niaands te besteden. 

Ook op Java en Sumatra ervaart de verspreiding der kina- 
planten onder de bevolking, meer en meer belangstelling. 

Onder de vele Europeesche grondbezitters die de kuituur 
als proef aanvaardden, worden nu ook eenigen aangetroffen, 
die van hare voordeden zoozeer overtuigd zijn, dat zij zich 
met kracht op snelle, massale uitbreiding toeleggen. 

Onder hen moeten in de eerste plaats genoemd worden , de 
heeren Hofland (Krawang) de Sturler en Dennison (Buitenzorg) 
K. T. Holle en Meijboom (Preanger). 

De aanplautingen van eerstgenoemde vier heeren werden in 
den loop' van het jaar, door den Direkteur der Gouvernements- 
kina-onderneming bezocht. De plantsoenen der heeren Hofland 
en de Sturler, vond hij zeer uitgebreid en flink ontwikkeld. 
De heer Holle zond reeds een zijner mlandsche opzichters naar 
de Gouvernements-établissementen, om zich vertrouwd te maken 
met den oogst en de behandeling van kinabast. 

De heer van Gils, op Sumatra, schreef in de maand Decem- 
ber, dat de kina-boomjes die hij in een koflietuin uilplanlle, 
dezen reeds begonnen te hinderen, zoojjat hij de kina sterk 
had moeten opsnoeien. 

Bij zoo veelvuldige bewijzen van groeikracht en het feit, dat 
de Java-kina, op de Europeesche markt reeds creÜiüt heeft 
verworven, mag men er zich werkelijk over verwonderen, dat 



196 

de partikuliere kina-teelt hier nog zoo ten achteren blijft bij 
die in Britsch-Indie. Intnsschen komt er gaandeweg verbete- 
ring, zijnde er nu reeds een 25-tal. ondernemers die tezamen, 
over meer dan 400,000 planten beschikken. 

De onafhankelijke Prins Mangkoe Negoro in Solo en de Rijks- 
bestierder van Djokja, Helen zich door den Directeur dei' Gou- 
vernements-onderneming, gaarne overreden om ook eene proef 
te nemen en zoo een krachtig voorbeeld Ie geven. 

§VII. 
Personeel. Materieel. GrelclmlcUieleii. 

Ingevolge de bij het besluit van 1 December 1872 no. 2 
gewijzigde formatie van het Europeesch-personeel der kinakul- 
tuur, werd bij besluit van 15 Januari 1875 no. 9 de opziener 
l e klasse W. H. Hoo veling, tot hoofdopziener en de opziener 
l e klasse H. A. Wolters, tot eersten opziener l e klasse benoemd. 

Bij dispositie van den Direkteur van Binnenlandsch-Bestnnr, 
van 25 Januari no. 6, zijn daarop de opzieners G. Schoen en 
L. P. van de Weeteringe Bnijs, van opziener tweede en derde 
tot opziener eerste en tweede klasse bevorderd. 

De opziener Buijs heeft in December, wegens ziekte, zijn 
établissement moeten verlaten en zal vermoedelijk niet kunnen 
terugkeeren. 

Toen bij besluit van 19 Februari no. 14, de opziener 3 e 
klasse P. E. Schotel, als kommies hij de pakhuizen naar Su- 
matra werd verplaatst, is het beheer van het établissement 
Tjiberem, toevertrouwd aan den inlander Radhen Wira Koe- 
soema, die sinds twee jaren, als hoofdmandoer , goede diensten 
aan de kuituur had bewezen. 

Voorstellen zijn thans in overweging om dezen inlander, 
titel en rang van Mantri-kina te verleenen en nog twee ont- 
wikkelde inlanders voor gelijke betrekking op te leiden, ten 
einde dan het Europeesch personeel te kunnen blijven beperken. 

Door dien maatregel wordt een onafgebroken, dagelijks toe- 



197 

zicht meer verzekerd geacht, daar er tot heden gestadig veel 
imitatie onder het Europeeseh personeel plaats had en de erva- 
ring heelt geleerd hoe nioeielijk het is, om Europeanen te 
vinden, die aan goed gedrag en aanleg voor kultuur-arbeid, 
tevredenheid met hnn isolement op de kina-établissementen 
paren. Voorts zoude de maatregel ook tot bezuiniging knnnen 
leiden. 

Het vast inlandsen personeel bestond op 51 December 1875, 
uit 2 liinmerlieden, mandoers, 151 boedjangs en één post- 
looper. 

Door vrije arbeiders werden 68865 dagdiensten gepresteerd, 
hebbende bij den oogst van kinabast, ook de vrouwen der boe- 
djangs, legen billijke vergoeding, uitmuntende hulp verleend 

Het materieel werd in goeden staat gehouden, vier kweek- 
huizen zijn geheel vernieuwd en nog is een ruime hoeveelheid 
glasruiten aanwezig om in 1874, andere kweekhuizen, die door 
aardbevingen schade leden, te herstellen. 

Voor den aanmaak van kisten ter verpakking van kinabast, 
zijn ruim 10000 planken beschikbaar, wordende er gemiddeld 
vijf voor eeue kist verbruikt. 

Ten dienste der kina-onderneming zijn gedurende 1875 uit- 
gegeven , aan : 

Traktement van het europeeseh personeel ... ƒ 26525. — 
Schrijfbehoeften voor europeeseh personeel. . . » 500. — 
Keis- en verbliji'-kosten voor europeeseh personeel. » 2219.76 
Traktement van het vast inlandsen personeel. . » 10500.50 

Bezoldiging van daglooners » 15752.60 

Inkoop en onderhoud van gereedschap (spijkers. 

glasruiten enz: daaronder begrepen) . . » 1006.90 
Emballage en transport, tot Tjicao, van 21050 

kilo 8 produkl - p 979.50 

Emballage en transport van 1071 planten (ver- 
spreid over den 0. 1. Archipel) . . . . J 129.90 
Inkoop van materialen, bamboe, atapen diversen. » 2571.57 

Transpor/cre. . f 57765.55 



198 

per Transport. . ƒ 57763.53 
Bezoldiging van den bediende van het scheiknndig 

laboratorium » 180. — 

Dagelijksche benoodigdheden van het laboratorium. » 207.85 



Totaal Generaal. . / 58153.38 

Zijnde ƒ 1096,62 minder dan bij de begrooting € werden 
uitgetrokken. 

Nu de ontginningen op groote schaal gesloten zijn, kunnen 
de uitgaven voor de eigenlijke kuituur, geacht worden hun 
maximum te hebben bereikt. Door het opmeten en inkaarl- 
brengen van de établissementen, is een regelmatiger beheer 
mogelijk geworden, zijn de voor het onderhoud benoodigde 
krachten beter te schatten, en is het toezicht over het geheel 
vergemakkelijkt . 

Bandoeng, 5 Januarij 1874. 



§ VIII. 
Sclieilciiii<iig > e Onderzoekingen. 

Verslag van den Scheikundige bij de Kina -Cultuur 
J. C. BERNELOT MOENS. 



Nadat door eenige analyses in het laatst van 1872 was 
gebleken , dat onder de als Cinchoua Calisaja bekend staande 
planten, eenc soort bijzonder uitmunt, — welke sedert 1865 
werd gekweekt uit de van Ledger gekochte zaden, — is op deze 
bijzonder de aandacht gevestigd. Door een 27-tal onderzoekin- 
gen, (zie den hierbij behoorendeu staat) is hare superioriteit 
boven allen twijfel verheven en schoon ook bij haar, even als 
bij alle Cinchona's, tamelijk groote verschillen voorkomen, zoo 



199 

is toch het gemiddeld gehalte van dien aard, dat deze kina- 
soort mettertijd alle andere zal verdringen, niet alléén omdat 
het chinine-gehalte op zich zelf zoo hoog is, maar vooral ook 
omdat, nevens chinine, zoo weinig andere alcaloïden in dezen 
bast worden aangetroffen, waardoor de fabriekmatige bereiding 
van zwavelzure chinine zeer wordt vergemakkelijkt. 

Het aantal bloeiende hoornen dezer soort vermeerdert lang- 
zamerhand, zoodat aan zaden spoedig geen gebrek meer zal 
bestaan. Voor aankweeking van nieuwe planten, worden voort- 
aan alléén zaden gebruikt van boomen, die in hunnen bast 
meer dan vijf percent chinine bevatten. Sommige uitkomsten, 
die niet overeenkomen met den aard van dezen bast, (b. v. no. 6 
van den staat) moeten daaraan worden toegeschreven, dat vroe- 
ger eenige der echte Ledger-planten zijn gestorven en in de 
plantsoenen vervangen door calisaja's van andere herkomst. 
Onder deze zijn er die in uiterlijk voorkomen op de Ledger's 
gelijken , zoodat een verwisseling van de eene soort voor de 
andere niet onmogelijk is. De no. 6, bij voorbeeld, behoort 
zeker niet tot de echte Ledger's. 

In Europa zijn van de in 1872 verzonden hoeveelheid Led- 
ger's bast twee monsters onderzocht: een door Jobst, die 5.57 
percent chinine, — een ander door Kerner , die 9.75 percent 
chinine vond. 

Als gemiddelde samenstelling van dezen bast , zooals hij naar 
Europa wordt uitgevoerd , kan worden aangenomen : chinine 
5.95 percent, cinchonidine 0.60 percent, weinig chinidine, 0.27 
percent cinchonine en 0.91 percent amorph alcaloïd. Bij som- 
mige variëteiten is hel cinchonidin-, bij andere weder het chi- 
nidin-gehalte grooter. Het maximum van dit laatste, 2.17 per- 
cent, is aangetroffen bij een' boom van Tjie-Bérém , terwijl in 
een boom van Keong-Goenong 5.89 percent als hoogste cincho- 
nidin-gehalte werd aangetroffen. Ik schrijf het voorkomen dezer 
alcaloïden minder toe aan levensonislandigheden (ouderdom, 
groeiplaats enz.) van den boom, dan aan het bestaan van be- 
paalde variëteiten, waaraan die alcaloïden- eigen zijn. 



200 

i 

Het oordeel over dezen bast in Europa was buitengewoon 
gunstig. Howard, Jobst en Kenter waren daarin eenstemmig. 
De laatste beklaagde zich slechts dat niet de geheele partij 9.75 
percent chinine hield, schoon in de beschrijvende nota der Ned. 
Handelmaatschappij het gemiddelde slechts op ruim 5 percent 
was gesteld. 

Het onderzoek der overige Calisaja-soorten maakte ook de 
kennis daarvan vollediger. De afstammelingen van de Calisaja's 
van Hasskarl's zending , — zoogen. Java-zaad , — leveren zeer 
gewilde apotheek-basten , doch ze houden over het algemeen te 
weinig chinine om ze voor de fabriekmatige bereiding van dat 
alcaloid te gebruiken. Onder deze komen ook nog enkele plan- 
ten voor, die veel rijker aan chinine zijn en o. a. munt in dat 
opzicht de boom uit van Nagrak, (No. 44) wiens bast gelijk 
staat met de beste Konings-kina van Bolivië. Van dezen fraaien 
boom bestaan vele afstammelingen, o. a. te Nagrak alléén onge- 
veer 15000 stuks, die, wanneer ze in chinin-gehalte de moe- 
derplant evenaren , over een vijftal jaren zeer geschikten fabriek- 
bast zullen leveren. 

De gemiddelde samenstelling van den tot nu toe naar Neder- 
land uitgevoerden bast van deze soort, (Java-zaad) kan geacht 
worden te zijn: chinine 0.70 percent, cinchonidin 0.67 percent, 
chinidine 0.50 percent, cinchonine 0.97 percent en amorph 
alcaloid 0.58 percent, te zamen 3.22 percent. 

Een voortgezet onderzoek verminderde de gunstige meening, die 
hier werd gekoesterd omtrent den aard der C. Calisaja Schuh- 
kraft, en deze soort moet voortaan ook beschouwd worden als 
eene, die wel goede basten voor pharmaceutisch gebruik kan 
opleveren , maar die voor chinine-bereiding weinig waarde heeft. 
Als zoodanig is ook de eerste partij bast, die van deze soort 
naar Europa verzonden is, aan den handel bekend gemaakt. 

Door den Nederlandschen consul te La Paz zijn monsters 
gezonden , van de basten , die 't meesl in den handel in Boli- 
vië voorkomen. De beste Calisaja-soort , die daaronder gevon- 
den werd, hield 0.02 percent chinine. 



201 

Van Cinchona succiruhra werd een negentiental monsters 
onderzocht. De bast is steeds zeer rijk aan alealoïd , doch 
bevat gewoonlijk slechts mini één percent chinine, tegen ruim 
vier percent cinchonidine en heeft weinig of geen waarde voor 
chinine-bereiding. 

Voor dat doel is de bast van Cinchona offiemdü beter. Jobst 
onderzocht een monster dezer soort van de partij, die in 1873 
in Amsterdam verkocht werd en vond daarin 2.21 percent chi- 
nine, 0.78 percent cinchonidine, 0.65 percent andere alcaloï- 
den , te zamen 5.62 percent. Onder den naam van C. offia- 
nalis zijn vele planten vereenigd , die onderling zeer verschillen 
en tot verscheiden variëteiten of soorten behooren, Een der- 
tiental analyses van C. ofjicinalis, in .1875 verricht . , doen dan ook 
groote verschillen 'm het gehalte zien. Het is bekend , dat in 
Britsch-Indië , sedert de cultuur van C. succiruhra niet verder 
wordt uitgebreid, voornamelijk een zeer smalbladige variëteit 
van C. officinalis wordt aangekweekt, die in gemiddeld chinine- 
gehalte ongeveer overeenkomt met de C. calimja Ledgeriana. 
Deze variëteit schijnt onder de hier gecultiveerde planten zeld- 
zaam te zijn ; slechts eene plant, (analyse 86) werd aangetrof- 
fen , die tot die variëteit kan gebracht .worden , en de bast 
daarvan onderscheidt zich in alcaloïd-gehalte niet bijzonder van 
de overige , hier gecultiveerde variëteiten. Wanneer meer gere- 
geld basten voor den uitvoer worden geoogst, zal het onder- 
zoek dezer soort verder uitgebreid moeten worden. 

Naast de C. calisaja Ledgeriana is de C. officinalis de voor 
cultuur meest belovende plant , daar ze gemiddeld een vrij hoog 
chinine-gehalte heeft en overal zeer gemakkelijk en welig groeit. 

Het onderzoek van de overige kina-soorten , die betrekkelijk 
van minder belang zijn, da;ir liiire cultuur zal gehouden wor- 
den binnen de mi bestaande grenzen, leerde weinig nieuws. 
Een der oudste huinfo/ia's gaf een ï ijken bast (analyse 99) die 
in rhinine-gehalle zeer uitmunt: de beide andere analyses van 
lancifolias zijn van jonge, zieke hoornen en de uitkomst kan 
dus niet als normaal gelden. 



202 

Een der oudste, bijna twintig-jarige Pahudiana, die te 
Tjie-Bodas is blijven staan en daar voortleefde , scboon voor die 
planten geen zorg meer werd gedragen en de bast dan ook 
aan alle -kanten door de inlanders van den boom was gesneden 
om als geneesmiddel te dienen, gaf, bij bet onderzoek vanden 
bast een resultaai niet verschillend van hetgeen als normaal 
voor deze soort geldt. De hoop die vroeger bestond , dat deze 
boom met meer gevorderden leeftijd in chinine-gehalte zou toe- 
nemen, blijkt ongegrond te zijn geweest. Het merkwaardig 
hooge alcaloïd gehalte der Pahudiana 's (analyse 101 en 102) die 
tot voorwerp gediend hebben om daarop Calisaja's te enten, 
verdient opmerking: het wijkt in quantiteit geheel af van al, 
wat tot nog toe omtrent Pahudiana bekend was, doch komt 
daarmee in qualileit overeen. 

Het onderzoek van het kina-poeder , (gemengd afval van ver- 
schillende kina-soorten), doet zien dat, — schoon daarvoor in 
Europa slechts zeer lage prijzen werden bedongen, — de samen- 
stelling het kenmerkt als minstens even geschikt voor pharma- 
centisch gebruik als de zoo gezochte Pahudiana-bast. 

De wortelbasten die onderzocht zijn , (analyses 58 , 58 en 
66) van Calisaja Java-zaad, Calisaja Schuhkraft en Sucèirubrd, 
komen in samenstelling vrij goed overeen met de slambasten 
der zelfde soorten. Indien er verschil mag worden aangeno- 
men , dan schijnt het dat de wortelbast over het algemeen wat 
meer cinchonine houdt, dan de stambast, bij dezelfde soorl 
genomen. 

Het groote belang dat voor de toekomst der kina-cultuur was 
gelegen in een juiste kennis van het gehalte der cinchona cali- 
sfija Ledgeriana en vergelijkender wijze ook van dat der ande- 
re Calisaja s, maakte dat daaraan de meeste tijd is besteed. 

Proeven zijn begonnen om te zien welken invloed de ver- 
schillende perioden van het jaar op het gehalte van den bast 
hebben. Ze moeten nog eenigen tijd worden voortgezet, eer 
ze tot het maken van gevolgtrekkingen kunnen dienen. 

Een onderzoek om te zien of de meerdere of mindere mate 






205 

van op de stammen vallend licht, invloed heeft op het alcaloïd- 
gehalte, (analyses 67 l/m 70 en 75 t/m 76) leerde alléén dat 
in basten van denzelfden stam, op dezelfde hoogte uitgesneden, 
een groot verschil in alcaloïd-gehalte kan worden aangetroffen, 
doch dat de oorzaak daarvan nog onbekend is en o. a. niet 
mag worden toegeschreven aan de mate van licht waaraan de 
bast is blootgesteld. Beide hoornen , een te Nagrak , de andere 
te Tjie-Meroean waren zóó gekozen, dat ze aan de Oost-zijde 
vrij stonden doch overal elders door andere boomen werden 
ingesloten, zoodat ze slechts aan eene zijde het directe zon- 
licht ontvingen. Bij den eenen boom bevat nu de Oost-, bij 
den anderen de West-zijde de geringste hoeveelheid alcaloïd , 
zoodat deze beide waarnemingen elkander veronzijdigen. 

De hoogte boven zee schijnt, althans binnen de grenzen der 
kina-plantsoenen, (1251 meters tot 1950 meters) weinig invloed 
op het alcaloïd-gehalte te hebben. Boomen van goede constante 
type geven in de hoogste, zoowel als iri de laagst gelegen 
plantsoenen een bast, die in qualiteit zoowel als in quantiteit 
van alcaloïd zeer voldoende is. De analyses 25 en 77 t/m 79 
getuigen daarvoor. Meer en meer vestigt zich hij mij de over- 
tuiging, dat de groote verschillen, die in het alcaloïd-gehalte 
van kina-basten voorkomen , vooral het gevolg zijn van het 
groote aantal variëteiten, dat bij iedere cinchona-soorl voor- 
komt, en dat dit minder moet worden toegeschreven aan in- 
vloeden van klimaat of bodem. Deze kunnen wellicht op de 
quantiteit van invloed zijn , doch ik heb voor als nog geen 
reden om te meenen dat de qualiteit der alcaloïden daardoor 
belangrijk gewijzigd wordt. 

Belangrijk is de proef met het enten van Calisaja-boomen op 
stammen van Cinchona Pahudiana. De bast dezer Calisaja's. 
die behooren tot de variëteit welke uitsluitend chinidme (con- 
chinine) produceert en geen chinine, wijkt in samenstelling 
weinig af van liet normale. De bast 59 was zéqr dik , 40 
daarentegen dun. De bast van het voorwerp (C. Pahudiana ) , 
analyse 101 en 102, — vertoonde hetzelfde onderscheid in dikte : 



204 
i 
101, het voorwerp van 59, was zeer zwaar, 102 zeer dun. 
Beide basten bevatten meer alcaloïd dan men gewoonlijk in 
deze soort aantreft, en vooral No. 101 was buitengewoon rijk 
en hield ook een tamelijk ruime hoeveelheid cinchonine, een 
alcaloïd , dat gewoonlijk in Pahudiana niet iof slechts spoorsge- 
wijze wordt gevonden. Het schijnt dat hier de ent op hel 
voorwerp invloed heeft uitgeoefend, vooral bestaande in een 
verhooging der totale hoeveelheid alcaloïd, zonder dat echter 
de aard der alcaloïden belangrijk gewijzigd werd. De omstan- 
digheden waaronder deze planten groeiden, en die vooral voor 
C. Pahudiana 101 buitengemeen gunstig moeten geweest zijn, 
hebben bij deze toch geen vorming van meer chinine veroor- 
zaakt, maar vooral het ontslaan van zeer veel chinchonidiue is 
daarvan het gevolg geweest. Deze proef schijnt een steun te 
zijn voor het denkbeeld, dat de aard der alcaloïden, die in den 
bast der verschillende Cinchona-soorlen worden afgezet, afhan- 
kelijk is van het voor iedere soort eigenaardige weefsel van den 
bast en dat de bladeren daarop geen invloed hebben. 

Er is nog een zeer belangrijke vraag, of er namelijk reden 
is om te denken , dat de planten , die uit zaden worden opge- 
kweekt, zullen afwijken van de type des moederlvooms , waar- 
bij dan vooral een slechter worden der soort , in dien zin , dat 
ze minder , of minder waardvolle alcaloïden beval , zoude 
gevreesd worden. 

De vergelijking wordt eenigszins moeielijk omdat men kan 
aannemen, dat de bepaling van ieder der alcaloïden afzon- 
derlijk bij alle vroegere analyses niet juist genoeg was, ten 
gevolge van de gebrekkige analytische methode. Toch kan ei' 
op feilen gewezen worden, die in dat opzicht geruststellend 
zijn. Zoo zijn alle Condamiuea 's (0/fwimlis) en de meeste 
Succiruhra's afkomstig van zaden, eerst van in Britsch-Indië , 
later van hier gekweekte planten gewonnen. En het gehalte 
van geen der beide kina-sóorten kan gezegd worden gedaald te 
zijn. De meeste der Calisajas, zoo genaamd Java-zaad, zijn 
afkomstig van planten, waarvan er vroeger, in 1861, door de 



Vrij onderzocht zijn, met tamelijk overeenkomende resultaten, 
dal ze namelijk, even als nu, ongeveer 5.5 percent alca- 
loïd bevatten, waarvan Vi chinine. De nu onderzochte Ot/isa- 
jas van Nagrak 45 en 44 moeten, zoover hier kan wor- 
den nagegaan, afkomstig zijn van No. 55 van Tjie-Bodas, door 
dé Vrij onderzocht in 1860, en de hast hevat, vooral hij 44 
ongeveer evenveel van dezelfde alcaloïden als de Vrij toen vond. 
Een enkel onderzoek spreekt voor eene verandering in gehalte: 
de in analyse 57 vermelde Calisaja zoude een afstammeling 
moeten zijn uit zaad van den boom No. 1 uit den aardbezién- 
tuin te Tjie-Bodas, die weder een afstammeling was van door 
Weddell uit Z. Amerika meegebracht zaad. Deze bevatte voor- 
al ehinidine terwijl de alcaloïden, die nu verkregen zijn in 
aard geheel overeenkomen met die, welke eigen zijn aan de 
gewone Calisaja's van HasskarPs zending. 

Aan een zoodanig feit , — daar het tamelijk geïsoleerd is , — 
behoeft echter geen zeer groote waarde te worden gehecht, 
daar het de vraag is, of niet de oorspronkelijke plant is ver- 
loren gegaan en bij het inboeten vervangen door eene aan 
andere herkomst. Volgens het tegenwoordig standpunt van ons 
welen is de vermenigvuldiging door zaad volkomen gebillijkt: 
de vermenigvuldiging door stekken kan daarmede steeds ge- 
paard gaan. 

Bereiding^ van ïrurtv alcaloïcï. 

Ue bereiding van rnw alcaloïd moest in het begin des jaars 
gestaakt woiden, omdat de apparaten daartoe, die van den 
beginne al* slecht voldeden, geheel onbruikbaar waren geworden 
en te Bahdong niet gerepareerd konden worden. In afwach- 
ting dat ze door andere vervangen werden , is een proef geno- 
men mei koude deplaceering van het kina-poeder (afval) mei 
verdund zoutzuur. 1000 Kilogram werden op die wijze ver- 
werkt en daaruit slechts verkregen V'U kilogram alcaloïd, 
terwijl in den bast ongeveer 15 kilogram voorhanden was. 
Schoon die methode weinig kostbaar is, was toch de uitkomst 



206 

zeer onvoldoende en het product loonde de moeite en kosten 
in geenen deele. In een nota, die der Regeering werd aange- 
boden bij missive van den Directeur der gouvernemenls-kina- 
onderneming, van den 5 den October No. 142, is uitvoerig uil- 
eengezet, dat, bij de hooge prijzen, die in Europa voor de 
Java-basten worden besteed, alléén het kina-poeder en de Suc- 
cirnbra-bdiSt eenige kans opleveren om, zonder nadeel, ruw 
alcaloïd te produceeren, terwijl bij alle andere basten een ver- 
lies onvermijdelijk zoude zijn, een verlies, dat, volgens de 
laatst bedongen prijzen berekend, bij Calisaja Jam-zaad b. v. 
werd geschat op 92 cents^ bij officinalis op 2 gulden en bij 
Pahudiana op /' 1.80 per verwerkt kilogram bast. 

Zoodra de uit Europa verwachte chemicaliën en de ter ver- 
vanging der met lood bekleede ketels bestemde koperen ketels 
zijn ontvangen, zullen afdoende proeven mogelijk zijn en dan 
kan beslist worden of het nog voordeel kan geven om plaatse- 
lijk dat gedeelte der basten te verwerken, dat in Europa een 
geringe waarde heeft. 

Wanneer hier alléén basten geproduceerd werden, volkomen 
geschikt voor chinine-bereiding , dan zoude het voordeel eener 
volledig ingerichte fabriek van zuivere zwavelzure chinine niet 
twijfelachtig zijn, doch nu het grootste gedeelte der Java-basten 
nog moet bestemd worden voor pharmaceutisch gebruik en 
men, met het oog daarop, die basten veel duurder betaalt dan 
overeenkomt met de daarin bevatte w T aarde aan alcaloïd, zal 
men om schade te voorkomen , vooreerst voorzichtig te werk 
moeten gaan en goede rekening houden met de prijzen die voor 
de verschillende soorten van onzen bast in Europa bedongen 
\yorden. 



A. 



Aantooning van den betrekkelijken groei der verschillende 
Kinasoorten gedurende het jaar 1873. 









Lengte op . 


Omtrek van 




C/j 
CS 


</2 
g 

s 


INASOORT.K 


ultimo 


stam op ultimo 




r5 
23 


December 


December 


Toelichtingen. 


55 


!5 




1872. 


1873. 


1872. 


1873. 






Nederlandsche Ellen (n 


ïeters.) 






1 


Calisaja . 


7,300 


8,000 


0,250 


0,250 


Oud 8i/ 2 jaren. 




2 


ld. Ledgeriana . 


5,000 


5,500 


0,321 


0,355 


7 




3 


ld. Hasskarliana 


7,600 


7,900 


0,660 


0,693 


. 12i/o ■ 


a 


4 


Succirubra . 


7,000 


8,300 


0,490 


0,570 


■ . 6 " , 


O) 

, o 


5 


Lancifojia. 


6,200 


7,000 


0,300 


0.310 


. 9 


.— 


G 


ïd. . . . 


7,150 


7,700 


0,270 


0,275 


. 9 


s 


7 


Micrantha. 


6,000 


7,500 


0,390 


0,440 


» 


H 


8 


Pahudiana 


10,300 


10,300 


0.540 


0,560 


» I61/0 




9 


ld. . . . 


10,320 


10,400 


0,400 


0,420 


» 12i/o . 




10 


Lanceolata 


5,900 


6,000 


0,350 


0,360 


» 15 " - 




11 


Calisaja Anglica . 


5,741 


5,825 


0,355 


0,420 


. 61/0 . 




12 


ld. Hasskarliana 


7,611 


7,643 


0.535 


0,565 


- 12 ~ . 


tb 


13 


ld. Ledgeriana . 


— 


6,245 


— 


0,355 


» 7 


o 


14 


ïd. . . . 


— 


— 


— 


— 




5 


15 


Succirubra 


9,105 


9,825 


0,485 


0,560 


■ 61/2 - 


o 
bc 


16 


ld. . . . 


8,505 


8,825 


0,515 


0,530 




3 


17 


Condaminea . 


5,725 


6,600 


0,331 


0,350 


7 . 


o 


18 


ld. . . . 


— 


— 


— 


— 






19 


Pahudiana 


. — 


— 


— 


— 







20 


ld. . . . 


— 


— 


— 


— 


— 


.1 'si 


21 


Calisaja 








. . 


. , 






22 


Condaminea . 


1,703 


3,520 


0,133 


0,165 


.. 4 


-* 


23 


ld. . . . 


2.673 


2,710 


0,144 


0,150 


. 4 


24 


ld. . . . 


2,620 


2,900 


0.143 


0,160 


. 4 




25 


Calisaja . 


— 


— 


. — 





_ 


a S 


26 


Condaminea . 


3,125 


3,353 


0,182 


0,187 


. 4 




27 


ld. . . . 


3,472 


3,600 


0,174 


0,181 


. 4 


È^ 5 


28 


ld. . . . 


3,293 


3,304 


0.163 


0,169 


» 4 




29 


Calisaja . 


12,990 


13,260 


0,660 


0,690 


• lH/g ■ 




30 


ld. . . . 


10,270 


10,690 


0,510 


0,530 


» » » 




31 


ld. . . . 


5,220 


5,740 


0,460 


0,505 


81/0 . 


-^ 


32 


Succirubra 


12,130 


12,460 


0,690 


0,710 


IO1/2 • 


tl 


33 


ld. . . . 


11,040 


11.560 


0,580 


0,610 


» » ■ 


fe 


34 


ld. . . . 


' 7,250 


8,150 


0,640 


0,670 


8 




35 


ld. . . . 


10,170 


10,880 


0,550 


0,580 


» » > 




36 


Micrantha. 


10,190 


11,140 


0,480 


0,500 


. 10 




37 


ld. . . . 


6,760 


7,450 


0,330 


0.360 


• Oi, . 



Aantooning van den toestand der Gouvernements kina-plantsoenen op Java, over de jaren 1871-1872 en 1873. 



LIGGING EN GEMIDDELDE HOOGTE 


i 
•<* 


1 PLANTEN IN DE KWEEKERIJEN. 


PLANTEN IN DEN VOLLEN GROND. 


Totaal- 
generaal 


-u 


BOVEN ZEE, DER PLANTSOENEN. 
(De hoogle uitgedrukt in meters.) 


'M 

6 


1 




.- 


| 


'f af 

! S 

65 


ua ° 


3"SÜ 


l 


1 


TOELICHTINGEN. 


Omhang, 

Gebergte Tangkoehan Prahoe. 1251 . 

iVagrah. 

Gebergte Tangkoehan Prahoe. 1625. 

Tjlbletoeng. 

Gebergte Waijang. . . . 1527. 

Tjibérem. 

Gebergte Malawar (0.) . . 1560. 

Tjfnlei-oean. 

Gebergte Malawar (W.) . . 1566. 

Rioengoenoeng^. 

Gebergte Tiloe 1625. 

Kawali-Tjlwiilel. 

Gebergte Kendeng-Patoeha . 1950. 


1871 

187: 

i;;,;, 

1871 

1872 
1873 

1871 
1872 
187:; 

1871 
1872 

187:; 

1871 
1872 

187;; 

1871 
1872 

187;; 

1871 
1872 

1878 


57700 
37924 
9000 

43500 
15000 
6000 

60630 
41538 
5000 

23986 
55136 
1500 

60583 
40888 
33500 

102500 
74800 
6300 


1211 
7000 

200 
8000 
1000 

4400 
3400 
1000 

512 
1800 

1198 
2000 


10350 
3350 
30000 

11000 
0300 
62400 

14760 
13860 
14500 

14630 
9435 
16700 

2200 
2200 
5700 

58757 
16257 


1900 
550 
500 

4950 
4337 
3700 

2644 
2644 
2400 

11540 
8450 
7300 

27600 

28800 
4300 


400 


99313 

122089 
183000 

102196 
144196 
1598U0 

108977 

128119 
134100 

178817 

195617 
205500 

227671 

274821; 
151200 

174713 

247412 
249900 

117864 
123664 


12354 
14412 
14400 

23690 
29940 
43000 

24228 
26270 
26500 

21754 

22576 
23900 

44068 
47440 
48800 

33925 
33925 
33900 

4868 
4868 


13000 
20000 
23000 

500 

5200 

1 15600 

2412 
10912 
22600 

7864 
19054 
31700 

11460 
11460 
18400 

152976 

195476 
220300 


'2412 
3702 
3700 

1000 

1013 
2200 

834 
834 
900 

4680 

8205 
9400 

6216 

12010 
1000(1 

1066 
1006 


200 
200 
200 

62 
62 
60 

50 
50 
50 

110 
110 
110 

308 
308 
300 

170 

170 
170 

130 
130 


170778 

174025 
164000 

197310 

221800 
207060 

215735 

21082, 
250550 

245829 

505189 

271410 

372542 
410166 
398900 

358784 
410283 
334670 

353361 

347401 
258300 


Gedurende het jaar 1873 werden 
over den O.l. Archipel verspreid 

voor pai likuliere rekening 9176 

en voor lands rekening 1071 
te zamen . . 10247. 

kiuaplanlen. tegen 5000, 
in 1872 en 3378. in 1871. 

In de jaren 1809 en 1870 wer- 
den circa 12000 planlen ver- 
spreid, zondat uit ilc Gouver- 
nenicnls-lüvcekcreijrn, in hel 
geheel reeds meer dan 5000(1 

kiiiaphnlen zijn afgestaan. 


TOTAAL 

der 

afzonderlijk soorten. 


1871 
1872 
1878 


366599 

271286 

a. 61300 


7521 
15200 
9000 


111697 
51402 
161300 


48634 

4-1281 
18200 


400 


1009641 

1235428 
61133500 


164894 

179431 

c. 190500 


188214 

282102 
337600 


16213 

27r.no 
32200 


1050 

103(1 

890 


1914463 

2087711 
1944890 




TOTAAL-GENERAAL 

van 

alle soorten. 


1871 
1872 
1873 


534451 
382169 
250200 


1380012 
1705542 
1694690 





a. Waaronder 52300 stuks Calisaja Ledgeriana. 

b. . 10000 . 

c . + 6000 ■ Caloptera's. 



± 70000 Hassbirlimiii • 



RANDOENG, den Januari 1874. 
De Direkieur der Gouvernements kinu-miderneming ■ 
li. W. VAN GORKOM. 





OVEBZICHT van d 


uitkomsten d 




rende he 


jaar 


1873 v 




& scheikundige analyses va 


n Java-kmabast 






























S ' J 








1 


KINA-SOOBT. 




1 






j 


J 


i J - 


| IJ 1 T "" 


2 


Cinehona Calisaja Ledgeriana 


— 


lij 24 
11 in 


lil ïï 


10.17 

7 7: 


■ .,,„,. 




11 12 


I's 


11-92 


12 99,2„ s „lei i„ bloei. 


3 


: : '■ : 


: 


IJ 11 
12 72 


8 04 
12 27 


9 1 
4 91 


„','„;!; 


0.09 


-p.ln'n 


"01 


,:; ;;;- 


8 22 Bloei!.""' 


5 


: : : : : 


: ; 


II 01 

9.45 


2 02 


o ir 


";;■ 


o!o3 


o:o3 


ïÈ 


■■' " 


k,e a,9„aa 


7 






13.85 


4 90 


9 4li 




1^2 
















14 41 


III 1111 








o 'k 






11' Öiillileiü: 


10 






" 94 


11.20 
8.84 


i'lll 


.;,„ 


sporen 


il '/ 


('1 71 


'" II 


1 öii M,',!"„, ,.,„ ,|,. 


11 






lï:90 






2 2! 












1.2 




Tji'e Nieroean. 


10 19 


8.01 


5 8! 


! 22 




o ii 


I 72 


9 7.- 


14k|mÏÏ"' 


u 
15 
16 






!'• 'i' 


3 00 


2 91 


1 07 1 07 


"■Ijl: 




:'. '! 


■1 02 9„i,9r, ian ,1 gs 








7 lli 2 211 |~»i'i" ' ï'l'ii 


77 1 11 21 


si ie 


/.lOBloeil. 


17 




■ Bern,,. 


1.4 21 
1.1.91 


9 24 ■ 9 07 g "'"" 2:01 


ó 20 il el 


?ïï 




19 
















.'■ 














21 
















22 




Vagrak. ' 














23 




Tjic" Bitoeng. 
(.«al, 1 ,,.• W „1-, 


Il 19 
9.42 

10 99 


:, 18 


9 IK 


weinij! -■■■, 




7 17 2"'. II",", '"'"'" "'"'""" 


26 






12.89 












27 






13.38 












211 


Java-zaad 














29 












1 13 .'■". 




30 




Lembang. 












31 


















32 




Beong Gocnoug. 






















12 21 
















1 




'ji'e Nieroean. 


12 74 

12 10 


2 21 
■;,. 12 


il 


Yi 


II lil 


11 




il 


iu 




27 


























38 






12 19 




















39 
















1 50 










4(1 






12 71 




















41 




lawaliïjieW 












II 22' 














ril,. Bemn. 












1.10 






II 40 




43 




































2 iï 












4J8 


1 ho.33y.'Tj.Boüm(z 


45 


Schuhkrall'. 




11 29 
















1.84 










12 19 


























12 20 










II 99 










4t: 






12 12 




9 35 








II 2,2 




47 




■19 




«agrak. 


1-1 99 


11 72 








Si, 


1 II' 


' !l ! 




















3:11 l.U 






„Il' lamion 


12 90 


1 i!'2 










92 




:,4 




,,■„,,: ' 


14 1,0 


1.28 








55 














57 


' * 


jlcSiéroea,,. 


11 14 


l'l 72 1! 47 ö !u ", ., 




: -/ ;:/';«.,..,,,.,„„,, 


58 


















59 


• 1' kwal.'tcanu'loV 


oliïië. 














60 


2 ,.l..ll. -1 




11 911 












61 


, .2- . (pijpen). '. 




















Sic' Nieroean. 
















d:i 




















dl 
















2 21, II 71 




















2 112 II 0! 




lili 
















2 471 9 lil 




iili 






l'l li' 


9 'lil 


1 21 


1 29 




i 119 1 91 


II [•:' 1 e U=g- = 'd'.l 


119 






12 22 
11 74 


4' 114 
11 119 


1 29 






1 22 1 8 




71 




«'agrak. 


11.24 


4 ('lli 
2 011 


1 29 


2 7( 




ï l" l~, "" 


■ " " : 1( v 'j' '/■ ■■■^- 


75 






lil 42 


7 40 


ï lli 


4 114 




('1 71 11 


7 47 1 '19 l-ïii "o"?' 


77 


' '■ ..'.'. 


Unlbang. 


15:00 


?:i9 

9 111! 


1 97 


22! 




il 70 r' 


7 7', 1 22 '"JIJ | .\„i„,l 


78 












7 ir, 








79 




tavaliTjieWidei 


12 99 




1 III 










00 




'j„. Beren,. 






1 22 












Oosl van 1873. 


lil 




\agr»k. 












4 ïr 










112 

ii;i 






19 91! 


454 


7 22 


„,!„;,' 


S ó"o: 


o'M 


1 Ir 




|0 12 


Smaller blad. 






leoóg Goonong. 






2 27 










2 117 


! 2,9 




85 






















1! 9! 










1.9 (17 




















87 






19 97 


7 20 


:, 42 








m 








88 






14.40 


11) 2(1 
















89 




Lembang. 

inwaliT.iioWi.le, 


12 77 










9 71 




9 97 2. li 




911 






2, 87 


1 7.' 


1.X 














91 






12 17 


11 114 














9 91 




92 




laulja ll'nlang. 






2.71 
















93 




ljir IlllMlia. 






















94 


. utopie»: : 


8.73 










II Ï7 




2 01 


2 49 








12 71 


2.03 


1 21 






2 . 21 




.-, 92 


1.86 


Oogsl van 1872. 


96 


























97 




9 ;: liiicncinn. 


11 11 






1 24 












98 




I'jie Nicrncn,. ' 








1.35 










99 

111(1 


Pahudiana ... 


Tj'ie Bodas. 
rjie Nieroean. 


HU 


li 011 


II 21 
12 


II 7: 


T™ 


. ( ,",'!; ; l "« 


ij" !;.:;: 


l'miiliL-j.in.s,' l,„n„. 


102 












292 lM7j"C.ral."^ili.(«Kto 


lii:i 






13.3; 


4 77 2.02 1 111 -| 






104 


' (füin. niLiiu|uiiiii}. 












105 

106 


Kina poder: afval v.verschUl.öOort. 


z 


12 ïi 


8:S S:l lil iiii 


II r, il 21' 


1 79 il 71 j 








15.9: 


uu 211 o mi o K 




I 911 II 4ll] l„ | 


108 




' - 


ie.3! 


1.13 52 2,9 II 22 


li 90 II 32 


1 92 4 711 IJ ■«-"■'- 


110 




~ 


16.00 


1.19 


0.38 


0.58 


0.20 


0.47 


0, 


... 


0.50 


' 



GÜSTAV ROSÉ., 

NECROLOGIE 

DOOR 
UIT HET DüITSCH VERTAALD DOOR J. B. NaGELVOORT. 

Tjilatjap, April 1874. 



Duitschland heeft een groot geleerde en een edel man ver- 
loren. G. Rosé, Professor in de Mineralogie, door een ieder zon- 
der afgunst voor de eerste van zijn wetenschap aangezien, 
overleed te Berlijn den 15 dcn Juli 1875, in zijn 76 ste levensjaar. 
Hij was de jongere broeder van Heinrich Rosé, den scheikun- 
dige , de jongste van de vier zoons van Valentin Rosé, Assessor 
aan het Oher-Collegium Medium te Berlijn, kleinzoon van den 
ouderen Valentin Rosé, den ontdekker van »Rose's metaalmeng- 
sel". (*) Zijn vader verloor hij vroeg. De opvoeding der vier 
zoons, wier jeugd in benarde en moeilijke tijdsomstandigheden 
viel, werd door eene voortreffelijke moeder geleid. Alle vier 
broeders dienden het vaderland in de bevrijdingsoorlogen. Gus- 



(*) Een alliage van 2 dln. bismuth, 1 dl. tin en 1 dl. lood. smeltend bij 
93,75° C. Het wordt gebruikt ter vervaardiging van cliché's van stempels, 
van drukvormen, inzonderheid tot het afnemen van perrotinevormen. (Per- 
rotine is de naam van een machine die in de kaloendrukkerij in gebruik is; 
naar Perrot. Een perrotine drukt drie kleuren te gelijk.) Rel'. 

DEEL XXXIV. 14 



210 

tav, (geb. 18 Maart 1798) eerst zeventien jaar oud zijnde, toen de 
slag bij Waterloo plaats bad , vocht niet meer mede , maar maak- 
te onder de wapens den verren tocht van Berlijn naar Orleans. 

Zich op de bergbouwkunde toegelegd hebbende, kreeg hij 
een longontsteking. Dooi' zijn wetenschappelijke werkzaamheid 
tijdens zijn genezing en door den omgang met zijn broeder Hein- 
rich kwam hij er toe zijn praktischen loopbaan te verlaten en 
zich geheel der wetenschap te wijden. Hij reisde naar S tok hoi m, 
waar zijn broeder Hendrik bij den beroemden Berzelius werkte. 

In 1823 verkreeg hij zijn bevoegdheid als docent in Berlijn, 
werd in 1826 tot buitengewoon en in 1859 tot gewoon hoog- 
leeraar in de mineralogie benoemd, en na den dood van Ch. 
Sam. Weiss (*) tot directeur van het kon. mineral. museum. 

G. Rosé mocht , voor wetenschappelijke waarnemingen, groote 
landstreken doorreizen: Skandinavië, Engeland, Schotland, Italië, 
Sicilië, Frankrijk, Oostenrijk. 

In 1829 deed hij met von Humboldt en Ehrenberg de be- 
roemde reis naar het Uralische gebergte, naar den Altaï en de 
Kaspische zee, waardoor hij tot aan de grenzen van China 
kwam en welke reis den grondslag legde tot de mineralogische 
kennis van het uitgebreide russische rijk. (-)-) Op vaderland- 
schen bodem waren zijn onderzoekingen voornamelijk gericht 
op het Silezische gebergte. 

G. Rosé was de eerste die in Duitschland met behulp van 
een reflexie-goniometer nauwkeurig de hoeken der kristallen be- 
paalde. Hij had een belangrijk aandeel in de werkzaamheden 
die Mitscherlich tot de gewichtige ontdekking van het isomor- 
phismus brachten. (§) Hij omvatte alle takken der mineralo- 



(*) Samuel Weiss, de groote grondlegger der Duitsche methode van kris- 
tallographie (Formarum crystallinarum dissertatio Leipzig 1809) 1780—1856- 

(-|-) G. Rosé Reise nach dem Ural. 

(§) Tot op dien tijd had men op 't gezag van den abt Hauy volgehouden 
dat met den vorm ook de samenstelling van een mineraal veranderde. Zwaar- 
spaath (zwavelzure baryt) gelijkt volkomen op Cólestin (zwavelzure slrontiaan); 
beiden zijn dus isomorph. Ref. 



211 

gie; de kris lal vormen en hare eombinatien, hare physica en 
Iiare chemie en de kunstmatige vervaardiging van mineralen. 
Hij was de grootste meesier in licl kristallographisch leekenen. 
De leer van het samenkomen van mineralen tot gesteenten, pe- 
trographie, is door hem gegrondvest, even zoo als hij een der 
eersten was om met behulp van een microscoop in dun ge- 
slepen steenplaaljes mineralen op te sporen die voor het on- 
gewapend oog onzichtbaar zijn. (*) Met bijzondere voorliefde 
wijdde hij zich aan de studie der meteorieten, van die verwon- 
derlijke lichamen, die uit de diepte van het wereldruim op onze 
aarde vallen. Onder zijn scherpen blik openbaarde zich de sa- 
menvoeging der meteoorijzer-massa's, het mengsel der mine- 
dralen in de meteoorsteenen. Zijn geest was aanhoudend bezig 
met de buitengewone verscheidenheid in de vorming der ge- 
steenten in gene voorwerpen van kosmischen oorsprong, en in 
die van den vasten aardkorst, (f) 



(*) Voorbeelden van deze wijze van onderzoek zijn te vinden in het werk 
van onzen delftschen hoogleeraar Vogelsang: -Philosophie der Geologie und 
Microsc. Gesteinsstudien Bonn. Cohen, 18G7. Mit 10 kupfertafeln. 

(f) De beroemde Siberische meteoriet, door den uitstekenden russischen 
uatuuronderzoeker Pallao in 1771 gevonden, is grootendeels nickelijzer (96 pCt. 
kosmos dl. 1 pag. 128 v. d. vertaling van Beima). Hiervan beslaat ook o. a. 
een onderzoek van Prof. v. Baumhaner. Ik meen in de Verh. der Kon. Acad. 
v. Wetenschappen. 

Te Juvenas , dep. Ardèche , viel een aardachtige meteoriet , volgens G. Rosé 
uit een mengsel van olivin, angit en labrador bestaande. (Kosmos dl. 1 
pag. 129.) 

De meteoorsteen van Utrecht leerde G. H. von Baumhauer kennen als een 
mengsel van olivin, augit, oligoklas en 10 pCt. nickelijzer en inagneetkies. 
(Woordenb. d. Scheik. v. v. ïricht.) 

Te 1'Aigle in Normandie viel op 26 April 1803 een ware steenregen, wel 
2 — 3000 stuks, waarvan de grootste 17 1/2 po»d (kilogram ?j woog. (Quen- 
stedt, Leerb. il. Mineral. Vert. v. v. Eldik Tliieme, pag. 108.) 

Men wil, op de naamsafleiding afgaande, dat het ijzer bij sommige volken 
voor 't eerst ontleend is aan meteoormassa's. De koptische naam voor ijzer 
is, volgens Brugsch: steen des hemels: (Ch. Petersen. Ubcr d. Verhaltn.des 
Broncealters z. Hist. Zeit bei d. Volk. d. Altherthums.) Een Zweeschc com- 



Het is wel opmerkings waardig dat zijn schoonste mineralo- 
gische ontdekkingen niet in zeldzame voorwerpen gedaan zijn, 
maar in zulke, die in alle verzamelingen voorhanden zijn, en 
velen reeds ter onderzoeking gediend hadden. Hiertoe behoort 
de aantooning der rechtsche en linksehe kristallen van het kwarts 
uit den uiterlijken vorm, de menigvuldige tweelingskristallen 
er van, de ontdekking der kristallisatie van het ijzerkies, die 
velen te vergeefsch getracht hadden op te sporen. Het geheim 
van zulke ontdekkingen lag daarin dat hij nooit op den vorm 
alleen afging, maar het geheele physische voorkomen voor oogen 
hield. Zijn geest omvatte, terwijl hij in het meest verborgene 
der schepping doordrong, tegelijk het ver afgelegene, hetgeen 
hem den sleutel gaf ter oplossing der moeilijkste vraagstukken. 

In het vorige jaar wijdde zijn onderzoekende geest zich bij 
voorkeur aan den koning der steenen, den diamaat. Er zullen 
niet veel mineralogen zijn die vermoeden dat er nog iets raad- 
selachtigs is in den kristal vorm van den diamant. 

De overledene was altijd zoo van wetenschappelijke vraagstuk- 
ken vervuld, dat hij nog 24 uren voor zijn dood , het naderend 
uiteinde van zijn aardschen loopbaan voor oogen, een zijner zoon's 
de uitkomsten van den laatsten arbeid van zijn geest dicteerde. 



missie vond in 1870 op Groenland 3 groote ijzeren blokken, van 25 m., 10 
m. en 4500 kg. 

Het grootsche denkbeeld dat meteorieten afzonderlijke lichamen uit het 
wereldruim zijn, dateert evenals de Mécanique Céleste van Laplace, uit den 
tijd der eerste fransche onwenteling. 

De onvergankelijke eer daarvan komt Chladni toe, die zich reeds onsterfe- 
lijk gemaakt had door de ontdekking der klankfiguren. 

Volgens Schiaparelli behooren zij hoogstwaarschijnlijk niet tot ons plane- 
tensysteem. 

Daar de loopbanen van meerdere kometen coïncideeren met de stroomen 
van meteorieten, heeft men hen onderling in verband gebracht. Het is toch 
spectraalanalytisch bewezen dat sommige kleine meteorieten (vallende sterren) 
verdampen vóór dat zij op de aarde vallen. (Secchi. Le Soleil 1870 pag. 374.) 

Deze beschouwingen zijn een nieuw stadium ingetreden bij het wegblijven 
van de komeet van Biela in den jongsten tijd, zooals men zich herinneren zal. 

Ref. 



215 

Misschien is het hem niet vergund geweest het raadsel over 
het ontstaan der diamanten op te lossen; maar hij is zijn doel 
zeer nabij geweest. (*) 

Opdat zooveel werk niet voor de wetenschap verloren zou gaan, 
was zijn geest nog helder op zijn sterfbed. Hij dacht en handel- 
de naar de woorden van Baco: »Pertransibuut Multi, Sed auge- 
bitur Scientia." Dit voegde hij allen toe die hunne krachten 
vergeleken met de groote eischen der natuurwetenschap en daar 
bij wankelden. Hij was een natuuronderzoeker van den ech- 
ten stempel, trouw en krachtig arbeider en bouwmeester aan 
de tempel der wetenschap, voor het begrip van den Kosmos, 
van een eenige en ondeelbare natuur. Nauwelijks zal men een 
tweede voorbeeld vinden, hoe vreugde over de toenemende ken- 
nis der natuur de levensdagen van een natuuronderzoeker op- 
helderde, als dit met G. Rosé tot in hoogen ouderdom het 
geval was. Op een lang leven terugziende bekende hij hoeveel 
sedert onderzocht en opgeklaard werd, hetgeen vroeger duister 
was. Dit maakte hem verblijd en gaf hem goede hoop. «Gij 
zult nog meer licht zien", voegde hij den jongeren toe. «Velen 
zullen heen gaan, maar de wetenschap bouwt steeds voort." 
Zijn beste vrienden en trouwe medearbeiders, Mitscherlich, 
Magnus, Haidinger, vóór allen zijn broeder Heinrich, zag hij 
van hun arbeid afgeroepen. Dit scheiden en zijne toenemende 
eenzaamheid was hem smartelijk. Maar de gedachte gaf hem 
troost hoe zeer de wetenschap door zijn afgestorven vrienden, 
ook in 't tijdperk der gemeenschappelijke werkzaamheid, be- 

(*) De beroemde botanist Góppert , ons allen bekend door zijn Tartiarflora 
a. d. tnsel Java, beeft een diamant in zijn verzameling met een vlak dat 
onder 't microscoop als uit een soort celweefsel bestaande herkend werd. 

Prof. Harting beschreef in de Yerh. der Kon. Acad. v. W. 1857 een dia- 
mant waarin zuilvormige kristallen van zwavelijzer voorkwamen. 

De vermeende smelüng der kool, welke men door een uitermate sterken 
galvanischen stroom dacht verkregen te hebben, en waardoor Despretz be- 
weert na een maand zwarte microscopische octaeders te hebben zien ont- 
staan, waarmede men als met diamantgrnis robijnen polijsten kon, was een 
dwaling. Uit de kool afgescheiden asch was gesmolten. Ref. 



214 

vorderd was. Zoo bood zijn geest het ongewone schouwspel, 
dat naar den avond des levens zijn opgeruimdheid toenam. 
Drie jaren geleden was het hem gegund zijn doctor-juhilé te 
vieren; in dit jaar (1875) slaat zijn leeraarsambt een Semisa- 
culum. (*) Hoezeer hij nooit een onderscheiding zocht vielen 
hem eerbe wij zingen en onderscheidingen van zelf toe. Toen 
hij tot stemgerechtigd ridder der orde »pour Ie mérite" benoemd 
werd, vond hij dat te veel eer. 

Het aandenken door G. Rosé in de wetenschap achtergelaten 
is onvergankelijk. Hoezeer dan ook niet onvergankelijk, maar 
toch levendiger en aandoenlijker is de herinnering aan hem in 
de harten van allen met wien hij omging. In zijn wetenschap 
noch in zijn veelvuldige maatschappelijke betrekkingen had hij 
vijanden noch tegenstanders; wangunst noch kwaadwilligheid 
deerde hem. Hij leefde in vrede, zijne oogen konden het ge- 
tuigen, wier eigenaardig bezielden blik een ieder verrastte, die 
met hem sprak. Hetgeen zelfs den besten moeilijk valt, om in 
vrede en vriendschap te leven, was hem toegeschikt. Daar hij 
steeds naar 't ware, 't edele en het goede streefde, zoo voor- 
onderstelde hij dit ook bij anderen. Hij zag in de pogingen 
van anderen alleen het goede. Als hun daden of woorden zijn 
bijval al niet verwierven, toch kon hij er niet toe besluiten, 
er onedele motieven achter te zoeken. 

Het verklaart zich bierdoor, dat hij eenparig vereerd en be- 
mind werd door hen, die onderling oneenig waren. Zoo heeft 
G. Rosé, zoowel in de wetenschap als in het leven, een voor- 
beeld achtergelaten dat moeilijk na te komen is. 

Den ll den Juli 1875 hield hij nog een voorlezing. Niette- 
genstaande hij zeer afgemat was «alsof ik den Hummerich en 
den Leeuwenberg bestegen had" schreef hij 's avonds toch nog 

(*) Hoezeer men in het dagelijksch leven in Duitschland meer dan bij ons 
onder seculum een tijdperk van 100 jaar verstaat, was een seculum bij de 
Romeinen 110 jaren en bevatte 22 lustra, hetgeen de afdeeling was, waar 
op het jaar van 10 en 12 maanden en het zonnejaar weder op den zelfden 
dag vielen. Volgens Bojesen. Ref. 



215 

een langeu wetenschappelijken brief en besloot dien met deze 
woorden: »Rust zal ons goed doen; wij gaan weder naar Frie- 
drichshaven in ons oude kwartier; waren wij er slechts." 
Nauwelijks had hij den brief afgesloten of er overviel hem een 
huiverige koude, teeken van het uitbreken eener longontste- 
king , die in minder dan vier dagen aan het leven van een der 
beste menschen een einde maakte. Nu rust van zijn arbeid de 
hand, die krachtig den hamer hield omvat, en met onnavolgbare 
nauwkeurigheid de lijnen der kristallen teekende; ook rusten 
van hun arbeid de oogen, die de sneeuwtoppen van den Altaï 
zagen, en »mat" en «glanzend" op de kristal vlakten van het 
bergkristal onderscheidden. Vreede zij zijner assche! Zalig zijn 
de vredelievenden ! 
Bonn, 16 Juli 1873. 



BESTUURSVERGADERING 

gehouden op Donderdag den 18 den April 1874. 



Tegenwoordig de heeren dr. J. A. C. Oüdemans, president, 
dr. C. L. van der Burg, dr. N. J. Hoorweg, A. A. Backer 
Overbeek, H. J. Hardeman, J. Heringa , secretaris , alsmede 
het gewone lid G. K. Timmer. Van de heeren Janssen van 
Raaij en Becking is kennisgave bekomen, dat zij verhinderd 
zijn de vergadering bij te wonen. 

I. Worden ter tafel gebracht. 

1. Een fleschje met een weinig van de stof, uit den zoo- 
genaamden bloedregen afgezonderd, waarvan in de vorige ver- 
gadering sprake was, en sedert ontvangen van den heer Vor- 
derman. De voorzitter deelt mede , dat hij onder het mikroskoop 
dezelfde vormen heeft onderscheiden als de heer Vorderman en 
ook in elk celvormig bolletje een soort van kern gevonden heeft. 
De daarbij gebruikte vergrooting was 600maal en daarmede de- 
den zich de korreltjes juist zoo voor , als de teekening van den 
heer Vorderman aangeeft. De heer Backer Overbeek geeft zijn 
wensch te kennen , dat hem een gedeelte der stof voor chemisch 
onderzoek worde afgestaan. 

Wordt besloten van dit aanbod gebruik te maken, en om 
ook het lid dr. Scheffer te Btiilenzorg, met toezending van hel 
overige gedeelte te verzoeken , de stof botanisch te willen onder- 
zoeken. 

2. De gouvernements-renvooien no. 4419, 4420, 4421, 4424, 
4628 en 6058, allen ten geleide van berichten omtrent aard- 
bevingen. 



218 

Wordt besloten deze in handen te stellen van het lid dr. 
Bergsma. 

3. Nog is van het gouvernement ter plaatsing in het Tijd- 
schrift ontvangen, het verslag der gouvernements-kinakultuur 
met bijlagen over 1873. 

4. Van de ingekomen boeken wordt bijzonder vermeld de 
eerste aflevering van : Repertorium op de koloniale litteratuur 
of systematische inhouds-opgaaf van hetgeen voorkomt over 
de koloniën (beoosten de kaap) in mengelwerken en tijdschriften 
van 1595 tot 1865, uitgegeven in Nederland en zijne overzee- 
sche bezittingen door J. C. Hooijkaas, ter perse bezorgd door 
dr. W. N. du Rieu, Amsterdam 1874, l e stuk 8°, present exem- 
plaar van mevr. de wed. Hooijkaas. 

Wordt besloten HEd. voor dit belangrijk geschenk den dank 
der Vereeniging te betuigen. 

II. De heer Backer Overbeek stelt voor den dag van de 
bestuursvergadering van den 5 en Zaturdag op den 3 en Vrijdag 
van elke maand te stellen. Daar geen der aanwezige leden 
hier tegen bedenkingen heeft, wordt besloten, bij circulaire, 
genoemde wijziging ook aan de afwezige directie leden voor 
te stellen. 

III. Tot gewone leden worden benoemd de heeren: 

F. L. Geerling, 

S. Verburgh, 

P. Scheltema Beduin, 

mr. J. J. C. Gaijmans, 

A. Mijer Pz. en 

E. C. C. Boutmij. 

IV. Lijst der ingekomen boekwerken. 
Aangekocht : 

1. Comptes rendus de 1'académie des sciences T. LXXVIII 
no. 1—7. Paris 1874. 4°. 

2. J. C. Poggendorff's. Annalen der Physik und Chemie 
Band CL stück 3 en 4 1873 no. 11 en 12. Leipzig 1875. 8°. 



219 

3. Annales de chemie el de physique par Ghevreul, etc 5 e 
serie T. I er , Février et Mars 1874. Paris 1874. 8°. 

Al geschenken deels in ruil. 

4. Monatsherichl der kon. preuss. Akademie der Wissenschaf- 
ten zu Berlin. Dec. 1873. — Berliu 1874. 8°. 

5. Tijdschrift van het indisch landbouvv-genootschap 4 e Jaarg. 
no. 5. Samarang 1874. 8°. 

6. J. C. Hooijkaas. Repertorium op de koloniale littera- 
tuur, of systematische inhoudsopgaaf van helgeen voorkomt 
over de koloniën (heoosten de kaap) in mengelwerken en tijd- 
schriften van 1595 tot 1865 uitgegeven in Nederland en zijne 
overzeesche bezittingen. Ter perse bezorgd door dr. W. N. 
du Rieu l e stuk. Amsterdam 1874. 8°. 



Bestuursvergadering gehouden op Vrijdag den 15 den 

Mei 1874. 

Tegenwoordig de heeren : dr. J. A. C. Oudemans, president, 
P. van Di.ik en J. Heringa secretaris. Van de heeren B. C. 
J. H. Becking en A. A. Backer Overreek is bericht ontvangen, 
dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen. 

I. Worden ter tafel gebracht. 

1. Een brief van het bestuur van het tweede Indisch Land- 
bouw-Congres dd. 2 Mei 1874 , houdende herinnering aan zijne 
uitnoodiging lol medewerking aan dal congres. 

Wordt besloten aan het congres-bestuur te antwoorden, dal 
bij het bestaan van meerdere ligchamen in Ncderl. Indië, die 
de bijzondere bevordering van landbouw ten doel hebben, het 
minder in de richting der Natuurkundige Vereeniging ligt aan 
dat vak hare bijzondere aandacht te wijden, te meer nu, omdal 
zij tegenwoordig geene landbouw specialiteiten onder hare di- 
rectie-leden telt. 

2. Een brief van V. te S. over luchtscheepvaart. 



220 

Wordt besloten aan V. te S. te antwoorden, dat op nadere 
mededeelingen onder geheimhouding, zoo mogelijk het gevraagde 
advies zal worden verleend. 

5. Eene missive van bet hoofd-bestuur van het Indisch land- 
bouw genootschap houdende dankbetuiging voor het toegezon- 
den exemplaar onzer werken, en nitnoodiging om gezamenlijk 
tot het gouvernement het verzoek te richten, om op Java een 
landbouw-wetenschappelijk proefstation tot stand te willen 
brengen. 

Wordt besloten den brief te zenden aan het lid K. F. Holle 
te Waspade, met verzoek zijne gedachte daarover te willen 
mededeelen. 

4. Eene missive dd. 6 Mei jl. van het lid J. B. Nagelvoort 
aanbiedende de vertaling eener necrologie van den mineraloog 
Gustav. Rosé, uit Poggendorff's Annalen, no. 12, 1875. 

Wordt besloten dit stuk overeenkomstig den wensch des in- 
zenders in het tijdschrift op te nemen. 

5. Gouvernementsrenvooien nos. 2057, 6014, 6184, 6185, 
6515 en 6419 anno 1874 allen ten geleide van aard en zee- 
bevingsberichten. 

Wordt besloten deze bescheiden in handen te stellen van het 
lid dr. P. A. Bergsma. 

II. De voorzitter deelt mede het overlijden van den beroem- 
den sterrekundige P. A. Hansen te Gotha , de vervaardiger vai 
de «tables de la 111116" en voegt er eene mondelinge mededeeling 
bij omtrent zijne verdiensten op het gebied van sterrekund( 
en geodesie. 

III. De secretaris biedt aan: 
Namens het lid J. W. van Hattum. 

a. eetbare aarde uit de nabijheid van Padang-Sidempoeai 
die roodachtig graauw gekleurd is en daar ter plaatse, vooral 
door vrouwen gegeten wordt van 't begin tot eenigen tijd n< 
de zwangerschap. 

b. gesublimeerde zwavel op steenen afgezet, afkomstig vai 
Ce zwavelvelden van Arriens bij Sigompoelan (Toba-landen^ 



JStMl 

in de noordelijke residentie van het Gouvernement Sumatra's 
Westkust. 

c. twee üesschen met slijkwater afkomstig uit den slijk- 
vulkaan aan de helling van het Boa-boali-gebergte nabij Padang 
Sidempoean ; in Maart of April jl. door toezender zelven aldaar 
verzameld. 

De eetbare aarde wordt even als de zwavel voor 't museum 
bestemd, terwijl de secretaris op voorstel van den beer van 
Dijk beloofd, bij den heer van Hattum nadere berichten te 
zullen inwinnen omtrent de ligging der vindplaats en de wijze van 
voorkomen van het mineraal. Het slijkwater zal den heer 
Backer Overbeek in handen worden gesteld , met verzoek het 
scheikundig te onderzoeken en van de uitkomst te berichten. 

Van den heer G. P. H. H. Gonggrijp is ontvangen en fleschje 
inhoudende : 

a. eene groote aardspin, bij de inlanders genaamd Katèl 
of Lantjet, die een hol maakt met een ingang van ± twee 
centimeters middellijn. 

b. een klein vliegend insect met doorschijnende vleugelschil- 
den , hetwelk uiterlijk volgens den inzender het voorkomen van 
een kleine schildpad heeft; een blad van de klimplant, waar- 
mede het zich voedt, is er bijgevoegd. 

c. een cocon uit stukjes van een rozenboom zamengesteld, 
Wordt besloten deze naturaliën in handen te stellen van dr. 

C. de Gavere om eventueel in het museum te worden ge- 
plaatst. 

V. Van het lid dr. P. A. Bergsma is ten geschenke voor de 
bibliotheek ontvangen; Berzelius Jahresbericht, de 12 eerste jaar- 
gangen en Dl. 1, 2 en 3, van de seheikundige onderzoekingen 
van G. J. Mulder. 

Besloten daarvoor den dank der Vereeniging te betuigen. 

VI. Eene opgave van onkosten voor de verzending van dl. 
XXXIII van het tijdschrift der Vereeniging naar Nederland van 
de factorij der Nederlandsche handelmaatschappij ontvangen, 



222 

zal gesteld worden in handen van den thesaurier om het noo- 
dige te verrichten. 

VII. Door den secretaris wordt medegedeeld dat door de 
leden der directie op de circulaire, houdende voorstel verandering 
van den dag der vergadering, geen bedeukingen zijn gesteld, 
waarom wordt hesloten dat voortaan de dag der vergadering zal 
zijn de derde Vrijdag van iedere maand. 

VIII. Tot leden der Vereeniging worden benoemd de heeren : 
K. Broes van Dort en G. P. H. H. Gonggrijp heiden te Batavia. 

IX. Lijst der ingekomen boekwerken. 
Aangekocht : 

1. Comptes rendus de 1'académie des sciences T. LXXVIII 
no. 8—12. Paris 1874. 4°. 

2. Poggendorff's Annalen der Physik und Chemie Band 
CLI stück 1 u 2 (1874 no. 1, 2). Leipzig. 8°. 

5. Troschel's Archiv für Naturgeschichte Jahrg. 58. Heft. 
4 u 5. Berlin 1872 u 1875. 8°. 
Als geschenken, deels in ruil. 

4. Monats bericht der kon. preuss. Akademie der Wissen- 
schaften, Januar. 1874. Berlin. 8°. 

5. Vierteljahrschrift der Naturforschenden Gesellschaft in 
Zürich, 16 u 17 Jahrg. Zürich 1871 u 1872. 8°. 

6. Tijdschrift van het koninklijk instituut van ingenieurs 
1872-75 afl. 5 en 1875-74 afl. 1, 's Gravenhage 1875. 8. 

7. Tijdschrift voor Nijverheid en Landbouw in Nederlandsen 
Indie. Dl. XIX afl. 2. Batavia 1874. 8°. 

8. Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde uit- 
gegeven door het Bataviaasch genootschap van K. en W. Dl. 
XXI afl. 5. Batavia 1874. 8°. 

9. Tijdschrift van het indisch landbouw-genootschap 4 e Jaarg. 
no. 4. Samarang 1874. 8°. 

10. Dr. A. B. Meijer. Uebersicht der mir auf Neu-Guinea 
und den Insein Jobi, Mysore und Mafoor in Jahre 1875 ge- 
sammelten Amphibien (Ausz. aus dem Monatsbericht der kgl. 



Akademie der Wissenschaften zu Berlin (sitzung vom 12 Febr. 
1874. Geschenk van den schrijver. 

11. G. J. Mulder. Scheikundige onderzoekingen gedaan in 
het laboratorium der Utrechtsche hoogeschooi l e , 2 e en 5 e deel. 
Rotterdam 1842, 1845 en 1846. 5 deelen. 8°. 

12. Jahres-Bericht uber die Fortschritte der physischen 
Wissenschaften von Jacob Berzelius. Aus dem Schwedischen iïber- 
selzt von C. G. Gmelin, verfolgt von F. Wöhler. l e — 15' Jahr- 
gang. Tübingen 1822 — 54. Tien handen in 8°. De heide 
laatste nummers geschenk van Dr. Py A. Bergsma. 



VERSLAG 

EENER 

BOTANISCHE REIS 

NAAR 

Bangka, Riouw en Liengga 

van 10 Mei tot en met 9 December 1872, 

DOOR 

DEN INSPECTEUR HONORAIR DER KULTURES 
J. E. TEYSÏWAIOL 



Bij besluit van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en 
Nijverheid van 19 Januari 1872 No. 554, werd ik gemagtigd 
mijne dienstreizen voort te zetten op bet eiland Bangka, om 
daarna den Biouw-arcbipel en de Oostkust van Sumalra te 
bezoeken. Aan dit laatste is, wegens de tijdsomstandigheden 
van oorlog en gebrek aan vaartuigen geen gevolg kunnen ge- 
geven worden. 

Den lOden Mei vertrok ik daartoe van Buitenzorg naar Batavia, 
om den 13den daaraanvolgende met de mailboot, Minister van 
Staat Rocbussen, naar Muntok te vertrekken, waar wij den 
14den des avonds 5 U aankwamen. Hier aan wal gaande, genoot 
ik bij den resident van CaUenlntrch de meest mogelijke gast- 
vrijheid. 

22 Mei naar Paja Raja vertrokken, kwam ik daar, na een 
nachtverblijf te Trentang, den 23sten des avonds aan. Den 26sten 

deel xxxiv. 45 



226 

arriveerde daar ook de heer Toorop, Administrateur van Soen- 
gei Liat, met de heer Weber, Elève bij de tin mijnen. 

27 Mei bezochten wij te zamen <h environs van Bakem ter 
opsporing van eene gelegenheid om het water uit de rivier 
Têlang , op de grens met Marawang , zoo mogelijk op de hooger 
gelegene vlaktens te kunnen brengen. 

Deze tocht leidde echter wegens de ondoordringbare »bloe- 
kar's" en het gemis aan meet-instrnmenten, tot geen resultaat- 
Wij kwamen toen tot het besluit, voorstellen te doen tot op- 
damming van den groolen weg van het riviertje Têrap, ge- 
legen in de nabijheid van kampong Bakent; waarmede wij 
vermeenden, minstens voor een klein gedeelte, ons oogmerk 
te kunnen bereiken, om namelijk het water zoo hoog op te 
voeren dat daarmede de hoogere drooge gronden konden be- 
sproeid en tot sawah's aangelegd worden. Dit voorstel stuitte 
echter af op het advies van den Resident van Bangka. 

Na gedurende eenige dagen de werkzaamheden aan de sawah's 
te Paja Raja te hebben gadegeslagen en mijne aanmerkingen 
aan den heer von Baumhauer , die met de uitvoering van het 
werk belast is, te hebben medegedeeld en daarover aan den 
Directeur van Binnenlandsch Bestuur te hebben gerapporteerd, 
vertrok ik den 6 den Juni naar Pangkal Pinang; 10 Juni over 
Marawang naar Soengei Liat; 13 Juni naar Blienjoe; 17 Juni 
naar Djeboes en 19 Juni naar Muntok. 

Op deze reis verzamelde ik nog eenige planten en vernam 
ik ook dat de weinige sawahvelden die te Loemoet in het 
Blinjoesche en te Djeboes aanwezig zijn , bijzonder goed ge- 
slaagd waren. 

Van Muntok uit bezocht ik ook nu weder de interessante 
streek hij Batoe Balai, waar eene groote verscheidenheid van 
gewassen gevonden wordt, waaronder een geheel bosch van 
„Quercus" of eikensoorten. Ik oogstte daar nog eenige gewenschte 
planten die , met hetgeen ik op reis verzameld had, in 2 kisten 
naar 's Lands plantentuin te Buitenzorg werden verzonden. 

25 Juni arriveerde des avonds 6 U de mailboot William Mac- 



227 

kinnon, waarmede ik naar Riouw vertrok, waar wij den vol- 
genden avond 8 U ter reede kwamen. Om 1Ö U had ik voel aan 
wal gezet, — de boot blijft op bijna l u roeiens van de hoofd- 
plaats Tandjong Pinang, ten anker - en ik werd door den 
Resident Schi//' zeer hartelijk ontvangen en gehuisvest. 

De eerste dagen van mijn verblijf te Tandjong Pinang, — 
gewoonlijk Riouw genaamd — en ook later, toen er geene 
gelegenheid was om andere eilanden te bezoeken , daar alle 
zeewaardige vaartuigen naar Déli waren vertrokken, kon ik de 
ver afgelegene eilanden niet bezoeken , wijl de zee tusschen 
die eilanden, soms zeer onstuimig is. De Resident kon mij, 
met den besten wil , daarin niet behulpzaam zijn en ik maakte 
daarom in dien tijd eenige wandelingen in de environs tot 
op eenige palen afstand van de hoofdplaats, waartoe vrij goede 
breede wegen bestaan, die men zelfs meestal te paard kan 
passeeren. Hoe schraal en verwaarloosd : uitgekapt, de vegeta- 
tie er meestal ook uitziet, vond ik toch nog menige mij wel- 
kome plant. De flora van dit eiland moet, even als de mees- 
ten van dezen archipel , vroeger zeer rijk zijn geweest , zoo- 
als nog blijkt uit de weinige overgeblevene oorspronkelijke 
bosschen (Oerwalder) en zelfs uit de zich langzamerhand her- 
stellende bloekar's waarin thans nog voorheerschende zijn : 
Rhedomyrtus tomentosa (Karamoentieng) . en Adinandra glabra 
(Tioep-tioep). 

De bodem van Tandjong Pinang, ziet er, vooral op de wegen, 
waar humus en aarde is weggespoeld en niets dan grint 
(roode tjzerhoudende steentjes), zijn achter gebleven , vrij schraal 
uit: ook de «bloekar's" hebben weinig vruchtbare aarde, wijl 
die tijdens ze de Gambierkultuur hebben doorgestaan , veel van 
hunne vruchtbare oppervlakte hebben verloren. 

Het verweerde ijzerhoudende gesteente, dat in eene geele 
klei overgaat, is niet onvruchtbaar, maar daar de bodem niet 
bewerkt wordt en men enkel uit de bovenste verweerde laag, 
die met een weinig humus bedekt is , pul , zijn de gronden 
spoedig uitgeteeld. 



228 

Den Uden Juli maakte ik, in gezelschap van den kontroleur 
Halewijn van 6 tot 12 u eene wandeling op het tegen overlig- 
gende eiland Senggarang. Per prauw komt men, na een kwart- 
uur varens in de kampong der Canton-chinezen , welke geheel 
in zee doch langs den vasten wal gehouwd is. Uit de prauw 
stappende klimt men op eene hrug, van latten op palen te 
zamengesteld , en wandelt daarover als door eene straat met 
lange reien huizen aan beide zijden , tot men aan den vasten 
wal stappende eerst gerust zijne voeten aan den bodem mag 
toevertrouwen, hetgeen op de brug hijlangena niet het geval 
is; men moet daar steeds toezien om niet tusschen de latten 
door te trappen. 

Dit eiland is voor het grootste gedeelte reeds door de gam- 
biercultuur uitgeteeld en van de weelderige bosschen beroofd, 
waarvoor schrale bloekar's, vooral van Adinandra, in de plaats 
zijn getreden, maar toch worden er nog eenige gambierplan- 
tages (ladangs), aangetroffen. Ik vond echter nog verscheidene 
zeer gewenschte planten, waaronder ook eene met vruchten 
beladene Quercus (sampenieng). 

16 Juli. In gezelschap van den resident Schiff en den kon- 
troleur Halewijn bezochten wij de steengroeven te Tandjong 
Gliga op de westpunt van het eiland Senggarang, die door 
chinezen bewerkt worden, waarvoor zij eene maandelijksche 
retributie van f 30 aan den Onderkoning betalen. 

De zeer harde zandsteen wordt laagsgewijze uitgebeiteld en 
tot verschillende voorwerpen met den beitel afgewerkt , slechts 
zelden gladgeslepen. 

Men maakt er vloersteenen van verschillende dimensiën, 
grafsteenen, pilaren, enz. van, al naar men verkiest te bestel- 
len. Bestellingen voor Sienggapoera en elders komen veel 
voor , en van den afval worden stukken in den vorm van bak- 
steenen, tot vervanging daarvan, vervaardigd. 

Deze groeven liggen aaneengeschakeld aan een met heesters 
en boomen begroeiden rotswand, in de onmiddelijke nabijheid 
van het strand en slechts weinig daarboven verheven , zoodat 



229 

het regenwater niet altijd kan afgeleid worden en men soms 
genoodzaakt is, dit water met kettingmolens (kintjé), — op Bangka 
plantjoor — die door voettrappen in beweging worden gebracht, 
weg te voeren. 

De chinesche werklieden verdienen daghuur en worden naar 
gelang hunner bekwaamheden betaald. 

Van daar staken wij over naar het eilandje Looz , vroeger 
door den toenmaligen Snltban afgestaan aan den resident Elout, 
die het weder aan het Rolterdamsch zendelinggenootschap over- 
hel. De Zendeling Wentink moet er ook gewoond hebben, 
doch later is het geheel verlaten en Ihans woest en onbewoond. 
De bodem is schraal; slechts enkele mangabooinen staan hier 
en daar verspreid , doch overigens ziet men slechts enkele wilde 
hoornen en struiken en een groot gedeelte is bedekt met va- 
renkruiden (Rèsam). Aan het strand vindt men ook Rhi- 
zophoren. 

27 Juli stelde de Resident ter mijner beschikking de prauw 
Moona van den konti oleur Halewijn , met 9 man opvarenden , 
en gaf mij tot geleide den Üatoe Stia Aboe Hassan, een aller- 
geschiktst Hoofd en beproefd zeeman, vroeger een schrik der 
zeeroovers, en die mij later ook meermalen vergezelde en vele 
goede diensten bewees. Om half acht vertrokken wij naar 
Poeloe Doempah , waar bij laagwater vele modderbanken bloot 
lagen , waarop hier en daar eene gewone grijze aap, Cercopithecus 
oynomolgus , in den modder zat te visschen. Wij gingen iets 
verder , aan een zandig strand , aan wal in een kleine djoe- 
koeng, daar de Moona wegens ondiepte niet tot het strand kon 
naderen. Dit strand was als gewoonlijk meestal met Rhizo- 
phoren (Bakouw) bezet, en waar dit niet het geval was en 
een zandig strand gevonden wordt, ziet men enkele visschers- 
h utlen. 

Meer binnenwaarts, op den meer verheven bodem, vindt men 
nog »Oerwalder" en ook gambier- en peperaanplantingen, welke 
laatsten hier prachtig stonden en met vruchten overladen wa- 
ren; met de gambier stond het niet zoo fraai. 



230 

Wij wandelen of liever kropen langs het strand door de 
struiken en over een golvend terrein met »0erwald" bedekt; 
eindelijk door hooge Alalang zonder weg, totdat wij in de 
gambiertuinen te land kwamen, Van daar terug naar het 
strand vonden wij een vrij goed voetpad. Met de kleine djoe- 
koeng sleepte men ons toen over de modder en rollende bran- 
ding, naar de Moona in dieper water, waarbij wij eenige 
golfjes binnen kregen en in onze zittende houding, doornat 
werden. 

Eene opkomende regenbui vergezeld van windvlagen, deed 
ons besluiten huiswaarts te keeren, waar wij om 5 u. des 
namiddags aankwamen. 

29 Juli, met den Resident, de kontroleur Halewijn en den 
Datoe Stia Aboe Hassan , per prauw Moona naar Riouw Lama, 
om de graven der vroegere Sullhan's, die in het binnenland, 
een half uur gaans van het strand, op het eiland Rientang 
gelegen zijn, te bezoeken. 

Aan het strand zijn nog de bouwvallen der vroegere kra- 
ton's te zien; zij zijn echter bijna geheel met de wortels van 
boomen en heesters en varenkruiden bedekt. In de nabijheid 
vindt men nog uitgebreide, doch verwilderde tuinen met vruchi- 
boomen, zooals; mauga's, mangies, ramboetan , mindaroh (eene 
soort lengkeng) bienjaai of kamang, roekem, rambai (grooter 
als menteng) tampoei (Hedycarpus Malayanus) em. 

De bodem is hier vruchtbaarder dan op Tandjong Pinang, 
loopt golvende op tot aan de graven en schijnt vroeger in kultuur 
te zijn geweest, wijl men er geene bosschen vindt, maar slechts 
jong opgaand hout en kleine boomen. Het terrein zou voor 
het teelen van padie op drooge velden en voor andere culturen 
zeer geschikt zijn, doch de weinige bevolking die hier nog 
gevestigd is , en meestal van de vischvangst leeft , trekt er 
geene andere partij van dan voor huisbouw en brandhout. 

De graven der sulthan's, werwaarls niet eens een geregeld 
voetpad loopt , liggen in twee naast elkander gelegen vierkante, 
met eene lage muur omgevene vakken en zagen er zeer ver- 



251 



waarloosd uit; het geheel was met gras en struiken bedekt, 
zoodat wij er niet eens den vrijen toegang toe hadden. 

Den oOsten Juli bezocht ik met den Datoe het zandige, vlakke 
eilandje Sórèh, waar niets dan kalapaboomeu groeijen, die 
slecht onderhouden worden, en, daar de bodem geheel met 
gras en kleine struiken begroeid is, zeer schraal staan. 

Tot hier en verder terug naar Poeloe Bassieng, hadden wij 
vrij holle zee, zoodat de Moona hevig stampte en wij zelfs 
water over den boeg en van ter zijde inkregen. 

Te Poeloe Bassieng is eene goede brug in zee om met de 
prauwen te kunnen aanleggen en landen. In de nabijheid staat 
ook een fraai sleenen huis, met pannen gedekt, van den On- 
derkoning van Riouw , die hier vroeger met zijne dames wel 
eens kwam logeeren , en het geheele eilandje in eenen tuin van 
kalapa- en andere vruchtboomen scheen herschapen te hebben. 

De sporen hiervan waren nog aanwezig, doch thans schijnt 
de pret er af te zijn, zoodat de Onderkoning er zelden meer 
komt en bijna het geheel in eene wildernis is herschapen. 

De bodem is heuvelachtig en bestaat meestal uit „kiïekiels" 
en ijzersteen, en toch groeijen nog vele kalapa- en mangaboo- 
men vrij goed op die plaatsen, waar de bodem eenigzins ge- 
zuiverd is. Het hoogere gedeelte is met wildhout, struikenen 
varens (Gleichenia's) geheel bedekt, waar tusschen soms nog een 
schrale kalapaboom komt uitkijken. 

1 Augustus. Met de prauw Moona, in gezelschap van den 
Datoe Stia Aboe Hassan , naar Bientang vertrokken en de koe- 
wala van Soengei Boekiet Batoe ingezeild. Voor die koewala 
of uitmonding in zee, ligt echter eene uitgebreide modderbank, 
door welke eene geul loopt die enkel den toegang tot de rivier 
veroorlooft; en daar het hoog water was, zoodat de modder- 
hauken niet zichtbaar waren, raakten wij daarop vast, doch 
kwamen spoedig weder in de geul teregt. Aan de monding 
slaan vele prapatboomen (Sonneratia acida) doch verder de 
rivier opwaarts meestal bakouw (Rhizophoren) njirie (Xylocarpus 
oboratus) enz. De rivier bevat zoutwater en is aanvankelijk 



252 

breed genoeg voor een paar schepen, doch slechts een paar 
vademen diep; verder op wordt ze ondieper en ten laatste zoo 
smal dat wij met de Moona niet verder konden, wijl de masten 
in het geboomte vastraakten. 

Wij zochten naar eene zijtak der rivier, die naar den 
voet van het Bientang gebergte voerde, en waren die reeds 
een goed eind voorbij gevaren, toen eene prauw ons terecht 
wees en wij rechtsomkeer maakten, den regten weg von- 
den , in eene kleine sampan overstapten en eindelijk , na door 
moerassen gewaad en eene steilte beklommen te hebben , in de 
zoogenaamde kampong Nojong, die slechts uit een tiental huis- 
jes bestond, aankwamen. Hier vonden wij echter geen logies, 
maar wel een in aanbouw zijnd klein huisje, van 10 voet breed 
en 20 voet lang, dat gelukkig reeds een dak bezat, maar 
waarin noch vloer noch wanden waren aangebracht. Daar het 
op palen stond was eene vloer onmisbaar en ook hierin werd 
voorzien door de reeds voorhanden zijnde planken; de wanden 
werden met kadjangmatten behangen, zoodat wij langzamer- 
hand meer op ons gemak kwamen. 

Er woont hier ook een zoogenaamd Anak Radja die tot de 
familie van den Onderkoning behoort en hier zoo wat het gezag 
voert. Deze man kwam eindelijk ook opdagen en bood ons 
zijne hulp aan; hij bezat daartoe echter weinig middelen, die 
wij trouwens ook missen konden, nu wij onder dak waren 
en wij onze eigene provisiën tot zelfs rijst, hadden medege- 
bracht. Het werd echter vrij laat eer onze rijst gaar was, 
zoodat de honger ons deerlijk plaagde. 

Aan den voet des bergs , waaraan wij ons bevonden 
komen kolossale rotsblokken aan den dag; sommigen zijn zelfs 
tot in de kampong voortgeslingerd , hoewel van vulcanisme 
hier geene sporen bestaan. Tusschen dit gesteente in groeien 
echter de kolossaalste boomen , die hier aan de steile helling 
gekapt en gedeeltelijk verbrand waren : de zware stammen 
lagen nog overal op hunne ontbinding te wachten , en waar 
tusschen men pisang- en andere cultuurplanten had aangeplant. 



255 



Verder langs den voet van het gebergte, is het land viak 
golvend en soms zelfs moerassig; daarop vindt men uitgestrekte 
boomgaarden , die in vroegeren tijd met verschillende soorten 
van vruchtboomen zijn beplant. Aan deze aanplantingen wordt 
echter door de nakomelingen niets gedaan, behalve dat zij in 
den vruchtentijd, daarin een hutje opslaan om tegen de apen 
en andere roovers te waken en de vruchten te oogsten. Instede 
van in dien tijd de tuinen te zuiveren en de ledige ruimte met 
jong plantsoen aan te vullen, liggen zij liever dag en nacht 
in die hutten het »dolee far niente" in praktijk te brengen. 

Onder de vruchtboomen komen de volgende soorten voor , 
waarvan eenigen op Java onbekend zijn : zooals : 



Bedaroh 


Nephelium 


eriopetalnm. 


Kedompah 


» 


sp. 


Kambai 


Pierardia 


sp. 


Doekoe banang 


Hedycarpus 


sp. 


Tampea 


» 


sp. 


Sentrang 


Artocarpus 


sp. 


Klèdang 


» 


sp. 


Tampang 


» 


sp. 


Voorts de volgende bekende soorten 




Ramboetan 


Nephelium 


lappaceum. 


Poelasan 


» 


mutabile. 


Doekoe 


Lausium 


domesticum. 


Tjampedak 


Artocarpus 


polyphema. 


Nangka 


» 


integrifolia. 


Mangies 


Ga rein ia 


magostana. 


Doerian 


Dnrio Zibet 


hinus. 


Klampai 


Elateriosper 


mum ïapos. 


Manga 


Marigifera 


diverse. 


Bienjaai 


» 


kamanga. 


Kranjie 


Dialium 


indum 


Roekem 


Flacourtia 


div. 


Sentoel 


Sandoricum 


iridicum. 


Katjapie 


n 


nervosum. 



234 

Pisang Musa div. 

Petei Parkia speciosa. 

Djerieng Pithecolobium Lobatum. 

Kalapa Cocos nucifera. 

Kaboeng Arenga saccharifera. 

Pinang Areca catechu. 

Den 2den Augustus beklommen wij den zoo zeer gevreesden 
berg van Bienlang, die bij de inlanders in een zeer kwaden 
reuk slaat en zelden door een hunner beklommen wordt, dewijl 
men niet alleen gelooft dat er vele booze geesten wonen, maar 
dat het beklimmen ook te groote krachtsinspanning vereischt. 
N.B. het hoogste punt wordt op niet hooger dan 1340 v geschat. 
Niettegenstaande wij dikwijls stilgestaan hadden om uit te 
rusten, hadden wij toch na ruim een uur den top bereikt; wij 
waren om half zeven vertrokken en waren, na ons eenigen tijd 
boven te hebben opgehouden, om 10 uur reeds weder te huis 
in de kampong. De weg was in den beginne allerinfaamst, 
daar het voormalige pad , door het omkappen van het bosch, 
geheel versperd was , en wij over de zware stammen en groote 
rotsblokken moesten heenklouteren , totdat wij in het onge- 
schonden woud een redelijk voetpad vonden. Dit voetpad 
was echter zeer steil en glibberig, zoo dat wij soms tegen de 
overal uitstekende rotsen moesten opklimmen ; waar geene 
rotsen aan den dag kwamen en eene geele klei voorkwam, 
was het iets minder steil , maar ook meer glibberig. 

Hoewel de geheele berg als uit eene rotsmassa schijnt te- 
bestaan, is hij toch geheel met een digt woud bedekt, waar 
onder kolossale stammen van minstens 100 v hoog en 5 V in 
diameter, waarvan de meesten van de beste en deugdzaamste 
houtsoorten zooals Balouw, Marantie, Seraja , Medangsirai, 
Bnngkas enz., waarvan wegens de schaarsche bevolking zelden 
gebruik wordt gemaakt. Waar men beneden tuinen aanlegt, wor- 
den de prachtigste stammen een prooi der vlammen, of blijven, 
even als de hooger voorkomende, die van ouderdom afsterven 
en neerstorten , liggen , tot dat ze tot ontbinding overgaan. 



255 

Het bosch is beneden verder opgevuld met jong plantsoen, 
kreupelhout en rolansoorlen , zoodal men daarin moeielijk kan 
doordringen. 

Hel uitzicht van den top, ol' liever hoogste rug, was naar 
de zuidzijde tot het, eiland Penjiengat en daaromtrent geheel 
open en meerdere eilandjes waren in 'I gezicht. Ook in het 
oosten was de zee zichtbaar, maar ten westen en hoorden 
bedekt door den neventop des bergs en de lagere in kuituur 
zijnde gronden, met gambier en peper, waarvan velen reeds 
uitgeput en met jonge bloekar begroeid waren. 

Wij trachten ook nog den tweeden top des bergs te bereiken 
doch vonden zulks ondoenlijk, wegens de daar tusschen lig- 
gende diepe kloof, waarvan de wanden bijna loodrecht af- 
daalden. 

Van de berggeesten hebben wij geen overlast gehad en ons 
is ook geenerlei onheil overkomen. Vele bewoners der kam- 
pong Nojoug, waaronder zelfs de Radja en een zestal aanko- 
mende jongens, vergezelden ons tot boveu toe; het klimmen 
en dalen scheen hun niets moeielijk en tegen de geesten waan- 
den zij zeker, door ons beschut te zijn. 

Mijn oogst aan planten was niet zeer rijk, daar ik juist 
van de meest interessantste hooge boomeu , niets dan jong 
plantsoen kon magtig worden; verder verkreeg ik slechts en- 
kele vruchten en takjes, die de apen en eekhorentjes wel 
naar beneden hadden willen laten vallen. 

Was het beklimmen, wegens de doorgaande steilte, zeer 
vermoeiend geweest . zoodat wij dikwijls moesten stilstaan om 
onze longen te restaureeren , het afdalen was dit niet minder, 
hoewel in eenen anderen zin , daar het hier nfeer op de been- 
spieren aankomt, hetgeen wij den volgenden dag nog zeer 
goed bemerkten. Men moet daarbij steeds op zijne hoede zijn, 
waar men den voet zetten zal , hetzij op een steen , boom- 
wortel of glad - hellend vlak, om niet te struikelen of uit te 
glijden. Is de bodem glibberig dan is het beste, zijne hielen 
daarin te slaan, doch wegens de helling staal het ligchaam 



236 

niet loodrecht, maar moet door de knieën in evenwicht ge- 
houden worden; dit is de oorzaak der sterke inspanning van 
de spieren. Des namiddags maakten wij nog eene goede wan- 
deling door de vruchttuinen, waarin hier en daar enkele hutten 
van de lijdelijke bewoners gevonden worden. Deze laatsten 
trekken na den oogst der vruchten naar hunne respectieve 
kampongs te Tandjong Pinang, Penjiengat, enz. terug en la- 
ten verder alles aan zijn lot over. Die tuinen zijn dan ook 
allen erfenissen hunner voorouders, waarschijnlijk in den, voor 
hun, goeden ouden tijd van zeerooverij, door slaven bewerkt. 

Door al die aaneengeschakelde tuinen , die aan den voet van 
den Bientangberg , in eenen vruchtbaren , uit geele klei en hu- 
mus bestaanden bodem, in eene golvende vallei gelegen zijn, 
loopt slechts een modderig voetpad, dat enkel door het betre- 
den der belanghebbenden wordt in stand gehouden , maar waar- 
aan nooit handenarbeid besteed wordt. Onder het geboomte 
vindt men gras in overvloed, vermengd met wilde heesters en 
struiken; zeer weinigen geven zich de moeite om tijdens hun 
aanzijn ter plaatse de wilde vegetatie een weinig weg te kap- 
pen, hetgeen dan nog op eene zeer ruwe wijze geschiedt. De 
oogst der vruchten duurt gewoonlijk een paar maanden. Ner- 
gens elders zag ik zulke kolossale vrnchtboomen als hier, vooral 
de mangies hadden eene buitengewone hoogte en omvang. 

Ik vond in die streek eene daar veelvoudig voorkomende 
plant, die de Soendanezen met den naam van »krastoelang" be- 
stempelen (Chlorauthus), welker wortels bij wijze van thee 
afgetrokken worden. 

Deze drank bezorgt hun eene aangename transpiratie en 
verricht misschien nog andere functien. Ik maakte mijn reis- 
gezel den Datoe, daarop opmerkzaam, waarop hij onmiddelijk 
eenige planten daarvan liet uitgraven en inedenam. Nader 
vernam ik van hem dat hij die beproefd had en er zich zoo 
(lekker) aangenaam bij bevonden had, dat hij besloot er meer 
van te laten halen. Dit wonder verspreidde zich spoedig, tot 
zelfs bij den Sulthan van Liengga , Riouw en onderhoorigheden, 



237 

en waar wij ook botaniseerden, werd overal die plant gezocht, 
doch vruchteloos, want nergens vonden wij hem terug; totdat 
ik op Liengga eeiie nieuwe soort van dat geslacht ontdekte, 
die almede dezelfde wondervolle kracht scheen te hebben. Alle 
voorname lieden trachtten er hun aandeel van te bekomen. 

7> Augustus. Reeds vroegtijdig verlieten wij de kampong No- 
jong om ons weder op de Moona te gaan inschepen en de reis, 
de rivier opwaarts , te vervolgen. Toen wij echter bij onze 
kleine sampan kwamen, lag het riviertje geheel droog, zoodat 
wij daar een paar uur op den doorkomenden vloed moesten 
wachten, en om 10 u waren wij weder aan boord der Moona, 
waarmede wij nu de rivier verder oproeiden tot aan Boeide t- 
batoe, w r aar zich voor het eerst op de rivier, een heuvelachtig 
terrein voordoet. Tot dus verre hadden wij rechts en links 
niets dan moerassen, met rhizophoren en andere strandvege- 
tatie bezet , gezien ; wij stapten hier aan wal en beklommen 
de hoogte tot aan de plaats , waar zich zes goed onderhoudene 
graven der voormalige Radja's dezer streken bevonden. 

Alle zijn , op een na die slechts ruwe steenen bezat , door 
twee goed bewerkte steenen aangeduid, er waren geene jaar- 
tallen of andere inscripties op te vinden, dan op een er van 
waarop eene spreuk uit den koran voorkwam. Een oud man, 
die daaromtrent aan de rivier woonde en daar een vruchten- 
tuin had aangelegd, was met de bewaking dezer graven belast. 

Wij voeren daarna de rivier verder op tot aan eene aan de 
rivier gelegene inlandsche woning , van waar een voetpad naar 
het binnenland leidde; wij volgden dit voetpad en kwamen 
toen spoedig in eene bewoonde streek aan , veel overeenkomst 
hebbende met die , welke wij des morgens te Nojong verlaten 
badden. Een der hewoners geleidde ons over een smal voet- 
pad, van de eene kampong, soms slechts een enkel huis, naar 
de andere , totdat wij eindelijk weder te Boekiet-batoe aankwa- 
men en over een ander voetpad naar de Moona terugkeerden, 
om daarop te vernachten. Deze vlakte en de lage gronden, waar- 
op mede een aaneengeschakelde boomgaard voorkwam , zijn 



258 

van zeer goede en vruchtbare hoedanigheid , doch worden even- 
zoo verwaarloosd als die -van Nojong. Op weinige uitzonderin- 
gen na , kwamen hier ook dezelfde vruchlboonien voor. 

Rundvee, karbouwen en paarden zouden hier overvloedig 
voedsel vinden en de velden helpen zuiveren , doch noch van 
het een, noch van het ander is hier sprake. Van verscheu- 
rende dieren heeft men , behalve van den kaaiman , niets te 
duchten ; doch de Maleijers vergenoegen zich mei de vischvangst 
eu zeer weinig landbouw , bestaande in het kweeken van sui- 
kerriet , cassave, obie's, kladie, mais, laboe, ijabé, pisang. 

4 Augustus. Daar de Moona met zijne hooge masten niet 
verder kon , wegens de overhangende takken der nog altijd 
voorheerschende rhizophoren , gingen wij in eene kleine sam- 
pan over, roeiden daarmede + een half uur verder en landden 
toen in eene moerassige streek, om op een afstand van ruim 
3 palen een paar gambier» en pepertuinen te bezoeken , wer- 
waarts een ellendig voetpad leidl. Dit voetpad was nu eens 
met hoog gras en alalang (alang-alang) digi begroeid, dan weder 
door bosschen bedekt. De wortels der boomen en de omge- 
vallen boomstammen be moeiel ij kt en de wandeling zeer, behalve 
nog, dat op de opene plaatsen der voormalige gambier tuinen , 
die nu nog slechts met jong hout bezet waren , de zonnestralen 
loodrecht op ons afdaalden. 

Na het verlaten onzer sampan , zagen wij tot onze groote 
verwondering, een paar mensehen, wel 100 voeten boog, over 
de wijduitstaaude takken van een wilden vijgenboom, die juist 
rijpe vruchten droeg , wandelen , even of zij tot de vierhandige 
zoogdieren behoorden, daarbij vrolijk zingende: zij waren daar- 
bij gewapend met een aan een touwtje hangenden koker met 
vogellijm en een langen stok aan welks einde een kwastje ge- 
bonden was, dal in de lijm gedoopt werd en waarmede alle 
takken bestreken werden , waarop de wilde duiven (poenai en 
pergam) gewoon zijn neer te strijken , om zich met de rijpe 
vruchten te voeden. Den volgenden dag wachten zij geduldig 
onder dien boom de komst der vogels af, die met de lijm 



259 

in aanraking komende en daarmede besmet, naar beneden stor- 
ten , zoodat zij ze slechls op Ie rapen hebben. Op die wijze 
worden vele vogels gevangen. 

Na de alalang en grasvlakten doorgeworsteld te zijn , kwa- 
men wij in een fraai boscb met kolossale boomstammen en in 
afdalende boogte en dikte tot beesters en planten , waarmede 
bet ondoordringbaar bezet was. Aan de heesters die veelal 
met mos bezet waren, vond ik ook eene menigte kleine orcbi- 
deën in verschillende soorten. Jammer dat dergelijke bosscben 
bestemd zijn omgekapt en verbrand te worden ten dienste der 
gambiercultnur. 

Eindelijk bereikten wij de eerste ladang (plantage), waar wij 
prachtige peper- en gambiertuinen vonden even als op de tweede. 
Op deze laatste woonde een Chineesche mandoor-kampong , die 
enkel voor de eer — ofschoon hij liever even als vroeger beta- 
ling zou genieten — onder do omliggende ladang-bevolking, die 
op wel 2000 chinezen geschat wordt, de politie vertegenwoordigt. 

Na den middag kwamen wij , met goeden eetlust op de 
Moona terug , zakten daarna de rivier w r eder af en tegen den 
avond waren wij tot aan de koewala genaderd , alwaar wij 
ankerden en den nacht doorbrachten. 

5 Augustus. Des morgens lagen wij in de geul in de mod- 
der gezakt, doch daar de vloed spoedig opkwam, geraakten 
wij weldra in open water. De modderbanken waren nu goed 
zichtbaar en strekken zich langs de kusten wijd en zijd uit. 
Slechts eene kampong is aan den vasten wal zichtbaar. Op 
die modderbanken zijn vele keilong (seroh's) opgelicht, die men 
tijdens de eb gaat ledigen , doch wijl het niet mogelijk is er 
met een praauwtje te komen of over de modder te loopen, 
bezigen zij een plankje van ± een voet breed en 4 voet lang, 
zetten voorop hun vischmand, waarop zij met de handen, in 
voorovergebogene houding en van een schepnetje voorzien, 
rusten en er met een voet achteropstaan , terwijl zij met den 
anderen voet, door met de teenen tegen de modder te trap- 
pen , de slede in beweging brengen ; deze slede glijdt nu zeer 



240 

snel over de modder voort. Deze inrichting heeft wel iets van 
eene prikslede op het ijs. Wanneer zij de voeten verwisselen 
om ieder op zijne beurt dienst te doen, dan geschiedt dit sprin- 
gende, zonder de beide voeten te gelijk op het plankje te laten 
rusten. Er behoort zeker veel behendigheid toe om het even- 
wigt te bewaren , want omvallende zouden zij veel moeite heb- 
ben om uit de weeke modder te geraken. 

Wij zetleden nu den koers naar het eilandje Pengoedjan, 
waar zich een heilig graf van »orang dolo-dolo" bevindt, be- 
staande in een muur van 40 v lang, 14 v breed en ruim 4 V hoog 
met 2 trappen om over den muur op en af te klimmen. Daarin 
ligt de heilige begraven , die volgens aanwijzing der hoofd- en 
voetsteenen, na zijn dood, tot 56 v lengte zou uitgedijd zijn. 
Deze plaats is zoo heilig dat nog onlangs de Onderkoning van 
Riouw, om onheil af te weeren, met ± 500 man ter bede- 
vaart derwaarts geweest is, bij welke gelegenheid zelfs een 
karbouw geofferd werd, en braaf gesmuld is. 

Een groot gedeelte van dit eiland bestaat uit duinzand, waarop 
eene groote verscheidenheid van duinvegetatie, meestal gelijk 
aan die , welke op Rangka op dergelijke gronden voorkomt, ge- 
vonden wordt. Het strand bestaat ook uit zand. Aan de Z. 
W. punt is een kampong, die zich door vele kalapaboomen 
onderscheidt. Aan de tegenovergestelde zijde was nog hoog 
geboomte zichtbaar. 

Met roeien en zeilen geraakten wij door straat Bientang tot 
aan de koewala Roetjoh bij de kampong Tandjong Njiroep, 
waar wij een paar inlandsche woningen aan het strand vonden. 

Des namiddags 5 U gingen wij aan land en maakten wij eene 
wandeling over een soms moerassig, soms droog en met boom- 
wortels bedekt voetpad, door een «oerwald", tot aan de rivier 
Roetjöh, aan welker overzijde de kampong Têkah gelegen is, 
± een half uur gaans van de koewala verwijderd. Wij dach- 
ten hier goed drinkwater te vinden, dat te Tandjong Njiroep 
niet dan van eene roode kleur te vinden was. Hier kregen 
wij echter water van eene witte kleur. Reiden worden echter 



241 

door de inlanders zonder nadeel gedronken. Tegen den avond 
keerden wij naar de Moona terug om daarop te vernachten. 

6 Augustus. Des morgens 6 U geraakten wij met zeilen en 
roeien — hetgeen zeer langzaam ging, dewijl de wind ontbrak 
en de riemen tot op 4 stuks na, allen gebroken waren — bin- 
nen de rivier Djeboet; doch het duurde niet lang ol' de Moona 
moest achterblijven , wijl de Rhizophoren haar den doortocht 
beletteden. Wij stapten toen in eene kleine, lekke, geleende 
sampan om de reis te vervolgen en sloegen al spoedig 
een zijtak in, die ons bij de kampong Boelan Lama bracht 
en daar doodliep; ons voornemen w T as echter om Pangkalan 
Boelan Baroe te bezoeken en nu schoot ons de keus over om 
derwaarts over land of over de rivier te reizen ; wij kozen 
het laatste. 

De kampong Pangkalan Boelan Lama bestaat uit eenige hui- 
zen en vele vruchtboomen ; vooral van «Tjampedah" zagen wij 
een geheel bosch en wij vonden in de rivier eene prauw, 
volgeladen met deszelfs vruchten , die naar Tandjong Pinang 
bestemd was. 

Wij stapten weder in onze lekke sampan , voeren den zijtak 
uit en verder de hoofdrivier op , die nu veel smaller werd en 
hier den naam van Roetjoh draagt. Het water was hier wei- 
nig zout meer en zelfs drinkbaar, verkrijgt nu een snellen 
loop en is verder het heerlijkste zuivere drinkwater. Wij be- 
reikten alzoo Pangkalan Boelan Baroe , alwaar de vaart voor 
prauwen eindigt, ofschoon de rivier voor kleine sampan's nog 
veel verder bevaarbaar zou kunnen gemaakt worden. Hier 
stapten wij aan wal en vonden daar een chineschen maandoor- 
kampong die geen woord maleiseh verslond, doch ons zeer 
vriendelijk ontving. Hij heeft + 150 chinezen van de omlig- 
gende ladangs voor zijne verantwoording, ook al voor de eer, 
*ii verder eenige chinesche woningen, met chinesche meiischen, 
zoo mannen als vrouwen , die nog al lamelijk goed iiurerirht 
waren en bij wien wij onzen inlrek namen, zoo om te nüd- 

deel xxxiv. 10 



242 

dagmalën uit onze eigene keuken , als om wat tegen de bran- 
dende zön te schuilen. 

Des namiddags 3 U maakten wij eene wandeling , om de rivier 
hooger op nog eens op te nemen , hetgeen echter langs eenen 
omweg moest geschieden , dewijl de hoorden der rivier geheel 
digt gegroeid waren ; op ± een halven paal afstand vonden 
wij haar echter terug en zij had daar nog altijd een fikschen 
stroom ; verder op konden wij haar niet volgen , wegens de 
ondoordringbare wildernis. Men verhaalde ons echter dat dit 
riviertje niet uit een gebergte ontstaat, dat trouwens niet aan- 
wezig is, maar van een heuvel die de waterscheiding uitmaakt, 
tusschen dezen stroom en eenen anderen, welke aan gene zijde 
in zee vloeit. Het is opmerkelijk dat hier in het meer vlakke 
land zulk een zoetwaterrivier haren oorsprong neemt, hoedanige 
zelfs aan den voet van den Bienlangberg niet gevonden wor- 
den. Men verhaalde ons , dat dit water aan den voet des heu- 
vels uit vele kleine spruiten zamen vloeit, om die zoelwater- 
rivier te vormen. 

Wij geraakten met behulp van een paar boomstammen, die 
over de rivier lagen , aan de overzijde en kwamen toen in een 
weelderig, doch moerassig bosch, waar wij, om weer op vas- 
ten bodem te komen , zoo wat een halven paal over omgekapte 
boomslammen en slieten moesten balanceeren , daar het moeras 
niet begaanbaar was : dit was nog wel de groote weg om van 
de eene ladang naar de andere te komen. Was de vegetatie 
in die moerassige vallei zeer weelderig, zoodra wij aan de 
overzijde kwamen, vonden wij niets dan schrale hloekar, die 
reeds door de gambiercultuur was uilgeteeld ; wij besloten dus 
den terugtocht, over dezelfde halsbrekende passage, aan te 
nemen. Ik oogstte daarbij echter verscheidene interessante 
planten; om 5 U waren wij reeds op de Pangkal terug, waar 
wij voor het eerst op deze reis een heerlijk bad in de heldere 
rivier mochten nemen, waarna wij geheel verfrischt weder in 
onze lekke sampan stapten om naar de Moona terug te kee- 



243 

ren. Wij voeren onmiddelijk daarop de rivier weder af, om 
aan de koewala ten anker te gaan. 

7 Augustus. Des morgens vroeg gingen wij weder onder zeil 
om het eilandje Tekoelei (Terkoelie) te bezoeken. Hier is een 
kustlicht geplaatst, dat door 5 inlanders bewaakt wordt. Er 
werden bier vroeger vele kalapaboomen gevonden, doch het 
eilandje is thans geheel schoon gekapt, zoodat er niets anders 
op gevonden wordt dan grasvlakten en eenige struiken. Het is 
geheel vlak en bestaat uit koraal en wit zeezand. Wij ver- 
toefden er dus niet lang, maar keerden nu naar Tandjong 
Pinang terug, waar wij om 12 u op den middag aankwamen. 

De Resident was zeer bezorgd over ons, en had reeds eene 
«sampan pandjang" uitgezonden om ons op te zoeken , daar hij 
door ons lang uitblijven in de meening verkeerde dat ons een 
ongeluk was overkomen. 

12 Augustus arriveerde hier de mailboot van Sienggapoera , 
waarmede ik een kistje met orcbideën enz. , en een paket zaden 
aan 's lands planlentuin te Bnitenzorg verzond. 

17 Augustus. Hoewel er nog altijd geen goed zeewaardig 
vaartuig voorhanden was om de reis naar Liengga te onder- 
nemen , besloten wij die reis toch op goed geluk te aanvaarden 
met de prauw Moona, eene wrakke kotter en eene «sampan- 
pandjang" te Liengga te huis behoorende , welke beide laalsten 
in den regel de dienst van poslprauwen vervullen. De Daloe 
Slia Aboe Hassan vergezelde mij weder en wij namen plaats 
op de Moona. De Resident, die al hel mogelijke deed om ons 
buiten gevaar te stellen, had daarom gelast dat deze kleine 
vloot bij elkaar zou blijven, doch het duurde niet lang of wij 
badden de beide andere vaartuigen uit hel oog verloren. 

Des namiddags hall' vijf uur vertrokken wij van Tandjong 
Pinang, doch de wind was ons niet gunstig, zoodal wij het 
niet verder brachten dal tot Poeloe Bassieng, waar wij anker- 
den. Wind en stroom hielden ons vaartuig echter den gansenen 
nacht in eene slingerende beweging. 

18 Augustus. Des morgens gingen wij weder onder zeil. De 



244 

zee was zeer onlstuimig, zoodat wij bij Poeloe Karas Bezaar 
ankerden. Hier gingen wij aan wal, wandelende in de bran- 
dende zon een paar palen langs een zandig, soms met doode 
koraal en rotsen bezet strand, totdat de Rhizophoren en de 
modderige bodem ons beletteden verder te gaan. Ik bracht 
echter eene goede verzameling planten mede terug. Het bin- 
nenland was droog en zelfs heuvelachtig, doch zoo dicht be- 
groeid, met zware boomen, heesters en doornachtige struiken, 
dat wij er niet ver in konden doordringen. 

Tegen den middag namen wij ons maal onder eenen 
hoogen aan strand staanden Casuarinenboom en zetteden toen 
de reis met de Moona weder voort. Wij hadden nog eenigen 
tijd met eene onstuimige zee te kampen , doch geraakten daar- 
op in een schijnbaar gesloten kom, van eilanden omringd. 

Deze eilanden behooren tot de Galang-groep. De zee was 
hier geheel bedaard. Daaruit gezeild zochten wij eene veilige 
plaats om te vernachten bij Selat Sembo. Hier bezochten wij 
nog een paar tuinen van inlanders en chinezen, in welke, be- 
halve jonge vruchtboomen van Nangka en Kalapa, alles door 
elkander geplant was , zooals pisang , suikerriet, cassave, kladie, 
obiedjawa, katjang tana, dawoen kangkong, laboe, enz. 

Hier werd ook veel „mienjak krowieng" die zeer vloeibaar 
was, van eene Dipterocarpussoort in de bosschen gewonnen en 
in vaten van boombast, die met deze harsachtige olie bestreken 
en waterdigt gemaakt waren, bewaard: die vaten waren zoo 
hard dat ze van ijzer schenen te zijn. 

De bodem was hier zeer vruchtbaar, bestaande uit humus 
en graauwe klei. 

Aan de helling van het hooger gelegene terrein, had men 
het bosch omgekapt en daar pisangtuinen aangelegd. Het 
suikerriet stond meer op het lagere en vochtige gedeelte. 

De Moona lag hier in stil water, zoodat wij eenen rustigen 
nacht doorbrachten. Hier is ook de plaats, waar de vroegere 
vorsten op gunstig weer wachtten om naar het Lienggasche 
over te steken. 



245 

19 Augustus. Des morgens weder vroeg onder zeil naar Tan- 
djong Djakang, waar wij ankerden om op gunstigen wind te 
wachten, waarmede wij den overtocht naar het Lienggasche 
zouden ondernemen. 

Hier gingen wij aan wal door de branding en over koraal- 
banken, hetgeen blootvoets niet pleizierig, maar toch noodza- 
kelijk is. Wij maakten eene wandeling door de kampong en 
het daar aangrenzende bosch , waar wij vele kolossale Krowieng- 
boomen (Dipterocarpus) vonden, die reeds nisvormig ingekapt 
en afgetapt waren. Wij staken het eiland dwars over, volgden 
een eindweegs het strand en keerden toen terug door een oer- 
wald en vervolgens door alalang, die tot aan ons hoofd reikte 
en waardoor geen voetpad bestond, tot dat wij eindelijk in 
eene gambier- en peperladang aankwamen, waar wij weder 
een gebaand pad vonden , dat ons naar het strand terugbracht. 
Aan boord gegaan zijnde, werd het anker gelicht, doch wij 
hadden weinig wind en na eenigen tijd geroeid te hebben , 
kwamen wij weder ten anker. 

Eindelijk kwam er wat wind opzetten en aanvaardden wij 
andermaal de reis en geraakten met laveeren goed vooruit; 
de wind begon echter weder te verflauwen , zoodat ook van 
de riemen moest worden gebruik gemaakt. Wij passeerden 
de drie eilandjes Serangas in Straat Penhalap en bereikten ein- 
delijk des avonds om 6 uur Poeloe-pandjang en Poeloe-tikoes , 
waar wij veilig onder den wal ten anker kwamen. Hoewel 
de zee effen was, ondervonden wij toch de beweging van den 
stroom, doordien deze niet met den wind in overeenstemming 
was. Eindelijk werd het anker nogmaals gelicht en geraakten 
wij met roeijen tot binnen de eilanden van de groep, door de 
inlanders Segantang Lada genoemd ; hier brachten wij den nacht 
rustig door. Wij waren nu op het gebied van Liengga; zon- 
derling genoeg is het rijk van Liengga, Riouw en onderhoo- 
righeden verdeeld in dat van Liengga, waar de Sulthan zijn 
verblijf houdt, en van Iliouw, waar de Onderkoning troont. 

De kotter en sampan-pandjang waren verdwenen en wij kre- 



246 

gen die op deze reis niet meer te zien. De sampan-pandjang 
arriveerde een dag voor ons; de kotter daarentegen twee da- 
gen na ons te Liengga. 

20 Aug. Des morgens lagen wij in eene geul tusschen 
drooggevallene koraalriffen , waarop tijdens de eb , de inlanders 
Tri pang en andere zeebewoners verzamelen. Ook akar-bahar 
zou hier in diep water veel en veelsoortig voorkomen. 

Wij moesten den vloed afwachten alvorens vlot te raken, en 
onze koers was nu naar Poeloe Têmiang. 

Om 9 U gingen wij met vliegende vaart onder zeil, doch dit 
duurde niet lang, daar er eene onweerswolk kwam opdagen, 
zoodat wij onder den wal van het eerst opdagend eiland schuil 
gingen. Niet lang bleven wij echter voor anker, daar de lucht 
wat opklaarde; passeerden nu met zeilen en roeijen verschei- 
dene eilanden, waaronder ook Goenoeng Marodong, een kleine 
puntige berg , van misschien 300 v hoogte. Des avonds arriveerden 
wij in de Têmiangbaai, waar een Batin als hoofd gevestigd is. 

De meeste eilanden hebben hier nog hunne natuurlijke vege- 
tatie en zijn heuvel- of bergachtig, met hooge bosschen bedekt, 
doch aan de stranden veelal met Rhizophoren bezet. Kleine 
ronde , rotsachtige eilandjes , mede geheel begroeid , komen hier 
ook veelvuldig voor. Van bevolking of cultuur ziet men geen 
spoor voor dat men Poeloe Têmiang nadert. Deze streek was 
vroeger een broeinest van zeeroovers, wier affaire nu voor goed 
is uitgeroeid. Van die lieden zijn echter ook eenige weinigen 
hier verbleven; zij leiden nu een rustig leven en voeden zich 
door de visch vangst. De overigen, die hun handwerk vernietigd 
zagen , zijn naar elders uitgeweken en soms fatsoenlijke lieden 
geworden: zij doen meestal goede diensten als roeijers zoo te 
Riouw en Singgapoera, als elders. 

21 Augustus; des morgens lagen wij bij laagwater, weder 
tusschen modderbanken ingesloten, en begaven ons in eene sam- 
pan en gedeeltelijk blootsvoets over de vaste modder naar 
den vasten wal van Poeloe Têmiang; daar maakten wij eene 
wandeling naar gambier- en peper-ladangs. 



247 

De weg liep eerst over moerassig terrein, tot aan eene chi- 
neesche nederzetting en toen , iets stijgende, een eindweegs door 
een «oerwald", waar prachtige boomen en veel jong en klein 
hout- en rotansoorten voorkwamen, waarvan ik eenen goeden 
oogst bekwam. Toen wij dit bosch doorgewandeld waren , 
kwamen wij aan uitgebreide gambier- en peperladangs , die nu 
de plaats van het voormalige oerwald hadden ingenomen. De 
bodem was zeer vruchtbaar, bestond uit roode en witte klei 
en overgangen van dien. De peper was even als elders goed 
onderhouden en beloofde vele vruchten , doch de gambier was 
hier ook , als overal , door de alalang onderdrukt en tegen vrij 
sterke hellingen aangeplant. 

Op den middag keerden wij naar de Moona terug en gingen 
bij wassend water direct onder zeil en bij afwisseling op de 
riemen. 

Het gebergte van Liengga werd nu in de verte zichtbaar. 
Tegen den avond ankerden wij voor de kampong Rêdjai in 
Selat Dassie, in stil water; des nachts veel wind. 

De eilanden, heden gepasseerd , hadden aan de stranden allen 
eenen rooden rotsachtigen bodem. 

22 Augustus. Des morgens weder vroeg onder zeil. De huizen, 
die wij hier aan het strand zagen, schenen aan de »orang laoet" 
of Tamboes te belmoren , die zich nu langzamerhand ook aan 
wal beginnen te vestigen , hoewel zij daarom de zee, die steeds 
in hun onderhoud voorzag , nog geen vaarwel zeggen. Wij 
zagen verscheidene hunner prauwen voor de huizen liggen, 
terwijl andere met vrouwen en kinderen, ons voorbij voeren, 
zij zagen er vrij goed uit en schijnen in den laatsten tijd nog 
al wat geciviliseerd te zijn. Ook trouwen hunne dochters wel 
eens met Chinezen en Boeginezen. 

Om 10 u hadden wij het eiland Lengen Badjoe bereikt, waar 
wij den vloed moesten afwachten : wij lagen daar in diep water 
tegen eene koraalbank, waarop wij konden overstappen om 
van de groote verscheidenheid van koraal en andere zee- 
bewoners eene verzameling te maken. Tot mijn leedwezen 



248 

echter had de kotter — die verdwenen was — het noodige 
aan boord, om de levende weekdieren en Polypen te kunnen 
conser veeren. 

Verschillende koraalstokken wer<ien echter verzameld en mede- 
genomen, hoewel de Moona maar weinig ruimte, tot herging 
dezer niet welriekende zaken, disponibel had. 

Bewoners vonden wij hier niel, en de eilanden zijn ook meest- 
al met Rhizophoren omzoomd, waar binnen de vaste, eenig- 
zins meer verhevene, kernen met » oerwalden" bedekt zijn. 

Om ll u waren wij bij Poeloe Dassie, aan den ingang dei- 
straat van dien naam , en wij hadden nu nog eenige eilanden 
ter linkerzijde en Liengga met deszelfs gebergte, in 't ver- 
schiet, terwijl ter regterzijde de zee geheel open was. Wij 
zeilden nu langs de kust van Liengga, die niet bewoond en 
met steil laag gebergte en ongeschonden wouden, bedekt was. 

Des avonds 7 U ankerden wij bij Poeloe Dadong of Laboean 
Dadong in stil water. 

23 Augustus. Als naar gewoonte gingen wij des morgens 
weder vroeg onder zeil , passeerden de eilanden Lima, Penoeboh 
en Seraja, kregen nu ook het eiland Siengkiep, geen Sinkeb, 
in 't gezicht, en dachten, bij eenigzins gunstigen wind, nu 
spoedig de Soengei Dai — de hoofdplaats van Liengga — te 
zullen bereiken. Wij moesten vooraf echter nog eene zware 
beproeving doorstaan, daar onze mandoor-prauw, ons tegen 
den wil van den Datoe, te ver in zee gebragt had, in stede 
van zoo na mogelijk langs de kust te varen; dit had tenge- 
volge dat wij al spoedig in eene hevige deining met stroom- 
rafeling geraakten en wij niet buiten gevaar waren van te gronde 
te gaan, daar de Moona meermalen al stampende dreigde on- 
der te duiken. De voorsteven dook soms zoo laag dat niet 
alleen de golven er over heen sloegen, maar ook aan weer 
zijden het water binnenstroomde, en men werk genoeg had 
dit water te loozen om niet te zinken. Na omtrent een uur 
in dezen hagchelijken toestand verkeerd te hebben, gelukte 
het ons om terugkeerende , te Selat Penarie of Tandjong Bas- 



249 



sieng eene veilige schuilplaats te vinden. Hier gingen wij aan 
land , dat laag en moerassig was , en beklommen de rotsige 
Tandjong die hier en daar begroeid was. Hier vond ik ver- 
scheidene orchideën en daarbij eene wilde vanille, die echter 
bloemen noch vruchten droeg; dit laatste was ook met eene 
daar veelvuldig voorkomende wilde Citrus-soort het geval. De 
Tandjong gepasseerd zijnde, wandelden wij nog een goed eind 
langs een witzandig strand tot dat het rotsachtige digt be- 
groeide terrein, ons de verdere wandeling ondoenlijk maakte. 
Hier vond ik ook nog eenige gewenschte planten, waaronder 
eene Jonesia (Pariflora) met bloemen, doch zonder vruchten. 

Aan het strand vonden wij ook het lijk van een ouden Loe- 
toeng, die door een Leguaan (Monitor bivittatus), waarvan wij 
een paar uit de struiken in zee zagen vlugten, was afgemaakt, 
zoo als bleek uit de worstelingen, waarvan de sporen nog in 
het zand zichtbaar waren, de Loetoeng was een goed eind, 
nog worstelende voorgesleept. Het dier was uiterlijk nog on- 
beschadigd, doch het fondament was geopend en verwijd, en 
schenen de darmen eene bijdrage geleverd te hebben tot de 
smulpartij van den Monitor. 

Tegen den middag keerden wij naar boord terug, doch wind 
en stroom waren ons nog niet gunstig genoeg om reeds nu te 
vertrekken. Eerst om 5 U vervolgden wij de reis en wij hielden 
nu zoo digt mogelijk langs de kust. De zee was nog wel wal 
onstuimig en er was zelfs ook nog al deining, doch deze was 
nu niet gevaarlijk meer. De wind liet ons echter in den steek, 
waarom wij onder gedurig wenden, in het gezicht van het 
eiland Kolombo — dat ver in zee, voor de Soengei Dai ligt - 
niet voor 7 U des avonds in de Soengei Dai ten anker kwamen. 
De Datoe, die hier ook nog eene vrouw rijk was, slaple dus 
ten zijnent af. Ik bleef echter den nacht op de Mooua door- 
brengen , wijl de matrozen allerlei zwarigheden maakten , om 
de rivier verder op te roeien lot aan de woning van den As- 
sistent-Resident. 

Den 24sten Augustus liet ik de Moona verder de rivier oproeien 



250 

tot in de nabijheid der woningen van den Assistent-Resident 
en den Kontroleur, welke laatste echter niet aanwezig was, 
en ik werd door den eersten, de heer L. F. Goldman en diens 
echlgenoote hartelijk ontvangen en gehuisvest. 

Bij het nazien mijner verzamelingen van herbarium, zaden, 
enz. vond ik gelukkig alles in den besten staat. 

Den 25sten Augustus maakte ik met den heer Goldman eene 
wandeling naar Boekiet Tjengkeh, waar de graven van vroegere 
sulthan's gelegen zijn en verder naar de kampong Marawang 
op een paar palen afstand van den zetel van den Assistent-Re- 
sident. De huizen in deze kampong zien er goed uit, zijn 
meestal van kamferhout gebouwd en met atappen daken voorzien , 
staan geregeld in twee rijen met een breede opeue strook tus- 
schen beiden, gebouwd. De opene strook moest den weg 
voorstellen, doch verdient dien naam niet, daar men hier van 
wegen onderhouden een afkeer heeft. De bewoners noemen 
zich allen orang Muntok en zijn ook werkelijk afstammelingen 
van vroeger herwaarts verhuisde Muntokkers, 

Des avonds donder en regen. Het gebergte is steeds in wol- 
ken gehuld, zoodat ik de piek van Liengga nog niet te zien 
heb gekregen. 

26 Augustus. Den ganschen nacht heeft het doorgeregend, 
en deze regen hield ook des morgens nog aan; later klaarde 
de lucht geheel op en kreeg ik ook de toppunten van het Dai- 
gebergte voor het eerst te zien. 

Des namiddags roeiden wij , de heer Goldman en de Datoe 
Stia , de rivier af tot in zee , om liet terrein eens op te nemen, 
waarvan ik des avonds binnenkomende, niets gezien had. Ik 
zag nu dat voor de koewala of monding der Soengei Dai, eei 
zich ver uitstrekkende modderbank lag, waardoor slechts eene 
geul loopt, die bij hoogwater de grootste prauwen veroorlooft 
in de rivier te komen, doch die al spoedig ook zeer ondie] 
wordt. De rivier binnenkomende, ziet men aan beide zijdei 
een eindweegs, niets dan moerassen, met moerasvegetatie be- 
dekt. Eindelijk komt men aan het Chineesche kamp, dat tei 



251 



rechter zijde, de rivier afvarende, in eene mede nog moeras- 
sige streek , aan de rivier gelegen is. De rivier is hier opge- 
vuld met prauwen van alle dimensiën en soort , zoo ten handel 
varende, als terzijde gelegene wrakken, die men zich de 
moeite niet geeft op te ruimen, maar die in de modder hunne 
verdere vernietiging afwachten. 

De chineesche woningen zijn in twee blokken, alle rechtlij- 
nig aan elkaar verbonden en vormen eene lange reeks, waar- 
voor een breede weg, evenwijdig met de rivier, loopt, die 
verder langs des Sulthan's-woning, tot bij den Assistent-Resi- 
dent doorloopt. Een tweede algemeen betreden weg loopt 
onder de, met planken bevloerde en even als de huizen zelve 
op palen rustende voorgalerijen der chineesche woningen , waar- 
onder, even als in hunne woningen, alle koopwaren uitgestald 
zijn. Onder de koopwaren vindt men zoowel europeesche snuis- 
terijen als chineesche en inlandsche voortbrengselen , voorts 
rijst, groenten: daoen kangkoeng, sasawie, kladie, ohies, cas- 
save , uijen , knoflook . katjang tana en katjang idjoe ; vruchten : 
mangies, ramboetan, manga, rambai , nanas ; pinang, siriekalk, 
kalapa, tamarinde, tabak, medicijnen, trassie, versche visch 
(dagelijks zoo de visschers in zee kunnen gaan , hetgeen wel 
eens door de branding en hooge zee belet wordt) en eindelijk 
vindt men er overvloedig gedroogde visch in verschillende soor- 
ten en van goede hoedanigheid. Men koopt hier alles tegen 
Engelsche munt, in doliers en dollercenten berekend. De dol- 
ler heeft 100 centen of 400 duiten en wordt berekend tegen 
f 2.70 Nederlandsche munt. De dubbeltjes en kwartjes worden 
echter niet tegen de volle waarde aangenomen. 

De handel richt zich meestal naar Sienggapoera , ofschoon 
men gaarne ook niet Java in relatie zou treden , doch niemand 
denkt er aan om hiervan te proiiteeren ; gambier , peper en 
sagoe zijn de voornaamste voortbrengselen van dit eiland, en 
wat het laatste product betreft, er bestaat hier schoone gele- 
genheid tot het oprichten van eene fabriek tot bewerking en 
zuivering voor de europeesche markt, hetgeen nu te Siengga- 



252 

poera geschiedt. Voor houtaankap van de deugdzaamste soorten 
bestaat overal ruimschoots gelegenheid en de Sulthan is zeer 
genegen daaromtrent met soliede personen in onderhandeling 
te treden. 

De rivier verder opvarende komt men in kampong Dai en 
ontwaart ter weerszijden inlandsche woningen met ruime erven, 
beplant met vruchtboomen. 

De hier wonende Maleijers generen zich met de vischvangst 
en het bouwen van prauwen. Te midden dezer bevolking 
houdt de Sulthan mede aan den rechteroever der rivier zijn 
verblijf in een paar nette planken woningen , welke echter niet 
vorstelijk mogen genoemd worden. De vorige Sulthan had 
hooger op, een kolossaal steenen huis met bijgebouwen laten 
zetten, dal hem f 80,000 gekost heeft, later werd dit door 
zijn opvolger betrokken , doch spoedig om mij onbekende rede- 
nen , weder verlaten en het staat daar, nu men er het ver- 
voerbare uitgebroken heeft: een bouwval, waartegen de parasie- 
ten reeds beginnen op te groeijen en dat ten leste wel zal 
instorten. Het geheel is reeds eene wildernis geworden, door 
niemand bewoond en slechts een modderig voetpad voert u 
naar deze ruïne. 

Eindelijk op een paar palen afstand van het Chineesche kamp 
of 4; een paal van des Sulthan's-woning — de rivier is niet 
veel verder bevaarbaar — , komt men alweder aan de rechter- 
zijde met een dwarsweg aan de woningen van den Asssistent- 
Resident en Kontroleur welke op een open vlak terrein, met 
kreupelhout begroeid, gelegen zijn. Daarbij behooren nog een 
gebouw met drie kamers voor bureau en een lang gebouw tot 
huisvesting der gewapende oppassers. Aan de linkerzijde der 
rivier ligt de kampong Sipientjan. 

De woningen der ambtenaren zijn niet bijzonder ruim en 
fraai, de stijlen zijn van onbekapt rondhout, de lage vloer van 
planken, doch de wanden en zoldering van kadjangmatten. 

Hoewel hier en daar moerassig, en ofschoon de temperatuur 
er zeer snel afwisselt — de thermometer van Fahrenheit rijst 



253 

en daalt soms binnen weinige uren van 95° tot 72°, doch in 
den regel van 86° tot 74° — is deze streek evenmin ongezond als 
het geheele eiland. 

Over de uitgestrekte vlakten , die aan den voet van het Dai 
en Sipientjan-gebergte ten Z. 0. gelegen zijn, heeft men een 
prachtig gezicht op het gebergte op welks hoogste top, die 
3604 v bereikt, twee pijramiden van ± 200 v hoogte, schijnen te 
rusten , waarbij vroeger nog een derde gestaan heeft die op 
den voet van de middelste rustte, doch toen afgebroken en in 
den afgrond verdwenen is. Goed beschouwd zijn het echter 
de buitenwanden van eenen vroegeren massieven top. De 
Noordelijkste top is de kolossaalste, een weinig hooger dan de 
andere, die meer puntig oploopt, doch beiden zijn niet te be- 
klimmen. De laatste is aan de N. 0. zijde en de eerste aan de 
oostzijde loodrecht door midden gekliefd en slechts de Z. W. 
en westzijden zijn staande gebleven; hieruit blijkt dat deze 
pijramiden vroeger een geheel hebben uitgemaakt, waarvan de 
kern en de oostzijde in den afgrond zijn neer gestort. 

Van dit hoogste centrum dalen drie bergruggen tot in zee 
af. De eerste loopt in zuidelijke richting met een keten van 
zes groote en eenige kleine toppen, welke alle verschillende na- 
men 'dragen en ook een verschillend aanzien hebben , naarmate 
de vegetatie meer of min weelderig is. De Goenoeng Dai en 
Goenoeng Tanda hebben een weelderig en donkergroen aanzien. 
De daaraanvolgende goenoeng Koeboer-tjina , tot en met den 
Goenoeng Koekoes, hebben slechts weinig vegetalie en laten 
hier en daar de steile rotswanden van rood en witachtig ge- 
steente doorschemeren. De nu volgende Boekiet Samah en Boe- 
kiet Bungang hebben weder een rijk begroeid en weelderig aan- 
zien. De geheele bergrug loopt hellend af lot in zee en is uit 
de hoofdplaats geheel zichtbaar. De tweede loopt Noordooste- 
lijk en daalt steil af om, eene scheiding daar te stellen met 
het Sipientjan-gebergte dat men eene voortzetting van het Dai- 
gebergte zou kunnen noemen, zoo de diepe kloof, die tol op 
+ 500 v boven zee afdaalt, de scheiding niet te sterk deed uitkomen. 



254 

De derde strekt zich westelijk uit en is de laagste, maar ook 
de langste, op het midden der lengte lager en zadelvormig en 
rijst verder zeewaarts weder op en eindigt eerst , nog altijd 
steil lot in zee, hij straat Dassie. 

De Sipientjan , die ook ± 300 v hoog zal zijn , en zich ver 
over het eiland uitstrekt, heeft geen eigenlijk toppunt, maar 
van de hoofdplaats gezien meer de gedaante van een doodkist , 
in het midden der lengte iets ingedrukt. Van de Noordkust 
gezien schijnt hij zich even als de Dai, ook in drie hergruggen 
te verdeelen , die zich oost, noord en westelijk richten. De 
eerste loopt midden in het eiland langzaam af, valt dan in 
eens steil naar heneden , om van daar verder in heuvelachtig 
terrein te eindigen; de twee anderen richten zich naar de 
noord kust. 

De hoogste toppen dezer bergen zijn veelal in wolken gehuld, 
die daarop schijnbaar als vastgekleefd , langen tijd blijven zwe- 
ven en zich dan óf oplossen, óf bij aanvoer van nieuwe wolken- 
massa's zich , vergezeld van zware winden , over het lage land 
uitstorten. Dat dit gebergte veel tot de vorming en het con- 
centreeren der wolken , en dientengevolge tot het vochtig en 
betrekkelijk koele klimaat bijdraagt, zal wel aan geen twijfel 
onderhevig zijn. 

Het lage vlakke land aan den voet der bergen, reeds bier- 
voren besproken, bestaat gedeeltelijk uit een alluviale vlakte 
met witachtige geele , vette klei, en voorts uit humus met eenen 
vetten geelachtigen kleigrond, en is bestemd om in sawahvelden 
herschapen te worden, waartoe de Sulthan bereids een veertigtal 
Soendaneezen van Java verkregen heeft. Het gebergte levert 
daartoe water in overvloed, dat door verscheidene rivieren wordt 
afgevoerd , die in het gebergte soms prachtige watervallen daar- 
stellen, en welker kristalhelder water, over kolossale rots- 
massa's heenstroomt, of van huizenhooge rotsblokken neder- 
stort. 

Met de wegen is het hier slecht gesteld ; zooals reeds gezegd 
is, loopt er slechts een groote weg van het Chineesche kamp, 






I 



255 

evenwijdig aan, en min of meer van de rivier verwijderd, langs des 
Sulthan's-woning tot aan de woning van den Assistent-Kesidenl ; 
verwijdert zich daar rechthoekig van de rivier en loopt in 
bijna rechte lijn naar Boekiet Tjênkeh, van daar terugkeereode 
vormt hij een driehoek om weder naar des Sulthan's-woning 
terug te leiden (alles te zanien zal + 5 paal lang zijn). Ook 
deze weg is nog slecht onderhouden. De overige wegen over 
het geheele eiland zijn modderige, bijna onbegaanbare paden. 

Den 27sten Augustus wandelden wij — de beer Goldman verge- 
zelde mij meestal — met een grooten omweg, dewijl er geen 
nadere weg bestond , naar bet gebergte , om de bronnen van 
Soengei Tanda — een der voornaamste rivieren — op te nemen, 
om te besluiten of het water dier rivier al dan niet voor de 
rijstcultuur, op de vlakten te brengen zou zijn, hetgeen wij 
na de bezichtiging eenstemmig toestemmend meenden te kunnen 
verzekeren , mits door een deskundig Javaan de richting der 
te graven waterleiding werd aangegeven ; een zoodanig persoon 
is dan ook reeds derwaarts gezonden. 

Op ± 1 paal afstand passeerden wij de Soengei Tanda, waar- 
over een brug van boomstammen gelegd was , enkel door voet- 
gangers te passeeren, wandelden toen door de kampong Mara- 
wang en verder over min of meer golvend terrein tot op + 4 
paal over een smal en glibberig voetpad, en bevonden ons toen 
aan den voet van het gebergle, waar de bodem steenachtig 
begon te worden. Iets verder waren wij in hel »oerwald" ter 
plaalse waar twee rivieren , de Soengei Koeboer-t jina en de 
Soengei Miengkara ineen vloeijen en nu vereenigd , den naam 
van Soengei Tanda bekomt. Wij vonden verval genoeg in de 
laatste om waterleidingen ter besproeijing der vlakten , aan de 
beide zijden te kunnen tot stand brengen. Dit vlakke, eenig- 
zins golvend terrein schijnt reeds vroeger in cultuur te zijn 
geweest, dewijl er geene hoornen behalve in de kampougs 
meer op voorkomen, maar enkel met gras en struikgewas 
vooral Hiang-riang (Ploiarium elegans) bezet is. 

In de rivier komen kollossale sleenklompen voor, die hooger 



256 

op tot vaste rotsmassa's overgaan. Het water is kristalhelder 
en zuiver van smaak. Op en tusschen het gesteente, langs en 
in de rivier, vond ik verscheidene interessante plantjes, meestal 
tot de familie der Gesneriaceën behoorende, die waarschijnlijk 
geheel nieuw voor de Botanie zijn. 

Langs de rivier , doch daarboven verheven , en zacht klim- 
mende, loopt een voetpad, ten blijke dat de inlanders deze 
streken nog al eens bezoeken, om boschproducten te verzame- 
len of jacht op de onschuldige Napoe's (Moschus Napu) te 
maken. Dit pad volgende, vond ik almede vele onbekende 
planten, doch het meeste verraschte mij de eerste heester die 
ik zag van de Dryobalanops camphora (kajoe kapoer), waarvan 
ik bij opvolging honderden jonge heesters en een groot aantal 
oude volwassene stammen vond , waarover nader. 

Met een rijken buit beladen keerden wij , hoogst voldaan , 
huiswaarts. 

Den 28sten Augustus besteedde ik ter verzorging van het giste- 
ren verzamelde aan planten, zaden en herbarium. De dag eigende 
zich hiertoe bijzonder, dewijl het den gansenen dag bijna on- 
afgebroken regende; deze regen bereikte tegen middernacht 
zijn maximum , was toen vergezeld van storm , donder en blik- 
sem, zoodat ik dacht met het gansche gebouw te zullen weg- 
waaijen. 

29 Augustus ; nog altijd regen , met dik bewolkte lucht. 

Den 30sten Augustus was de lucht geheel opgeklaard en maakte 
ik eene waudeling naar Boekiet Sipientjan — het woord «Boekiet" 
wordt hier voor laag en »Goenoeng" voor hooggebergte gebe- 
zigd. — De hier bedoelde schijnt het laagste punt te zijn , tus- 
schen de bergen Dai en Sipientjan. 

Na de Soengei Dai per prauw overgestoken te zijn, was ik 
in de kampong Sipientjan, waar het zoo smerig mogelijk uit- 
zag; op het voetpad zakte men tot over de enkels in de mod- 
der en waar die al te diep was, had men stieten of boomstam- 
men gelegd, waarop men zonder balanceerstok inoeijelijk het 
evenwicht kan bewaren. Buiten de kampong komende was 



257 

het, zoo mogelijk nog erger, dewijl het modderige smalle pad 
daar aan heide zijden met hoog gras of struiken bezet was : 
het pad leidde verder door bloekar en Resamvelden , (een Glei- 
chenia-soort) die zoo hoog en dicht in elkaar gegroeid is, dat 
men er onmogelijk door kan, zonder vooraf eene doorkapping 
te maken. 

Wij moesten hierbij de Soengei Spienl jan tweemaal — zonder 
brug --op den rug der inlanders gedragen, oversteken. 

Na en dan passeerden wij streken, nog met primitieve ve- 
getatie bezet, doch meerendeels was het bloekar, waarvan de 
gronden vroeger in cultuur geweest waren; wel een bewijs 
dat hier vroeger, in Olim's tijd, toen de zeeroof het land vet- 
mestte, meer bevolking gevestigd was. Eindelijk moesten wij 
nog een zijtak over van den Soengei Spientjan, en moesten 
daartoe over groote steenen , in de rivier liggende , heen sprin- 
gen, om in een werkelijk oerwald te komen. Doch ook hier- 
aan kwam alweder een einde en wisselde het terrein, nu steeds 
klimmende, meermalen af met bosch en resam- of glagavelden, 
waarmede het pad bijna was digtgegroeid , daar het zel- 
den betreden wordt, ofschoon hier vroeger lot op het hoogste 
punt, dat ik op ± 600 v schat, tinnen geweest zijn, blijkens 
de nog hier en daar voorkomende manga- en vruchtboonien. 

Tegen den middag was ik boven, en het kwam mij voor dat 
er aan de andere zijde ook een pad bestaan heeft, dat afdalende 
misschien naar de Noordkust voerde : dit was nu echter geheel 
digtgegroeid. Den afstand van de hoofdplaats schatte ik op 
± 5 palen. 

Deze vermoeijende tocht werd echter goed beloond, wijl ik 
weder een schat van planten te huis bracht. Juist op het 
hoogste punt dat ik beklom, en waar ik mijn middagmaal hield, 
vond ik een nieuwe soort Cliloranthus of » kras toelang," waar- 
van ik eene goede hoeveelheid medenam, waarmede de hoofden 
en zelfs de Sulthan recht lekker waren en, daar zij bevonden 
dat die soort dezelfde goede eigenschappen bezat als die welke 
wij op Bientang gevonden hadden, waarvan onze Datoe won- 

deel xxxiv. 17 



258 

deren verhaald had, werd er zelfs nog eene kommissie gezon- 
den om op de vindplaats, zooveel mogelijk in te zamelen. Het 
bleek toen echter dat de voorraad niet groot meer was. De 
kamferboom kwam hier ook overvloedig voor , ook de Isonandia 
gutta (Géta pertja) moet hier vroeger veel geëxploiteerd zijn, 
thans waren daarvan nog slechts jonge heesters, doch in groote 
hoeveelheid voorhanden. 

De rivier Sipientjan heeft water en verval te over, om met 
voordeel tot de sawah cultuur gebezigd te kunnen worden. Reeds 
op ons hoogste punt hoorden wij haar in de diepte ruischen, 
ofschoon de dichte wildernis ons belette er iets van te zien. 

Evenals elders het geval is, was ook deze streek arm aan 
gevogelte en viervoetige dieren, behalve wilde varkens, die 
overal veelvuldig voorkomen tot grooten last der inlanders, die 
evenwel te vadzig zijn om er jacht op te maken. Van het 
geslacht Moschus zouden hier vier soorten voorkomen, die bij 
opklimming in grootte de volgende namen dragen, als Kantjiel : 
Moschus Javanicus? de Plandoh: M. sp. de Napoe: M. Napu 
en de Mengkonoh: M. sp. De eerste en laatste heb ik niet 
te zien gekregen. De Plandoh gelijkt veel op de Javasche 
kantjiel , doch is anders geteekend en iets hooger op de pooten. 

De Napoe is veel grooter en ook donkerder gekleurd. 

De Mengkonoh moet nog veel grooter zijn en het midden 
houden tusschen de Napoe en de Kidang Cervas Muntjac. Deze 
soort schijnt ook op Borneo voor te komen, want ik herinner 
mij ze op de laatste tentoonstelling in 1866 te Batavia, als van 
Bandjermassin afkomstig , onder de dierenhuiden gezien te heb- 
ben. De S uitban beloofde mij er eenigen van te zullen zenden, 
daar ze op Siengkiep veel in 't gebergte moeten voorkomen, 
doch zich de eene helft van 't jaar aan deze en de andere helft 
aan gene zijde van het gebergte ophouden. Thans waren zij 
juist aan de tegenovergestelde zijde van het verblijf des Sulthans. 
De Plandoh en de Mengkonoh schijnen nog geen wetenschap- 
pelijken naam te hebben, daar uit dezen archipel slechts be- 
kend zijn de Moschus Javanicus en de Moschus Napu. 



259 

Het weder was op de uitreis wel zeer warm, maar toch 
gunstig, doch op den terugtocht viel er een weinig regen, die 
niet veel te beteekenen had, doch voldoende was om het gras 
en de struiken, waarmede wij in aanraking moesten komen, 
nat te maken. Ik had dus minder last van den regen dan 
van de langs hel pad staande struiken, die mij geheel doorweek- 
ten, terwijl de modder nieuw voedsel ontvangen had. 

51 Augustus. Des voormiddags hevige regenhuien, die zich 
in den loop van den dag meermalen herhaalden. 

Het is betreurenswaardig , dat men hier planken , voor den 
huishouw, van Sienggapoera moet inkoopen , die Welligt uit onze 
bezittingen verkregen en gewoonlijk niet van de deugdzaamste 
soort zijn, terwijl de beste houtsoorten, waaronder ook het 
deugdzame kamferhout , hier liggen te verrotten. Het is te hopen 
dat zich hier spoedig Europesche ondernemers komen vestigen, 
om zoowel in het belang van den Sulthan als van zich zelven, 
een en ander te exploiteeren. De Sulthan zal hiertoe gaarne 
medewerken, doch is er zelf niet toe in staat. Het aanleggen 
van goede wegen zal dan echter een eerste vereischte zijn. 
Met de luije maleijers is niets aan te vangen, doch aan chine- 
sche werklieden is geen gebrek. 

1 September, bijna den gansenen dag regen. De Sulthan 
arriveerde heden van Siugkiep (geen Sinkep) waar Z. H. veelal 
verblijf houdt en met de tinontginning bezig is. 

2 September, des morgens nog altijd regenachtig, doch later 
goed weer. 

Des namiddags 5 U bragt ik met den heer Goldman een bezoek 
aan den Sulthan, die ons in tegenwoordigheid van zijnen jon- 
geren broeder en nog een paar Hoflieden allerbeleefdst ontving. 
Na een uurtje gepraat te hebben, verlieten wij Z. H. zeer 
voldaan en met de overtuiging, dat wij met een fatsoenlijk en 
achtenswaardig man den tijd gekort hadden. 

3 September, den gansenen dag regen met donderbuijen : eerst 
tegen den avond klaarde de lucht op. 

4 September. Des avonds ontvingen wij eene conlra-visile 



260 

Van den Sulthan, die wel een paar uur bij ons vertoefde en 
in tegenstelling met vroegere verhoudingen , zeer spraakzaam 
was, waartoe wij echter ook het onze bijdroegen. 

Den 5den September maakte ik eene wandeling naar Boekiet 
Ajer Atap. De weg derwaarts was even ellendig als die naar 
Boekiet Sipientjan. Deze Boekiet ligt aan de helling van het 
Dai-gebergte, en zal naar gissing ± 1500 v hoog en ± 5 paal 
van de hoofdplaats verwijderd zijn. De weg liep bewesten de 
Soengei Dai, aanvankelijk over laag golvend terrein, tot aan 
de plaats die men met den naam van Ladang-gambier bestem- 
peld heeft en waar ook werkelijk gambier-ladang's zijn, echter 
worden dezen van tijd tot tijd op andere terreinen overgebracht. 
Deze plaats ligt vlak aan den rechteroever van de Soengei Dai ; 
halverwege deze plaats waren wij de kleine Soengei Sepan , met 
kristalhelder water, gepasseerd, die zich daar in de Soengei 
Dai ontlast. 

Van uit de Ladang-gambier loopt het pad meestal steil op 
tot op den top van den Boekiet Ajer Atap, daalt aan geene 
zijde nog steiler naar beneden en zou, zooals men mij ver- 
haalde, naar het hoogst bereikbare punt van den Goenoeng 
Dai voeren. Alvorens het oerwald te bereiken, treft men 
nog eenige zachthellende plaatsen aan, gedeeltelijk nog met 
gambier beplant en gedeeltelijk reeds verlaten en weder in 
bloekar herschapen. De gambiercultuur wordt hier door ma- 
leijers gedreven, in tegenstelling van elders, waar dit meestal 
door Chinezen plaats heeft. De maleijers planten de gambier- 
planten veel dichter en onregelmatiger dan de Chinezen; ook 
is hunne bereiding der gambier van die der Chinezen ver- 
schillend, daar zij geene vierkante blokjes, maar grootere vier- 
kante platte koekjes bereiden. 

In het oerwald werd het hoe langer hoe steiler tot op het 
hoogste punt. Het geheel was met zware boomstammen, mees- 
tal \an de deugdzaamste houtsoorten, bezet, waar tusschen het 
aankomend geslacht, met heesters en rotansoorten, de ledige 
ruimten aanvulde. De kamferboom kwam hier ook overvloe- 



261 

dig en met kolossale stammen voor. Van de Geta pertja zag 
ik ook eene menigte jonge boompjes. Wel vond ik nog eenige, 
doch weinige vreemde planten voor mijn doel. 

Dat er bij zulke klimpartijen menig zweetdroppel valt, zal 
wel niemand verwonderen; ook ditmaal waren mijne weinige 
kleedingstukken daarmede geheel doorweekt. Hierbij kwam 
nog de modder en het natte gras en struiken, zoodat er 
geen droogen draad overbleef. Gelukkig nog bleef het weer 
droog, totdat wij weder tot de Ladang-gambier waren afge- 
daald; toen echter kwam er eene ligte wolk overwaaijen, 
die alles wat door de zon was opgedroogd , weder bevochtigde, 
zoodat ik even nat en slijkerig tehuis kwam, als toen ik des 
morgens het bosch genaderd was. 

6 September, fraai weer. 

Den 7den September vertrok de Datoe Stia Aboe Hassan, met 
eene sampan-pandjang , naar Iendragirie, bij welken overtocht 
hij door hooge zee beloopen, bijna verdronken was. 

9 September was bestemd om met den Sulthan een uitstap 
te voet te maken; doch dewijl het den gansenen nacht zwaar 
geregend had en de lucht des morgens nog geheel betrokken 
was, zagen wij er van af tot gunstiger tijdstip. Regenbuijen 
volgden den gansenen dag elkander op, zoodat de zon niet 
zichtbaar werd. Des avonds kwam de Sulthan, te paard, ons 
eene visite brengen. 

10 September, des nachts zware buijen : 's morgens nog be- 
wolkte lucht, doch later fraai weer, zoodat de modder nog wat 
kon opdroogen , om eindelijk de besprokene wandeling te kun- 
nen ten uitvoer brengen. 

Des namiddags zond de Sulthan ons zijne handchais met een 
fraai Isabel-paard , waarmede wij Z. H. gingen bezoeken. Men 
kan dit ook per sloep doen, en dan bij een aan de rivier 
staand paviljoen opstappen. 

11 September. Volgens afspraak met den Sulthan en den 
heer Goldman , bevonden wij ons des morgens 7 ure in de 
kampong Sipientjan, waar de Sulthan eerst om 8 U aankwam. 



262 

Wij vingen toen onmiddelijk de reis aan door dik en dun. 
De weg heette in orde gebracht te zijn , doch was , behalve 
dat men eenig struikgewas had weggekapt, niets beter dan 
toen ik dien den 50sten Augustus , voor een gedeelte , naar den 
Boekiet Sipientjan doorgebaggerd had. De Sulthan , die aan- 
vankelijk nette verlakte schoenen droeg, zag zich dan ook ge- 
noodzaakt zich spoedig daarvan te ontdoen, en de reis blootvoets 
te vervolgen. Op ,zeker punt verdeelde zich het pad, waarvan 
het eene , zooals gezegd is, naar den Boekiet Sipientjan voerde, 
doch het andere rechts af naar Panga leidde. Dit laatste 
sloegen wij nu in. Dit pad loopt zelfs door tot Resoen, en 
verder tot aan de noordkust bij Seraarong, doch is wegens een 
daarin voorkomend moeras, niet te passeeren. Na verloop van 
een paar uren kwamen wij in de Kampong Panga , die slechts 
uit een viertal huizen bestaat, en welke plaats ± 4 paal van 
de hoofdplaats zal verwijderd zijn. Inmiddels begon het te 
regenen, zoodat wij daar wat schuilden en van die gelegenheid 
profiteerden om ons middagmaal te nuttigen. 

De Sulthan wenschte niet verder te gaan en met recht, want 
het verdere pad was bijna dichtgegroeid en liep door moerassen 
en modderpoelen, doch wij drongen nog ± een paal verder 
door om den oorsprong der Soengei Panga, zoo mogelijk, op 
te sporen. Dit gelukte ons , wegens de ontoegankelijkheid , 
echter niet, dewijl er verder geen pad meer bestond. Tot 
zoover wij kwamen, liep de rivier steeds met weinig verval 
door lage vlakten, aan den voet van het Sipientjan-gebergte. 
De Sulthan wenschte die rivier met de meer oostelijk gelegene, 
en even als deze uit het Sipientjan-gebergte ontspringende 
Soengei Trentang te vereenigen, en alzoo vereenigd voor de 
sawahcultuur, meer benedenwaarts , te benuttigen. 

Dit zich tot aan zee uitstrekkende terrein — een geheel vor- 
mende met de vlakten aan den voet van het Dai-gebergte, dat 
vroeger reeds tot padie-ladangs gediend had, en waarop nog vele 
groepen van vruchtboomen voorkomen, die allen nog hunne 
eigenaars hebben, ofschoon die er niet metterwoon gevestigd 



265 

zijn — is nu weder in eene wildernis herschappen. Deze vlak- 
ten bestaan uit veile kleigronden met eene laag humus bedekt, 
en zijn niet moerassig, zoodat zij bij doelmatige bewerking 
voor alle culturen geschikt zonden bevonden worden. 

Wij hadden nu van het westen naar het oosten de volgende 
rivieren van nader bij beschouwd , als : de Soengei Tanda, die 
eene eigene uit watering in zee heeft, de Soengei Dai en Soengei 
Sipientjan, waarvan de laatste beneden in de Soengei Dai valt 
en welke vereenigd de voornaamste rivier uitmaakt, en einde- 
lijk de Soengei Panga en Soengei Trentang, die weder hunne 
eigene uitwatering in zee hebben. 

De laatste hebben wij niet bezocht, doch zij schijnt ook 
van geene groote beteekenis te zijn. Deze vijf rivieren, waar- 
van de twee eersten uit het Dai-, en de drie laatsten uit het 
Sipientjau-gebergte ontspringen, zullen, onder doelmatige leiding, 
genoegzaam water opleveren, om de aan te leggen sawahs op 
de vlakten ie besproeijen. De uitgebreidheid daarvan is, onder 
de gegevene omstandigheden, niet te bepalen, doch ik twijfel 
niet of minstens een duizend bouws er van, zullen tot goede 
sawah's kunnen herleid worden. 

Omstreeks 2 uur des namiddags keerden wij, in gezelschap 
van den Sulthan , die zich weinig vermoeid betoonde, huiswaarts. 
Wij werden echter door eene zware regenbui overvallen , en 
vonden gedurende een uur eene schuilplaats in eene alleen 
staande inlandsche woning, hetgeen echter niet belette dat wij 
om o 11 druipnat te huis kwamen. 

Deze reis leverde mij slechts weinige nieuwe planten, maar 
toch bleef ze niet geheel onbeloond, eene Castanopsis (Brangan) 
en eene Chloranlacea , Sarcandra? waren de voornaamste ge- 
vonden planten. 

De bewoners dezer streken schijnen meestal van Bangkaschen 
oorsprong te zijn ; hunne voorouders zijn , tijdens het despotieke 
bestuur der Sulthan's van Palembang, ten gelalle van 700 te 
gelijkcr tijd herwaarts verhuisd, en zij zijn waarschijnlijk de 
planters der thans nog overal verspreide, maar veronachtzaamde 



264 

boomgaarden , waarvan de nakomelingen nog het vruchtgebruik 
hebben, 

12 September, bewolkte lucht, doch slechts weinig regen. 

13 September, het weer als gisteren, maar meer regenachtig. 

14 September. Des morgens 7 U aanvaardden wij, vergezeld 
van 24 geleiders en dragers, de reis naar den top van den 
Goenoeng Tanda , den naasten aan den Goenoeng Dai grenzenden 
bergtop, die wel zt 5000 v hoog zal zijn. Van de hoofdplaats 
gezien , schijnt hij even hoog als de Goenoeng Dai , doch in de 
verte, op zee, ziet men toch, dat hij lager is; dit namen 
wij ook zeer duidelijk waar toen wij den top bereikt hadden. 

Wij volgden denzelfden weg, welken wij op den 2 7sten Au- 
gustus tot het onderzoek der rivier Tanda genomen hadden 
tot iets hooger op , waar wij alsnu , over groote en kleine rots- 
blokken, de Soengei Tanda overstaken en ons nu aan den 
linkeroever bevonden. Voor dat wij echter zoo ver waren, en 
toen wij pas in het oerwald, — dat ons nu niet meer verliet, — 
gekomen waren, overviel ons eene zware regenbui, en daar 
wij kadjangmatten voor ons nachtverblijf hadden medegeno- 
men, sloegen wij die in der haast op om te schuilen tot dat 
de bui over was. Zoodra wij de rivier gepasseerd waren, volg- 
den wij die een eindweegs klimmende om eene interessante 
waterval Ie bezichtigen. Deze stroomde over en door eene 
bedding van de vaste rots en bruischte met een donderend ge- 
weld, hellende en vallende op de daaronderliggende rotsen, 
waarmede de geheele rivierbodem bedekt was. Hooger op zijn, 
van af de Boekiet Tjengkoh gezien , twee andere stroomen zicht- 
baar, waarvan de eene zich soms in drie takken verdeelt, die 
over een aanzienlijke lengte hellend, als zilveren banden naar 
beneden glijden, en zich in de bedding der Soengei Tanda storten. 

Wij waren door het bezichtigen van den waterval van het 
voetpad afgeraakt en zochten dit nu , door de struiken heendrin- 
gende, weder op. Wij moesten daarop meer dan een paal 
ver onophoudelijk steil opklimmen; daarna werd het terrein op 
enkele plaatsen soms minder steil , soms voor een klein gedeelte 



265 

bijna geheel vlak, doch verder ging het weder bijna onafge- 
broken steil opwaarts. Ons pad was tot aan het oerwald even 
modderig als op onze vroegere reis , doch verder in het gebergte 
zeer glad en veelal met onregelmatige boomwortels bedekt . 
Wij moesten dus zeer op onze hoede zijn om niet uit te glij- 
den of te struikelen. Eindelijk werd het paadje zoo smal tus- 
schen de rotsmassa's gekneld en zoo steil, dat wij elk oogen- 
blik met onze kleêren aan de doornachtige Rotanbladeren en 
de rechthoekige takken der kolossale Resamstruiken bleven 
haken. Ook kwam nu de onderliggende rots meer en meer 
aan den dag, zoodat wij soms meer klauteren dan loopen moes- 
ten. Toch was alles nog sterk begroeid met mossen, varens 
en struikgewas; maar het geboomte, dat lager uit kolossale 
stammen bestond, begon hier nu langzamerhand kleiner te 
worden. Daar wij langzaam geloopen hadden en dikwijls stil- 
stonden om de longen en maag te restaureeren en daarbij te 
botaniseeren , kwamen wij niet voor den middag 5 U op het 
hoogste punt van dezen berg aan, die slechts uit eene smalle 
kam bestaat, even als de bergrug, die ons de laatste helft onzer 
reis opwaarts voerde. Die rug was soms geen roede breed 
en liep dan aan weerszijden bijna loodrecht tot in den afgrond. 
Voor dat wij den top bereikten, moesten wij eene naakte steile 
zijde des bergs passeeren, van waar wij een prachtig gezicht 
hadden op den loop der Soengei Tanda , die zich als eene reus- 
achtige zilveren slang van den voet des bergs, tot bij Boekiet 
Tangkeh — waar ze in de kampong onzichtbaar werd — dooi- 
de vlakte heenslingerde. De zee en de eilanden aan de zuid- 
kust: Kolombo, Batang en Anto, waren hier ook zichtbaar. 
Op den top zagen wij oostelijk de zee met eenige eilanden 
en hadden wij een goed uitzicht op de breede z. w. zijde van 
den Goenoeng Sipientjan, die over zijne geheele uitgestrektheid 
met prachtig woud bedekt was. De Goenoeng Dai stond majes- 
tueus meer verheven in onze nabijheid , doch door duizeling 
wekkende afgronden van ons gescheiden. Aan de noord kust 
zagen wij eenige eilandjes, en prauwen aan de kust liggen. Van 



de zuidzijde konden wij , wegens de bosschen, nu evenmin iets 
te zien krijgen als van de westzijde. De top des bergs, hoe 
smal ook , was toch met geulen en waterplassen doorsneden , 
en de vaste onderliggende rots scheen geen water door te laten, 
zoodat men zich moeielijk en niet droogvoets bewegen kon , 
te meer daar de vegetatie, door de vochtige atmospheer, alles 
overdekte, vooral met de lagere plantenvormen van mossen en 
varens, en met hoornen in miniatuur. 

Na nog eenige planten verzameld te hebben, moesten wij 
aan een nachtverblijf gaan denken ; daartoe zuiverden wij eene 
kleine oppervlakte, maakten den bodem wat gelijk, kapten 
slieten en paaltjes , waarop wij onze kadjangmatten daksgewijs 
uitspreidden en kwamen alzoo onder dak voor dat de nacht inviel. 
Na ons avondmaal, legden wij ons ter ruste, waartoe ik een veldbed 
had medegenomen, dat hier bijzonder goed te pas kwam. De 
heer Goldman had zich eene balé-balé laten bouwen , waarop 
hij met een legmatje gerust insliep. Het weer had zich verder 
goed gehouden , zoodat wij meenden den nacht gerust te zul- 
len kunnen doorbrengen, doch wij hadden buiten den waard 
gerekend, want des nachts 2 uur werd ik onaangenaam uit 
den slaap opgewekt, door een stroom regenwater, die van 
het slecht te samengestelde dak, met. eene goot op mij neder- 
kwam. Ik verplaatste mijn leger nu wel een weinig, doch 
het was reeds te laat, daar alles doornat was geworden en 
nog natter werd door den aanhoudenden zwaren regen en den 
wind , die van alle kanten binnen drong. Het bleek nu dat 
wij in eene felle donderbui gezeteld waren. Het weerlicht was 
zoo hel en flikkerend, of het in onze directe nabijheid, mei 
zware donderslagen vergezeld , zich ontwikkelde en toch duurde 
het vrijlang eer wij den donder hoorden rollen. Dit lieve leven 
duurde tot zonsopgang, dien wij echter hier niet meer bijwoon- 
den, daar wij nog steeds in de wolken verkeerden, waardooi 
de dageraad van den 15den September zeer flaauw aanbrak. 
Het wilde maar niet goed dag worden , daar de wolken ons 
steeds bleven omhullen; gelukkig dat wij niets van de koude 



267 

te lijden hadden. De thermometer van Fahr. zakte niet lager 
dan 70°, zoodat v, ij besloten om 9 U des morgens dit ongastvrije 
oord te verlaten. 

Wij ontsnapten niet eer aan deze wolkenmassa , voordat wij 
een goed eindweegs waren afgedaald. 

De weg was door dien regen zoo mogelijk nog modderiger 
en gladder geworden, en wij moesten dus alle spierkracht in 
onze heenen te hulp roepen, om de steilten weder af, te dalen , 
zonder te struikelen of uit te glijden ; het laatste gebeurde mij 
slechts eenmaal, waarbij ik wel een pas of tien naar beneden 
gleed. Ik was echter de eenigste niet, die zulk een mal figuur 
maakte. Dit alles liep echter zonder ongelukken af, en wij 
kwamen des namiddags 5 U behouden weder te huis. De afstand 
van de hoofdplaats tot op den top van dezen berg schatten 
wij op 8 a 9 palen. De vegetatie was op den top, zooals 
reeds is aangemerkt, niet zoo krachtig als meer ben eden waarts, 
hetgeen nu wel niet aan de hoogte zal moeten toegeschreven 
worden , maar aan de omstandigheid dat de planten hier geheel 
aan alle winden zijn blootgesteld. De verscheidenheid was nog 
al belangrijk, maar weinig verschillend van de meer beneden- 
waarts groeijende soorten. Ik zag er geen enkele plant uit 
de familie der Ericaceae of Vaccineae, zooals men die elders wel 
op minder hooge bergtoppen aantreft. Daarentegen groeide er 
onder de gemengde vegetatie veel Leptospermum Amboinense 
en eene fraaie kleine boom van Podocarpus (Disticha). Zeer 
interesseerde mij ook eene varensoort : Polypodium of Actinop- 
teris, (Pakoe Seroeas) in den Aorm van Polypodium Dipteris, 
met stengen niet dikker dan een pijpensteel en van 5 v lof 
10 v lang, naar gelang ze op min of meer met humus bedekte 
steenen voorkwam. Het bladscherm was verdeeld in 20 tot 
50 lange smalle bladeren , die sierlijk op den steel een kring 
vormen , aan de eene zijde , waar de kring gesloten wordt , 
verkort met eene hartvormige opening. Eene kleinere soort, 
die eenige overeenkomst met bovengenoemde had , vond ik be- 
neden aan de Soengei Sipientjan; zij is niet minder sierlijk. 



268 

Haar scherm is regelmatig herhaald verdeeld , zoodanig dat het 
zich op den steel eerst in tweeën spl tsl , uit deze 2 deelen 
ontstaan er 4, uit deze 8, vervolgens 16, tot ze in 52 slippen 
of bladeren eindigen, die mede als een scherm geplaatst zijn. 
De Polypodium Dipteris komt hier ook veelvuldig onder de nieuwe 
soorten voor. 

De oogst aan planten was vrij belangrijk en van de voor- 
naamsten zond ik, behalve herbarium, ook levende planten of 
zaden aan 's Lands plantentuin te Buitenzorg , alles is zeer goed 
overgekomen. 

Met het dierenrijk was het armoedig gesteld, zelden hoort 
of ziet men een vogel , veelmin een viervoetig dier. De varkens 
behooren meer in het benedenland te huis. De Moschus Napu 
zwerft hier echter tot op het hoogste gebergte, zooals ons 
bleek uit de vallen , (perangkab) die wij op onze reis ont- 
moetten, doch aan welke in langen tijd niets scheen gedaan 
te zijn, daar ze allen half verrot waren. Onze gids Kottol, 
uit de kampong Marawang verhaalde ons dat hij zelf die vangst 
wel eens ondernam. Herten of Kidangs komen in dezen archi- 
pel niet voor, tenzij zij van elders ingevoerd zijn, hetgeen op 
het eiland Siengkiep het geval is en op Liengga vroeger ook 
was, op het laatste eiland zijn ze thans weer uitgeroeid. 

Den 16den Septemher had ik druk werk om het medegebrachte 
te verzorgen, en bovendien had ik rust noodig om de been- 
spieren tot verhaal te doen komen. Droog weer. 

17 September, zware legenbuijen. De kotter met brievei 
en provisiën van Riouw teruggekomen. 

18 September, des voormiddags wind en regen; 's namiddag 
droog. 

19 September, 's morgens vroeg en des voormiddags regen, 
later regenachtig. 

20 September, regen en den gansehen dag guur weer. D( 
nachts had ik het bij 74° fahr. zoo koud, dat ik mijn wollei 
deken moest gebruiken. 

21 September, een fraaie dag. 



269 

22 September, een fraaie dag. 

25 September, idem: doch des namiddags sterke wind met 
een weinig regen. Des avonds bragt de Sulthan ons een bezoek. 

24 September, de kotter met brieven naar Riouw vertrok- 
ken, fraai weer, doch winderig, met onweer in het gebergte, 
dat met wolken beladen was. 

25 September , met den heer Goldman maakten wij een uit- 
stapje naar Boekiet Oewan Pêhlóh, gelegen tusschen den Boe- 
kiet Sipientjan en het Sipientjan-gebergte ; ten einde de Soengei 
Sipientjan eens op te nemen, die door 4 verschillende armen 
gevoed wordt. Drie van die armen moesten wij passeeren nl. 
die welke ten westen van de Boekiet Oewan Pêhlóh stroomen, 
terwijl de 4 e oostelijk van dien Boekiet loopt. Allen ontstaan 
echter uit het Sipientjan-gebergte. 

Wij hadden aanvankelijk weder denzelfden weg gevolgd, die 
mij naar den Boekiet Sipientjan gevoerd had, doch weken daar- 
van rechts af, voor dat wij den laatsten oversteek zouden doen, 
zoodat wij nu de rivier links hielden, daar waar ik hem vroe- 
ger, na den overtocht, rechts gekregen had. Eindelijk moes* 
ten wij hem hooger op toch ook overschrijden. Tot aan dezen 
laatsten oversteek was het land meestal vlak, en een weinig 
golvende tot aan den voet van den Boekiet Oewan Pêhlóh, waar 
het op eens zeer steil werd tot op het hoogste punt, van waar 
het weder even steil naar eene vallei, tusschen ons en den 
eigenlijken Goenoeng Sipientjan, afliep. Na het kappen van 
eenig struikgewas, kregen wij ten zuiden een ruim gezicht op 
de zee en het eiland Kolombo, de aan zee gelegene Boekiet 
Tjinieng, de vlakte der hoofdplaats en de Soengei Dai. Aan 
de andere of n. o. zijde zagen wij niets dan de hellingen der 
verschillende verhevenheden van den Goenoeng Sipientjan. Ten 
zuidwesten lag het Dai-gebergte. Daar wij niet op een ron- 
den top waren , maar het hoogste punt een smalle rug vormde, 
hadden wij in de verlenging daarvan niet het minste uitzicht. 
Ons hoogste standpunt zal wel niet meer dan db a00 v bedra- 
gen hebben, en de afstand van de hoofdplaats ± o paal. 



270 

Het zachthellende terrein aan den voet van den door ons 
beklommen heuvel — dat iets meer verheven is, dan het meer 
beneden gelegene vlakke land, hetgeen tol sawah's zon kunnen 
ingerigt worden — zou voor verschillende kuituren zeer ge- 
schikt zijn. daar de bodem eene goede laag humus en vrucht- 
baren ondergrond bezit, 

Om ll u kwam eene duchtige regenwolk ons wat verfrisschen, 
doch gleed gelukkig spoedig voorbij , waarna wij op ons gemak 
konden middagmalen , om daarna den terugtocht aan te nemen. 
Om 5u des namiddags waren wij weder te huis. De oogst 
aan planten was niet rijk , maar toch bleef onze moeite niet 
onbeloond. Onder meer vond ik hier weder de schoone Con- 
volvulacea die ik ook op Bientang geoogst had, doch waarvan 
de stekken niet levend te Buitenzorg waren aangekomen. Ik 
sneed daarom nu de geheele plant aan stukken en plantte ze 
in eene kist; hiervan zijn levende planten overgekomen. Kam- 
fer en Getapertja-boomen kwamen ook hier menigvuldig voor, 
doch van de laatsten alweder niets dan jonge boompjes. 

26 September, fraai weer doch winderig. 

27 September, idem. 

28 September, zware winden uit het z. w. met onweers- 
wolken in 't verschiet, die echter over de toppen van het Dai- 
gebergte wegdreven; geen regen. 

29 September , 's morgens 8" eene hevige donderbui, die nu 
in tegenstelling van gisteren , uit het oosten kwam opdagen en 
den hemel geheel bedekte, doch na verloop van 1 I 2 Ü ' voorbij 
getrokken was ; daarop volgde fraai weer. 

30 September, windstil, bewolkte lucht, geen regen. 

1 October, 's morgens fraai weer, 's middags regenbuien. 

2 October, Bewolkte lucht en soms zonneschijn. 
5 October , van 's morgens vroeg regen , die om 9 U tot een 

stortregen uit het z. w. overging en tot 's namiddags aan- 
hield, toen om 4 U de lucht nog opklaarde. 

4 October, 's morgens weder regenachtig, doch de lucht klaarde 
tegen ll u wat op, en daar wij enkel op het doorkomen van 



271 

den vloed wachten , om een reisje van eenige dagen te water 
en Ie land te ondernemen, namen wij op dat uur plaats in 
eene sloep, terwijl een sampan-pandjang ons met benoodighe- 
den voor de reis, volgde. Wij roeiden de Soengei Dai uit, 
met het doel om over zee naar Karandieng aan de zuidkust, 
te varen, doch zoodra wij in open zee waren, kregen wij te- 
genwind , terwijl de opkomende vloed ons daarbij eene zware 
zee bezorgde, zoodat de golven nu en dan over het boord onzer 
ranke sloep naar binnen rolden, Dit was niets pleizierig en, 
daar tegen den wind moest opgeroeid worden , kwam de schuit 
weinig vooruit. 

Er werd daarom besloten terug te keeren en om 5 U 's na- 
middags waren wij weder te huis. Naderhand, toen het te 
laat was, vertelde men ons dat wij te Moesai, waar wij reeds 
gepasseerd waren, hadden kunnen binnenloopen, om van daar 
de reis overland te vervolgen. Het speet ons te meer dit niet 
eer geweten te hebben, wijl het fraai weer bleef. 

5 October. Om 2 U des namiddags voeren wij de Soengei Dai 
weder uit en daar de wind weder tegen, en de zee ook niet 
zeer kalm was, besloten wij om nu maar direct de Soengei 
Moesai in te varen. Dit ging ook al niet zoo gemakkelijk, daar 
dit riviertje zeer smal is en vele scherpe bochten maakt, zoo- 
dat eindelijk de sloep, wegens ondiepte, niet verder kon. Langs 
de rivier bevonden zich eenige sagoefabrieken en bij de laatste 
sloegen wij , ± een uur roeiens van de koewala , ons bivouac 
op in een open, op palen staand loodsje, juist ruim genoeg 
voor ons beiden om er onze legersteden op te kunnen uit- 
spreiden. 

Het doorvaren terrein was van de koewala af, overal drassig 
en met heesterachtige moeras vegetatie bezet. Op onze pleis- 
terplaats zag het er niet veel beter uit, zoodat wij ons maar 
weinig bewegen konden, om niet in de modder of de rottende 
sagoe-ampas, te blijven steken. Ook kwamen in deze zooge- 
naamde kampong hier en daar sagoeboomen voor, waar het 
iets drooger was, zelfs kalapaboomen ; maar overigens was het 



272 

terrein geheel tusschèn de sagoeboomen ingesloten en doorsne- 
den met beekjes en geulen en verder digtgegroeid met boog 
gras én wilde struiken. Het water had overal een roode vuile 
kleur, maar werd bij gebrek aan beter, toch gedronken; slechts 
bij zeer hooge vloeden, dringt het zeewater wel eens tot hier 
door. Wij zorgden echter steeds zooveel mogelijk goed drink- 
water in flesschen voorhanden te hebben. 

Omtrent de sagoefabrieken zal ik hier slechts mededeelen, 
dat bet vuile rottende mesthoopen zijn , waarover men niet 
loopen kan, zonder daarover eerst planken of iets dergelijks 
te leggen; ook zien de woningen er ellendig en smerig uit. 
Later zal ik, ook omtrent de bereiding, eenige nadere mede- 
deelingen doen. 

6 October. Des morgens begaven wij ons vroegtijdig te voet 
op reis naar Semarong, alwaar wij eerst om 4 U des namiddags 
aankwamen, daar ook hier het voetpad niet beter was dan 
overal elders en dit vele onaangename variatie's opleverde, zoo 
door de modder en door de geïnundeerde streken, als dooi* 
de uitgestrekte moerassen, waarover wij over allerlei soorten 
van boomstammen, dikke en dunne, kromme, scheve en 
hellende , als koorddansers moesten balanceeren , op het gevaar 
af van bij een misstap of bij uitglijden in het moeras te vallen. 
Dan eens ging het over heuvelachtig terrein, klimmende en 
dalende, door oerwalden, waar men het pad geen oogenblik 
uit het gezicht mocht verliezen, om niet over de wortels dei 
boomen of steenklompen te struikelen, of op den glibber igen 
bodem uit te glijden. Dan weer door de brandende zon over 
uitgeteelde ladangs, waar geen enkel windje eenige verkoeling 
aanbracht , totdat wij eindelijk — na ons middagmaal op eene 
gambier- en peperplantage genuttigd te hebben, en nog eene 
andere dergelijke ladang gepasseerd te zijn — aan den oever 
der baai van Semarong aankwamen, waar de vriendelijke en 
hulpvaardige Batin van Semarong, ons met 5 kleine sampans 
kwam afhalen. Na nu nog een tijd lang die baai of iuham 
ingeroeid te zijn, kwamen wij aan zijne woonplaats, waar 



275 

hij alleen zonder zijne onderhoorigen — die hier en daar ver- 
strooid woonden — verblijf hield. Hij bood ons een zeer goed 
vertrek in zijne nette planken woning aan, doch wij prefereer- 
den eene opene, nog in aanbouw zijnde woning op hooge palen, 
die reeds onder dak was, tot ons nachtverblijf, en, nadat de 
nog niet aanwezige wanden met kadjangmatten behangen wa- 
ren , brachten wij er den nacht rustig door. 

Menige schoone plant mocht ik op het afgelegde traject in- 
zamelen , tot zelfs eene Alpenroos (Rhododendron) die ik op de 
takken van eenen omgevallen grooten boom in het moeras, 
parasitisch, in menigte vond en gelukkig levend naar Buiten- 
zorg overbracht. Een der knoppen ontwikkelde zich nog 
op de hoofdplaats met zwavelgeele bloemen, die ik voor het 
herbarium bestemde: aan het strand vond ik later op de Rhi- 
zophoren nog eene epiphytische Ericacea en als heesters ook de 
Vaccinium Malacceuse, welke ik tot dus verre hier nog niet 
had aangetroffen. Ook andere, daar verzamelde planten kwamen 
levend over, hetgeen anders met de weinige ons ten dienste 
staande hulpmiddelen, niet gemakkelijk is. Om ze voor uit- 
droogen en beschadiging op de prauwen te bewaren, pakte 
ik ze eenvoudig , evenals herbarium tusschen papier en sassalis, 
die dan natuurlijk niet gedroogd, maar in de schaduw moeten 
gehouden worden, wat dan ook zeer goed voldeed. 

7 October. De Batin die ons vergezelde, had ons nu twee 
grootere ruime prauwen bezorgd, waarmede wij des morgens 
weder vroeg naar Soengei Papan vertrokken. Wat men hier 
onder soengei verstaat zijn geene rivieren, maar werkelijk 
baaien, die diep het land indringen en waar geene kwestie van 
zoetwater is. Wij roeiden de baai uit en waren nu in volle 
zee aan de noordkust van Liengga, en door eene massa groote 
en kleinere eilanden gedekt, zoodat de zee zeer bedaard was. 
Om ll u waren wij reeds de mede zeer uitgestrekte baai van 
Soengei Papan ten einde, waar wij eene vuile Chineesche 
kampong vonden , welke wij , door een Chineesch Hoofd geleid , 
doorwandelden; ook bracht hij ons in de amfioenkit, waareen 

deel xxxiv. 18 



274 

paar verdachte chineesche dames onder de mannen zaten te 
dobbelen. De vrouw van het Hoofd, eene Sienggapoersche dame, 
die ons gepresenteerd werd, beviel ons het beste en zag er 
werkelijk zeer lief uit. De overige chineesche woningen zagen 
er alle zoo havenloos en morsig uit, dat wij besloten maar 
naar onze prauwen terug te keeren, het middagmaal te nut- 
tigen onder eene groote, op invallen staande, aan strand gele- 
gen loods, en toen weder terug te keeren. 

Zoowel bij het in als uitvaren dezer baai hadden wij daar 
stroomrafeling en eene massa kleine draaikolken, die echter 
niet gevaarlijk waren. Zoodra wij buiten de baai waren, gin- 
gen wij aan wal om langs het strand te botaniseeren en te 
jagen, en lieten de prauwen langzaam volgen. Het strand was 
zandig en gemakkelijk te begaan, doch soms kwamen ons de 
Rhizophoren of in zee loopende rotsen den weg versperren; 
dan stapten wij weder in de prauwen, om verder op weder 
te landen, totdat wij tegen het vallen van den avond een aan 
het strand staand gehucht (Sassa) bereikten, waar wij weder 
in eene opene loods bivouackeerden. 

Al wandelende had ik eene goede verzameling van planten 
opgedaan en de heer Goldman vermaakte zich met de jacht 
op vogels en schelpen, zijne vangst was echter niet groot. 

Even voor Sassa, vond de heer Goldman aan het strand 
steenkolen zoo hij meende, doch bij onderzoek bleek het dat 
ze niet branden wilden. Wellicht wordt echter op meerdere 
diepte eene betere soort gevonden, hetgeen wel verdient nader 
onderzocht te worden. 

8 October. Heden vervolgden wij onzen koers verder oost- 
waarts naar Liemboong , vertrokken om 6 U 's morgens en kwa- 
men des avonds 6 U ter bestemde plaats aan. Onze roeiers 
werden met den Batin naar Semarong en Moesai teruggezonden 
om onze vaartuigen naar Karandieng te brengen, werwaarts 
wij van Liemboong over land zouden vertrekken. De Batin 
kwam met eenige, door ons achter gelatene goederen terug 
en vergezelde ons verder op de zeereis. 



275 

Van Soengei Papan af hadden wij een paar Djoekoeng's (kleine 
prauwtjes) met derzelver roeiers , medegenomen , om het landen 
gemakkelijk te maken; daarvan trokken wij ook nu weder 
partij, om hier en daar aan den wal te gaan botaniseeren en 
jagen. Halverwege bezochten wij ook de kampong Sekana, 
waar wij ons middagmaal dachten te nuttigen, doch het zag 
er , zoowel bij de Maleijers als bij de Chineezen, zoo onzindelijk 
uit , dat wij besloten liever op onze sampan te dineeren en 
tevens de reis te vervolgen. Te Liemboong vonden wij bij den 
hulppriester in diens woning een vrij hoog doch goed logies, aan 
strand , gedeeltelijk in zee , gebouwd ; doch des morgens 4 U be- 
gonnen de hanen, in onze onmiddelijke nabijheid, hunne stemmen 
zoo te verheffen, dat er niet meer aan slapen te denken viel. 

9 October. Eerst nu had ik gelegenheid om al het door mij 
verzamelde goed na te zien en te verpakken, waartoe wij 
hier een dag verbleven. 

Beoosten Liemboong wordt het land geheel vlak en, volgens 
zeggen, ook moerassig, — zoodat er ook veel sagoe voorkomt, 
vooral van de Telok-baai wordt veel uitgevoerd naar Soengei 
Dai — doch eindigt ten leste bij Tandjong Hiang en de Telok- 
baai, met eenige heuvels. Bewesten en ten zuiden van Liem- 
boong eindigt het heuvelachtige terrein , dat van het Sipientjan- 
gebergte langzamerhand afdaalt. Behalve het hoofdgebergte, 
Dai en Sipientjan, is het geheele eiland afwisselend met heu- 
velachtig en moerassig terrein doorsneden; dit laatste terrein 
is bijzonder voor de sagoecultuur geschikt, die daarop dan ook 
reeds veelvuldig voorkomt. Behalve dat de sagoe voor eigen 
gebruik gemaakt wordt, wordt zij veel uitgevoerd. Die cul- 
tuur kan echter nog aanmerkelijk worden uitgebreid , zoo door 
het volplanten der ledige ruimten in de bestaande tuinen, als 
door het aanleggen van de overvloedige nog onbebouwde stre- 
ken, hiertoe zijn de Maleijers echter te vadzig. 

De drooge zachthellende gronden zijn, behalve voor allerlei 
soorten van vruchtboomen , zeer geschikt voor gambier- en 
pepertuinen, enz. 



276 

10 October. Des morgens 6 U verlieten wij Liemboong en 
staken bet eiland dwars over naar de rivier Karandieng, die 
ten zuiden uitwatert. Ons pad liep aanvankelijk alweer door 
moera§ en door sagoeplantages , die er even verwaarloosd uit- 
zagen, als de vroeger geziene, totdat wij op heuvelachtig ter- 
rein in een oerwald kwamen, waar eene vrij goede weg werd 
aangetroffen. Aan de andere zijde van dit bosch daalden wij 
weder af op een vlak en eindelijk modderig land, waar wij 
onze vaartuigen aan het hoofd der rivier gereed vonden. Deze 
wandeling werd in 1| uur volbracht. De rivier was in den 
beginne vrij smal, met veel kronkelingen en hindernissen, wegens 
de overhangende stammen en takken der hier nu weer heer- 
schende moer as vegetatie. Op eenigzins verheven plaatsen vindt 
men nog sagoeboomen en sagoefabrieken aan den kant der ri- 
vier. Meerdere spruiten , die in de rivier uitwateren en Siem- 
pangans: verbindingen tusschen de hoofdrivier, die lange 
bochten daarvan afsnijden, worden hier gevonden en soms 
zijn ook opene waterplassen meer binnen waar ts zichtbaar. 

Na ± 5 uur varens kwamen wij aan een breeden inham 
der zee>, bij Tandjong Karandieng. Wij hadden tot daartoe 
goed weer, maar kregen nu een regenbui, waaronder wij in 
zee staken; echter waren wij nog niet ver gevorderd, toen 
ons een storm uit het z. w. overviel, die onze oude sloep als 
een nootendop liet dobberen, waarmede wij niet zeer ingeno- 
men waren. Aan terugkeeren viel niet meer te denken en 
evenmin aan ergens binnenloopen , wijl er geene rivier in de 
nabijheid was. Wij zagen echter een zandig strand in de 
kleine baai Sêriem en richten op goed geluk af, om niet op 
rotsen te stooten , de vaartuigen derwaarts, en het gelukte ons 
zonder ongelukken, door de hevige branding het strand te be- 
reiken. Het woei hier ook hevig, doch de sloep werd met 
veel moeite in eene vooraf opengekapte geul geborgen, en de 
sampan-pandjang zweefde tusschen de in zee staande Prapat- 
boomen (Sonneratia). Het regende daarbij onophoudelijk, 
maar toch waren wij ■, na verloop van een uur , onder dak van 



277 

de medegebragte kadjangmatlen en weer geheel op ons gemak. 
Toen echter kwam de onzalige gedachte op, om weder zee te 
kiezen, daar men meende dat de zee nn bedaard genoeg was, 
doch nauwelijks waren wij buiten deze kleine baai, of de 
storm brak op nieuw los en wel nog heviger dan te voren. 
Omkeeren ging moeielijk en toch durfden wij de reis niet ver- 
volgen, zoodat ons niets anders overschoot, dan maar weder 
ergens binnen te loopen , waartoe de Soengei Plandoh het naast 
aan de beurt lag. Dit ging evenwel niet gemakkelijk door de 
hevige branding over den modderigen bodem en, bad niet een 
goed stuurman aan het roer gezeten , dan was onze sloep zeker 
door de hooge golven der branding ten onderstboven gekeerd. 
De sampan-pandjang kwam er nog slechter af daar hij buiten 
de geul op de modder geraakte en een oogenblik als in de 
golven begraven lag, hij kwam echter, na veel water ingeno- 
men te hebben, toch weer boven en zoo geraakten- wij einde- 
lijk in de smalle modderige rivier en zaten daar rondom in 
de modder begraven. In de sloep te moeten vernachten en 
steeds op dezelfde plaats te moeten blijven zitten, is niet aan- 
bevelenswaardig; daarom lieten wij ons over de modder naar 
eene kleine inlandsche woning dragen, die ons door den eige- 
naar werd afgestaan. Daar zaten wij nu wel in een klein 
huisje, doch konden daar buiten geen voet zetten, zonder in 
de vette grijze klei te zakken. Deze geheele streek , direct aan 
zee, bestaat uit zulk terrein en eenige sagoefabrieken aan de 
overal modderige rivier. Wij brachten er echter den nacht 
Fustig op onze legersteden door. Waren er nu maar goede 
wegen, dan hadden wij de reis te voet kunnen vervolgen, daar 
wij niet zoo ver meer van de hoofdplaats verwijderd waren. 
Daaraan viel echter niet te denken. 

11 October. Des morgens lagen onze vaartuigen bij laag 
water in de modder gezakt; daar de zee echter tot bedaren 
gekomen was, scheepten wij ons weder in, en lieten nu alle 
hens, door de modder ploeterende, trekken en duwen, waar- 
door de vaartuigen over de gladde modder heen gleden, te 



278 

water geraakten en door een der geulen, die tusschen de uitge- 
strekte modderbanken langs de kust liggen, in open zee kwamen. 
Eerst echter hadden wij door verkeerde wending van het roer, 
eenige fiksche golven binnen boord gekregen die ons doornat 
maakten , hiertoe bragt ook een aanhoudende regen veel bij. 
De zee was bedaard en men roeide er flink op los, zoodat wij 
om iO u op de hoofdplaats aankwamen. 

Aan de noordkust hadden wij overal slecht drinkwater ge- 
vonden, dat ons diarrhee en den heer Goldman ook buikpijn 
bezorgde, wat echter geene verdere nadeelige gevolgen had. 

Aan deze kust ontmoetten wij ook een viertal sampans der 
»orang laut" of Tamboes die hier overal rond zwerven en hun 
bestaan op zee vinden. 

Voor onze tafel had de heer Goldman gezorgd, wat wel 
noodzakelijk was, wijl men bij de inlanders niets, daartoe be- 
trekking hebbende, koopen kan, daar zij het niet bezitten. 
Slechts sagoe en kippen zijn bij hun te verkrijgen , het laatste 
niet eens overvloedig. 

12 October, 's morgens fraai weer, doch later winderig en 
regenachtig, nog altijd uit het z. w. 

15 October, des nachts regen, 's morgens winderig en verder 
bewolkte lucht. 

14 October, des morgens 10 u scheepten wij — de heer Gold- 
man en schrijver dezes — ons in op de Moona gevolgd door 
een sloep, om naar Siengkiep (geen Singkep) te vertrekken 
en den Sultan, die ook reeds eenige dagen daar vertoefde, een 
bezoek te brengen en tevens de tin-exploitatie in oogenschouw 
te nemen. De zee was kalm, doch de wind was te zwak om 
te zeilen, zoodat er aanhoudend geroeid moest worden. Dit 
ging niet vlug en had ten gevolge dat wij eerst des avonds 
8 U den vasten wal 'van Siengkiep bij Batoe Poetie aan de oost- 
kust bereikten en daar ten anker kwamen. 

15 October. Des morgens 6 U gingen wij over eene breede 
koraalbank, die bij laagwater droog lag, aan wal en wan- 
delden langs het strand; waar dit wegens de in zee uitste- 



279 

kende rotsen, niet mogelijk was, volgden wij binnenpaadjes, 
die telkens weder aan de kust uitkwamen, tot dat wij langs 
een zandig strand, aan het verblijf des Sulthans aankwamen, 
terwijl de Moona en de sloep over zee volgden, en bijna ge- 
lijktijdig om 10 u aankwamen. 

De Sulthan ontving ons zelf, met eenige leden zijner fami- 
lie en geleidde ons in een , in de nabijheid zijner woning staand, 
pas voor ons opgericht , zeer net en gemeubileerd gebouwtje 
met houten stijlen, waarin 2 kamertjes met voor en binnen 
kamer waren, omgeven en afgescheiden met kadjangmatten. 
Wij waren hier recht op ons gemak, dewijl er ook voor eene 
badkamer en andere gemakken gezorgd was. Z. H. zelf be- 
woonde een klein doch net planken gebouw, waarin hij met 
zijn gansche gezin verblijf hield. Des avonds 6 U ' brachten wij 
hem eene visite. Hij ontving ons even hartelijk als te Dai. 
Van zijne vrouwelijke omgeving kregen wij nu echter, even 
min als vroeger, iets te zien; wel waren er vele mannelijke 
Anak Radjah's , broeders ^en verdere aanverwanten des Sulthan's, 
die hier in massa gevestigd zijn. Het Boegienesche element 
is hier weinig in achting en oojt niet vertegenwoordigd. 

Het terrein , waarop wij ons bevonden , was volgens verkla- 
ring van den Sulthan, voor 25 jaren nog open zee, maar tot 
aan het — een paar honderd passen — verwijderde strand, met 
reeds hooge vruchtdragende kalapa boomen bezet. Dit , en voor- 
namelijk het achterliggende vlakke terrein is, ter hoogte van 
ruim 10 v tot aan de daar achter liggende rivier, met zeezand 
opgehoogd , waaronder ter diepte van nu 55 v eene zware tinerts- 
laag, van 5 V tot 4 J /2 V dikte, zich bevindt. Deze laag strekt zich, 
onder het etablissement door , tot in zee uit : men ziet bij laag 
water, dan ook lieden in zee met wasschen van tinerts bezig. 

Wij bezochten ook de in de nabijheid gelegene tinmijn, welke 
reeds eene diepte van 30 v bereikt had; door het graven eener 
put was men tot de wetenschap gekomen dat er nog 5 v diepte 
moest weggeruimd worden, als vorens op de tinlaag te komen. 
Het regenwater werd met een kettingmolen (kintji) van 



280 

75 v lengte, opgebracht, niettegenstaande eene stoommachine, 
om een pomp met 2 zuigers in werking te brengen, aanwezig 
was ; doch daar deze machine wegens deszelfs zwaarte moeielijk 
te verplaatsen was , zooveel brandstof verslond en dit inde nabij- 
heid niet meer voorhanden was , maar van elders moest worden 
aangevoerd , prefereerde men nu maar voorloopig met den ketting- 
molen te werken, die door stroomend water gedreven werd. 

Eene andere machine of tonmolen (*), waarom een lang touw, 
aan welks uiteinden karretjes verbonden waren, waarvan het 
eene, door het rond draaijen der tonmolen — die door een paar 
karbouwen of sapie's in beweging gebracht wordt — over hel- 
lende rails opgetrokken, terwijl het andere neergelaten wordt, 
om de aarde uit de mijn naar boven te brengen, was mede 
aanwezig, maar nog niet in werking gebracht. 

De rivier, die uit het gebergte komt en op zekeren afstand 
achter het etablissement heenstroomt, geeft overvloedig water 
en is op zekere hoogte afgedamd, van waar het met eene lei- 
ding naar het hoogste punt der ontginning geleid, de ketting- 
molen in beweging brengt en tevens tot het wasschen der 
tinerts dient. 

Een smeltoven, gelijk aan de op Bangka in gebruik zijnde, 
bevond zich in een afzonderlijk gebouw. 

Het etablissement bestaat uit slechts weinige huizen van 
maleijers, benevens eenige krotten voor de chinesche mijnwer- 
kers. Aan den mijnarbeid nemen ook maleijers deel. Van de 
eersten waren er 250, en van de laatsten 50 man werkzaam. 

Den 16den October maakten wij, in gezelschap van den Sulthan, 
eene wandeling over de golvende vlakten , waarouder de tinerts 
bedolven ligt, en kwamen toen aan eene andere mijn, die wei- 
nig bevredigende resultaten beloofde, daar volgens putboring 
die mijn niet veel tinerts zal opleveren, welke daarbij 25 v 
onder de oppervlakte gelegen is. 

Eene derde mijn, die reeds verlaten was, scheen met nadeel 
gewerkt te hebben. Daar hadden zich vele koortsgevallen 

(•) Biyfehaar wordt hier geen toamolen, maar een haspel bedoeld. (Red.) 



281 

onder de chinezen opgedaan. In een daar nog staande chine- 
sche woning had men den Tapèkong zelfs in brand gestoken, 
omdat die goede man zoo weinig zorg voor de mijnwerkers 
gedragen had. De overgeblevene arbeiders houden zich nu 
bezig hier en daar putten te graven , waaruit nog al veel tinerts 
verkregen wordt. 

Het terrein, dat wij heden met den Sulthan doorwandelde, 
droeg overal de sporen van vroegere koeliet bewerking. Om 
tot de wetenschap te geraken, waar en hoeveel tin in deze 
streken nog te vinden is, ware het wenschelijk dat het geheel 
door een deskundige werd opgenomen en door boring de aan- 
wezigheid der hoeveelheid nog voorhandene erts werd gecon- 
stateerd. Zoolang dit niet geschied is, zal men in den blinde 
blijven voortwerken. Ook ware het wenschelijk, dat die ge- 
heele zaak door partikulieren werd overgenomen , die meer orde 
en regelmaat in de bewerking zouden daarstellen. De Sulthan 
zou ook niet ongenegen zijn, om deze zaak op billijke voor- 
waarden aan soliede Europeanen af te staan. 

Des avonds maakten wij eene wandeling naar de, in de nabijheid 
van het strand gelegene kampong Dabo , die bij de uitwa tering aan 
zee van de rivier van dien naam, aan beide zijden gelegen 
en nog al uitgebreid is, en zeer goede planken huizen van 
maleijers en enkele chinezen bevat. 

Het gebergte was te ver afgelegen — evenals op Liengga ligt 
hiervoor ook eene uitgebreide golvende vlakte — en er beston- 
den geen wegen derwaarts om dit te gaan bezoeken. Wij 
dachten dit echter van een ander punt der kust te kunnen 
bereiken, hetgeen ons ook niet gelukte. 

17 October. Na des morgens afscheid van den Sulthan ge- 
nomen te hebben, scheepten wij ons op de sloep in, daar de 
Moona wegens het laagwater, niet uit de rivier kon gebracht 
worden. De vloed, dacht men, zou hem des namiddags 3« wel 
vlot maken en zou hij ons dan volgen. Wij hadden ons echter 
misrekend, daar wij hem de gansche reis niet terugzagen. Wij 
waren nog niet lang in zee of er kwam uit het oosten eene 



geduchte donderbui opzetten, zoodat wij het raadzaam oor- 
deelden om maar zoo spoedig mogelijk te landen , hetgeen ons, 
na vele hindernissen over de koraalbanken , toch eindelijk ge- 
lukte. Doch nu kregen wij de volle laag uit die bui te land 
aan de onbewoonde kust , zoodat wij druipnat waren , toen 
wij eene schuilplaats in eene kampong in de nabijheid van 
Batoe Poetie gevonden hadden. Toen de regen wat bedaard 
was, wandelden wij verder langs het strand, terwijl de sloep 
ons volgde, op reis naar Soengei Lanjut aan de noordkust. 
Het duurde echter niet lang of wij moesten de sloep weder 
beklimmen , daar de Rhizophoren ons den weg langs het strand 
geheel versperden en het op nieuw begon te regenen ; dit hield 
den ganschen dag, doch in mindere hevigheid aan. Toch be- 
gaven wij ons weder aan wal en wandelden, meestal overeen 
los met witzand bedekt strand , afgewisseld met scherpe rotsen 
en de opstaande puntige luchtwortels van den Prapatboom, 
totdat wij om 2 U des namiddags onze bestemming bereikten. 
Hier vonden wij — nog altijd in een stofregen — nergens een 
dak, want de Maleische huizen, die bewoond zijn, zijn daar- 
voor niet ingericht; eindelijk werd ons een open loodsje, dat 
tot berging van atappen diende, afgestaan. Na dit gezuiverd 
en met atap omhangen te hebben, kwamen wij toch ten leste 
onder dak. Een vriendelijke, daar ook wonende chinees voor- 
zag ons van planken , om balé-balé's voor tafel en rustplaatsen 
daar te stellen, en wij zouden zeer op ons gemak geweest zijn, 
zoo wij onze natte kleederen tegen drooge hadden kunnen ver- 
wisselen. De Moona, waarop onze goederen geladen waren, 
kwam echter niet, zoodat onze kleêren op ons lijf droogen 
moesten, hetgeen, wegens den aanhoudenden stofregen, ook al 
niet te best ging. Gelukkig hadden wij rijst medegenomen, 
visch kunnen koopen, eenige vogels geschoten, en wij behoef- 
den dus geen honger te lijden; in de kampong was niets te 
krijgen. Deze vuile kampong bestond uit slechts weinige hui- 
zen. Ongetroost omtrent hetgeen volgen zoude, gingen wij 
dus ter ruste. 



283 

18 October. Na den nacht op de harde planken, slechts 
met een matje bedekt , te hebben doorgebracht bevonden wij , 
bij ons ontwaken , dat de Moona nog niet was aangekomen , 
maar dat de Siilthan de goedheid had gehad, onze bagage in 
eene sampan-pandjang over te laden, en ons die te zenden; 
hiermede waren wij dus weder gered. 

De Sulthan liet ons daarbij weten, dat hij zich heden bij 
ons vervoegen zou, om gezamenlijk naar Soengei Tjoekas te 
vertrekken. Wij waren echter al veel te lang in de vuile 
kampong Lanjut geweest, om er nog langer te vertoeven; wij 
zetteden daarom onze reis naar Poelaka voort, en lieten den 
Sulthan Weten dat Z. H. ons daar heden vinden kon. 

Wij aanvaardden dus de reis en gingen hier en daar aan 
wal. Langs het strand zagen wij vele tuinen der Maleijers , 
waarin behalve jonge kalapaboomen ook nog Cassave, Batatas, 
Suikerriet, Ananassen, Mais, Laboe, enz. geteeld werden op 
een zandigen , doch met humus bedekten bodem, waarvan men 
het bosch gekapt en verbrand had. Zoodra echter de Lalang 
de overhand krijgt, doordien men die niet in tijds uitroeit, 
worden die tuinen verlaten, en alleen de kalapaboomen blijven 
over, die zich nu in ongunstigen toestand bevinden en zich 
daardoor slechts langzaam ontwikkelen. 

Door het lange wachten onder weg, op den sampan-pandjang, 
die ons nu vergezelde, en die op zijne beurt weder op onze 
keuken had moeten wachten, kwamen wij eerst omstreeks 
2 U 's namiddags in de Soengei Poelaka , en daar het juist hoog- 
water was, konden wij de zoutwaterrivier tot aan haar einde 
bij eene ingevallen en verlatene chinesche woning, die betere 
dagen gekend had — de huisbaas was met den noorderzon naar 
China vertrokken en had dit alles aan zijne schuldeischers over- 
gelaten — opvaren en aan eene mede op invallen staande brug- 
loods, aan land stappen. Wij waren daar nu echter ook 
gebannen tot dat de vloed ons den volgenden morgen zou 
veroorloovcn om weder in zee te komen. 

Daar het half ingestorte huis niet meer te bewonen was, 



284 

lapten wij van de afbraak eene loods te zamen, waarin wij 
den nacht konden doorbrengen. Wat wij hier eigenlijk doen 
moesten is mij niet duidelijk geworden, maar zeker had de 
onbekendheid met deze streek, ons dezen streek gespeeld. 

Even Yuil en smerig als het in de Maleische kampongs is, 
is het ook bij de meeste chinezen, die het gras nooit uitroeien, 
zoodat de paadjes enkel door het veelvuldig loopen ontstaan 
en daarom ook zoo modderig zijn. Al de afval van kalapa- 
boomen en allerlei vuiligheid wordt ter plaatse gelaten, om 
tot ontbinding over te gaan. In deze verlatene streek zag het 
er dan ook alles behalve zindelijk uit. Daarbij begon het bij 
onze aankomst juist te regenen, waarop gelukkig nog een zon- 
neschijntje volgde. 

19 October. Des nachts hadden wij drie boden van den 
Sulthan gekregen , die op het naburige eiland Penoeböh aange- 
komen was, en ons verzocht om bij hem te komen. Des 
morgens vroeg gingen wij hem opzoeken en vonden hem op 
zijne prauw Gèbeng, waarop hij des nachts geslapen had. 

De goede man was ons gevolgd, omdat hij vreesde dat wij 
een ongeluk op zee konden krijgen, en hij wilde ons nu naar 
soengei Tjoekas begeleiden, alwaar eene houtzagerij van kam- 
ferhout bestaat, die door een heer van Sienggapoera , met 
voorkennis en ten genoege van den Sulthan, gedreven wordt. 
Ook moet daar eene groote kampong bestaan. Men had ons 
echter gewaarschuwd, om met de thans heerschende windeu, 
die reis niet te doen , wijl onze vaartuigen daartegen niet zou- 
den bestand zijn. Wij onderwierpen dit aan het oordeel des 
Sulthan's, die het echter geheel aan onze keuze overliet. Hier- 
bij kwam nog dat de heer Goldman koortsachtig was, waarom 
wij maar besloten , om in stede van naar Soengei Tjoekas, naar 
Soengei Dai terugtekeeren. De Sulthan zou naar Siengkiep 
terugvaren. 

Hierna aanvaardden wij onze reis op nieuw. Instede van 
nu den naasten weg naar Siengkiep in te slaan , volgde de Sul- 
than- ons tot onder den wal van Liengga, en eerst toen wij bij 



285 

Taiidjong Basieng in veiligheid onder dien wal waren , verliet 
hij ons, om naar Siengkiep over te steken. Deze oversteek 
kan soms gevaarlijk zijn, wanneer wind en stroom, in twee- 
strijd, de golven tegen elkaar opjagen, zooals wij op 25 Au- 
gustus, daar ter plaatse, ondervonden hadden. 

Het mislukken der reis naar Soengei Tjoekas, bleek nu op 
een misverstand te berusten , daar de S uitban ons gezegd had, 
dat wij om de zuid derwaarts moesten varen, omdat wij dan 
wind en stroom meer in ons voordeel hadden. Door slechten 
raad van anderen, kozen wij den kortsten weg om de noord, 
maar konden nu ook van Penoebóh, door tegenwind en on- 
stuimige zee, Soengei Tjoekas moeielijk bereiken. 

Van Tandjong Basieng zetteden wij onzen koers zoo dicht 
mogelijk langs de kust voort, welke tocht door de vele in zee 
uitstekende rotsen en de brandingen daarop, ook niet geheel 
buiten gevaar is. 

Alles liep echter zonder ongelukken af, en kwamen wij des 
namiddags 2 U de Soengei Dai weder binnen. 

Deze geheele reis leverde mij weinig bijzonders op, daar de 
stranden, meestal van de natuurlijke vegetatie ontdaan, of nog 
in cultuur, of reeds weder verlaten waren. De bodem dezer 
aan zee gelegene vlakten 'bestond voornamelijk uit schrale zand- 
gronden of moerassen. Het gebergte was wel nog geheel 
met oerwald bedekt, doch het gelukte mij wegens den ver- 
ren afstand van de kust en het gebrek aan voetpaden niet, 
dit te naderen. De kamferboom moet op dit eiland, meer 
nog dan op Liengga, voorkomen, hetgeen ook blijkt uit de 
menigte planken van dien boom, die naar elders wordt uit- 
gevoerd. 

20 October. Het schoone weder van gisteren was des nachts 
reeds in regenbuien overgegaan, welke des morgens nog voort- 
duurden ; den ganschen dag was alles in wolken gehuld en de 
zon was niet zichtbaar. 

Des avonds kwam de Moona hier eerst terug. Na hare ver- 
lossing uit de Dabo-rivier van Siengkiep, had zij ons nog te 



286 

vergeefs te Soengei Poelaka gezocht, en bij den oversteek van 
daar naar soengei Dai, had zij met eene ontstuimige zee te 
kampen. 

21 October, fraai weer. 

22 October, idem; later regenachtig. 

23 October, idem en guur weer. 

Het stoomschip de Koehoorn kwam hier ter reede, ter af- 
haling van den hier gestationeerden kotter , om daarmede de reis 
naar Iendragirie, ter opname van die rivier, te vervolgen. 

De thermometer Fahrt. teekende des morgens 6 U 72°, 12 u 90°, 
4 U 95° en 6 U 84°. 

24 October, fraai weer, doch winderig. 

25 October: donderbuien in zee om de zuid; ll u regen en 
wind, later helder. 

26 October, fraai weer en warm tot 95°. 

27 October; het gebergte met wolken bezet; om 10 u een 
donder bui uit het noorden. 

28 October, fraai weer. 

29 October , 's morgens bewolkte lucht en regenachtig ; 8 U tot 
12u donderbuien; 's avonds droog. 

50 October , 's nachts regen , over dag fraai weer. 
31 October, 's nachts storm; 's morgens bewolkte lucht en 
winderig. 

1 November , fraai weer. Het begin der poeasa , des avonds 
6u met 17 zware kanonschoten van den Sulthan, aangekondigd. 

2 November , te middernacht hevige stormwind uit het wes- 
ten. De stolp der hanglamp in de voorgallerij afgewaaid en 
verbrijzeld. De deur open, de kapstok omver, en de lamp uit- 
gewaaid, eene nabijstaande loods ingestort, hevige stortregen; 
donder en bliksem vergezelde dit tooneel. 

Des morgens was de lucht nog met water damp overladen ; de 
zon niet zichtbaar, en den ganschen dag was het nog winderig. 

5 November , des morgens een donderbui uit het noorden vai 
het Sipientjan-gebergte , die de hoofdplaats echter slechts weinij 
regen bezorgde, de lucht met wolken bezet* 



287 

4 November, fraai weer, wolken uit n. en w. komfen op- 
dagen, doch verdeelen zich weer. 

De Daloe Slia Ahoe Hassan van Icndragirie teruggekomen. 

5 November, 's morgens fraai weer, doch donder in 't ver- 
schiet; 8 U een zware valwind rolt over het gebergte op de 
hoofdplaats neder, houdt echter niet lang aan en eindigt met 
een druilenden regen en bewolkte lucht. 

Heden zond ik 5 boedjangs, met een wegwijzer uit dekam- 
pong Marawang, naar de Goenoeng Dai, om zoo mogelijk, tot 
aan de voet der Pyramiden op te stijgen. 

6 November, bewolkte lucht, des avonds laat donder en weer- 
licht in alle richtingen. 

De boedjangs des namiddags teruggekomen, zonder, wegerts 
de loodrechte wanden nog ver beneden de Pyramiden, het 
doel te hebben bereikt , om namelijk de planten te verzamelen, 
die op het hoogste gedeelte, aan den voet van de pyramiden, 
daartegen aangroeien. Zij hadden des nachts in eene uitholing 
der rots geslapen en vermochten niet hooger te klimmen. 

Heden kwam een kotter van den Sulthan, van Siengkiep aan, 
die ik van Z. H. ter leen gevraagd had om mijne goederen 
naar Riouw over te brengen. Ik dacht nu de reis derwaarts 
ook te kunnen aannemen, doch mijn leidsman, de Datoe, had 
er anders overgedacht en bepaalde ons vertrek, volgens zijne 
maansberekening op den 12den, en daar hij een ouden bevaren 
zeeman was — die zelfs weinig bijgeloof bezat — moest ik mij 
wel aan zijne uitspraak onderwerpen. 

7 November, de lucht nog altijd bewolkt en winderig, doch 
geen regen. 

8 November, alsvoren. Heden kwam ook de Sulthan van 
Siengkiep terug. 

9 November, alsvoren, 's namiddags een regenbuitje ; thennr. 
's morgens 6 U 74°, 8 U 82°, 10 u 90°, ll u 88°, 12 u 80°, 3° 85°, 
4 U 87°, 6 U 82°. 

10 November, fraai weer; windstilte, later regenbuitjes, 
's avonds een bezoek van den Sulthan gehad. 



288 

11 November; heden alles voor de afreis naar Rio uw gereed 
gemaakt. De Datoe Stia Aboe Hassan zal mij, tot mijne ge- 
ruststelling , weder vergezellen. De bagage van herbarium , 
planten enz., werd in den van den Sulthan geleenden kotter 
geladen. 

De Sulthan had een os laten slachten en kwam op zijn ver- 
zoek, tot afscheid des avonds bij ons dineeren, instede van 
dit bij hem te doen : hij scheen hiertoe weinig ingericht te zijn. 

12 November, des morgens regen; om 10 u veroorloofde de 
vloed om met de Moona de rivier uit te varen. Bij den Sul- 
than nam ik nog ter loops afscheid en haalde toen den Datoe 
aan zijne woning af, zoodat het half twaalf werd eer wij buiten 
de rivier en in volle zee waren. De zee was kalm, de wind 
tegen; met laveeren vorderden wij maar weinig en eerst om 
half zeven bereikten wij den hoek van Tandjong Bassieng, tegen- 
over Poeloe Penoebóh , waar kort onder den wal geankerd werd, 
om te vernachten. Ook de kotter kwam daaromtrent ten anker. 

15 November; nog steeds tegenwind, maar toch worden de 
zeilen geheschen en werd er tot onder Penoebóh gelaveerd , om 
Tandjong Bassieng of Selat Penarie voorbij te komen , en 
door straat Poeloe Lima den hoek van Laboean Dadong te be- 
reiken. Hier vonden wij tegen 8 U gelukkig eene schuilplaats, 
waarin wij buiten de hooge deining waren. Na verloop van 
l u hervatten wij de reis en zeilden met gunstigen, doch 
zwakken wind, onder hevig slingeren — ofschoon de zee niet 
sterk bewogen was — tot voorbij Tandjong Dato, en maakten 
toen van een gunstigen wind gebruik om, instede van door 
straat Dassie, naar straat Tjempo te zeilen. Het lange eiland 
Redjai, tusschen straat Dassie en straat Tjempo gelegen, had- 
den wij aan stuurboord. De wind verflauwde zoodanig , dat wij 
slechts langzaam vooruit kwamen , en eindelijk met roeien , tegen 
5 U 's avonds, straat Tjempo bereikten, waar wij ons tusschen 
de eilanden Segantang Lada bevonden en waarin wij om 6 U , 
wegens windstilte en tegenstroom, bij een eilandje ten westen 
van Poeloe Temiang, ten anker kwamen. 



289 

Tegen middernacht brak er een storm los, en hoewel wij 
achter het eilandje gedekt lagen, en er ook geene zware bran- 
ding ontstond, kwam de Moona toch in hevige beweging, zoo 
zelfs dat wij door dit slingeren, voor de masten bevreesd be- 
gonnen te worden; het liep eehter zonder verdere nadeelige 
gevolgen af. 

14 November, des morgens gunstige, hoewel geen krachtige 
wind. De zee was niet onstuimig doch de vloed tegen; even- 
wel gingen wij onder zeil en wij zagen nu ook onzen kotter 
ten westen in de verte aan het opzeilen. Zij was den vorigen 
dag achter gebleven, hoewel wij gelijktijdig van Tandjong 
Bassieng vertrokken waren. Dit was de laatste maal dat wij 
dit vaartuig zagen, wijl het regtstreeks koers naar Riouw zette 
en wij eenen grooten omweg moesten maken, om ons doel te 
bereiken. Het duurde niet lang of wij zaten in eene zware 
stroomrafeling , waardoor de Moona hevig slingerde en tegen 
de golven stampte. Het was bijna eene herhaling van het door 
ons op 23 Augustus doorgestane gevaar. Men veranderde toen 
den koers, waardoor het gevaar spoedig werd afgewend en 
wij in een beter vaarwater geraakten; wij ankerden bij een 
der eilanden, tot dat de zee wat vereffend was en zetleden 
toen de reis, langs Galang, voort, koers nemende naar Poeloe 
Pisang om aldaar eene vreemdsoortige Pisang, waaromtrent 
men het niet recht eens was, te onderzoeken. De wind ver- 
flauwde echter in den namiddag, zoodat wij dit eiland niet 
halen konden en daarom tegen den avond onder den wal van 
Selat Penjaboong ten anker kwamen. De stroom in die smalle 
straat was zoo sterk, dat men, met alle macht van riemen, 
moeite had er binnen te komen, en hoewel wij daar reeds 
geankerd waren, ontstond toch de vrees dat het anker, dat 
soms tusschen de steenen voortkruide, daardoor breken zoude. 
Dit dus weder gelicht en buiten die straat onder den wal we- 
der uitgeworpen; hier werd de nacht rustig doorgebracht. 

Aan de monding van Selat Penjaboong is nog eene verhe- 
vene vlakte met gras bedekt, doch zonder geboomte, aanwezig, 

deel xxxiv. 19 



290 

die vroeger, in Olim's tijd, gediend heeft tot zamenkomst der 
zeeroovers, om zich daar met hanenvechten, en welligt ook nog 
met iets anders, te verlustigen en zamenspreking te houden. 
Van daar den naam van Tandjong Penjabongan — plaats voor 
hanen gevechten. 

15 November, 's morgens geen wind, dus met roeien dereis 
voorgezet tot Selat Tiong en op Poeloe Pandjang aan land ge- 
weest om op gunstigen wind te wachten. Deze kwam echter 
niet opdagen, maar wel kwam er eene regenbui, die uit alle 
windstreken te gelijk scheen te komen. Toen die bedaard was, 
ligtten wij het anker, doch moesten al spoedig de riemen te 
hulp roepen, waarmede wij met slakkengang, tegen den avond 
het eiland Penjait Lajar genaderd waren , alwaar geankerd , en 
den nacht doorgebracht werd. 

16 November. Des morgens buiten de eilanden geroeid, 
waarna de wind voldoende was om te kunnen zeilen ; wij land- 
den omstreeks 10 u bij het beruchte Poeloe Pisang aan. Ik 
vond mij echter zeer teleurgesteld, daar ik verwacht had eene 
vreemdsoortige plant, dan wel eene Palmsoort te zullen vinden; 
instede daarvan zag men op het bolvormige eilandje niets dan 
werkelijke pisangbladeren , waarmede het geheel bedekt was. 
Met veel moeite beklommen wij , over rotsen en door struik- 
gewas, den steilen oever — de rechte landingsplaats hadden 
wij gemist — en kwamen nu in eene heerlijke plantage van 
verschillende der beste soorten van gekweekte pisang. Het ge- 
heele eilandje was vroeger, en is nog gedeeltelijk, met eene 
wilde pisangsoort, veel gelijkende op de Koffo, die het manilla 
touwwerk oplevert, begroeid. Van de stammen, die 12 v lang 
en met de bladeren wel 20 v hoog zijn — en groote stoelen vor- 
men , waarop meerdere stammen zich ontwikkelen en afsterven, 
om voor een opvolgend geslacht plaats te maken — wordt hier 
ook de vezelstof tot touwwerk voor vischlijnen, enz., benuttigd, 
hoewel de meesten slechts worden omgekapt om ter plaatse te 
verrotten. Daarna worden onmiddel ijk de veredelde pisang- 
soorten in de plaats gesteld, zonder verdere bewerking van 



291 

den bodem; alleen worden de op nieuw ontspruitende wilde 
stammetjes van tijd tot tijd weggekapt, .tot dat zij geheel uit- 
sterven. Zoo doende zal de wilde soort spoedig geheel ver- 
dwijnen , en door goede eetbare soorten vervangen zijn. De 
bodem, bestaande uit een vette geele klei, waaruit hier en daar 
kolossale rotsen te voorschijn treden, schijnt bijzonder voor 
deze kultuur geschikt te zijn. Het geboomte, dat er vroeger 
nog op voorkwam, is geheel uitgeroeid, zoo als blijkt uit vele 
doode stammen, die nog hier en daar boven de pisang uitste- 
ken, of op den bodem liggen te verrotten. 

Met deze cultuur zijn eenige bewoners der naburige eilan- 
den voor omstreekt 5 jaren begonnen, en zoo voortgaande, 
zullen zij binnen een paar jaren het geheele eiland met goede 
pisangsoorten bedekt hebben. Deze lieden houden zich, even 
als alle strandbewoners , nog daarenboven met de vischvangst 
onledig , en brengen hunne waar ter verkoop aan de naastbij- 
zijnde chinesche gambierplanters , misschien zelfs naar Riouw. 

Wij namen nu voor goed den terugtocht naar Riouw aan, 
aanvankelijk met een klein , niet voordeelig windje , dat na den 
middag echter in een storm, vergezeld van regen, overging, 
die ons een goed eindweegs op onze baan voortzweepte. De 
zee was bedaard, zoodat wij veilig van den wind konden pro- 
fiteeren. Later echter kwam er zulk een zwarte lucht uit 
het westen opzetten, dat wij het geraden vonden onder Poeloe 
Ajer Radja ten anker te gaan. Omdat de wind echter niet 
tol ons kwam opzetten , vervolgden wij spoedig de reis, maar 
daar de wind niet ter hulp kwam, moest er alweer geroeid 
worden. Het bleef echter regenachtig en voor de roeiers was 
het zoo guur — in de kajuit hadden wij 80° Fahr 1 — dat zij 
van de koude stonden te bibberen. Zoo langzaam voortsukke- 
lende, bereikten wij toch om half tien uur des nachts , de hoofd- 
plaats Tandjong Pinang, waar ik bij den resident Schiff we- 
derom vriendelijk werd ontvangen. 

De kotter met mijne bagage, was 2 dagen voor ons aange- 
komen, en daar wij verzuimd hadden den djoeragau van den 



292 

kotter van ons voornemen om naar Poeloe Pisang te gaan, 
kennis te geven, was de Resident zeer bezorgd geweest, dat 
ons een ongeluk was overkomen. 

17 November; ingepakt voor de reis naar Muntok en Batavia. 

Den 18den November kwam de mailboot van Batavia naar 
Siengapoera hier aan. 

19 November, des morgens 5" storm, onweer en regen. Om 
2 U des namiddags kwam de mailboot reeds van Sienggapoera 
terug. Hierop was niet gerekend , zoodat ik in der haast mijne 
verzamelingen moest gereed maken en naar boord zenden, 
hetgeen, bij de weinige hulpmiddelen, niet zoo gemakkelijk 
ging. Intusschen begaf ik mij naar boord van de stoomboot 
Batavia, alwaar ik om half vier aankwam. De prauw met 
mijne goederen was , helaas ! nog ver af en de gezaghebber 
wenschte te vertrekken. Ik zeide hem, dat ik zonder mijne 
goederen niet vertrekken kon, en dus weder van boord zou 
gaan, waarop hij de beleefdheid had te wachten, totdat mijne 
goederen waren aangekomen. Om halfvijf uur konden wij toen 
de reis voortzetten. 

Gaarne had ik nog eenige dagen te Tandjong Pinang vertoefd, 
om met den Resident, die mij zoovele vriendschapsbewijzen be- 
toond had , nog wat over zaken te kunnen spreken ; maar het 
toeval wilde, dat door het zamenzijn van twee booten der 
N. I. Stoom vaartmaatschappij te Sienggapoera, de vaart twee 
dagen vervroegd was , hetgeen zoowel te Riouw , als te Muntok 
groote ongelegenheid te weeg bracht. 

20 November. Des avonds half zes kwamen wij op de reedt 
van Muntok aan , waar ik mij onmiddelijk aan wal begaf. Mijne 
goederen moesten uit de sloep nog een eind weegs door het 
water gedragen worden; hierbij liet een lompe chinees twee 
mijner koffers met kleeren en boeken in zee vallen en, niet- 
tegenstaande ze spoedig werden opgevischt , was toch een groot 
gedeelte doornat geworden. 

Mijne verzamelingen van Riouw bleven aan boord, om onder 



293 

geleide van 2 mijner boedjangs naar Batavia door te gaan. 
Deze reis liep zonder regen af. 

De resident van CaUenburch was zoo vriendelijk om mij 
weder logies aan te bieden. 

21 November: mijne goederen ingeklaard en het natgewordene 
gedroogd. Het regende hier bijna den gansenen dag. 

22 Nevember , vrij goed weer , doch bij afwisseling een wei- 
nig regen. 

25 November, 's nachts en 's morgens regen, des avond 10 u 
eene zware regenbui. 

24 November. Des morgens 6 U ging ik op reis naar Bakem, 
doch vernachte te Trentang (29± paal), alwaar ik des avonds 
5 U aankwam. De regen was mij vooruit gesneld , zoodat ik er 
van verschoond bleef. 

De weg was echter overal bevochtigd en dientengevolge 
zeer glad, hetgeen voor de dragers mijner tandoe zeer moeielijk 
was; het gebeurde echter slechts eenmaal dat een dier lieden 
achter de tandoe op zijne knieën viel; gelukkig zonder zich 
te bezeeren. De Demang van Muntok was wederom zoo vrien- 
delijk geweest, mij eene tandoe voor de reis te leenen en mij 
in zijn huis te Trentang logies te verleenen. 

25 November; 's morgens vroeg weder vertrokken en 's avonds 
6 U te Bakem aangekomen (52| paal); ik hield in de Balai mijn 
nachtverblijf. Op den middag kreeg ik eene fiksche regenbui, 
waartegen ik nog gelegenheid vond in de kampong Kalapa te 
schuilen. 

Den 26 sten November bezocht ik de sawah's te Paja Raja, 
waar ± 6 bouws waren aangeplant; de helft daarvan stond 
bijzonder fraai en beloofde eenen goeden oogst. De wederhelft 
liet nog veel te wenschen over , vooral daar waar de bodem 
vroeger zeer ongelijk was , zoodat de oppervlakte te veel moesl 
omgewerkt en verplaatst worden; dit zal zich echter langza- 
merhand herstellen en, nadat het geheel tot 12 a 14 bouws 
zal zijn afgewerkt, zal deze schoone plek wel tot voorbeeld 
voor de Bangkanezen kunnen strekken. 



294 

Op den middag, terwijl ik naar Bakem terugkeerde, viel er 
een stortregen en ook later bleef het nog regenachtig. De 
lucht was daardoor zeer afgekoeld , zoodat de thermometer des 
nachts slechts 72° Fahrt. warmte aantoonde. 

27 November, des morgens weder naar Paja Raja. Des 
avonds kwam ook de administrateur van Soengei Liat, de heer 
Toorop, te Bakem aan, om ook daar te vernachten. 

28 November. Des morgens 4 U een hevige storm uit het z. 
w. vergezeld van regen, die tot 8 U aanhield; alstoen gingen 
wij te zamen nogmaals de sawah te Paja Raja bezoeken. Tegen 
den middag keerden wij naar Bakem terug om te middagma- 
len , waarna wij ons op reis naar Poedieng Gebak begaven, om 
daar ook in de Balai te vernachten (afstand 15 palen). — De 
heer Toorop was op inspectie over sommige, door insecten 
vernielde padieaanplantingen op de ladangs, terwijl ik op de 
terugreis naar Muntok was. 

29 November. Des morgens bezochten wij eene ladang, 
waarvan de pas opkomende padie , ook na 2 a 3 maal herplan- 
ting, telkens grootendeels vernield was. Het weinige, dat hiel- 
en daar verspreid was overgebleven, stond schraal, waarom 
men zich de moeite niet wilde getroosten om het veld te wie- 
den; er zal nu wel niets van terechtkomen. 

De heer Toorop — een buitengewoon geschikt ambtenaar, 
niet alleen als administrateur; maar ook om met den inlander 
om te gaan en hem het goede en nuttige aan te prijzen 
vermocht niets op de traagheid der inlanders. Al zijn goede 
raad, en zelfs hulpaanbieding, stuitte af op hunne luiheid en 
onverschilligheid. Worden er vanwege het Bestuur bevelen 
gegeven , dan volgen zij die stiptelijk op , maar goeden raad 
slaan zij in den wind. Tot bun ongeluk worden zij door het 
Gouvernement te veel vertroeteld, daar niemand het waagt, 
om geheel in hun belang, de geringste bevelen te geven. Tot 
staving van het gezegde diene, dat hun werd aangeboden, 
kostelooze verstrekking van rijst gedurende een paar maanden, 
mits zij die mislukte padievelden met tweede gewassen wilden 



295 

beplanten ; doch wijl zij den grond dan zouden moeten bewer- 
ken , werd dit van de hand gewezen. Daar er voor hen even- 
wel gebrek aan rijst dreigt te ontstaan, werd hun aangeboden 
40 cents en o maal eten daags , of wel zooveel als zij verko- 
zen te eten, mits zij de Chinezen behulpzaam wilden zijn, om 
het erts uit de mijnen te dragen ; ook dit viel niet in hun 
smaak, wijl het water nog niet aan de lippen gekomen was. 
Zoodra dit gebeurde, zouden zij wel werk op de Pangkals of 
te Muntok gaan zoeken, terwijl in dit geval hunne vrouwen 
en kinderen broodeloos in de kampong achter blijven. 

Hier nam ik afscheid van den heer Toorop, die nog andere 
ladang's ging inspecteeren , terwijl ik mijne reis naar Trentang 
vervolgde, om daar weder te vernachten. Onder weg werd 
ik nog door eenige zware regenbuien overvallen, hoewel ik in 
de tandoe daarvan geen overlast had. 

30 November, des nachts regen; om 6u van Trentang ver- 
trokken en 's avonds 5 U ' te Muntok aangekomen , gelogeerd bij 
den resident van Cattenburch. 

1 December. Sedert eenige dagen was het feest geweest bij 
den Luitenant der Chinezen Tjoeng Attiam, ter verheerlijking 
van het huwelijk van zijn oudsten zoon, met eene Sienggapoer- 
sche jonge dochter. Daartoe waren 100 Sienggapoersche kome- 
dianten-waijangspelers, en een twintigtal koks, overgekomen en 
dagelijks werkzaam. Een stel Bataviasche muzikanten was 
mede aanwezig; en voor ruim ƒ 1000 aan vuurwerk van 
Gors te Batavia werd heden avond afgestoken. Het was de 
feestdag voor de Europeanen, die heden alle genoodigd waren. 

In een prachtig chineesch huis , dat den eigenaar f 96,000 
van opbouw gekost bad , waren dan ook des avonds alle Eu- 
ropesche ingezeten, met hunne dames, genoodigd en meest alle 
verschenen. Men zou niet verwacht hehben , dat zich daar wel 
omstreeks 100 personen ,' van het kleine Muntok, bij elkaar 
bevonden. Er werd gedanst, gespeeld, het vuurwerk werd 
afgestoken, er werd gesoupeerd en nogmaals gedanst, totdat 
men zich eerst laat in den nacht huiswaarts begaf, zeer vol- 



296 

daan over alles, waaronder 5 goed voorziene tafels, waar aan 
spijs en dranken niets ontbrak, vooral uitmuntten. 

Hetgeen zeker veel tot het geluk der jonge lieden zal bij- 
dragen, was bet gunstige weer en dat alles in de beste orde 
afliep. 

4 December , 's morgens vroeg regen ; later fraai weer. 

5 December, het weer gelijk gisteren. De mailboot Baron 
Bentinck gezagvoerder Kaiser , kwam op den middag vau Sieng- 
gapoera te Muntok ten anker. Om één uur begaf ik mij aan- 
boord, om de reis naar Batavia mede te maken. 

6 December , des avonds half acht uur kwamen wij op de 
reede van Batavia ten anker, en de nacht werd nog aan boord 
doorgebracht. 

7 December, des morgens aan wal gegaan. 

9 December; naar Buitenzorg vertrokken, dat ik juist 7 
maanden geleden verlaten had, en waar ik even gezond terug- 
kwam, als ik het verlaten had. Ook was ik op de reis geen 
oogenblik ongesteld geweest. 

Mijne verzamelingen , bestemd voor 's Lands plantentuin te 
Buitenzorg , — bestaande uit 5 groote kisten , waarin ruim 600 
soorten gedroogde planten, 10 kisten met levende planten in 
70 soorten, 2 kisten met 12 stopflesschen vruchten op spiri- 
tus, 28 soorten en verschillende paketten zaden met 76 soor- 
ten,— zijn van tijd tot tijd verzonden en in goeden staat door 
den Directeur van dien tuin ontvangen. 

Buitenzorg, Maart 1875, 



VERSLAG 

VAN DE 

WERKZAAMHEDEN EN DEN TOESTAND 

DER 

KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 

IN 

n ederl Arsrr>scii-iTsrr>iE, 

over 1873 

UITGEBRACHT IN DE 

Bestuursvergadering van 18 September 1874, 

DOOR 

Dr. P. A. BERGSMA. 



M. M. H. H. 

Na het nederleggen van hel praesidiiini der K. Natuurkundige 
Vereeniging, hetwelk mij voor het jaar 1873 door U opgedra- 
gen werd, rustte op mij nog de verplichting om van de werk- 
zaamheden en den toestand der Vereeniging gedurende dat 
jaar verslag uit te hrengen. Ik had dit verslag in de Bestuurs- 
vergadering van Februari moeten indienen; eene langdurige 
ongesteldheid heeft mij echter genoopt dit tot heden uit te 
stellen. Hoewel het overzicht, hetwelk ik U geven zal, daar- 
door alle actualiteit verloren heeft, zoo hoop ik lorh, dat U 
mij uwe welwillende aandacht daarvoor nog wel zult willen 
verleenen. 



298 

De inkomsten der Vereeniging van 1° Januari tot ulto. De- 
cember 1873 zijn geweest als volgt: 

Saldo in kas 1° Januari 1875 f 21 70.1 7* 

Subsidie » 2000.— 

Contributiën » 876. — 

Totaal f 5046,17 5 

terwijl de uitgaven waren: 

Secretariaat f 360. — 

Bibliotheek » 256.44 

Gas verlichting » 53.31 

Correctieloonen. » 52.50 

Bediende : » 120.— 

Rente voor hypotheek op het gebouw . . . . » 818.74 

Inningskosten » 115.04 

Museum » 237.75 

Drukken van het Tijdschrift » 550.50 

Afrekening met van Dorp & Co » 95.08 

Onkosten der algemeene vergaderingen. ...» 77.40 
Afrekening met Nijhoff, te 's Gravenhage . . . » 792.16 

Diversen » 95.85 

Totaal f 5602.77 

Zoodat op ult°. December 1875 een saldo groot ƒ 1445.40 5 
in kas was. 

Later zijn nog de volgende posten ontvangen, die eigenlijk 
bij de ontvangsten over 1875 behooren : 

Contributiën /' 960.— 

Restitutie aandeel gasverlichting door de N. I. Maat- 
schappij van Nijverheid en Landbouw » 16.65 

Aandeel huurpenningen der bijgebouwen ...» 540. — 

Totaal f 1516.65 

En nog de volgende op 1875 'thuis behoorende uitgaven ge- 
daan: 

Aandeel verponding en onderhond van het gebouw f 941.27 

Voor het graveren van platen » 160. — 

Transportere . . f 1101.27 






299 

Per transport . . /' 1101.27 

Papier voor platen » 24. — 

Correctieloonen » 162.50 

Restitutie van verschotten door Secretaris ...» 10.62 
Voor het drukken van het Tijdschrift . . . . » 1056. — 

f 2354.39 
Zoodat het eigenlijke saldo van de inkomsten en uitgaven 
over 1875 was f 625.665. 

Zeven contribuerende leden bedankten voor hun lidmaatschap, 
namelijk de H. H. C. Meijboom, Mr. T. H. der Kinderen, J. 
Pfeiffer, G. A. de Lange, F. N. Nieuwenhuijzen, Helmkampf en 
M. Th. Reiche, de vier laatste wegens vertrek naar Nederland. 
Acht en dertig nieuwe leden traden tot de Vereeniging toe, 
namelijk de H.H. T. G. J. Keller, J. G. L. Dücker, A, C. An- 
dreas, L. Taats, N. P. van den Berg, R. Everwijn, H. Oos- 
terwijk, S. Bijl Zeverijn, F. W. Mondriaan, A. G. Vorderman, 
G. W. ten Brummeler, P. van Dijk, E. C. Suermondt, C. F. 
Michielsen, D. Göllner, B. E. J. H. Becking, J. Idsinga, Waitz, 
E. C. Ditrich, A. J. Quast, Mr. G. G. van Harencarspel, A. 
H. G. Fokker, H. Nolle, H. Dirks, V. Gaus, E. Rickli, H. 
Schilling, S. van Deventer Jz., 0, Clarus, G. de Wijs, 0. 
Mühri, T. A. F. van der Valk, J. Krol , G. Faber, Mr. J. J. 
de Louter, P. J. A. Renaud, H. C. vanRuijven, G. A. L. Tróger. 
Het aantal contribuerende leden vermeerde dus in den loop 
van 1875 met 51. 

Dit bewijs dat de belangstelling van het publiek in de Ver- 
eeniging toeneemt, is in alle opzichten hoogst welkom; het is 
aangenaam om te zien, dat het streven der Vereeniging door 
velen goedgekeurd wordt en dat ook zij op wier weg de be- 
oefening der natuurwetenschappen niet bepaaldelijk gelegen is, 
toch het hunne willen bijdragen om het doel der Vereeniging 
te bevorderen; dit doel toch wordt zeker zeer bevorderd door 
het toetreden van nieuwe leden, omdat het Bestuur daardoor in 
staat gesteld wordt meer aan de uitgave van het Tijdschrift 
en aan de verzamelingen ten koste te leggen. Het uitgeven 



500 

van sommige verhandelingen kan dikwijls niet anders dan on- 
volledig gedaan worden, omdat platen, die veel tot verduidelij- 
king zouden kunnen bijbrengen, wegens de kosten moeten weg- 
gelaten worden; om deze reden moesten zelfs somtijds mede- 
deelingen, die zonder platen geene waarde zouden hebben, 
geheel achterwege gelaten worden. Onze geldmiddelen zijn 
nog altijd zeer gering in vergelijking met hetgeen ze moesten 
zijn ; daarom hoop ik dan ook zeer, dat het aantal leden steeds 
meer en meer zal toenemen, dat de vooruitgang die in dit op- 
zicht in de twee laatste jaren heeft plaats gehad, nog lang zal 
mogen opgemerkt worden. 

Twee besturende leden, de heeren G. A. de Lange en M. 
Th. Reiche traden als zoodanig af, wegens vertrek naar Ne- 
derland. Hunne plaats werd in 1875 niet aangevuld; maar 
in de Bestuursvergadering van December werd het plan om 
eenige nieuwe besturende leden te kiezen besproken; aan dit 
plan is sedert uitvoering gegeven en ik twijfel niet, of de nieuwe 
krachten , daardoor in het Bestuur gebracht, zullen een goeden 
invloed op de werkzaamheden uitoefenen en er toe bijbrengen 
om de vergaderingen der Vereeniging in belangrijkheid te doen 
toenemen. 

Twee beroemde en populaire namen , Maury en Liebig, moes- 
ten van de lijst der Buitenlandsche corresponderende leden wor- 
den afgevoerd. Een kort levensbericht van Maury werd ons 
door zijn zoon toegezonden. 

Tot corresponderend lid werden benoemd: 

in het Buitenland Alfred Russel Wall ace, die door zijne be- 
langrijke reizen zoowel als door zijn populaire en wetenschap- 
pelijke geschriften zooveel tot de kennis van onzen Archipel 
heeft bijgedragen, en N. de Micklucho-Maclay , die het nabu- 
rige Nieuw-Guinea tot veld van zijne onderzoekingen gekozen 
heeft ; 

in Nederland, dr. P. de Boer, die door zijne monografie 
over de coniferen van den Archipel zich ten opzichte van de 
flora van deze gewesten verdienstelijk gemaakt heeft. 



501 

Het gebouw der Vereeniging heeft in het afgeloopen jaar nog 
al belangrijke uitgaven gevorderd. Verscheidene reparatiën 
waren dringend noodig en mochten niet uitgesteld worden, 
wilde men niet het gevaar loopen dat later zeer groote uit- 
gaven zouden moeten gedaan worden , om het gebouw in l>e- 
woonbaren staat te houden; onze commissaris voor het gebouw 
heeft terecht ingezien, dat het uitstellen van noodzakelijke 
herstellingen niet in het belang van de kas der Vereeniging 
zoude zijn, al moest daardoor in het afgeloopen jaar voor het 
onderhoud van het gebouw belangrijk meer uitgegeven worden, 
dan in de voorgaande jaren het geval geweest is. 

Ook werd dit jaar eene nieuwe vergaderzaal ingericht, waar- 
door in eene reeds lang gevoelde behoefte voorzien is. Her- 
haaldelijk had men ondervonden, dat in het gebouw geen ge- 
schikt locaal voor het houden van algemeene vergaderingen 
der leden was; de kamers waren daartoe te klein, terwijl de 
galerijen door het museum der Vereeniging en door dat der 
Maatschappij van Nijverheid en Landbouw werden ingenomen, 
bovendien ook eene ongezellige en moeielijk te verlichten loca- 
liteit voor vergaderingen aanboden. Daarom trad de directie der 
Vereeniging met het Bestuur van laatstgenoemde Maatschappij 
in overleg om door het wegnemen van een muur twee kamers 
met elkaar te vereenigen. Hierdoor is eene ruime vergader- 
zaal verkregen , die reeds goede diensten bewezen heeft. De 
onkosten dezer verandering, die ook den aankoop van een paar 
gaslampen noodzakelijk maakte, waren betrekkelijk gering: 
maar toch , zij vermeerderden alweer de uitgaven voor het ge- 
bouw, zoodat hieraan in het afgeloopen jaar nog al veel is 
ten koste gelegd. Ik geloof echter, dal de daarvoor besteedde 
gelden allezins goed aangewend zijn. 

Nog moet omtrent hel gebouw vermeld worden, dat het Be- 
stuur op eene algemeene vergadering gemachtigd is geworden 
om het op Kebon Siri uitkomende achtererf van het gebouw 
te verkoopen. De Vereeniging en de Maatschappij van Nijver- 
heid en Landbouw, welke mede-eigenares van het gebouw is, 



502 

trekken geen het minste nut of voordeel van dit stuk grond, 
hetwelk ruim genoeg is, om er een paar huizen op te bouwen, 
waarvoor het zeer geschikt gelegen is; kan het dus voor een 
behoorlijken prijs verkocht worden , zoo is het verstandig hier- 
toe over te gaan. 

Het bestuurslid H. L. Janssen van Raaij , aan wien het toe- 
zicht over het gebouw in het afgeloopen jaar opgedragen was, 
heeft alle aanspraak op de erkentelijkheid van zijne medeleden 
voor de vele moeite welke hij zich hiervoor getroost heeft. 

De bibliotheek is weder aanmerkelijk vooruitgegaan. Het 
aantal genootschappen, welker werken de Vereeniging in ruil 
voor de hare ontvangt, is met twee vermeerderd. Verschei- 
dene tijdschriften, Annales de Chimie et de Physique, Poggen- 
dorPs Annalen, Comptes Rundus, TroschePs Archiv, Botani- 
sche Zeitung, Annales des sciences naturelles, werden door 
aankoop bijgehouden. Ook mocht de Vereeniging eenige niet 
onbelangrijke geschenken voor hare bibliotheek ontvangen ; voor 
eene nadere opgave hiervan verwijs ik naar het in de verga- 
dering van Januari jl. door den bibliothecaris uitgebrachte ver- 
slag. Door dezen, ons medelid Jod. Heringa, werd veel zorg 
aan de bibliotheek besteed. Vele werken werden ingebonden; 
dit is een noodzakelijk iets voor eene bibliotheek als de onze, 
die een groot gedeelte van de werken, welke haar door andere 
genootschappen worden aangeboden, in losse afleveringen ont- 
vangt; ook is het inbinden van boeken een dringend vereischte 
voor het goede onderhoud eener bibliotheek in Indie, daar on- 
ingebonden boeken door het zoo noodzakelijke, herhaalde schoon- 
maken spoedig uit elkander gaan. De nieuwe catalogus kwam 
bijna gereed, zoodat weldra met het drukken een begin zal 
kunnen gemaakt worden; deze catalogus, die ongeveer twee- 
maal meer nommers zal bevatten dan de nu bestaande, zal 
hoop ik ten gevolge hebben , dat door de leden, ook door hen, 
die buiten Batavia gevestigd zijn, meer en meer van de bi- 
bliotheek gebruik gemaakt wordt. 

De heer Heringa ontvange den weigemeenden dank der Di- 



305 

rectie voor de vele moeite in de laatste jaren aan onze biblio- 
theek besteed. Het doet ons leed, dat wij hem ten gevolge 
van zijne overplaatsing vooreerst niet meer in ons midden zul- 
len zien. De Vereeniging zal evenwel niet geheel van zijne 
goede diensten verstoken zijn, daar hij welwillend aangeboden 
heeft de drukproeven van den nieuwen catalogus na te zien, 
welk aanbod door de Direktie dankbaar aangenomen is. Ik 
spreek zeker in den geest van alle leden" der Directie, indien 
ik den wensch uit, dat de afwezigheid van den heer Heringa 
niet van langen duur moge zijn, dat hij spoedig weder als lid 
der Directie moge optreden. 

Voor het museum werden niet vele bijdragen ontvangen. 
De heer Y. Strickwerda zond een gomsoort, afkomstig uit de 
afdeeling Sintang en aldaar bekend onder den naam Gntah ge- 
tah. De heer Mondriaan bood eene verzameling insecten aan, 
afkomstig uit de Boengoes-vallei op Sumatra. Van den heer 
A. Bloijs van Treslong Pbins werden twee stukken molyb- 
deen-erts, afkomstig van Serawak, ontvangen. De heer Mr. 
J. A. van der Chijs bracht van zijne reizen voor de Vereeni- 
ging een steen en twee dieren mede, welke laatste zeer be- 
langrijke voorwerpen bleken te zijn. Aan genoemde Heeren 
wordt de dank der Directie voor hunne welkome gaven aan- 
geboden. 

Ik neem deze gelegenheid te baat om het museum aan de 
algemeene belangstelling en in het bijzonder aan de welwil- 
lendheid van de leden der Vereeniging aan te bevelen. Som- 
mige voorwerpen, zooals opgezette dieren en insecten kunnen 
moeielijk in het museum bewaard worden, daar onze midde- 
len niet toelaten daarvoor op den duur de noodige zorg te 
dragen, zoodat wanneer ze aan de Vereeniging toegezonden 
werden, de directie ze in het belang der wetenschap meestal 
naar het museum te Leiden zond. Maar er zijn vele voor- 
werpen, waarvan de bewaring onze krachten niet te boven 
gaat en die de Directie daarom steeds gaarne voor het museum 
ontvangen zal; ik noem hiervan meer bepaaldelijk op: geraam- 



504 

ten, voorwerpen die op spiritus bewaard kunnen worden, zoo- 
als slangen en amphibiën, verder mineralen en schelpen, de 
toezending daarvan zal ons steeds hoogst welkom zijn. In het 
museum is reeds eene vrij belangrijke verzameling van schel- 
pen voorhanden; van groot belang is het deze zooveel moge- 
lijk volledig te maken, vooral omdat onze Archipel zoo rijk 
aan schelpen is, en daarom beveel ik haar in het bijzonder 
aan de belangstelling van de leden aan. De toezending van 
schelpen zal door de directie ten zeerste gewaardeerd worden: 
niet alleen soorten, welke nog niet in het museum voorhanden 
zijn, maar ook die welke wij reeds bezitten, zullen gaarne 
ontvangen worden; door het ruilen van doubletten met andere 
musea kan de Directie voortdurend nieuwe soorten in het mu- 
seum brengen. 

Drie algemeene vergaderingen werden in het afgeloopen jaar 
gehouden. Op de eerste dezer vergaderingen gaf de heer Ou- 
üemans eene levensschets van professor Kaiser. Op de tweede 
werden door mij de uitkomsten der regenwaarnemingen van 
het observatorium te Batavia besproken. Op de derde hield 
dr. van der Burg eene voordracht over de ademhaling. De 
eerste en de laatste voordracht zijn in het 53 ste deel van het 
tijdschrift opgenomen. 

De bestuursvergaderingen werden over het algemeen vrij wel 
bezocht, ook enkele malen door gewone leden der Vereeniging. 
Behalve de huishoudelijke zaken , welke daar behandeld werden, 
zijn ook nu en dan wetenschappelijke onderwerpen besproken. 

Door den heer Heringa werden eenige malen uitkomsten van 
ozonwaarnemingen , die hij in het afgeloopen jaar te Batavia 
deed, medegedeeld. 

De heer Nagelvoort gaf een overzicht van zijne onderzoe- 
kingen der door de Merapi den 13den April 1872 uitgeworpen 
aschsoorten. 

De heer Oudemans deed eene mededeelmg omtrent de bazis- 
meting bij Semplak. 

De heer Janssen van Raaij beschreef een nieuw telegraaf- 



505 

toestel , door den ambtenaar bij den Franseben telegraafdienst 
Meijer uitgevonden, waarmede men 5 maal vlugger dan met 
den toestel van Morse en 2 maal vlugger dan met dien van 
Hughes telegraferen kan. 

De heer Bakker Overbeek bracht verslag uit over de door 
den heer Strikwerda ingezonden gutab getah , over de molyb- 
deenerts van Sera wak , ontvangen van den heer Bloys van 
Treslong Prins, en over het door den heer van der Chijs aan- 
geboden mineraal. 

De heer de Gavere gaf inlichtingen omtrent de door den 
heer van der Chijs voor het museum gezondene dieren. 

Door mij werden mededeelingen gedaan over den sterrenre- 
gen van 27 November 1872, en over de waarschijnlijk met 
dezen in verband staande komeet, door Pogson den 3den en 
4den December 1872 te Madras waargenomen, op de aanwij- 
zing der plaats, hem per telegraaf door professor Klinkerfues 
van Göttingen toegezonden ; over de inrichting van het meteo- 
rologisch Instituut van de Seindienst van het leger der Veree- 
nigde Staten van Noord- Amerika ; over de magnetische waar- 
nemingen in Italië bij gelegenheid van de zonsverduistering van 
22 December 1870 gedaan, 

en over een door den heer Robert Hart, hoofdinspecteur 
der Chinesche douanen ontworpen plan om langs de oostkust 
van Azië meteorologische stations op te richten, en tusschen 
sommige per telegraaf mededeeling der waarnemingen te doen. 

Van den heer Vorderman te Pamanoekan werd nog eene door 
teekeningen opgehelderde schriftelijke mededeeling ontvangen 
van zijne waarneming der maansverduistering op 12 Mei 
1873. 

Al deze mededeelingen zijn in het tijdschrift opgenomen 
hetzij als afzonderlijke bijdragen , hetzij in de notulen der ver- 
gaderingen. 

Voor het tijdschrift werden in den loop van het jaar, behalve 
de hierboven vermelde mededeelingen, nog verscheidene bijdra- 
gen ontvangen. 

deel xxxiv. 20 



$06 

Dr. Scheffer bood aan «Bijdragen uit het buitenland tot de 
kennis der Flora van den Indischen Archipel." 

Door den heer N. de Miklucho-Maclay werden verschillende 
mededeelingen omtrent zijne onderzoekingen op Nieuw-Guinea 
aangeboden , terwijl van dr. A. B. Meijer eene beschrijving van 
een nieuwen paradijsvogel (Epimachus Wilhelminae) door hem 
op Nieuw-Guinea ontdekt, ontvangen werd. Door mij werd 
een overzicht der aardbevingen in den Archipel gedurende het 
jaar 1872, en de uitkomst van een onderzoek naar het voor- 
komen van aardbevingen op Borneo, Bangka en Billiton in- 
gediend. 

Van de regeering werden ontvangen het verslag van den 
heer van Gorkom nopens de kina-cultuur over 1872, en het 
verslag van den heer Oudemans van de bepaling van het lengte- 
verschil tusschen Batavia en Singapore. 

Van het tijdschrift verschenen in 1875 het tweede gedeelte 
van deel XXXII, en het eerste gedeelte van deel XXXIII, ter- 
wijl het laatste gedeelte hiervan op het einde van het jaar, op 
weinige bladzijden na, geheel afgedrukt was. Ook werd nog 
door de Vereeniging uitgegeven een Naamregister op de 30 
eerste deelen van het Tijdschrift; dit naamregister, hetwelk 
met het vroeger uitgegeven, door de heeren Dr. de Roo en 
Janssen van Raaij bewerkte zakelijk register het opzoeken van 
in die deelen voorkomende stukken zeer gemakkelijk maakt, 
is voor f 0.50 door de directie verkrijgbaar gesteld. 

In de wijze van uitgeven van het Tijdschrift werd in 1875 
eene niet onbelangrijke verandering gemaakt. Het Tijdschrift 
werd vroeger uitgegeven in deelen van 30 vel; een deel ver- 
scheen gewoonlijk in twee stukken; de tijd van verschijnen 
was geheel onbepaald , slechts afhankelijk van het inkomen dei- 
bijdragen , die noodig waren om een deel van 30 vel zamen te 
stellen. De notulen der vergaderingen en de opgaven der in- 
gekomen boeken werden nu en dan tusschen de bijdragen in- 
gevoegd. Toen er vele bijdragen werden ingezonden, zoodat 



507 

geregeld één of anderhalf deel van het Tijdschrift per jaar uit- 
gegeven kon worden, hestonden er geen hezwaren tegen deze 
regeling; maar later, toen er minder voor het Tijdschrift in- 
kwam, zoodat het soms twee jaren of langer duurde voordat 
een deel verscheen, had dit ten gevolge dat het soms lang duur- 
de eer eene ingezondene bijdrage het licht zag, en dat de no- 
tulen der vergaderingen slechts zeer onregelmatig in handen 
der Leden kwamen. De heer Nagelvoort , die een der bestuurs- 
vergaderingen bijwoonde, opperde het denkbeeld, in de wijze 
van uitgeven van het Tijdschrift zoodanige wijziging te bren- 
gen, dat de Leden spoediger en meer geregeld kennis konden 
nemen van het verhandelde op de vergaderingen en ook van de 
opgaven der ingekomen boekwerken. Daarom werd besloten 
de vroegere bepaling, dat een deel van het Tijdschrift een om- 
vang van 50 vel zoude hebben, in te trekken, en voortaan ie- 
der jaar een deel uit te geven, waarvan de meerdere of mindere 
omvang afhankelijk zoude wezen van de ingekomen stukken; 
verder werd bepaald dat zoodanig deel zoude verschijnen in 
drie maandelijksche afleveringen, en dat in iedere aflevering de 
notulen der in de laatst verloopen maanden gehouden vergade- 
ringen en de opgaven der gedurende dien tijd ingekomen boek- 
werken zouden opgenomen worden. Mochten, hetgeen niet te 
hopen is, geene bijdragen voor het Tijdschrift ingekomen zijn, 
zoo zoude toch eene drie-maandelijksche aflevering moeten ver- 
schijnen, alleen notulen en opgaven van boekwerken bevattende. 
Door deze wijze van uitgeven zullen de leden voortaan gere- 
geld kennis kunnen nemen van het op de vergaderingen der 
Vereeniging verhandelde, en zullen de inzenders van bijdragen 
ook niet meer zoo lang als vroeger op het in druk verschijnen 
van het door hen geschrevene behoeven te wachten. Voortaan 
zal het ook mogelijk zijn aan de Leden dalgene te geven, waar- 
op zij volgens de eenigen tijd geleden gemaakte wijzigingen in 
de statuten der Vereeniging recht hebben. Vroeger was het 
ontvangen van het Tijdschrift niet aan het lidmaatschap der 



308 

Vereeniging verbonden; eenigen tijd geleden werd hierin wijzi- 
ging gebracht en bepaald, dat de Leden voor hunne contributie 
van /' 12.— per jaar recht hebben op de in dat jaar door de 
Vereeniging uitgegeven werken; om hieraan te kunnen voldoen 
was het wenschelijk datgene wat in den loop van een jaar ge- 
drukt werd, in één deel te vereenigen. 

Tot de veranderde wijze van uitgeven werd omstreeks het 
midden van 1875 besloten. In dat jaar is daarna nog deel 
XXXIII uitgegeven, waarin behalve de notulen van 1872, die 
van 1875 zijn opgenomen, zoodat in het begin van 1874 de 
Leden kennis konden nemen van het op de vergaderingen 
in 1875 behandelde. 

De veranderde wijze van uitgeven van het Tijdschrift maak- 
te ook eene wijziging in de met den drukker gemaakte over- 
eenkomst noodig; bij deze was de prijs bepaald, die voor een 
deel van 50 vel betaald zou worden, terwijl het nu noodzake- 
lijk werd eene overeenkomst aan te gaan, waarbij bepaald 
werd, hoeveel pei\ vel de kosten van het drukken zouden be- 
dragen. De firma's van Dorp en Co., Ernst en Co., en Ogilvie 
en Co. werden uitgenoodigd de voorwaarden op te geven, waar- 
op zij het drukken van het Tijdschrift voortaan op zich zouden 
willen nemen. Daar de door de firma Ernst en Co. opgegeven 
voorwaarden voor de Vereeniging het voordeeligst geacht wer- 
den, is met deze firma eene overeenkomst omtrent het uitge- 
ven van het Tijdschrift aangegaan. 

Uit het gegevene overzicht blijkt, dat de toestand der Ver- 
eeniging in het laatste jaar gunstiger is geweest dan eenige 
jaren geleden het geval was. In de twee laatste jaren zijn 
70 nieuwe contribuerende leden tot de Vereeniging toegetreden, 
terwijl slechts 1 1 leden voor hun lidmaatschap bedankt hebben, 
meestal wegens vertrek naar Europa. 

Terwijl tusschen het verschijnen van het laatste gedeelte van 
deel XXXI en dat van deel XXXII ongeveer drie jaren verliep, 
werd deel XXXIII in minder dan een jaar afgedrukt, en was 



509 

op het einde van 1875 bovendien nog voldoende copij voor 
bijna anderhalve aflevering van deel XXXIV voorhanden. Ook 
voor de vergaderingen werd over het algemeen meer belangstel- 
ling betoond, zooals gebleken is uit de opgave van de onder- 
werpen, welke behalve de huishoudelijke zaken aldaar bespro- 
ken werden. De finantièele krachten der Vereeniging zijn door 
het vermeerderen van het aantal contribuerende leden ook eenig- 
zins toegenomen. 

In dit laatste opzicht blijft de Vereeniging echter nog zeer 
zwak, en zoolang daarin niet eene aanmerkelijke verbetering 
komt, zullen hare werkzaamheden uiterst beperkt moeten 
blijven. 

De Vereeniging zou b. v. door het verzamelen van eene boe- 
kerij , die eenigszins op den naam van volledig mocht aanspraak 
maken, een belangrijken invloed op de beoefening der natuur- 
wetenschappen in deze geweston kunnen uitoefenen; zij die 
het een of ander onderwerp grondig willen bestuderen , hebben 
meestal zelve niet de voldoende middelen om zich de noodige 
boeken aan te schaffen, en gaan zij dan zoeken in de biblio- 
theek der Vereeniging, zoo vinden zij ja wel wat, dat hen op 
den weg helpt, maar meer ook niet, en komen al spoedig tot 
de overtuiging dat ook de Vereeniging niet in staat is eene 
volledige literatuur over het onderwerp, hetwelk zij wenschen 
te behandelen, ter hunner beschikking te stellen. Om zooda- 
nige bibliotheek bijeen te brengen zoude de Vereeniging over 
ruimer geldmiddelen moeten kunnen beschikken dan nu het 
geval is, zij zoude minstens jaarlijks een paar duizend gulden 
meer aan hare boekerij moeten kunnen besteden dan tegenwoor- 
dig. Zoo iets behoort echter niet lot de onmogelijkheden en 
ik hoop dat de finantiën der Vereeniging zooveel zullen mogen 
vooruitgaan, dat ten minste eenmaal de voornaamste leemten 
in onze bibliotheek mogen aangevuld worden, en wij ons in het 
bezit van eene eenigszins volledige boekerij mogen verheugen , 
al zullen wij dan ook nog in andere opzichten veel dat 



510 

wenschelijk is , als geheel onbereikbaar achterwege moe- 
ten laten. 

Zoo zal het wel altijd boven de krachten der Vereeniging 
blijven om een museum van natuurlijke historie bijeen te 
brengen, dat eenigszins aanspraak op volledigheid zou mogen 
maken en waarin de beoefenaar dezer wetenschap een overzicht 
zou kunnen vinden van datgene wat van de dierenwereld in 
onzen Archipel bekend is; aan zoodanig museum zouden jaar- 
lijks misschien zoovele duizenden guldens moeten kunnen ten 
koste gelegd worden, als de Vereeniging nu voor alles te za- 
men honderden besteden kan. Ik geloof niet, dat iemand, 
zelfs hij die de stoutste verwachtingen omtrent den bloei der 
Vereeniging koestert , zal willen beweren dat naar eenige waar- 
schijnlijkheid de Vereeniging ooit over zoo groote middelen zal 
kunnen beschikken. Een museum van natuurlijke historie, 
dat eenigszins op dien naam aanspraak mag maken, zal wel 
altijd tot de vrome wenschen behooren , zoo niet van regerings- 
wege hierin voorzien wordt, zooals sommigen hopen en niet 
zonder grond, wanneer men bedenkt hoe meer en meer zoo- 
wel in Nederland als in Indië het denkbeeld begint veld te 
winnen, dat tot nu toe veel te weinig aan het wetenschappe- 
lijk onderzoek van den Indischen Archipel gedaan is. Wel zijn 
er die meenen, dat het niet practisch zoude zijn eene derge- 
lijke inrichting hier in het leven te roepen, dat het geld daar- 
aan besteed veel productiever zoude zijn, indien men het voor 
hetzelfde doel in het moederland zou kunnen gebruiken. Het 
is waar, het onderhoud van een museum is in Europa veel 
gemakkelijker dan in een tropisch land ; het noodige personeel, 
vooral het wetenschappelijke, moet hier hooger betaald worden 
dan in Nederland; maar het is de vraag of die meerdere uit- 
gaven niet opgewogen zouden worden door het groote belang, 
hetwelk de vestiging van eene dergelijke inrichting in Indië 
voor de wetenschap zoude hebben, en door den gunstigen in- 
vloed , dien zij op het maatschappelijke leven alhier zoude kun- 



311 

nen uitoefenen. Indien hier een dertigtal jaren geleden een 
museum, met een goed bezoldigd wetenschappelijk personeel 
er aan verbonden, opgericht was, waarschijnlijk zoude men 
veel meer van de dierenwereld van onzen Archipel weten dan 
op het oogenblik het geval is. Veel toch is er dat men alleen 
met vrucht op de levende dieren bestuderen kan ; veel ook dat 
men slechts dan kan leeren kennen, wanneer men de levens- 
wijze van het dier in zijn eigen klimaat en in zijne natuur- 
lijke omgeving kan nagaan. Een hier gevestigd museum heeft 
ook veel meer kans om door vrijwillige verzamelaars bijgestaan 
te worden, dan een museum in Europa. Ik geloof, dat er 
velen zijn die gaarne verzamelen zouden, indien zij daarin 
slechts eenige leiding konden hebben. Menigeen heeft bij het 
aanschouwen van den rijkdom der natuur in deze gewesten 
den wensch om uit hetgeen hij om zich henen zag te verza- 
melen, voelen opkomen, maar is daarvan teruggehouden om- 
dat hij niet wist »wat", niet wist »hoe". Gedurende de jaren, 
die men aan de opleiding voor de eene of andere betrekking 
heeft moeten besteden, heeft men meestal te weinig tijd over 
gehad , te veel voor het een of andere examen moeten werken, 
om aan eenige andere studie dan het on middel ijk noodige te 
kunnen denken; 'men weet op dien leeftijd ook meestal niet 
hoeveel genot een weinig meer kennis later zal kunnen geven, 
hoe veel genoegelijke oogenblikken men, te midden eener rijke 
natuur levende, aan een weinig kennis van die natuur kan te 
danken hebben. Laler, wanneer men het gemis aan die ken- 
nis gevoeld heeft , zou men gaarne het ontbrekende willen aan- 
vullen, indien daartoe slechts de gelegenheid bestond. Menig- 
maal heb ik dien wensch door versehillende personen hooren 
uiten. Velen brengen in den loop hunner carrière eenige jaren 
te Batavia door, die, indien zij daar de gelegenheid vonden om 
onder goede leiding eenige kennis der natuur op te doen, daar- 
van gretig gebruik zouden maken, en later als kundige verza- 
melaars en opmerkers gewichtige diensten aan de wetenschap 



512 

zouden kunnen bewijzen. Een hier gevestigd museum zou 
daardoor in het Europesche gedeelte der Indische maatschappij 
een steun vinden, die voor eene elders gevestigde inrichting 
bijna geheel verloren gaal, omdat deze door den afstand ver- 
hinderd is den daarvoor noodigen invloed uit te oefenen. Nog 
grooter zou het verschil zijn in de diensten die beide inrich- 
tingen van inlanders zouden kunnen trekken. Inlanders zou- 
den aan een hier gevestigd museum uitstekende diensten voor 
het maken van verzamelingen kunnen bewijzen. Men zoude 
aldaar ongetwijfeld kundige inlandsche verzamelaars kunnen 
opleiden, die waarschijnlijk beter tegen vermoeijenissen in 
dit klimaat bestand zouden zijn dan de meeste Europeanen, 
en ook door de grootere gemakkelijkheid waarmede zij zich 
hier bewegen , vele afgelegene , voor Europeanen ontoegankelijke 
punten zouden kunnen onderzoeken. Door deze hulpmiddelen 
zoude een hier gevestigd museum beter in staat zijn volledige 
verzamelingen uit den Indischen Archipel bijeen te brengen, 
dan eene dergelijke inrichting in Nederland, welke meestal 
slechts eenige weinige verzamelaars, somtijds in het geheel 
geene, hierheen zendt, ooit zal kunnen doen. Van zijnen rijk- 
dom zou het ongetwijfeld gaarne aan de zusterinstellingen in 
het moederland mededeelen; hierdoor zou ook de gelegenheid 
tot het bestuderen der fauna van onzen Archipel in Nederland 
toenemen, en binnen weinige jaren zoude men niet meer de 
ook wel in het moederland geuite beschuldigingen, dat Neder- 
land nagenoeg niets doet voor het bestuderen der dierenwereld 
in zijne tropische bezittingen, stilzwijgend behoeven aan te 
hooren. 

De oprichting van een museum voor natuurlijke historie in 
Indië zou ook op den langen duur een gunstiger invloed op 
de Indische maatschappij kunnen uitoefenen. Het zou er veel 
toe kunnen bijbrengen om meer algemeen eenige kennis van 
de natuur alhier te verspreiden, en daardoor meer liefde voor 
de wetenschap op te wekken dan thans gevonden wordt, 



315 

Het wetenschappelijke personeel van zoodanige inrichting zou 
namelijk in de gelegenheid kunnen gesteld worden om voor 
het publiek toegankelijke lessen over dierkunde (e geven , die 
zeker door menigeen gaarne zoude hijgewoond worden. In- 
dien zoodanige lessen, waarop het eene jaar dit, het andere 
jaar een ander gedeelte der dierkunde zou kunnen behandeld 
worden, en waarvoor het nooit aan belangrijke onderwerpen 
zoude ontbreken, goed gegeven werden, zouden zij voor me- 
nigeen eene aangename afleiding in het Indische leven , over 
welks eentoonigheid zoo dikwijls geklaagd wordt, kunnen ge- 
ven. Het publiek zoude dan met belangstelling het museum 
bezoeken en van dat bezoeken ook werkelijk nut en genoegen 
kunnen trekken. Menigeen zou onbewust daarvan den gun- 
stigen invloed ondervinden en later dankbaar erkennen, dat 
het bezoeken van het museum en de daaraan verbonden lessen 
niet alleen hem menigmaal eene aangename afleiding van zijne 
ambts- of beroepsbezigheden gegeven had, maar dat ook door 
den ruimeren blik, die hem daardoor in de natuur rondom 
hem gegeven was, zijn oordeel ontwikkeld en zijn inzicht in 
vele andere zaken dieper en helderder geworden was. 

Een zoodanig museum zal altijd ver, zeer ver boven de 
krachten der Vereeniging gaan en naar ik meen, is de Directie 
hiervan zoo zeer overtuigd, dat door haar niets liever zou ge- 
wenscht worden dan dat zij hare kleine verzamelingen van en- 
kele onderdeden van het dierenrijk aan 's Lands Museum voor 
natuurlijke historie mocht kunnen aanbieden. 

Ik heb mij deze kleine uitwijding veroorloofd, omdat in den 
loop der discussiën, die nu en dan op de bestuursvergaderingen 
in het afgeloopen jaar over het museum gehouden zijn, de 
hierboven besproken denkbeelden door sommige leden geuit zijn. 
Niemand make daaruit op, dat het in het plan van het bestuur 
ligt de verzamelingen, die met den naam van het museum der 
Natuurkundige Vereeniging aangeduid worden, te verwaarloo- 
zen. Het tegendeel is waar, zooals ik reeds boven bij het be- 



514 

spreken van hetgeen voor dat museum ingezonden was, gezegd 
heb; maar strevende naar hetgeen voor ons bereikbaar is, be- 
hoeven wij ons niet te schamen te erkennen, dat onze krach- 
ten slechts gering zijn in verhouding tot hetgeen in het belang 
van de kennis der natuur van den Indischen Archipel eigenlijk 
behoorde gedaan te worden. 

Ik eindig met mijn dank te betuigen aan U M. M. H. H. 
voor het vertrouwen in mij gesteld, door mij gedurende het 
afgeloopen jaar de leiding der vergaderingen van de Vereenigmg 
toe te vertrouwen. 



NOTULEN 

VAN DE 

VERGADERINGEN 

DER 

KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 

IN 

NEDERLANDSe HINDI Ë. 
BESTUURSVERGADERING 

GEHOUDEN OP VRIJDAG DEN 19DEN JlJNlJ 1874. 



Tegenwoordig de heeren dr. J. A. C. Oudemans, president, 
H. L. Janssen van Raaij, P. van Dijk, dr. C. L. van der Burg, 
dr. N. J. Hoorweg, R. Everwijn, dr. C. Gutteling, H. J. Har- 
deman en J. Heringa, secretaris. 

Van den heer B. E. J. H. Becking is bericht ontvangen, dat 
hij verhinderd is de vergadering bij te wonen. 

I. De notulen der bestuursvergadering van 15 Mei worden 
gelezen en goedgekeurd. 

Naar aanleiding van die notulen deelt de president mede: 

1. dat het lid K. F. Holle hel voorstel van het landbouw- 
genootschap, om der regeering de oprichting vaneen landbouw- 
wetenschappelijk proefstation Ie verzoeken, ontijdig acht en te- 



516 

veris voorstelt, ook het lid K. W. van Gorkom te Bandong, die 
vroeger aan het landbouw-laboratorium te Buitenzorg geplaatst 
is geweest, in die aangelegenheid te' hooren. 

De voorzitter, dit allezins wenschelijk achtende, heeft tot be- 
spoediging der zaak, persoonlijk aan den heer van Gorkom ge- 
schreven en daarop een nitvoerigen brief ontvangen, die, even 
als die van het lid Holle, wordt voorgelezen. De heer van 
Gorkom, die het geheel met den heer Holle eens is, wijst er 
op hoe hij reeds vroeger in het openbaar zijne meening over 
dit onderwerp heeft uitgesproken, en biedt ten slotte aan om 
het onderwerp uitvoeriger en in een' meer voor publiceering 
geschikten vorm voor het tijdschrift te behandelen, waarop be- 
sloten wordt dit aanbod van den heer van Gorkom aan te ne- 
men. Daarop volgt eene bespreking over doel, inrichting en 
praktisch nut van model-hoeven, proefaanplantingen en land- 
bouwonderwijs in Nederlandsch-Indie en de meerdere of min- 
dere wenschelijkheid van een en ander nu reeds. 

Algemeen werden intusschen ten slotte de denkbeelden van de 
heeren leden Holle en van Gorkom beaamd en besloten dien over 
eenkomstig aan het Indisch landbouw-genootschap te schrijven. 

2. De voorzitter leest een brief voor van den vice-president 
ter begeleiding van een schrijven van het lid dr. B. A. Meijer, 
thans te Weenen, die een afdruk van eene anthropologische 
studie aanbiedt en verzoekt dit in het tijdschrift der Konink- 
lijke Natuurkundige Vereeniging, vertaald of niet vertaald, over 
te nemen, voor welk geval hij aanbiedt de daarbij behoorende 
houtsnêe platen, tegen betaling der onkosten a f 50 te leveren. 
Daar het stuk handelt over volkstammen, die door den schrij- 
ver eenige jaren geleden gedurende zijn verblijf in Ned. 0. I. 
bezocht zijn geworden, de houtsnêeplaten zeer goed zijn en de 
prijs verre beneden die waarvoor de platen plaatselijk uitvoer- 
baar zijn, wordt besloten het stuk onvertaald te plaatsen en 
het lid dr. B. A. Meijer door tusschenkomst van dr. P. A. 
Bergsma te verzoeken om ons de noodige platen, tegen betaling 
der onkosten, te doen toekomen. 



317 



Al verder wordt ter tafel gebracht. 



5. Een brief van den Direkteur van het centraal-expeditie 
bureau te Haarlem dr. E. H. von Baumiiauer inhoudende opgaaf 
der onkosten van de expeditie van eenige kisten boeken van 
de Vereen iging ontvangen , en het verzoek om ook van andere 
wetenschappelijke inrichtingen en geleerden in Nederlandsch- 
ïmlie, die de tusschenkomst van het centraal-expeditie bureau 
verlangen, de toezending der boekwerken Ie bewerkstelligen, 
bepaaldelijk van het Bataviaasch Genootschap van kunsten- en 
wetenschappen. Wordt besloten : 

De rekening te voldoen, 

het Bataviaasch Genootschap kennis te geven, dat dr. E. H. 
von Baumhauer nog steeds bericht verwacht op zijne uitnoo- 
diging om de verzending van de geschriften van het Genoot- 
schap door middel van het expeditie bureau te doen plaats 
hebben; en 

daar de verzending van ons eigen tijdschrift reeds telkens 
eene geheele kist van redelijken omvang vult, en de geschrif- 
ten van het Bataviaasch Genootschap nog meer volume inne- 
men, de verzending der laatsten aan hel genootschap zelf over 
te laten, ook omdat door de voorgestelde combinatie nu en dan 
vertraging in de verzending van een tijdschrift van een der 
beide ligchamen kan ontstaan. 

In verband met de nieuwe wijze om verzending naar Nederland 
deelt dr. van der Burg uit een brief van het eerelid Swaving 
mede, dat die het tijdschrift in den laatsten lijd onvolledig en 
tegen hooge port ontvangt, waarom ter speculatie voor den bi- 
bliothecaris een adres a costi wordt opgegeven. 

4. Verder is ingekomen een bericht van hel directielid A. 
A. BACKer O verreek van de stof, afkomstig van den zooge- 
naamden bloedregen van Januarij jl. in het Krawangsche, waar- 
van eene hoeveelheid werd gezonden door den beer Vörbermais 
te Krawang, en luidende als volgt. 

Het (iltrum, waarop sterk daaraan vastgekleefd een bruin 
poeder voorkomt, is zeer vochtig en daardoor is hel uilcrsl 



318 

moeijelijk het zonder papiervezels op een voorwerpglaasje te 
krijgen; intnsschen gelukte het eene hoeveelheid onder het mi- 
kroskoop te hrengen, waarbij de papiervezels, ofschoon niet 
geheel verwijderd, de waarneming niet hinderen. 

Het poeder deed zich voor als een conglomeraat van ontel- 
bare, bij 240 malige vergrooting den omvang van een spelden- 
knop hebbende, helderbruin gekleurde bolletjes, wier gedaan- 
te eenigzins hoekig en ovaalvormig zich voordoet, door ruiten- 
vormende lijnen doorsneden; bij drukking laten enkele dier 
bolletjes los en laten zich gemakkelijker waarnemen, terwijl ze 
dan helderder van kleur, en meer doorschijnend worden. 

Bij behandeling met sterk zoutzuur verliezen ze voor het 
grootste gedeelte hare kleur, doch verdwijnen. 

Het gelukte mij niet een voldoende quantiteit van het filtrum 
te verwijderen, om ze, zonder dit, te verbranden , zoodat ik ver- 
plicht was een stuk van het filtrum mede door vuur te ver- 
nietigen. Na verbranding verkreeg ik een zuiverwitte asch» 
welke met salpeterzuur werd behandeld. De vloeistof dampte 
ik op een waterbad uit tot droog, loste het residu in water 
op en verkreeg met ferro-eijanet: kalicum eene zoo zwakke 
nuance van blauw, die slechts bij vergelijk met een stuk wit 
papier achter het reageerbuisje was waar te nemen, terwijl 
sulpho-eijanet: kalic: evenzoo eene naauwelijks waarneembare 
roode nuance te voorschijn riep, dat ik met zekerheid durf aan- 
nemen dat deze aanwijzing op ijzer slechts was toe te schrijven 
aan de sporen van ijzer, steeds in filtreerpapier voorkomende. 

De hoeveelheid der stof was te gering om quantitatief onder- 
zoek mogelijk te maken, doch niettemin is het zeker, dat men 
hier te doen heeft met ligchaampjes van zuiver organischen aard. 

Op het filtrum komen tal van schimmels voor, die zich bij 
dezelfde vergrooting voordoen als lange grijsachtige zeer dunne 
draden en tal van uiterst kleine heldergroen gekleurde eencel- 
lige ligchaampjes. Blijkbaar behooren zij niet bij hetgeen men 
de bloedregen noemt, maar ontstonden zij later op het vochtige 
filtrum. 



519 

In hoe verre men te doen heeft met pollenkorrels, durf ik 
niet beslissen; eene desnoodzakelijke bibliotheek is hier niet 
voorhanden en acht ik het daarom van belang den heer dr. 
Scheffer len deze te hooien, wiens middelen op dit gebied 
zeker ruimer zijn. 

Mijn doel met dit schrijven is hoofdzakelijk om aan Ie toonen, 
dat het poeder geen ijzeroxijde, geen ijzerhoudende tuf is. Het 
restant van het poeder heb ik den wd. secretaris ter hand 
gesteld. 

4. Gouvernements renvooijen no. 5888, 7056, 7925, 8204, 
8297, 8705, 9704 en 9946 allen ter begeleiding van brieven 
handelende over in den laatsten tijd plaats gehad hebbende aard- 
bevingen en stormen. Wordt besloten deze als naar gewoonte 
te stellen in handen van dr. P. A. Bergsma. 

5. Door de jongeheeren Willem en Johan Stortenreker zijn 
aangeboden drie flesschen met slangen, gevangen op Djati. 
Wordt besloten daarvoor den dank der Vereeniging te betuigen 
en den direkteur van het museum van de ontvangst kennis te 
geven. 

6. Wordt bepaald om op de ontvangen kennisga>e van den 
heer C. Ouetelet te Brussel van het overlijden van zijnen vader 
J. A. D. Ouetelet, direkteur van het observatorium te Brussel, 
en corresponderend lid onzer Vereeniging, een brief van rouw- 
beklag te doen afgaan. 

7. Wordt aange teekend dat de hh. P. B. Bruijn van Ilo- 
senrurg en dr. G. Uijlenrroek niet contribueerende leden zijn 
en daarom geen recht hebben op het tijdschrift der Vereeniging. 

8. Van de in het vorige jaar benoemde correspondeerende 
leden P. J. Veth en dr. N. W. P. Bauwenhoff is bericht ont- 
vangen dat zij hunne benoeming in dank aannemen. 

II. De Thesaurier deelt mede, dat de bediende der Vereeni- 
ging het bedrag van tien jaarlijksche contributies heeft zoek 
gemaakt, en dat hij in handen van het gerecht is overgeleverd. 
Daar het niet waarschijnlijk is, dat van het geld iets te recht zal 
komen, wordt den Thesaurier authorisatie tot afschrijving verleend. 



520 

III. Eene gedachtenwisseling heeft daarna plaats over den 
weg in te slaan, om het aantal leden te doen toenemen, en 
worden de hh. H. L. Janssen van Raaij en J. Heringa in com- 
missie benoemd om maatregelen daartoe te beramen. 

IV. De secretaris leest een gedeelte uit een particulier schrij- 
ver van het lid J. W. van Hattum voor, handelende over de 
plaats, alwaar het in de vorige vergadering aangeboden slijk- 
water verzameld is. 

Wordt besloten dit bij het verslag van het onderzoek te voe- 
gen en den heer Backer Overbeek mede te deelen. 

V. Van de hh. S. A. Bleekroode, C. Baumgarten, P. v. d. 
Crab en E. C. Suermondt is het verzoek ontvangen, om hen 
van de ledenlijst af te voeren. 

Daarentegen worden met algemeene stemmen benoemd tot 
leden de heeren dr. F. H. Bauer. dr. Theod. Abrahamsz, offi- 
cier van gezondheid bij de Kon. Nederlandsche Marine, J. A. 
Hooze, S. L. G. Birnie en R. Fennema, mijningenieurs. 

VI. Ten slotte deelt de president mede dat hij in de vol- 
gende maand naar Réunion vertrekt en niet voor Februarij van 
daar terugkeert, dat hij intusschen op de eerdaags te houden 
algemeene vergadering eene voordracht zal houden over den 
overgang van Venus voorbij de zon, die aan het einde van dil 
jaar moet plaats hebben en de reden van zijne afwezigheid zal 
zijn, dat hij het beter acht nu zijn ontslag als president te 
nemen en daarom de direktie verzoekt een ander in zijne plaats 
te kiezen. 

Bij de tweede herstemming wordt verkozen de heer B. E. 
J. H. Becking. 

VIL Lijst der ingekomen boekwerken. 
Aangekocht : 

1. Comptes rendus de Pacadèmie des sciences. T. LXXVIII, 
No. 13, 14, 16 et 17. Paris 1874. 4°. 

2. Annales de Chimie et de Physique par Chevreul, etc. 
5 e Série. T. I er (Avril) et (Mai 1874). T. II. Paris. 8<>. 

3. Annalen der Physik und Chemie von J. C. Poggendorff. 



521 

Jubelband dein Herausgeber zur F-eier lénikigjahrigen VVirkens 
gewidmet. Leipzig 1874. 8°. 

Als geschenken deels w ruil: 

4. Monatsberichl der Kon. Preass. Akademie der Wissen- 
schaften zu Berlin. Februar 1874. 8°. 

ij. Cosmos comunicazioni sui progressi pi ii recenti e notevoli 
della geograiia e delle scienze afflni di Guido Cora. Anno II - 
1874. ïorino. 4°. 

6. Mittheilungen der Deutschen Gesellschaft für Natur- und 
Völkerkunde Ostasien's. 4 es Heft (Januar 1874). Yokohama folio. 

7. Tijdschrift van het Indisch Landbouw Genootschap. 4 e . 
Jaarg. No. 5. (Mei) Samarang 1874. 8°. 

8. Geneeskundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. Dl. XVI. 
Afl. 6. Batavia 1874. 8°. 

9. Tijdschrift voor Nijverheid en Landbouw in Nederlandsch- 
Indië , uitgegeven door de Nederlandsen Indische Maatschappij van 
Nijverheid en Landbouw. Dl. XIX. Afl. 3. Batavia 1874. 8<>. 

10. Dr. C. Swaving, een woord over de zaak van de plaat- 
sing van het Krankzinnigen Gesticht te Buitenzorg op Java 
(overgedrukt uit het Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde. 
(Jaarg. 1874). Broch. 8°. T. g. van den schrijver. 

11. Verslag omtrent den staat van 's lands plantenluin te 
Buitenzorg en der daarbij behoorende inrichtingen, over het 
jaar 1873. Batavia 1874. 8°. Van dr. R. H. G. G. Schei «ter. 

12. Verslag omtrent den gou vernemen ts telegraaf in Neder- 
landsch-Indië over 1872 (overgedrukt uit het tijdschrift voor 
Nijverheid en Landbouw in Ned. Indie. Afl. 3. Dl. XIX). 
Batavia 1874. Broch. 8°. Van den beer II. L. Janssen \ w 
Ba au. 



Bestuursvergadering gehouden op Vrijdag den 
17 den Juli 1874. 

Tegenwoordig de heeren B. K. J. II. Beckim;, President, 
dr. A. J. D. Steenstra Toussaint, II. L. Ja.nsskn van Baaij, 

DEEL XXX IV. 21 



322 

P. van Dijk, H. J. Hardeman, J. Heringa, Secretaris en het 
gewoon lid J. G. Hoogklimmer. 

De heeren dr. N. J. Hoorweg én A. A. Backer O verreek 
hebben kennis gegeven dat zij verhinderd zijn de vergadering 
bij te wonen. 

Worden ter tafel gebracht : 

1. Eene circulaire van het bestuur van het tweede Indisch 
Landbouw Congres te Djocjakarta dd. 26 Juni 1874, No. 2564/125, 
handelende over het uitloven van medailles voor voorwerpen 
van Nijverheid en Landbouw op de te houden tentoonstelling. 
Wordt voor notificatie Aangenomen. 

2. Missive van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en 
Nijverheid, dd. 20 Juni 1874, No. 6114, aanbiedende voor 
het tijdschrift het «verslag van den inspecteur-honorair der 
cultures J. E. Teysmann van zijne reis naar Banka, Biouw 
en Lingga, van 10 Mei tot en met 9 December 1872. Wordt 
besloten dit in handen te stellen van de heeren A. A. Backer 
Overreek en J. Heringa. 

5. Een brief van het lid J. W. van Hattum te Padang- 
Sidempoean, dd. 5 Juli 1874, over de vroeger door hem toe- 
gezondene zwavel. Deze vermeldt in hoofdzaak het volgende: 

De vindplaats van de zwavel is z. of z. z. o. van den Goe- 
noeng Mertimbang , in de richting naar Sigompoelan, maar van 
die plaats nog ongeveer 12 palen verwijderd; volgens kaarten 
van Junghuhn op 1° 45' N. B. en 99° 0. L. De weg derwaarts 
is niet meer dan een voetpad, zelfs voor pikolpaarden onge- 
schikt. 

Het meest zuidelijke gedeelte der zwavel-vindplaats , waar 
de gouverneur Arriëns geweest is, heeft ongeveer eene paal 
breedte van 0. naar W. en bevat ten oosten tal van warme 
bronnen. Ten noorden van dit eerste veld heeft men eene 
uitgebreidheid van ± 1 I 2 paal 0. naar W. , waar slechts wei- 
nig zwavel voorkomt, doch ten noorden daarvan verbreedt ze 
zich weer tot ongeveer IV2 paal. De afmeting van N. naar 
Z. varieert van 100 tot 500 passen. De schattingen der uit- 



323 

gebreidheid zijn echter zeer ruw gemaakt. De gansche om- 
trek draagt het kenmerk van een vulcanisch terrein; zoo ver- 
loont de grond ontelbare spleten en holen, terwijl er tal van 
kleine slijk-vulkanen van 10 lot 40 voeten diameter, en ook 
vele warme bronnen gevonden worden. De belangrijkste daar- 
van, zijn de nog werkende slijkvulkanen en zwavelvelden aan 
den Boelboeali bij kampong Sitoembar en de bronnen tusschen 
kampong Baringin in 't gebergte en Boelo Mano. De kampongs 
Baringin en Sitoembar liggen bij den ingang van het plateau 
van Sipirok aan de zuidzijde. Verder vindt men warme bron- 
nen in het Batang-Taro-dal van af Simonpoenban, beneden de 
uitwatering van den Aik Poeli, tot in de nabijheid van Silindoeng. 

4. Gonvernements renvooien No. 110915, 11096, 11287, 
11411, 12025, 12026 en 12213, allen met aardbevingsberich- 
ten , en die als naar gewoonte in handen zullen gesteld worden 
van dr. Bergsma. 

5. Missive dd. 2 Julij, No. 6614, van den Directeur van 
0. E. en N. aanbiedende, 2 e jaargang, 2 e deel van het jaarboek 
van het mijnwezen in Nederlandsch-Indië. Wordt besloten het 
boek in de bibliotheek te plaatsen. 

6. Een schrijven van het lid dr. Sciieffer te Buitenzorg 
over de stof uit den bloedregen in Januarij jl. in het Krawang- 
sche gevallen, meldende dat die stof waarschijnlijk wel eene 

I alge is, en daarom voorstellende ze aan prof. Surlngar te Lei- 
den te zenden , met opgave van bijzonderheden , die omtrent 
dien bloedregen bekend zijn en met verzoek om van zijne be- 
vinding mededeeling te doen aan de Vereeniging. Dienover- 
eenkomstig wordt besloten. 

7. Een schrijven van dr. J. Bosscha te 's Gravenhage hou- 
dende kennisgave dat hij met genoegen zijne benoeming tot. 

II corresponderend lid der Vereeniging aanvaart. 

8. Kennisgave van den heer J. Liagre dat hij in de plaats 
! van wijlen Ad. Quetelet tot «secrétaire perpétuel de l'académie 
'royale des Sciences, des Lettres et des Beaux Arts de Belgique" 

is verkozen. 



I 



324 

II. De bibliothecaris geeft in overweging om den catalogus 
der bibliotheek, nu op nieuw bewerkt, te laten drukken. Hij 
wordt uitgenoodigd op de volgende vergadering eene berekening 
van onkosten in te dienen. 

III. Dr. Toussaint spreekt over een insect dat op Java in 
den stengel van de tabaksplant gevonden wordt, vooral in de 
omstreken van Tjandjoer, terwijl het oostelijker minder menig- 
vuldig is. Hij wenscht dr. de Gavere te verzoeken het dier 
zoo mogelijk te bestemmen. 

IV. De heer Janssen laat zien, hoe door witte mieren de 
gutta-percha bekleeding van het strandeinde van den telegraaph- 
kabel te Telok Betong is aangetast, niettegenstaande dat 
dit gedeelte in zilten grond ligt. De kabel wordt verder op 
in 't land niet door die beesten aangetast, maar is daar met 
caout-chouc bekleed. Spreker merkt daarbij op, dat de En- 
gelsche onderzeesche telegraaph-maatschappij te Batavia een 
kabel heeft liggen met gutta-percha en een met caout-chouc 
bekleed, en dat beiden nog nooit door witte mieren beschadigd 
zijn geworden, niettegenstaande het hier niet aan witte mieren 
ontbreekt. 

V. Dezelfde deelt mede, dat de heer J. A. Hamburg, zijne 
hulp aanbiedt, tot het determineren van schelpen in het mu- 
seum der Vereeniging. Wordt besloten van dit beleefd aan- 
bod den Directeur van het museum kennis te geven. 

VI. Tot gewone leden worden benoemd de heeren J. Hom- 
burg en B. J. Hiddink. 

VII. Lijst der ingekomen boekwerken: 
Aangekocht : 

1. Comptes rendus de 1'academie des sciences. T. LXXVIII, 
No. 15, 18, 19, 20 et 21 et Tables de Tomé LXXVII. Pa- 
ris 1874. 4°. 

2. Annalen der Physik und Chemie von J. C. Poggendorff. 
Bnd. DLL Stück 5. (1874 No. 5). Leipzig, 1874. 8°. 

Als geschenken deels in ruil. 



525 

5. Monatsbericht der Kon. Prenss. Akademic dor Wissen- 
schaften /a\ Berlin Marz 1874. Berlin 1874. 8°. 

4. Verhandlungen der Natnrforschenden Gesellschaft in Ba- 
sel. Sechsler Theil. Erstes Heft. Basel 1874. 8°. 

5. Tijdschrift uitgegeven door de Nederlandsche Maatschappij 
ter bevordering van Nijverheid. Derde reeks. Dl. XIV (van 
de geheele reeks. Dl. XXXVI. Stuk 1—6. Haarlem, 1875. 8°. 

6. Handelingen en mededeelingen idem 1875. Afl. 2 en 5. 
Haarlem 1875. 8°. 

7. Handelingen der 96 e algemeene vergadering van de Ne- 
derlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en van 
het 17 e Nijverheids Congres gehouden te Utrecht op 8, 9 en 
10 Juli 1875. Haarlem 1875. 8°. 

8. Dr. L. C. E. E. Fock. Handleiding voor de cultuur der 
zijderupsen. Haarlem 1875. 8°. 

9. Dr. A. B. Meijer. Ueber die Papageien-Guttung Eclectus 
(Wagler). Separat abdruck aus dem „Zoologischen Garten" 
Mai 1874. Frankfurt a/M., 1874. 8°. 

10. Jaarboek van het mijnwezen in Nederlandsen Oost-Iudië, 
tweede jaargang, 2 e deel. Amsterdam 1875. 8°. 

11. Tijdschrift van het Indisch Landbouw-genootschap. 4 r . 
Jaargang, No. 6 (Junij 1874). Samarang, 1874. 8°. 

12. Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, 
uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van K. en W. 
Dl. XXII. Aft. 1—2. Batavia 1874. 8°, 



Bestuursvergadering gehouden op Vrijdag den 
21 de0 Augustus 1874. 

Tegenwoordig de bh. B. E. J. H. Becking, president, dr. I\ 
A. Bergsma, dr. C. de Gavere, II. L. Janssen van Raaij, P, 
v\\ Dijk, dr. J. J. W. E. van Riemsdijk, II. J. Hardeman, \\. 
Everwun, J. Heringa., secretaris, en het gewoon lid dr. E. II. 
Bauer. 



526 

De hh. dr. N. J. Hoorweg en A. A. Backer Overbeek heb- 
hen laten weten dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te 
wonen. 

Worden ter tafel gebracht: 

1. Gouvernements-renvooijen dd. anno 1874 no. 10514, 
13030, 13078, 13079, 14262 en 14474 allen aanbiedende be- 
richten omtrent aardbevingen, die in Nederlandsch-Indie hebben 
plaats gehad. Besloten deze in handen te stellen van dr. P. 
A. Bergsma. 

2. Missive van den chef der IV e afl. van het departement 
van oorlog dd. 24 Julij 1874 no. 4148/352 aanbiedende copie 
van een aardbevingsbe richt van den e. a. Genie Officier van de 
Wester-Afd. van Borneo. Besloten als boven. 

5. Een schrijven van het lid J. B. Nagelvoort te Tjilatjap, 
dd. 19 Juli jl. mededeelende dat hij in September 1873 op 
zijne reis van Batavia derwaarts per stoomschip van de Ne- 
derlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij zijne aandacht heeft 
gevestigd op de temperatuur van het zeewater, om na te gaan, 
of ten zuiden van Java ook de koude golfstroom, die van de 
zuidpool komt, in de temperatuur van het zeewater was waar 
te nemen. Later heeft hij ook het spec. gewigt en hetchloor- 
gehalte bepaald en deelt over een en ander in hoofdzaak het 
volgende mede: 

Zeewater op de reê van Anjer ingezameld, den 15 en Septem- 
ber 1875, des namiddags te 4 3 / 4 ure, bij eene temperatuur van 
de lucht van 25° G. en der zee van 2 9°, 5 C., heeft een soort: 
gewigt van 1,0244 bij 28° C. als gemiddeld uit drie bepalin- 
gen. Dus overeenkomende met het zeewater op den meridiaan 
van Tjeribon ingezameld en onderzocht door P. J. Maier (1,0255 
spec. gew. bij 27° C.) 

Het door hem op den meridiaan van 't klappereiland (7° Z. 
Br. 105° 52' 0. L. Miswijzing 1° 45') geschepte zeewater had 
eene temperatuur van 27°,5 C., de lucht op 't achterdek van 
het schip 29° C. Het water had het veel aanzienlijker soort: 



327 

gew. van 1,02601 bij 28° C. mede als gemiddelde uit drie be- 
palingen. 

't Zeewater voor Anjer had een Cl. gehalte van 18,4444 per 
liter, dat bij klappereiland van 19,6604 per liter, 't Zeewater 
voor Tjeribon hield 18,327 Cl. per liter. 

De spec. gew. bepalingen zijn verricht met den picnometer, 
chloor is getitreerd met kali-chromaat en zilvernitraat , zóó dat 
voor 't aflezen der zilver-oplossing een Erdmannsche zwemmer 
gebruikt werd, en bij het meten van het zeewater, in twee 
elkander controlerende bepalingen, de ondervlakte van den me- 
niscus legen een half zwart, half wit scherm werd afgelezen, 
voor 5 C. C. zeewater met 25 C. C. gedestilleerd water ver- 
dund, gebruikte hij eens 29,2 C. C. de andere keer 27,5 C.C. 
Vio normaal zilver-oplossing. 

De normaal vloeistof bevat 1049,7. 

Wordt besloten den heer Nagelvoort mede te deelen dat de 
Directie van dit weinig behandelde onderwerp gaarne de mede- 
deeling van nadere onderzoekingen zal ontvangen. 

4. Brief van V. te Salatiga over luchtscheepvaarl, meldende 
dat eene eerste proeve met een bamboesen model mislukt is; 
maar dat nadere proeven zullen genomen worden. Voor ken- 
nisgave aangenomen. 

5. Circulaire van de Regeering en missive van den Resident 
van Batavia, verzoekende ledenlijst voor den regeringsalmanak. 
Besloten hieraan te voldoen. 

6. Missive dd. 4 Augustus 1874 no. 7947, van den Directeur 
van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid, aanbiedende Reperto- 
rium op de koloniale litteratuur van J. C. Hooijkaas. l e stuk. 

Besloten daarvoor te bedanken en het boek in de bibliotheek 
le plaatsen. 

7. Missive van den Gouvernements-secretaris dd. 7 en Augustus 
1874 no. 1669 C. aanbiedende „Rapport omtrent het onderzoek 
in de baai van Batavia, door M. J. Schram en W. Baron van 
Hogendorp. 

Besloten tot plaatsing in de bibliotheek. 



328 

8. Een schrijven van het lid Nagelvoort dd. 11 Augustus 
1874 aanbiedende voor het tijdschrift een: „Bericht over Raf- 
flesia Patma. Besloten het in handen te stellen van het lid 
dr. R. H. C. C. Scheffer. 

9. Een schrijven van het lid Vorderman aanbiedende marmer 
en andere gesteenten afkomstig uit het district Gandasolie in 
de Preanger-Regentschappen met een klein schetskaartje. 

De heer Everwijn biedt aan de steenen nader te determine- 
ren, waarna ze in het museum zullen worden geplaatst. 

Wordt besloten den heer Vorderman voor deze bijdrage te 
bedanken. 

II. De bibliothecaris deelt mede dat de catalogus gereed is, 
de bibliotheek sedert de uitgave van de laatste in 1860 van 
dz 1100 tot op ± 1750 nummers is gekomen en dat hij de 
onkosten der uitgave op f 600 a /" 650 schat. 

Wordt besloten deze te laten drukken en den heer Heringa 
de bewerking der uitgave op te dragen. 

III. De heer Janssen v. Ra au deelt mede, dat het ontwerp der 
circulaire ter bevordering van het lidmaatschap der Vereeniging 
nog niet gereed is, dat de president, in de plaats van den heer 
Heringa, die zaak met hem zal beëindigen. 

IV. Dr. Rauer biedt aan voor de bibliotheek een zeldzaam 
exemplaar van een botanisch werk van den beroemden Dodo- 
naeus, voor welk geschenk de president den gever dank zegt. 

V. De heer Janssen deelt mede dat hij begonnen is proeven 
te doen met het „Kruidje roer mij niet" Mimosa pudiea, om- 
trent het bestaan van elektrische stroomen in die plant, daar 
die in het Vliegenvangertje onlangs zijn aangewezen. 

VI. Wordt aangeteekend: dat het lid v. Hattum te Padatig 
woont; dat de heer G. L. C. C. van Vugt niet contribucerend 
lid is; dat het lid T. A. F. van der Valk overleden is en de 
heer L. J. W. de Waal voor goed wordt afgevoerd. Verder 
hebben bedankt als leden de hh. H. Deelken, P. J. 't Hooft, 
J. H. H. d'ARNAUD Gerkens, en J. C. Botter. 

VIL Naar aanleiding van een schriftelijk rapport van den 



529 

heer A. A. Backer Overbeek en een mondeling van J. Heringa 
wordt besloten het rapport van den heer Teusmann over eene 
inspectie-reis op Banka, Rionw en Lingga-arehipel door den 
Direct, van 0. E. en N. aangeboden, in zijn geheel in het lijd- 
schrift op te nemen, 

VIII. De heer Heringa biedt een paar zoologische werken aan 
voor de biblotheek en deelt mede dat hij wegens vertrek van Ba- 
tavia verplicht is zijne fnnctiën als waarnemend secretaris en van 
bibliothecaris neder te leggen. De president bedankt hem daar- 
op voor zijne werkzaamheid en deelt mede dat de heer dr. J. 
J. W. E. van Riemsdijk bereid is het secretariaat lot de Ie 
rngkomst van den heer dr. de Roo waar te nemen, hetgeen 
wordt goedgekeurd. 

IX. Daarna gaat men over tot de stemming voor eenen bi- 
bliothecaris en wordt bij de herstemming met algemeene stem- 
men daartoe de heer A. A. Backer Overbeek gekozen. 

Tot nieuwe leden worden benoemd met algemeene stemmen 
de heeren L. Backer Overbeek, luitenant ter zee te Batavia; 
W. J. J. Docïers van Leeuwen, majoor directeur der militaire 
school te Meester-Cornelis; F. A. de Graaff, kommies l e klasse 
der post- en telegraafdienst te Poerwakarta; J. A. Huguenin, 
mijn-ingenieur te Batavia; V. H. Götz, l e luitenant bij de to- 
pographische opname te Buitenzorg; A. F. van Haastert, inge- 
nieur l e klasse van den waterstaat te Kedong-Kebo. 

Niets meer te behandelen zijnde zoo wordt de vergadering 
gesloten. 

X. Lijst der ingekomen boekwerken. 
Aangekocht: 

1. Comptes rendus de Facadémie dessciences Tom. LX XVIII 
i no. 20—25. Paris 1874, 4°. 

2. Annales de chiniie et de physique par Chevreul etc. 5 e 
I Série T. II, Juin 1874. Paris 1874, 8°. 

5. Annalen der Physik und Chemie van J. (). Poggendorff. 
! Band CLI Slück 4 e . Leipzig 1874, 8°. 



330 

Als geschenken, deels in ruil: 

4. J. C. Hooukaas. Repertorium op de koloniale litteratuur 
of systematische inhoudsopgaaf van hetgeen voorkomt over de 
koloniën, (beoosten de Kaap) in mengelwerken en tijdschriften 
van 1595—1865 uitgegeven in Nederland en zijne overzeesche 
bezittingen, ter perse bezorgd door dr. W. N. du Rieu. V 
Stuk. Amsterdam 1874, 8°. 

5. M. J. Schram en W. Baron van Hogendorp. Rappor! 
omtrent het onderzoek in de baai van Batavia ingesteld naar 
aanleiding van Art. 2 van 's Gouvernements besluit dd. 28 April 
1872 no. 6 en Art. 3, 5 en 6 van 's Gouvernements besluit 
dd. 9 Januarij 1873, no. 28 met bijlage („Behoort bij het rap- 
port der commissie bedoeld bij Art. 2 van 's Gouvernements 
besluit dd. 30 Juni 1872, no. 30.) Batavia 1873, Folio. 

6. Notulen van de algemeene en bestuursvergaderingen van 
het Bataviaasch Genootschap van kunsten- en wetenschappen 
Dl. XII (1874) no. 1 en 2. Batavia 1874, 8°. 

7. Verslagen en mededeelingen der koninklijke akademie van 
wetenschappen. Afdeeling Natuurkunde. Tweede reeks. Dl. 
VIII. l e Stuk. Amsterdam 1874, 8°. 

8. Funérailles de Lambert, Adolphe, Jacques Quetelet. 
Bruxelles 1874, 8°. 

9. R. Dodoens (Dodonaeus). Cruydeboeck. Antwerpen 1554, 4°. 

10. D. J. C. ScuaFFER. Abhandlungen von Insecten l e u 2 e 
Band. Regensburg 1764, 4°. 

11. F. Berge. — Schmetterlingsbuch oder allgemeine Nalur- 
geschichte der Schmetlerlinge und besonders der europaischen 
Gattungen. 2 e Aufl. Stuttgart 1851, 4°. 

12. J. J. Scheuchzeri itinera alpina s. Itinera per Helvetiae 
alpinas regiones. Lugd. Bat. 1723, 4°. 

13. E. A. Raevschel. Namenclater botanicus, edit tertia. 
Lipsiae 1797, 4°. 

14. H. Schlegel. De vogels van Nederland, beschreven en 
afgebeeld. Leijden 1858, 8°. 



551 



(De afbeeldingen, meest ongekleurd, zijn waarschijnlijk de 
origineele teekeningen). 

No, 10 tot 14 geschenk van J. Heringa. 



Algemeene vergadering, gehouden den 10' 1 "" Juli 1874. 

Tegenwoordig de heeren dr. J. A. G. Oudemans, President, 
dr. A. J. D. Steenstra Toussaint, G. F. de Bruun Kops, dr. 
C. de Gavere , dr. N. J. Hoorweg , H. L. Janssen van Raam , 
A. A. Backer Overreek, P. van Dijk, B. E. J. H. Begking, 
H. J. Hardeman en J. Heringa , Secretaris. 

Verder het adviserend lid J. A. Krajenrrink en tal van ge- 
wone leden en genoodigden , onder de laatslen ook een zeven- 
tal dames. Allen te zamen + 70 personen. 

De heer Ouuemans, na als President de vergadering geopend 
te hebben hoiult eene voordracht over den overgang van de 
planeet Venns voorbij de zon op 8 December aanstaande. Hij 
herinnert er aan dat de waarnemingen van dezen overgang voor- 
namelijk ten doel hebben de horizontale parallaxis der zon te 
bepalen en daardoor den afstand van de zon tot de aarde met 
grootere nauwkeurigheid te leeren kennen dan tot nu toe is 
mogen gelukken. Na er op. gewezen te hebben, hoe de gewone 
methode, den afstand van eenig voorwerp te bepalen, hierin 
bestaat dat men de richtingen meet waaronder men eenzelfde 
voorwerp van uit twee punten, wier afstand hekend is, ziet 
en dat deze methode nog wel voor de maan , maar niet voor 
de zon bruikbare resultaten kan opleveren, brengt spreker in 
herinnering dat in de 17 e eeuw eerst Gregory en later llalley 
ïoor de bepaling van den afstand der zon de waarneming der 
overgangen van Venns hebben aanbevolen. 

Hij verklaart waarom die overgangen zoo zeldzaam zijn, en 
waarom zij paarsgewijze, met eene tusschenruimte van 8 jaren min 
°2 dagen plaats hebhen, om dan gedurende meer dan eene eeuw 
niet meer terug te komen. 



332 

Hij geeft het onderscheid aan tusschen de zoogenaamde me- 
thode van Halley , die uitgaat van de vooronderstelling, dat op 
twee gunstig gelegene plaatsen : eene noordelijke en eene zuide- 
lijke in- en uitgang beiden worden waargenomen, en de me- 
thode van De risle, waarbij ook alleen de ingangen , waargenomen 
op plaatsen, waar de uitgangen onzichtbaar zijn, of wel alleen 
de uitgangen , waargenomen op plaatsen , waar de ingangen on- 
zichtbaar zijn, voor het beoogde doel voldoende zijn. 

Door middel van twee orthographische projectie's van de 
aarde, zooals zij zich uit de zon gezien, bij den ingang en 
bij den uitgang van de planeet vertoonen zal, licht spreker 
verder toe, hoe de gunstigste punten voor het waarnemen 
van het verschijnsel op aarde gekozen zijn. Hij toont verder 
aan waarom de voorbijgangen van Venus wel, die van Mer- 
cnrius niet, voor de bepaling van den afstand der zon geschikt 
zijn. 

Spreker deelt nog mede hoe in den laatsten tijd voor de 
parallaxis der zon langs verschillende wegen, doch indirect, 
eene grootere waarde verkregen is dan door Encke uit de Ve- 
nus-overgangen van 1761 en 1769 was afgeleid, en dat nieuwe 
betekeningen der zelfde overgangen, door Sfone en Powalky 
weder uitkomsten hebben opgeleverd, die nader bij die groo- 
tere getallen komen, en hoe daarom nu de verwachting ge- 
spannen is, wat de Venus-overgang van December a. s. zal 
geven. 

Na nog te hebben melding gemaakt van het vreemdsoortig 
verschijnsel van aankleving van de planeet aan den zonnerand. 
waardoor de waarneming van de juiste oogenblikken waarop 
ingang en uitgang plaats hebben zeer bemoeijelijkt wordt, hoe 
dit optisch bedrog een onderwerp van onderzoek door dr. van 
de'Sande Bakhuijzen heeft uitgemaakt, en tot de conclusie heeft 
geleid , dat kijkers met groote objectiefglazen minder aankleving 
^e\en dan die met kleine, wordt ten slotte nog medegedeeld 
welk aandeel de beschaafde natiën van Europa en Amerika aan 
de waarneming van den overgang zullen nemen. Ook Neder- 



533 

land zendt eene commissie, bestaande uil de lieeren dr. l J . 
Kaiser, dr, van de Sande Bakuuijzen Jr. eD Rost van Tonnin- 
öbn, om zich Ie Aden mei den spreker en den geogr. ingenieur 
Soeters Ie vereenigen en zich gezamenlijk naar hel eiland 
Reunion te hegeven, een punt, waar in- en uitgang beiden 
zichtbaar zullen zijn. Hij eindigde met den wensch uil te 
drukken, die hij vertrouwde dat door hoorders en hoorderessen 
gedeeld zou worden, dat het weder over het algemeen, dus 
ook te Réunion, de waarneming van den overgang bevorder- 
lijk zal zijn. 

Na het einde dezer redevoering die door allen met de meeste 
belangstelling gevolgd werd, gingen de toehoorders uiteen; van 
de gewone leden bleef de heer D. J. de Leeuw de voortzet- 
ting der bestuursvergadering bijwonen. 

De notulen der vorige algemeene vergadering, gehouden 20 
September 1873, worden gelezen en goedgekeurd. 

Dr. J. A. C. Oudemans draagt daarop het praesidium aan den 
heer B. E. J. H. Becking over en de laatste bedankt daarop 
den spreker namens het bestuur voor de gehouden voordracht 
en voor den ijver en de toewijding, waarmede de aftredende 
President de belangen der Vereeniging bevorderd heeft; onder 
algemeene bijvalsbetuigingen wordt hem eene goede reis en 
het meeste succes op zijne aanstaande wetenschappelijke expe- 
ditie toegewenscht. 

Het adviserend lid de heer J. A. Krajenbrink verzoekt daarop 
het woord en deelt mede, dat hij een voorstel wenscht te her- 
halen, nu 15 a 16 jaren geleden onder het praesidium van 
Melvill van Carnrée gedaan, doch waartegen toen bezwaren 
hestonden. Hij meent, dat al is er geen kans om het weder 
uit de phasen van de maan te voorspellen, er misschien eenige 
concordance bestaat tusschen de varialiën van den afstand van 
de maan tot de aarde en de meteorologische verschijnselen. Hij 
wijst er op, dat door verandering van dien afstand eb en vloed 
ontstaat, dat dus de aantrekkingskracht van de maan, die het 
1 zooveel zwaardere water in beweging brengt, van veel groote- 



334 

ren invloed moet zijn op de atmospheer, en dat deze damp- 
krings-eb en vloed zeer gevoelig moet zijn voor verandering 
in den afstand van de maan tot de aarde. Hij stelt daarom 
voor dat aan een of meer personen worde opgedragen, bet in 
teekening brengen en vergelijken van de meteorologiscbe ver- 
schijnselen en de variatiën van den maansafstand, die verschijn- 
selen te vergelijken ten einde eenmaal na eene lange reeks 
waarnemingen te kunnen nagaan in boe verre er eenig verband 
of concordance tusschen bestaat, en om zoodoende te komen 
tot de wet, die leert hoe de aantrekking van zon en maan 
werken op de weersgesteldheid of algemeen op den dampkring 
der aarde. 

De heer Oudemans deelt mede dat dr. P. A. Bergsma in een 
uitvoerig werk, zijne meteorologische waarnemingen van drie 
achtereenvolgende jaren heeft gepubliceerd, daarin verschillende 
wetenschappelijke kwesties heeft besproken, onder anderen die 
van den invloed van de maan op den barometer, zoodat men 
best zal doen op deze vraag het advies van dr. Bergsma in te 
winnen. 

De voorzitter verzoekt daarop den heer Krajenbrink, de door 
hem gestelde vraag in eene nota nader te omschrijven, wat 
wordt toegezegd, en stelt voor daarna het advies van dr. P. A. 
Bergsma in te winnen, waartoe wordt besloten. 

De heer dr. N. J. Hoorweg stelt daarop voor om op eene 
algemeene vergadering de notulen van de voorgaande , wanneer 
deze reeds gedrukt en in het Tijdschrift gepubliceerd zijn, niet 
meer voor te lezen, en aan de goedkeuring der leden te on- 
derwerpen. Dat voorstel wordt aangenomen. 

Tot gewone leden worden benoemd de heeren J. L. Rovers, 
D. A. Hooijer, L. W. J. J. Ramaer, L. B. van Maanen, J. 
G. Milius , dr. C. H. A. Westhoff en J. G. Hoogklimmer. 



335 

Bestuursvergadering gehouden op Vrijdag 18 Sep- 
tember 1874. 

Tegenwoordig waren cle heeren directeuren : B. G. J. H. 
Becking, president, R. Everwijn, dr. Guttelwg, P. van Dijk, 
H. L. Janssen van Raaij, dr. P. A. Bergsma, dr. J. J. W. E. 
van Riemsdijk, secretaris. 

De lieer A. A. Backer Overreek liet weten dat hij verhin- 
derd was de vergadering bij te wonen. 

De notulen der vorige vergadering werden met een geringe 
wijziging goedgekeurd. 

I. Ter tafel komt: 

1. Gouvernements renvooien van 24 Augustus, 5 en 11 
September no. 14638, 15887, 16055, 16290, 16037, 16038 en 
en 16039 allen ten geleide van berichten omtrent aardbevingen 
in den N. I. Archipel. 

Wordt besloten deze in handen te stellen van dr. Bergsma 
en daarna aan de Regeering terug te zenden. 

2. Missive van den Chef der IV afdeeling van het Depar- 
tement van Oorlog dd. 25 Augustus 1874 no. 4784/372, hou- 
dende verzoek om inlichting ter verkrijging van het noodige, 't 
zij hier of in Nederland, voor de inrichting van electrische ver- 
lichtingstoestellen, waaraan zich bij nachtelijken arbeid te velde 
behoefte doet gevoelen. 

Besloten te antwoorden dat de Vereeniging de verzochte in- 
lichtingen niet kan geven, doch adviseert zich rechtstreeks naar 
Europa te adresseren, dewijl juist in den laatsten tijd belang- 
rijke vorderingen op dit gebied zijn gemaakt. 

3. Bericht van den heer Everwijn nopens de gesteenten 
door den heer Vordeman aan de Vereeniging toegezonden. Uit 
dat bericht blijkt dat die gesteenten zijn : 

Vezelige kalkspaath , dichte kalksteen, dichte en zachte klei- 
steen, trachiettuf en mergelbrekcie (grijs), doortrokken met 
kalkspaath. 

Besloten deze gesteenten op te nemen in het museum. 



336 

4. Missive van den heer V. te Salaliga 50 Augustus jl. 
over luchl scheepvaart, meldende dat ook een tweede proeve is 
mislukt, doch dal hij nu een nieuwen loeslel heeft bedacht 
waarmede de luchtscheepvaart moet kunnen geschieden. Hij 
geeft eene uitvoerige beschrijving van dezen toestel met een lee- 
kening toegelicht, en vraagt het oordeel der Vereeniging. Be- 
sloten den heer V. Ie antwoorden dat zijn proefnemingen de 
overtuiging niet hebben kunnen geven, dat langs den door hem 
gevolgden weg het vraagstuk der luchtscheepvaart in practischen 
zin tot oplossing te brengen is, en de Vereeniging zich tot 
haar leedwezen genoodzaakt ziet hem het nemen van proeven 
van ernstigen aard te ontraden. 

5. Missive van den heer P. Scheltema Beduin gedagteekend 
Batavia 24 Augustus 1874, daarbij aanbiedende eenige been- 
deren, vermoedelijk van een olifant, in het bijzijn van den 
heer Toorop in de vallei Aijer-laijang op het eiland Banka 
opgegraven. Besloten den heer Toorop te bedanken, nadere 
inlichtingen nopens die beenderen te vragen, en of er wellicht 
meerdere bijzonderheden van dien aard in den bodem daar 
ter plaatse, die over de afkomst, ouderdom enz. dezer beende- 
ren licht kunnen verspreiden, worden aangetroffen. 

6. Missive van den Gouvernements-secretaris dd. 15 Au- 
gustus jl. no. 1720, ten geleide van een bericht van den Re- 
sident van Ternate nopens de beweerde ontdekkingen van hel 
Italiaansch korvet Vetlor Pisani op de Key-eilanden en in d( 
wateren van N. Guinea, met verzoek daarvan een kort over 
zicht in het tijdschrift te geven. De heer van Riemsdijk wordl 
verzocht de bewerking daarvan op zich te willen nemen. 

7. Missive gouvernements-secretaris van 10 September jl. 
no. 1896, ten geleide van een gedrukt exemplaar van het in 
de Java-Courant van 21 Augustus jl. voorkomende nopens hel 
plan der «Société francaise de Geographie" om in de lente van 
1875 te Parijs een aardrijkskundig congres te honden. Aan- 
genomen voor kennisgave. 

II. De heer Bergsma doet daarop voorlezing van het ver- 



öoi 



slag der werkzaamheden en van den toestand der Nat. Veree- 
niging in het afgeloopen jaar, waaruit blijkt dat in dat jaar 
de Vereeniging in bloei is toegenomen en het aantal leden be- 
langrijk is vermeerderd. (*) 

III. Vervolgens deelt diezelfde spreker de volgende opgave 
mede omtrent de stations, alwaar de overgang van Venus zal 
waargenomen worden. 

I. Door de Engelschen zal worden waargenomen op de vol- 
gende punten: Alexandrië, de Sandwich's eilanden, Rodriguez, 
(ongeveer op 20° Z. Br. en 7° oostelijk van Mauritius), Ker- 
guelen's eiland (ongeveer op 50° Z. Br. zuidelijk van St. Paul 
en Amsterdam) en Nieuw-Zeeland. Op Kerguelen's eiland zal 
op twee stations worden waargenomen, namelijk te Christmas 
Harbour in het Noorden en te Port Palliser in het zuiden van 
het eiland. Op de Sandwich's eilanden zal op drie stations 
waargenomen worden : te Honolulu , op het eiland Hawaii, en 
op het eiland Kauii. Het station te Alexandrië zal door twee 
naburige stations ondersteund worden, een te Cairo en een te 
Thebes. 

Ter bestrijding van de onkosten van deze expeditiën, behalve 
van die naar Thebes, is door het Engelsche gouvernement 
15,000 pond sterl. toegestaan, welke som echter waarschijn- 
lijk niet voldoende zal zijn; het station te Thebes wordt door 
kolonel Campbell bekostigd. 

De voorbereidende maatregelen voor de expeditiën van het 
Engelsche gouvernement zijn, onder het oppertoezicht van den 
Astronomer Royal Sir George Airy, genomen door kaptein G. 
L. Tupman, die de laatste drie jaren bijna geheel besteed heeft 
om de instrumenten, welke gebruikt zullen worden, te onder- 
zoeken en om zoowel zich zei ven als andere waarnemers in 
het gebruik er van te oefenen. 

De volgende waarnemers, allen hetzij sterrekundigen van 



(*) Het algemeen verslag over 1873 is afzonderlijk in de 3 e aflevering 
geplaatst, 

DEEL XXXIV. 22 



professie hetzij speciaal voor hel observeren van den overgang 
van Venus geoefend, zijn op deze punten gestationeerd. 

1. De Sandwich's eilanden; Honolulu : kaptein G. L. Tup- 
man, chef, J. W. Nichol, F. E. Ramsden luitenant der marine; 
Hawaii : Professor G. Forbes chef, H. G. Barnacle ; Kauii : 
R. Johnson, chef, E. J. W. Noble luitenant der artillerie. 

2. Rodriguez: C. B. Neate luitenant der marine, chef, C. 
E. Burton, R. Hoggan luitenant der marine. 

3. Nieuw-Zeeland: H. Palmer majoor van de genie, chef, 
L. Darwin, luitenant van de genie, H. Crawford luitenant der 
marine. 

4. Kerguelen's eiland; Christmas Harbour: Rev. S. J. Per- 
rij directeur van het observatorium te Honyhursl, chef, Rev. 
W. Sidgreaves, S. Goodridge luitenant der marine, J. B. 
Smith; Port Palliser: C. Corbet luitenant der marine, chef, G. 
E. Coke luitenant der marine. 

5. Egypte: C. 0. Browne kapitein der artillerie, chef, W. 
de W. Abney kaptein van de genie, S. Hunter. 

Aan iedere expeditie zijn nog drie onderofficieren der genie 
toegevoegd. 

Het gouvernement van Britsch-Indië bekostigt twee volledig 
uitgeruste stations in Indië, het eene te Peshawur, het andere 
te Roerkie; aan den kolonel der genie Tennant is de directie 
over deze twee stations opgedragen. 

Verder zal zooveel mogelijk partij getrokken worden van de 
observatoria te Madras, Kaap de Goede Hoop, Melbourne en 
Sidney. 

Het gouvernement van New South Wales heeft nog 1000 
pond sterl. voor het doen van waarnemingen op andere pun- 
ten in Australië toegestaan. 

Bovendien onderneemt Lord Lindsay op eigen kosten eene 
hoogst belangrijke expeditie naar Mauritius ; hij is voorzien van 
de beste instrumenten en zal alle verschillende methoden om 
den overgang van Venus waar te nemen, in toepassing brengen. 

IL Door Duitschland worden zes expeditiën uitgezonden, en 



559 

wel naar Gheefoo in China, Kerguelen's eiland, de Auckland's 
eilanden (ongeveer op 50° Z. Br. , (en zuiden van Nieuw Zee- 
land), Mauritius en lspahan. 

Aan de Duitsche expeditiën nemen de volgende personen deel: 
Te Cheefoo (Tschifoo of Tschcufoe) niet ver van Nanking dr. 
Valentiner observator aan de sterrewacht te Leiden, dr. Adolf 
van Elberfeld, dr. Reimann van Ratibor, student Deichmüller 
uit Leipzig als mechanicus, en de heeren Kardütz en Eschke 
als photographen. 

Op Kerguelen's eiland dr. Borgen directeur van het marine 
observatorium te Wilhelmshofen , dr. Wittstein astronoom 
van München, Wienek observator aan de sterrewacht te Leip- 
zig, dr. Studer docent te Bern, Borsin photograaph uit Schwe- 
rin en Krille , mechanicus uit Schwerin. 

Op de Auckland's eilanden dr. Seeliger observator van de 
sterrewacht te Bonn, dr. Sciiur observator van de sterrewacht 
te Straasburg, docent Krone en dr. Wolfram photographen uit 
Dresden, Leijser mechanicus uit Leipzig en Krone jun. uit 
Dresden. 

Op Mauritius: dr. Low astronoom van Berlijn, 'dr. Pechüle, 
observator der sterrewacht te Hamburg, Heidoorn uit Göttin- 
gen en Dödter mechanicus uit Straasburg. 

Te lspahan : dr. Becker observator der sterrewacht te Ber- 
lijn, dr. Fritsch van Berlijn, dr. Stolze van Berlijn, en nog 
een assistent-photograaph. 

De kosten van deze expeditiën zijn op 150.000 Thalers ge- 
raamd. 

///. Rusland heeft stations voor de waarneming van den 
overgang van Venus op zes en twintig verschillende punten, 
bijna allen in het Russische rijk en wel voor het grootste ge- 
deelte in Siberië gelegen. 

Elf stations, Wladivostock, Port Possiet, 't meer Hanka, Nert- 
schinsk, Xhita, Kiachta, Tachkent, Port Peroffski, Fort Uralsk, 
Aschura-deh, Erivan, zijn van aequatorialen, heliometers en 
photo-heliografen voorzien; op deze stations zijn goede waar- 



540 

nemers geplaatst, die in de gelegenheid zijn geweest zich bij- 
zonder voor de waarneming van den overgang te oefenen. 

Op tien stations, Yeddo, Nakhodka, Chabarovka, Peking, 
Blagowvschtchenska, Teheran, Nachitzevan, Kertch, Jalta, Thebes, 
zullen alleen aequatorialen gebruikt worden; de waarnemers 
dezer stations zijn ook alle goed geoefend. 

Op de vijf andere stations , Port St. Alga, Tomsk, Orenburg, 
Tiflis, Taganrok, zullen slechts kleine kijkers gebruikt worden ; 
de waarnemers hebben geene speciale opleiding voor de waar- 
neming van den overgang gehad. 

IV. Noord-Amerika zendt acht expeditiën , ieder van vijf 
personen, uit. Hunne stations zijn : Wladivostock in Siberië, 
chef Professor A. Hall; Nangasaki, chef G. Davidson, van de 
U. S. Coast Survey; Peking, chef Professor James C. Watson; 
Crozet's eiland (zuidelijke Indische Oceaan ongeveer op 48° Z. 
Br.) chef, kaptein Raijmond; Kerguelen's eiland, chef George 
P. Rijan, officier der marine; Hobart Town, Tasmannia, chef 
Professor W. N. Harkness; Nieuw-Zeeland, chef, Professor C. 
H. Peters; Chatham eiland (stille zuid-zee, op ongeveer 44° 
Z. Br. en eenige graden ten oosten van Nieuw «Zeeland) chef, 
Edwin Smith, van de U. S. Coast Survey. 

V. Door Italiaansche sterrekundigen zal op drie stations 
worden waargenomen. 

VI. Nederland bezet een station op het eiland Réunion, al- 
waar door dr. J. A. C. Oudemans (van Batavia) dr. P. Kaiser, 
en dr. van de Sande Bakhuijzen zal worden waargenomen. 

VIL De Franschen hebben ten gevolge van den oorlog van 
1870—71 veel tegenspoed bij het maken van hunne toebereid- 
selen voor de waarneming van den overgang ondervonden. 

De commissie, welke hierom reeds in 1869 door de Acadé- 
mie des Sciences benoemd werd, moest in 1870 bare werk- 
zaamheden afbreken, en het duurde zoo lang voordat zij deze 
hervatten kon, dat velen twijfelden of zij nog wel met alles 
tijdig zouden kunnen gereed zijn. Door groote inspanning, zoo- 
wel van hare zijde, als van die der instrumentmakers, is zij 



541 

er echter nog in geslaagd de noodige instrumenten voor zes 
stations gereed te krijgen. 

Het oorspronkelijke plan van de commissie was, dal Frank- 
rijk op negen punten zou laten waarnemen, maar het aantal 
stations is tot op zes moeten beperkt worden. Drie Fransche 
expeditiën zullen in het noordelijke, drie in het zuidelijke hall- 
rond waarnemen. De stations in het noordelijke halfrond zijn: 
Peking, Yokohama en Saigon; in het zuidelijke halfrond: de 
eilanden Campbell (ongeveer op 55° Z. Br. ten zuiden van 
Nieuw Zeeland), St. Paul en Noumea (Nieuw-Caladonië). 

Het personeel van deze stations is : te Peking : de marine- 
officieren Fleuriais chef, Blarez en Lapied; te Yokohama: 
Janssen chef, Tisserand directeur van het observatorium te 
Toulouse, Picard officier der marine; 

te Saigon: Héraud, hydrografisch ingenieur der marine; 

op het eiland Campbell: Bouquet de la Grye hydrogra- 
phisch ingenieur der marine, chef, Hatt hydrographisch in- 
genieur der marine, Courrejolles officier der marine; 

op het eiland St. Paul : Monchez officier der marine, chef, 
professor Cazin, Turquet officier der marine; 

op het eiland Noumea: André astronome de 1'observatoire, 
Angot physicus. 

Aan de expeditiën naar Campbell eiland en naar St. Paul 
zijn twee natuuronderzoekers verbonden, namelijk de heeren 
Filhol en Delisle , beiden reizigers van het Museum van Parijs. 

IV. De heeren E. van Hengel en H. J. Alken worden als le- 
den der Vereeniging afgevoerd en het gewoon lid dr. J. H. Bauer 
met algemeene stemmen tot dirigerend lid gekozen. 

V. Lijst der ingekomen boekwerken : 

1. Archiv fur Naturgeschichle van dr. J. H. v. Froschel 
14 jg. 2 lebt. 

2. Annales de chimie et de physique-juillet 1874 T. II. 

3. Annalen der Physik und Chemie van Poggendorff bnd. 
CLII stück I 1874 no. 5. 



342 

4. Tijdschrift van het Indisch Landbouw Genootschap. 1874 
no. 8. 

5. Monatsbericht der Kon. Pruiss'. Akademie der Wissenschaf- 
ten zu Berlin. April en Mei 1874. 

6. Geneeskundig Tijdschrift voor N. 1. Dl. XVII nieuwe serie 
deel VI afl. 1. 

7. Tijdschrift voor Nijverheid en Landbouw in N. I. afl. 
IV en V. 

8. Oversigt over det Kongelige Dauske Videnskabernes Sels- 
kabs 1870 no. 1, 4 en 6. 

9. Comptes rendus hebdomadaires des séances de 1' Acade- 
mie des Sciences no. 26 juin 1874 no. 1, 2 5 4 Juillet 1874. 

10. Memoirs of the geological Survey of India vol. X part 1. 

11. Idem (palaeontologia Indica part 1, 5 en 4 vol. IV serie 
VIII; vol. 1 ser. IX. 

12. Records of the geological Survey vol. VI p. 1 — 4. 

15. Verslag wegens het museum van grondstoffen enz. op 
het Paviljoen te Haarlem. 

14. Tijdschrift van Landbouw- en Nijverheid in Indie. 
Ter completering: 

deel 5 afl. 6. 

6 » 5 en 4. 

7 » 1 — 4. 

8 » compleet. 

9 afl. 4. 

10 » 4. 

11 » 4. 

12 » 1 — 5. 
14 — 17 compleet. 

15. Sitzungsberichte der Kaiserlichen Akademie von Wis- 
senschaften 1872 bnd. LXV en LXVI 1875 bnd LXVII Regis- 
ter zu d. bnd. 61—64. 

16. Wurtenbergische Naturwissenschaflliche Jareshefte. jahrg. 
XXIX 1—5, 1875 en jahr. XXVIII. 

17. Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam: 



54: 



verhandelingen afd. Natuurkunde Dl. XIII. 

■ Letterkunde Dl. III. 
Jaarboek 1872, 73. 
Gaudia donestica. 
Proces-verbaal 1872/73. 

17. Verslag van de sterrewachl te Leiden door F. Kaiser. 

18. Alinanach der Kaiserlichen Akademie von Wissenschaf- 
ten jg. 22, 1872 en 73. 

19. Bidrag lil kundskaben om Christiania jordens fauna III 
ved G. 0. Sars. 

20. Supplement til Norges fugle og deres geographiske i 
Landet 1868—70 R. Collet. 

22. On the rise of land in Schandinavia bij Sexe. 

23. Forekomster of Kise i visse skiferei norge of A, Heiland. 

24. Skandinaviske og Artiske amphipoden of A. Boeck. 

25. Die pflanzenwelt Norwegens Schübeler. 

26. On Sowe remenkable Forms of anomal life I bij Sars. 

27. Denkschriften der Kaiserlichen Akademie der Wissen- 
schaften XXXII bd. 



IJ E B E R 

BRACHYOCEPHALITAT 

KEI DEN 

PAPUAS VON NEII-GUINEA 

VON 

IV. VO]V MACLAY. 



Die Sehr geringe Zeit die mir meine Reisen kaum gönnen, 
erlaubt mir sta tt einer ausführlichen Behandlung dieses anthro- 
pologischinteressanlen Gegenslandes , nur einige Auszüge aus 
einzelnen Briefen die icJi zu verschiedenen Zeiten geschrieben 
habe mitzulheilen. 

Schon vor ein nnd eineni halben Jahr habe ich in einera an 
den Herrn Akademicker C. E. von Baer geschriebenen Brief die 
Vermulhung ausgesprochen, dass nicht alle Papuas Neu-Guineas 
dolichocephal seien (•*). Meine spaleren Erfahrnngen machen 
meine Vermnthnng zur Thatsache. Von Gessir (einer kleinen 
insel bei Ceram) schrieb ich den 19 Februar 1874, dem Herrn 
Prof. R. Virchow in Berlin uiiler anderen folgendes: 



(*) Die betreffende Stelle des Briefes lautet : ... So vermuthe ich, werden 
sich zwisclien den vielen Varieliiten des Papua-Stammes auch solche finden . 
die wie die Negritos von Lüzon brachyocephal sind oder deren Scliadeldi- 
mensionen sich der brachyocephalen Form nahern. (Petermann's Geographi- 
Èche Mittheilungen 20 Bd. 1874, No. 1, pag. 23.) 

22a 



, 



346 

Als ich vor meiner zweiten Reise nach Neu-Guinea 

meine Sammlungen in Buitenzorg ein packle , öfnete ich eine Kiste 
deren Existenz ich ganz vergessen hatte. Sie enthielt 5 Schadel 
die ich in den letzten Tagen meines Aufenthaltes an der Maclay- 
küste im Dec. 1872 erhalten hatte. Zwei derselben gehörten 
den Bergbewohnern des Dorfes Englam-Mana , der dritte Schadel 
einem Manne des Kusten dorfes Gumbu. 

üiese Schadeln sind durch ihre BrachyocephaliUït bemerkens 
werth imd übertreten betrachtlich die Mittelmaasse die ich in 
meinen «Anthropologischen Bemerkungen über die Papnas der 
Maclay-Küste" angegeben habe. Der von mir angegebene Brei- 
ten-index betrug im Mittel 77 (der Lange-index = 100 ange- 
nommen) ; dieses Verhaltniss bewog mich auch die Papuas der 
Maclay-Küste dolichocephal zu nennen. 

Dagegen zeigte: 

1. Ein Schadel von Englam-Mana, den Breite-index 82,58; 

2. » » » » » » 86,45 ; 

3. » » » Gumbu » » 81,21 ; 
Diese drei Zahlen berechtigen den Schluss dass zwischen den 

Papuas der Maclay-Küste sowohl brachyocephale als dolichoce- 
phale Individuen vorkommen und das die Dolichocephalitat 
durchaus hein Characteristicum der Papuas von Neu-Guinea ist. 



Mein 2 ter Aufenthalt in Neu-Guinea (an der Kuste von Papua- 
Kowiay) im Februar — Mai 1874 hat noch weitere Grundlage 
beigetragen. Unter den gemessenen Schadeln (einige 30) er- 
gaben sich mehrere, deren Breite-index ein sehr bedeutender 
war, wie es folgende Zahlen beweisen : 

78,2 

78,9 x 

79,1 x 

79,7 

80,2 

84,0 f). 



(*) Die mit x bezeichneten Zahlen sind Breite-indexe vor mannlichen 
Schadeln. 



347 

Bei diesen Messungen habe ich bemerkt, das es die Schadel 
von Weibern sind die eine gróssere Neigung zur Brachyocepha- 
litat zeigen. 

An derselbeti Kuste fanden sich Papuas die sehr dolichocephal 
waren (ein von den Bewohner der Insel Namatote balie sogar 
ein Brei te-index von 62,0). 

Der Breite-index des Schadels der Papnas von Nen-Guinea 
sehwankl also zwiscben 62,0 — 86,4, welche Zahlen wahrschein- 
lich nocb nicht die Granzen der Variabililat des Papua-Sehadels 
darstellen. 

Daraus ergiebt sich : dass anch die Untersnchung der Papua- 
Scbadel den ailgemein jelzt richtig-anerkanten Satz unterstützt 
dass die Dimensionen des SchadePs ein wichtiges aber kein ent- 
scheidendes Merkmal der Menschens tamme abgibt. 

Bogor, 14 October 1874. 



VERSLAG 

EENER 



BOTANISGHE REI 



t i m o r 



EN i)E DAARONDER RESSORTEERENDE EILANDEN 

Samauw, Alor, Solor, Floris en Soemba, 

DOUK 

DEN INSPECTEUR HONORAIR DER KULTURES 
«f. E. TEYSIWAW]V. 



~X*~ 



Met de mailboot Baron Bentinck, kapitein Keijzer van 15 
Juni 1875, aanvaardde ik de reis van Batavia naar Soerabaija, 
waar wij den 19 Jen aankwamen; en waar onze bagage op de 
stoomboot Prins Alexander, kapitein van Emmerik werd over- 
gescheept. Met deze laatste boot vervolgden wij den 22 sten de 
reis naar Mangkassar, kwamen daar den 26 sten aan, zetleden den 
ü 27 sten de reis naar Timor Koepang, — de plaats mijner bestem- 
ming, — voort. 

Den 50 8ten Juni kwamen wij aldaar aan. 

Daar hier geen logement was en ik hier geene vrienden ol 
hekenden had , stond ik met mijne bagage op straat ; op aan- 
raden van kapitein van Emmerik, vervoegde ik mij bij dei 
Agent der Ned. Ind. Stooinvaart-Maatschappij, den heer de Siso, 
die terstond genegen was mij behulpzaam te zijn en hoewel 
mij geen logies kunnende aanbieden, verschafte hij mij toch 
een kamertje in de sociëteit, waar ik mijne bagage kon bergen. 



349 

Er bleef nog juist genoeg plaats over om mijn veldbed op te 
slaan. De beer de Siso was tevens zoo vriendelijk om mij 
eene plaats aan zijn tafel aan te bieden, waarvan ik, zoo lang 
ik te Koepang vertoefde, steeds een kostelijk gebruik heb mogen 
maken, waarvoor ik hem en zijne echtgenoote veel dank ver- 
schuldigd ben. 

De stad Koepang ligt op eene weinig uitgebreide vlakte, door 
de rivier van dien naam doorsneden, ten noorden direct aan 
zee en verder rondom door een min of meer steilen bergwand 
ingesloten. 

Over dit onderwerp is echter reeds zoo veel geschreven, dat 
ik mij op een ander terrein dien te verplaatsen, om nog iels 
wetenswaardig te kunnen mededeelen. 

Den 2 den Juli begon ik de environs der stad te onderzoeken^ 
waarmede ik ook de volgende dagen voortging ; en , hoe dor en 
verschroeid de vegetatie wegens gemis van regen met brandende 
zon en wegens hevigen oostenwind, er ook uitzag, oogstte ik 
daarbij toch menige vreemde plant aan deze streken eigen. 

Ook maakten de steeds doorwaaiende winden het mij moge- 
lijk, om op het midden van den dag in de brandende zon, 
doch met eene toedoeng gedekt, mijne wandelingen voort te 
zetten , zonder dat ik daardoor in sterke transpiratie geraakte. 

Den 5 den Juli leidde mijne wandeling mij langs de begraaf- 
plaatsen van europeanen en inboorlingen, zooi van Koepang als 
van verschillende andere eilanden, welke allen hier afzonder- 
lijk hun eigen kerkhof hebben. 

Des avonds 4 uur reed ik in gezelschap van den heer nu 
Siso naar den Radja van Amabie, genaamd Manoek te Koeni- 
noe, die nog tot de orang Djieatioe of Djentioe behoort, dat is, 
<!<> op Timor en de eilanden heerschende eeredienst. Van het 
woord Djientioe heb ik geene explicatie kunnen bekomen , of- 
schoon velen er het woord beiden uit willen afleiden; aange- 
zien die lieden zich zelven echter met zekeren trotsch orang 
Djientioe noemen, even als anderen zich als Christenen of Mo- 
hamedanen voordoen, zal er het onbestemde woord heiden wel 



550 

niet op toepasselijk zijn. Deze man vertoonde ons op ons ver- 
zoek , al zijne schatten, bestaande in gouden halvemaanvormige 
platen tot hoofd- en borstsieraad en verschillende snoeren van 
geelachtige koralen — moeti salah — die, hoewel van onbeken- 
den oorsprong en bestanddeelen , toch het aanzien hadden van 
uit zeker mineraal, tot rolletjes geslepen en daarna gezaagd of 
gekloofd, op de breukvlakle ook afgeslepen en met een gaatje 
doorboord te zijn. De grootsten zijn 6 a 7 mill r . in diameter en 
o mill r . dik, met gaatjes van ruim 1 mill r . wijdte. Zij variëeren 
echter trapsgewijze tot zeer kleine afmetingen van niet meer dan 
3 mill'. in diameter en daaraan geëvenredigde dikten. Meest- 
al worden zij aangevoerd van Endeh op het eiland Flores en 
men verhaalt dat ze gevonden worden op afgebrande ladangs 
en dat zij soms op de punten van het uitspruitende gras, dat 
in het gaatje gedrongen is , voorkomen , wat mij echter zeer 
onwaarschijnlijk voorkomt. Eer zou ik gelooven dat het een 
geheim fabrikaat van een nog onbekend mineraal is: doch hoe 
dit ook zij men hecht er groote waarde aan. Van de duurste 
soort kost een kransje, van een span lang, ƒ 80, — , van eene 
2 e soort / 55, — en van de minste soort / 3,50. Een snoer 
van de beste soort en behoorlijke lengte, heeft eene waarde 
van / 500, — . Men heeft getracht ze in Italië en Engeland 
te laten namaken, doch is daarin slecht geslaagd: het verschil 
was te groot, zoodat ze door de inlanders direct als valsch her- 
kend werden. 

De woning van dezen Radja was evenmin vorstelijk, als die 
van zoo vele anderen in deze streken en bestond uit een hou- 
ten gebouw op den platten grond, met voorgalerij en inwendig 
in kamers verdeeld. Het geheel geleek echter meer naar eene 
schuur dan naar eene vorstelijke woning. De Radja ontving 
ons in de voorgalerij, waar zelfs eene tafel en eenige stoelen 
aanwezig waren; bij de vorsten verder in het binnenland zijn 
deze meubelen onbekende zaken en gelijken de woningen ook 
meer op bijenkorven, dan op huizen. De man was zeer be- 
leefd en ook spraakzaam, daar hij over zaken met den heer 



551 

de Siso te handelen had. Zijne kleeding was gelijk aan die 
der overige inlanders. 

Van daar reden wij verder naar Bakanassi, het verhlijfvan 
den Keizer van Klein Sonnehait: Pieter Mees, die christen is 
en in een lakens pakje gestoken was. Hij stelde ons aan me- 
vrouw de Keizerin voor, die even als de inlandsche christen 
dames gekleed was. Wij werden allerbeleefdst ontvangen en 
mij werd een eerezetel aangewezen, die met een inlandsche 
slendang behangen was, welke mij overeenkomstig het hier 
bestaande gebruik, na ons vertrek, als cadeau werd nagezon- 
den. Allerlei dranken en banket werden ons aangeboden ; doch 
wij vergenoegden ons met een glas kalapawater en na een 
aangenaam gesprek namen wij een hartelijk afscheid. Ik zond 
hem naderhand een tegengeschenk, waarvoor hij even dankbaar 
was als ik voor zijn geschenk. 

Van 4 tot 11 Juli maakte ik steeds wandelingen, tot op 
eenige palen afstand van de Hoofdplaats, en wanneer die toer- 
tjes te ver reikten zoodat ik niet voor den middag terug kon 
zijn, nam ik mijn middagmaal mede, om dit onder de schaduw 
van een boom of aan den oever eener beek, te nuttigen. 

In de omstreken van Koepang komen op verschillende plaat- 
sen bronnen van goed drinkwater, tusschen de koraalrotsen, 
voor. 

De wegen of liever de voetpaden zijn overal slecht, met ko- 
raalrotsen bedekt, waarvan de scherpe punten veelal uitsteken, 
of gleuven met onregelmatige en soms steile trappen vormen. 

De kleine paardjes gaan echter met bewonderenswaardige 
voorzichtigheid hier op en af. Den voetgangers zij echter alle 
voorzichtigheid aanbevolen, om niet te struikelen of de voeten 
Ie verwonden. 

Het terrein is overal golvend, met kleine drooge valleijen 
doorsneden en soms zelfs bergachtig. In de valleijen, die in 
den regentijd door de bergstrooinen worden uitgespoeld, vindt 
men, behalve koraalhrokken, ook verschillende gesteenten, waar- 



552 

uit men zien kan dat de koraalvorm, die zich voor de ophef- 
fing, op de onderliggende rotsen gevormd had, niet dik is. 

Niettegenstaande het terrein hier. overal als met koraal be- 
dekt is, ziet men dit toch hij tusschenpoozen in kuituur ge- 
hracht en beplant met Mais, Lahoe en andere tuinplanten. 
Daartoe wordt de bodem, in den droogen tijd, van de weinige 
vegetatie van struiken en heesters ontdaan , het gras en ander 
onkruid wordt met een soort mes «Benatohfa" — aan het einde 
afgestompt doch scherp even als aan de snede; men bezigt het 
tevens tot het kappen der struiken — uit den bodem gelicht en 
dit alles zorgvuldig, met zooveel mogelijk andere ruigten en 
bladeren, gelijkmatig op hel veld uitgespreid en verbrand. 
Men doet dit om de weinige daarvan komende asch en mis- 
schien ook de door het vuur ontbondene koraal tot bemesting 
Ie doen dienen. Met het begin van den regentijd worden die 
velden zonder eenige verdere bewerking beplant, zonder dat 
men van de vaste en losse koraalblokken verder notitie neemt. 
Met verwondering ziet men het plantsoen daarin weelderig tie- 
ren, waardoor het mogelijk wordt dat de Mais het hoofdvoed- 
sel der bevolking uitmaakt. Na de beplanting wordt de bodem 
zelden meer aangeroerd, zoodat die na den oogst weder met 
onkruid, doch slechts met weinig gras, bedekt is. De kleine 
houweel, met breede snede en met spitse punt aan het andere 
einde, zou hier zeer doelmatig zijn tot het zuiveren van den 
bodem; ik heb daarom eenige modellen daarvan derwaarts ge- 
zonden. 

De Hypïis suaveolens (Koenoe-hoesoek) komt hier op de in 
kuituur gebrachte velden zoo menigvuldig voor, en groeit zoo 
weelderig — van 1 tot 6 voeten hoog — dat men er slechts met 
moeite doorheen worstelen kan. Deze plant is niet alleen een 
bezwaar bij de kuituur, maar verhindert ook de ontwikkeling 
van het hier, voor paarden en karbouwen , zoo benoodigde gras. 
Zoo men echter de aanplantingen beter schoon hield en het 
onkruid vernietigde alvorens hare zaden lol rijpheid kwamen, 
zou men vrij wat minder last daarvan ondervinden; terwijl de 



353 

groei der gekweekte planten er veel bij winnen zon. De renk 
«Ier »Koenoe-boesoek" is bij de minste aanraking zoo sterk en 
onaangenaam, dat bij den bijnaam van sauveolens d. i. welrie- 
kend, in geenen deele verdienl. 

De natuurlijke vegetatie is over bel algemeen schraal, vooral 
op de hellende vlakten, waar slechts gras en geene hoornen 
of struiken voorkomen , of waar die op groote afstanden van 
elkaar gevonden worden. In de valleijen, waar levend water 
voorhanden is, ziet het er wat weelderiger uil , en men vindt 
daar zelfs tusschen de koraalrotsen soms Caesalpiisïa ferruginea 
(Kojoe-laroe) welker bast gebezigd wordt om de » toewak" te 
laten gisten, die dan als bier gedronken wordt, doch meer be- 
dwelmend is; verscheidene Ficus soorten, Jambosa (Djamboe- 
oetan) en ook andere hoornen van wel een vadem in diameier. 
Echter vormen deze hoornen geene dichte hosschen, maar zijn 
bier en daar verspreid en met lagere houtsoorten aangevuld, 
waaronder vele gedoomde struiken en lianen voorkomen. Ook 
op de vlakten vindt men nog andere gedoomde hoornen, terug, 
b. v. Zizyphus Jujuba, (Polioon kom) die bij duizenden als 
struik en boom overal gevonden wordt, Caesalpima pulcherri- 
ma, een paar soorten ï limmende Caesalpinia's, Pisonfa aniso- 
phylla, Capparis diverse species, enz. 

Deze allen maken de meeste omzichtigheid noodzakelijk om 
er niet aan te blijven baken en de kleeren Ie verscheuren. 
Verder kousen op de vlakten, almede tusschen het koraal, voor- 
namelijk de volgende boomsoorten menigvuldig voor: 

Stadmanma sideroxylox (Koesambic) welks vruchten gestampt 
en met het zaadpluis van Calotropjs geganifea (Kolan soesoe of 
Kapok-Toh) vermengd, tot kaarsjes gevormd worden. Aegle 
m-armelos fDilak) welks vruchten gegeten worden, Stryciinos 
ugustrina (Kajoe oeler) Pterocarpus sp. (Kajoe méra) Acacia 
üeücophloea (Kabésa) Sterculia foetida (Nilas Cassia fistum 
Ba boem i dawoen besaar) Cassia marginata (Beboeni dawoen 
aloes), Tamarindüs ïndica (Tamarieu of Kiëuk ) Vïtex sp. Koelak), 

BORASSUS FLABELLIFORMIS (PohoOïl loewak), KrYTIIRINA MTI10SPEK- 
DEEL XXX IV. 23 



ol>4 

ma (Déras), enz. In de tuinen der inlanders en op de erven 
der Europeanen, ziet men veel Moringa polygona (Maroenga) 
waarvan de jonge vruchten en de bladeren gegeten worden 
even als van de Moringa pterygosperma op Java. De vruchten 
worden gekookt en de zaden er uitgezogen terwijl de harte 
schil houtachtig blijft. 

Verder Punica granatum (Dalima), Carica Papaya (Kaut), 
Agati grandiflora (Galagala), waarvan de bloemen mede als 
sajoor gegeten worden; ook de bladeren van Pisonia alra (sa- 
joor boelan) worden gekookt en als groenten genuttigd. Law- 
sonia alba (Boengalaka) en Acacia Farnesiana (Boenga Sama- 
rang) komen even als Caesalpinia pulcherrima (Boenga mérak) 
overal verwilderd voor. Plumeria acutifolia (Kambaijan) wordt 
even als op Java bij de inlandsche graven gevonden. 

Cassave wordt slechts weinig aangeplant, wijl het nut daar- 
van nog niet algemeen bekend is, zoo zelfs, dat men er mij 
geen naam voor wist op te geven. Oranje appelen (Lehmoh 
manies en Lehmoh tjina) worden in menigte en van uitmun- 
tende kwaliteit, uit het binnenland — vooral uit Amarassie — 
ter Hoofdplaats Koepang aangebragt , waar ze tegen een a twee 
centen per stuk verkocht worden. In de binnenlanden zijn zij 
soms zoo overvloedig dat ze bijna geene waarde hebben, vooral 
wanneer men ver van de Hoofdplaats verwijderd is. De hoo- 
rnen dragen hier tweemaal 'sjaars. Manga's zijn hier ook 
heerlijk en zonder wormen, doch komen slechts éénmaal 's jaars, 
een paar maanden lang, voor. Pompelmoes is er ook, doch 
klein en niet van de beste soort. Van Djamboe's komt hier 
ook eene zeer goede donkerroode soort voor, die tweemaal 
'sjaars vrucht draagt. Dalima's zijn er fraai en groot van 
stuk, doch hebben even als elders ook groote pitten met be- 
trekkelijk weinig vleesch. Zuurzak, Boewa nona en Srikaija 
komen zelfs in het wild voor, voornamelijk de twee laatste 
soorten; in den droogen tijd echter verdroogen de vruchten, 
alvorens tot rijpheid te komen. Ananassen zijn op de Hoofd- 
plaats zeldzaam, daar men meent dat zij er niet groeijen wil- 



555 



len. Men geeft zich echter weinig moeite. In de binnenlan- 
den komen ze meer voor, daar, waar de bodem niet al te veel 
uitdroogt en ook worden ze wel van Endeh op Floris, enz. 
aangevoerd. Tamarinden zijn overal overvloedig, in hel Avild 
groeijende. Andere vrnchtboomen komen er weinig voor, zelfs 
niet de voomaamsten, zooals Doerian, Mangies, Ramboetan, enz. 
Men vindt er nog de volgende kultuurplanten en vrncht- 
boomen : 

PLANTEN. 



i 



Acorus SP. 

Allium escalonicum 

« SATIVUM 

» SINICUM 

» aliginosum 
Alpinia Galanga 
Ananassa sativa 
Apium graveolens 
Arachis hypogaea 
Batatas edulis 
Benincasa cerifera. 
Cajanus lndicus 
Capsicum annuum 

» fastigiatum 
Chavica Betle 

» S1RIROA 

COLOCASIA ANTIQUORUM 
CUCUMIS SATIVUS 
CURCUMA LONGA 
DlOSCOREA ÜIV. SP. 
» HIRSUTA 

GoSSYPlUM INDICUM 
ÏNDIGOFERA TIISCTOIUA 
Larlar CULTRATUS 
» VULGARIS 



of Genoak. 

Kalpeh-oh meh = Sebohla. 
» foléoe. 
» moeti. 
Koetjai. 
Lankwas. 
Nanas. 
Sèderé. 

Toeëh kasseh. 
Loli. 

Kommelingan. 
Toeries. 
Koeroes djawa. 

» = Oenoes. 
Manof. 

» foeah. 
Lali. 

Okannak menoe. 
Hoekiem. 
Lakfoei. 
Kassimoen. 

Awas == Pohoon banang. 
Taum. 
Arbila oedainf. 



m 



Lagenaria hispida 


of 


Bokko =ef Pompoen. 


» IDOLATRICA 


)) 


Bobra. 


LüFFA PETOLA 


» 


Bong miloe. 


Lycopersicum cerasiforme 


» 


Kaölili. 


MOMORDICA CHARANTIA 


» 


Pania. 


MüCUNA VELUTINA 


» 


Nipeh. 


Musa div. sp. 


» 


Oeki. 


NlCOTIANA TABACUM 


» 


Swot. 


Oryza sativa. 


» 


Aneh ; Bras = Neês. 


Pennisetum macrochaeton 


>> 


Saijan = Saja. 


Phaseolus lunatus 


» 


Bottoh. 


» RADIATUS 


» 


Foeëh noetoe. 


PlPER NIGRUM 


» 


Koeroes. 


Ricinus communis. 


» 


Pakoe ploeneh ar P. penoenai 


Saccharum officinarum. 


» 


Tehfoe. 


SOLANUM MELONGANUM. 


» 


Koménoe kasseh. 


Sorghum vulgare 


» 


Boeka ra Djagong Rotteb. 


VlGNA SINENSIS 


» 


Toeëh. 


Zea Maïs 


» 


Pehnah. 


ZlNGIBER CASUMANAR 


» 


Bangleh. 


» OFFICINALE 


» 


Alia. 


BOOMEN. 


Aegle MARMELOS 


of 


Dilak. 


Aleurites moluccana 


» 


Tehnoh. 


Anona muricata 


» 


Soersak. 


» RETICULATA 


» 


Atta kassi. 


» SQUAMOSA 


» 


» 


Areca CATECHU 


» 


Poeah. 


Arenga SACCHARIFERA 


» 


Bob neb. 


Artocarpus incisa 


» 


Nauwnoe. 


» » VAR. SOEKOEIN 


f » 


Nauwlakoe. 


» INTEGRIFOLIA 


» 


Taijonief. 


AVERRHOA BlLIMBI 


» 


Tioe kasseh. 


» Carambola 


» 


Karbool 



557 



borassus flabell1formis 
Carica Papaya 

ClCCA Ml 1)1 FLORA 

Chris aurantium 
» decumana 

a MACRACAiNTHA 

» MEDICA 

GOGOS NUCIFERA 
GORYPHA GeBANGA 
GURCAS PURGANT 
EniODENDROlN ANFRACTUOSUM 

Jambos a domestica var. 
Mangifera indica 
psidium guajava 

PuNICA GRANATUM 

SlADMANNIA Sideroxylon 
Tamarindus indica 



oi' Pohoon toewak. 

>. Ka ut. 

» Salmehlah. 

» Lelsinas. 

» Lelboko. 

» Lel lom teh toe. 

» Moekeh mossi. 

» Noah. 

» Gawau°. 

» Pakoe kasseh = Damar Endeh. 

» ïoh. 

)> Djauiboe, 

» Ocpoeu. 

» Koejawas. 

» Lila kasseh. 

» Koesambi. 

» Kenehfoh = Taniarien. 



Deze inlandsche namen, zijn meestal, ïimoreesch, doch er 
komen ook vele bastaardwoorden van zoogenaamd Maleisen, 
Hollandsen en Portugeesch onder voor. 

In het chineesche kamp' te Koepang — waar men de Ti- 
moreezen uit het binnenland, zoo mannen als vrouwen en kin- 
deren den gansenen dag ziet rondslenteren , om hunne waren 
van de hand te zetten , welke soms uit een paar kalapa, eijeren, 
kippen, dengdeng van karbouwen, soms zelfs levende varkens, 
pompoenen, obie's, groenten, enz. bestaan, en kleine inkoopen 
te doen, vindt men bij de Chineezen, behalve Europeeschc snuis- 
terijen, nog uitgestald : 

Uijen : roode, witte en knoflook, tjabeh in soorten, gember, 
lankwas, kentjoor, koenjiet, obie in soorten, aardappelen van 
Dilli, tehrong, pisang, katjang lana, k. pandjang, k. idjoe = 
k. tohgeh, arbila = k. kembang kara, bottoh = k. rowai ginj;i, 
rijst, padie, djagong, gierst, roode rijst uit China, roempoet 
sereh, genowak = calmuswortel, kajoe tjina = gadoeng tjina, 
sasawie, loobak, laboe in soorten en laboe pitten, katoembar, 



558 

djienten , gambiet', koesambipitten, djarakkostapitten, kemirie- 
pitten, kedawoengpitten — pundenï, tamarinde, bliembing bissi, 
kalapa, pinang moeda en pinang toewa (geschild) jonge lontar- 
vruchten, lontarsuiker , stroop, toewak en laroe, koffij, tabak, 
peper, siriboewa en wilde peper = koeroes oetan, notenmus- 
caat, kaneel, kruidnagelen, pompelmoes, citroenen, twee soorten 
oranje appelen, djamboe méra, mangasoorten. Drooge viscb, 
dengdeng karbouw, gedroogde oedang, trassi, versche en ge- 
zouten eijeren, olie, azijn, kétjap, bedak, bijenwas, zout, zeep, 
kalk, sirikalk aan bollen, eetlepels van kalapaschil, touwerk, 
ivoren armringen , loba = verfbast van Flores , damar kanari, 
cigaretten , chineescbe kaarten, buskruid, kogels, vuursteenen, 
zwavel, enz. 

De handel wordt hier met Nederlandse!) geld gedreven en 
onze 2V2 guldenstukken — rienggiet — staan hier in hooge 
achting. Van al het zilver, dat naar het binnenland gevoerd 
wordt, wordt zelden weder iets uitgevoerd, maar meestal wordt 
het gebruikt voor ornamenten, of met de lijken begraven. 

Daar waar door bevloeijing de bodem gedrenkt wordt, gaat 
de koraal spoediger tot ontbinding over, dan op de drooge 
velden. De verweerde koraal geeft eene vette kleiachtige aarde, 
welke tot sawah's bewerkt, prachtige padieoogsten oplevert. 
Jammer dat men met de bewerking daarvan nog zoo verre 
ten achteren is. Deze bewerking is nog zeer primitief en ge- 
schiedt enkel door het betrappen van het land door karbouwen 
en paarden — van ploegen is hier geen sprake — slechts de 
niet genoeg doorkneedde hoeken en kanten worden met de 
patjol bijgewerkt. Het planten der padie geschiedt soms door 
directe uitzaaijing, soms ook door overplanting der bibiet. Na 
de beplanting wordt er weinig zorg meer aan de velden be- 
steed, zoodat het gewas soms onder het onkruid verstikt. De 
galangans zijn ook meestal te zwak, zoodat die spoedig defect 
raken; bij niet herstelling vermindert dit de goede verdeeling 
van het water, in de meer verwijderde omstreken van Koe* 
pang worden meerdere, zeer vruchtbare sawah's gevonden. 



359 

Den ll den Juli verzond ik mijne bagage door 6 dwangarbeiders 
en een oppasser naar het 17 palen van Koepang verwijderde 
Babauw, en volgde den 12 den Juli met mijn gids Radja Hendrik 
Topitoe — die ik voor deze binnenlandsche reis had aange- 
nomen tegen betaling van f 6, daags — denzelfden weg. 

Daar ik geen goed rijpaard in huur bekomen kon, was ik 
verplicht er een in te koopen voor f 100, — hetwelk echter 
geene hoogere waarde dan /' 50, had, doch hoewel klein, 
had ik mij geen oogenblik over hem te beklagen, daar hij op 
de reis van het begin tot het einde bij uitstek voldeed; het 
eenigste inconveniënt was dat mijne voeten te meer met de 
rotsblokken en boomstronken in aanraking kwamen , zoodat ik 
steeds op mijne hoeue moest zijn en het pad niet uit het oog 
mogt verliezen om niet ieder oogenblik op gevoelige wijze van 
het rondzien naar de vegetatie te worden afgetrokken. 

Met den heer de Siso was ik overeengekomen, dat wij de 
reis naar het binnenland te zamen zouden ondernemen, wijl 
hij daar ook zijne bezigheden had, doch toen ik op vertrek 
stond was bij nog niet gereed, maar zoude nader volgen. 

Des morgens te 9 uur was mijn gids eerst gereed om te 
vertrekken. Buiten de stad gekomen begint het terrein al di- 
rect vrij steil te rijzen , wat echter niet lang duurt en de weg 
nu weinig golvend, op korten afstand van het strand, regel- 
matig voortloopt. 

De weg — de eenige op Timor, welke dezen naam ver- 
diende — was vroeger tot Babauw en Pariti goed onderhouden, 
doch na intrekking der heerendiensten, geheel verwaarloosd, 
daar er nu niets meer aan gedaan wordt en de zware regens 
in de westmousson dien geheel onbruikbaar maken. 

Tot paal 5 komen de koraalrotsen overal sterk aan den dag 
en hoewel het geheel daarmede zeer onregelmatig als bevloerd 
is, wordt toch soms hier en daar de schrale vegetatie omge- 
kapt en met het dorre gras verbrand, om er eenen vrij goe- 
den Djagongoogst van te trekken. 

De prachtige Capparis mariana groeit uitsluitend in deze 



360 

koraalrotsen , met dezelfde vegetatie als rondom Koepang, op 
dezelfde bodemformatie. Voorbij paal 5 verandert het terrein 
en gaat daar over in eene breede alluviale vlakte, die zich in 
de breedte van de zee tot aan den voet van het laag gebergte 
uitstrekt en in de lengte, met onderbreking van enkele rivier- 
tjes die in zee uitwateren, tot aan de ll e paal voortloopt. 

Op de eerste 5 palen komen wel reeds eenige Lontarboomen 
tusschen bet koraal voor doch verder op, vooral in de omstre- 
ken van Taroes, 9 paal van Koepang, vindt men uitgestrekte 
bosschen van dezen en van den gawang-palm: Corypha Ge- 
banga. Ook vindt men hier en daar nog al belangrijke sawah- 
velden. De zizypiius Jüjuba (pohoon Kom) - die overal tot 
vervelens toe voorkomt , en waarvoor men zich vooral te wach- 
ten heeft om er niet mede in aanraking te komen, wijl zijne 
fijne doornen naar alle kanten vastgrijpen — ziet men meestal 
struikachtig, wijl hij bij het aanleggen van Djagongtuinen, ge- 
heel kaal gekapt wordt: hier echter op de alluviale vlakten, 
die hoewel van uitmuntende hoedanigheid wegens de over- 
stroomingen in den regentijd, weinig in kuituur schijnen ge- 
bracht te worden, groeit hij op bijna regelmatige afstan- 
den, of het een aangelegde boomgaard ware, tot boomen van 
dt een voet dikte, die wel niet hoog, maar van eene breede 
kroon voorzien zijn, waaronder enkel gras tot voedsel van kar- 
bouwen en paarden groeit. Door indijking zouden deze velden 
bijzonder voor sawahs geschikt zijn, zoo er levend water op 
te brengen ware, wat mij niet gebleken is. De bodem bestaat 
uit eene donkere vruchtbare klei, waarschijnlijk het product 
van de verweerde koraal en humus van het aangrenzende lage 
gebergte. De vegetatie is hier, bij dat al, zeer eentoonig, daar 
ze meestal uit de voormelde Komboomen bestaat, waarop eenige 
weinige soorten Orchideën gevonden worden, voornamelijk Vanda 
insignes. Verder zag ik geen enkelen boom, dien ik niet reeds 
in de omstreken van Koepang gevonden had. 

Tegen den middag waren wij tot den ll den paal, aan de ri- 
vier Noi-baki, genaderd, waar wij onder een Tamarindeboom, 



361 

lialt hielden om ons middagmaal te gebruiken , en de paaiden 
wat te laten uitrusten; gras was er echter niet voorhanden 
om ze te laten grazen, doch die dieren zijn hier al lang ge- 
woon om zich wat te speenen , zonder dat zij daarom den 
moed verliezen. 

De rivier waarin slechts weinig water voorhanden was — 
in den regentijd stijgt ze wel eens 20 voet hoog, zoodat dan 
alle communicatie is afgesneden, — overgestoken zijnde, ging 
het een weinig opwaarts en bleef ook de daaraanvolgende vlakte 
meer verheven dan die aan gene zijde der rivier. Aanvanke- 
lijk was de bodem nog mei enkel koraalbrokken bezet, die 
hier en daar uit den grond oprezen, welke echter spoedig ge- 
heel verdwenen om voor een geheel effen terrein van eene meer 
lichtere kleur - - die aan verweerde steensoorten zijn ontstaan 
scheen te danken te hebben , — plaats te maken , hoedanige 
sleenen ook in den ondergrond voorkwamen en soms ook op 
de oppervlakte gevonden werden; doch eindelijk vertoont zich 
weder de steenlooze vette zwartachtige alluviale kleigrond, die 
tot en met Babauw voortduurt en waaronder eene laag rol- 
steenen aanwezig is. 

Daar wij langzaam gereden hadden om ter loops nog wat 
te botaniseeren , bereikten wij , na ook de 5 e en laatste rivier. 
Oleoh, gepasseerd te zijn, des namiddags 4 uur Babauw, de 
slandplaats van een Posthouder, waar nog enkele woningen 
van christen inlanders en ook een schoolgebouw — wat tevens 
tot kerk dient — gevonden worden. Alles ziet er echter even 
vervallen uit. Voor de woningen die aan den voet van het 
laag gebergte gelegen zijn, bevindt zich eene uitgestrekte allu- 
viale grasvlakte, die tot weide voor het vee dient, en daar- 
achler bevinden zich onafzienbare sawahvelden. Ik beklom nog 
het heuvelachtig terrein achter de woning van den Posthouder, 
waar ook nog enkele inlandsche woningen niet hunne luinljes 
en vruchtboomen gevonden worden en oogstte eindelijk in de daa r- 
aangrenzende wildernis, aan den voet van het gebergte waar de 
bodem een krijtachtig aanzien had, en de koraal geheel ver* 



562 

dweilen was, eenige plantensoorten, en vond eindelijk bij den 
Posthonder Huppe goed logies. Het was hier des nachts vrij 
koel, des morgens 6 U 68° om 9 U 78° en om 12 u 80° Fahrt. 
Te Koepang was het des morgens 78°, daar de aanhoudende 
oostenwind het ook daar aangenaam koel maakte. 

Den 15 den Juli maakten wij eene wandeling naar een gedeelte 
der uitgestrekte sawah's, die zich verre door eene vallei naar 
het binnenland uitstrekken. Deze vallei, vele palen lang en 
breed, is vroeger zeker eene verlenging geweest van de baai 
van Pariti doch later geheel met aarde en humus van het ge- 
bergte volgespoeld, zooals die baai ook thans nog met modder 
en slijk wordt aangevuld, welke modder bij ebgetij gedeeltelijk 
droog valt, terwijl de naast bij de kust gelegene reeds met 
moerasplanten, Son.xeratia, Avicencia, enz. bezet is, en op dit 
groote alluviale terrein komen niet alleen die vele sawahvelden, 
maar ook uitgestrekte bosschen van Lontar: Borassus flabel- 
uformis en Ga wang: Corypha Gebanga, voor; zooveel, dat slechts 
van een gering gedeelte door de weinige bevolking partij kan 
worden getrokken. Hoewel deze lage gronden thans geheel 
droog lagen, en met diepe spleten en scheuren doorsneden waren, — 
wat zeker hunne vruchtbaarheid zeer bevordert', wijl lucht en 
licht daarin kunnen doordringen, om den bodem te ontzuren 
en het planten voedsel oplosbaar te maken — zoo loopen ze in 
den regentijd bij hooge bergstroomen wel eens geheel onder 
water, wat eveuwel noch aan den Lontar, noch aan den Ga- 
wangboom eenig nadeel doet, daar beiden, vooral de Gawang, 
meer een vochtig, dan een droog en dor terrein beminnen. 
Voor de sawah's bestaan echter waterleidingen tot afvoer van 
het overtollige water, hoewel die veel te wenschen overlaten. 
De fondsen vroeger door het Gouvernement tot herstelling der 
dammen toegestaan, zijn door een toenmaligen resident van de 
hand gewezen, thans worden ze op nieuw en te recht als zeer 
noodzakelijk voorgesteld. 

Het bleek hier ook duidelijk uit de afgestorte kanten der 



363 



waterleidingen dat de bodem zich laagsgewijze door aanslibbing 
op de onderliggende rolsteenen gevormd heelt. 

De padie begon juist tot rijpheid te komen: de bodem was 
zeer vruchtbaar en bijzonder voor deze kuituur geschikt, zoo- 
dat bij eene meer doelmatige bewerking der velden , de schoonste 
resultaten zouden te verwachten zijn. Niettegenstaande deze 
bewerking veel te wenschen overliet, stond het gewas vrij 
goed, behalve dat het op sommige plaatsen onder het onkruid 
bedolven was; ook de waterverdeeling liet wegens de te smal- 
le en te slappe galangans veel te wenschen over, wijl eenige 
beddingen geheel van de bevloeijing verstoken waren, ofschoon 
er geen gebrek aan water was, en dit hier en daar nutteloos 
wegvloeide: de beddingen waren ook zeer onregelmatig aange- 
legd. Een en ander is vooral ook toe te schrijven aan de pri- 
mitieve bewerking der velden die niet beploegd, maar door 
karbouwen en paarden tot modder gekneed worden, waardoor 
de galangans vernietigd en alles in een modderpoel herschapen 
wordt; de uit dien modder opgeworpen galangans zijn dus zeer 
zwak en loopen steeds gevaar van door het betreden, in te 
zakken en het water door te laten. De waterleidingen zijn ook 
onregelmatig van breedte en diepte, zoodat bij hooge vloeden 
het water geen schot genoeg heeft, waardoor sommige gedeel- 
ten wel eens overstroomd worden. 

Er zijn proeven genomen met ploegen doch die zijn mislukt, 
waarschijnlijk wegens ondoelmatige ploegen en onbekendheid 
van de inlanders om er mede om te gaan. 

Eerst in Februari en Maart begint men te planten en ra Ju- 
li tot Augustus wordt er geoogst. Mijns inziens ware het be- 
ter om met het begin van den regentijd — November of Decem- 
ber — een begin met de werkzaamheden te maken en dan zoo 
spoedig mogelijk te planten: men zegt echter dat de Lontar- 
boomen in October en November, Juni en Juli beginnen te 
bloeijen en dan voor den oogst van Toewak moeten bewerkt 
worden, zoodat men dan geen tijd heeft om de sawah's te 
bewerken; ook zou een vioegere proef, met vroeger te planten, 



564 

misluk t zijn, doch andere proeven in dien zin zouden, volgens 
anderen, volmaakt goed geslaagd zijn. Een en ander zijn 
voorwendsels, onidal zij hunne oude gewoonten en gehruiken 
nieL gaarne vaarw T el zeggen. 

De uitgestrektheid der beplantte veldeu en der braakliggende, 
durf ik, wegens ongenoegzaam overzicht en gebrek aan inlich- 
tingen, niet te begrooten, naar zeker is die oppervlakte niet 
gering te achten, daar die velden van ai' Babauw zich lot ver 
oostwaarts in het biuneniaud uitstrekken. Een groot gedeelte 
was dit jaar niet beplant, niet wegens gebrek aan water - 
wat soms wel eens het geval is — doch nu wegens gebrek 
aan zaadpadie. 

Men heeft ook wel eens misgewas te wijten aan de rotten , 
die soms bijna den geheelen oogst vernietigen, wat trouwens 
ook op Java en elders wel eens plaats heeft. 

Zoo ergens dan zou het hier een zegen zijn , indien het 
Gouvernement den lieden met raad en daad te hulp kwam, 
ten einde de bestaande padiekultunr meer op de hoogte te 
brengen en daar, waar zulks mogelijk is, meer en meer uit 
te breiden: de noninterventie, zooals die hier gehuldigd wordt, 
staat echter den vooruitgang dwars in den weg; ware dit niet 
het geval dan zou ik durven aanraden om eenige Javanen - 
b. v. een mandoer en vijf boedjangs , die allen goed met de 
padikultuur bekend zijn — derwaarts te zenden om niet alleeu 
de inlanders te onderrichten, maar ook zelf ten voorbeeld, d( 
handen aan het werk te slaan. Een paar sawah- en een paai 
chineesche ploegen konden zij medenemen; karbouwen zijn oj 
Timor overvloedig voorhanden en zeer goedkoop: voor f 10, 
koopt men de prachtigste dieren van die soort. Men zou du 
inenschen in de maand Augustus regtstreeks derwaarts kunnen 
zenden, om de voorbereidende werkzaamheden te beginnen 
dat is: de slokans in orde brengen en de sawah-galangans re- 
gelen. Alvorens met ploegen te beginnen dienen de velden 
drooggelegd te vvorden, ter vermijding dat de bodem bij het 
ploegen te week zij en de karbouwen in de modder zakken 



565 

eerst bij het ploegen kan dan het daartoe benoodigde walrr 
worden aangebracht. Het bewerken en planten der sawab's 
diende, onder toezicht van den Posthoudcr te Babanw, geheel 
nan den Man door te worden overgelaten. 

Het is niet wenschelijk, al direct zaadpadie van Java in Ie 
voeren, om niet aan misgewas bloot te slaan en wijl op Timor 
reeds goede soorten voorhanden zijn. 

14 Juli. De heer de Siso kwam des morgens 7 U hier van 
Koepang aan, en vertrokken wij te zamen naar Oesouw, eene 
hoogvlakte waar eene inlandsche school is en de gebroeders 
Pelt wonen, die zich met landbouw, veeteelt en handel generen. 

Van Babauw liep onze weg stijgende tot Oesouw; de wind 
was hier op deze hooge vlakte, waar weinig geboomte voor- 
komt, zoo sterk, dat wij bijna wegwaaiden, wij daalden ech- 
ler na een kort verblijf te Oesouw, spoedig weder in de allu- 
viale vlakte terug, waar wij de uitgestrekte sawab's van Babauw, 
doch nu hooger op dan gisteren, passeerden, terwijl zij zich 
zoo ver het oog reikte nog verder binnenslands uitstrekten. 

Na nog eenige drooge vlakten, waarop kuituur van djagong, 
enz. gedreven wordt, gepasseerd te zijn, geraakten wij in eene 
wildernis van Gawang en Lontarboomen , die zich palen ver 
over deze meer moerassige vlakte uitstrekken , doch waarvan , 
wegens de weinige bevolking, slechts weinig benuttigd wordt. 
Deze vegetatie , waartusschen slechts weinige woudboomen voor- 
komen, vergezelde ons tot aan de rivier Non koeroes. De weg 
was wegens de modderpoelen, bijna niet te passeeren, daar 
alles zoo dicht met jonge Gawangpalmen bezet was, dat er 
aan uitwijken niet te denken viel. De paarden zakten dan 
ook soms tot aan den buik in de modder en maakten dan 
hevige sprongen om er weder uit te komen, waarbij wij groot 
gevaar liepen van aan de scherpe harde doornen van de hall 
afgekaple bladstelen der Gawangplanten te blijven hangen. 

Hier zou eene uitgehreidde bevolking een goed bestaan kun- 
nen vinden, niet alleen van de uit den Lonlarhooin Ie trekken 
loewak tot bereiding van stroop en suiker, maar ook van het 



56Ö 

vervaardigen van touwwerk uit de jonge bladereri — pohloh- 
en bladstelen — behbak — van den Gawangboom. 

Deze geele of graauwe vette kleigronden zouden al verder 
bij meerdere bevolking voor verschillende kuituren, b. v. dja- 
gong, padie, katoen, tabak, enz. kunnen bebezigd worden. 

De zachte hellingen van het laag gebergte, dat deze vlakte 
insluit, en de hooger gelegene plateau's zijn mede vruchtbaar 
genoeg voor de kuituur van eenjarige gewassen, vooral voor 
katoen, die er op de kalkachtige gronden bijzonder goed tiert. 
De vegetatie heeft in deze palmbosschen weinig verscheidenheid; 
waar mogelijk, ontbreekt de Zizyphys Jujuba (Kom) nergens, 
maar neemt onmiddelijk bezit van enkele drooge meer verhe- 
vene plekjes , midden in de palmbosschen , waar men soms ook 
enkele groepjes van Acacia leucophloea (Kabésa) Peliostigma 
acidum (Doepeh) enz. aantreft. De Hyptis süaveolens (Koenoe 
boesoek) vergezelt ons overal, behalve onder het lommer der 
boomen; De Gawang groeit zoo dicht in elkaar, dat het zonder 
kapmes onmogelijk is er door te komen, en dit tengevolge van 
de duizenden kogelvormige vruchten welke van de vruchtdra- 
gende boomen afvallen en terplaatse blijven liggen, totdat de 
regentijd doorkomt, die ze doet ontkiemen en in den bodem 
vastwortelen. 

Tegen den middag bereikten wij de rivier Non Koeroes, deze 
overgestoken zijnde, verdeelde de weg of liever het pad zich 
in tweeën, waarvan een naar Pariti en het andere hetwelk wij 
volgden naar den berg Fatoe Leo leidt. 

Om 5 U vervolgden wij onzen weg, die er niet beter op werd, 
want erger nog dan vroeger geraakten wij in diepe modder- 
kuilen, blootgesteld aan de gedoomde bladstengen der Gawang 
en Lontar, terwijl die toestand niet scheen te willen eindigen. 
Zelden vonden wij een plekje dat niet door oude of jonge pal- 
men van de voormelde soorten was ingenomen; spaarzaam de- 
den zich enkele pollen Alang-alang voor, wijl dit geliefkoosde 
voedsel voor de karbouwen wordt onderdrukt. 

Eindelijk bereikten wij een meer verheven bodem, waar ook 



567 

luinen der inlanders schenen bestaan te hebben, totdat wij den 
voet van het gebergte langzamerhand bestegen. Tot mijne 
groote verrassing zag ik hier de eerste kajoepoetiboomen — 
Eucalyptüs alba — die ii u verder ook overal in kleine groepen 
voorkwam, waaronder hoornen van wel 80 v ! hoogte doch weinig 
dikker dan 2 V ! diameter. Zij droegen juist vruchten, die ech- 
ter nog niet volkomen rijp waren; later in de maand Augustus 
vond ik in de nabijheid van Koepang goede rijpe vruchten. 

Ons pad was nu ten minsten droog, steeds klimmende en 
door valleitjes weder afdalende, om weder op nieuw te klim- 
men, doch ook hier was men niet buiten gevaar: ofschoon hier 
nu wel geene doornige palmen meer voorkwamen, werden die 
echter door doornige bamboe vervangen, die wegens de smalte 
van het pad ons ieder oogenblik dreigde vast te haken, wat 
almede ten koste der huid of der klêeren geschiedde. 

Tegen 5 U des namiddags bereikten wij een riviertje waarin 
nog helder water stroomde en daar wij niet zeker waren ver- 
der op nog waler te zullen vinden, besloten wij hier ons bi- 
vouac op te slaan, te meer hier op eene opene plek, ook een 
weinig gras voor onze paarden voorkwam. Mijn veldbed kwam 
mij hier goed te pas: de wind maakte het ons wel wat onaan- 
genaam, doch na ons avondmaal op het grastapijt genuttigd te 
hebben, volgde toch eene goede nachtrust onder den blooten 
hemel: mijne reisgenooten legerden zich op het gras neder. 

15 Juli. Gelukkig hadden wij des nachts geen last van de 
koude , daar de Thermr. van Fahrt. niet lager daalde dan 74°, 
doch de aanhoudende oostenwind en het gehinnik van een 50 
lal paarden, stoorde ons wel eens in den slaap. 

Na de verzamelde planten van den vorigen dag verzorgd te 
hebben, vervolgden wij de reis: onze weg liep nu meestal op- 
waarts, doch ook weder afdalende om de ravijnen te passeren, 
behalve de onregelmatige steenklompen die op ons pad gezaaid 
waren en waar onze paardjes met bewonderenswaardige vlug- 
heid wisten op en af te klonteren , moesten wij steeds op onze 
hoede zijn tegen de den weg versperrende doornige takken van 



568 

de bamboe doeri, die hier bijna het geheele terrein inneemt en 
ons tot op het hoogste punt, op weinige uitzonderingen na, 
steeds vergezelde. Nu en dan passeerden wij echler groepen 
van kajoepoetiboomen — Eucalyptus alba — waaronder weinig 
anders dan eenig schraal gras groeide, soms ook vermengd mei 
eene andere boomsoort — Blackwelia tomeatosa, die rnen toe- 
vallig in de Soendalanden ook kajoepoeti — Kibodas — noeml, 
die evenwel voor de glanzend witte stammen van de Eucalyp- 
tus alba, wat de kleur betreft, verre moet onderdoen. 

Toen wij des morgens 9 U uit de vallei geraakten, hielden 
wij een half uur halt om de paarden wat te laten uitblazen 
en vervolgden toen verder onzen weg, dan eens evenveel klim- 
mende als dalende, langs den voet van den berg Fatoe Leo = 
Batoe Leo, waar wij om 12 u ons middagmaal gebruikten en 
om l u weder vertrokken, tot wij eindelijk om half vier uur. 
Ie Nonbaun, de plaats onzer beslemming, aankwamen. 

Nonbaun is op ^,Q\\a kaart te vinden, het moet echter lus- 
sehen Taiyoni en Tanini gelegen zijn. De kaart van Timor, 
in den Algemeenen Atlas van Ned. Indie van W. F. Verst^ei 
laat veel te wenschen over. 

De heer de Siso was reeds een paar uur vroeger aangeko- 
men, maar nog niet onder dak, wel zijn hier een vijftal echte 
Timoreesche huizen, doch die waren bewoond en zouden wij 
buitendien er toch geen gebruik van hebben gemaakt, omdat 
zij te vuil en vol ongedierte zijn: daarenboven is er slechts 
eene kleine opening in, die niet hooger is dan ± 5 V en even 
zoo breed, zoodat men er in kruipen moet: verder heeft licht 
noch lucht er toegang in en daar er dag en nacht in het cen- 
trum een vuur van doode boomstammen en takken onderbonden 
wordt, waarvan de rook enkel uitgang vindt door den lagen 
ingang en door den zolder en het dichte dakwerk, is het er 
voor een christenmensen niet in uit te houden. Zulk een hnis 
heeft den vorm van een bijenkorf, enkel van boven meer spits 
toeloopende tot eene hoogte van + 15 v in diameter. Tn hel 
midden worden 4 stevige palen van 6 a 7 V hoogte, op 7 a 8 V 



369 

van elkaar, in het vierkant opgericht en in de aarde geplant, 
die Aan boven gevorkt zijn; in deze vorken komen 2 balken — 
natuurlijk alles van rond bont — te liggen, die aan weerszij- 
den een paai* voet huilen de palen uitsteken , doch niet lot 
aan de wanden reiken : daarop wordt eene dubbele laag slieten 
van jfc 5 d dikte gelegd, waarop eindelijk de zolder van gesple- 
ten baniboe-ploepoe — komt Ie liggen op + 6 V van de 4 palen, 
worden rondom in een zuiveren cirkel, op eenen ouderlingen 
afstand van 4 a 15 v , lange bamboe geplant, die tegen den zol- 
der steun vinden en van boven ter hoogte van ± 15 v , rond 
tot elkaar gebogen en vastgebonden worden en daarmede is bet 
geraamte van bet luns gereed, behalve dat men soms voor 
de veiligheid, nog binnen tegen de omwanding een paalwerk 
van + 5 V hoogte aanbrengt en de opening met eene plank af- 
sluit om het binnendringen der varkens te beletten. Het ge- 
heel wordt nu van builen, van beneden tot boven, met Alang- 
alang gedekt, waardoor het, en door de steile helling, goed 
waterdicht wordt. De Alang-alang wordt niet zooals op Java, 
dubbel gevouwen en om latten geslagen, maar in de geheele 
lengte, met bosjes legen horizontale latten vastgebonden; soms 
ook wordt eene zijde tot aan de twee voorste palen dwars af- 
geschoten, wat dan tot galerij dient, doch wat binnen de 
geheele omwanding, annex bef krnipgat besloten is, en 
waaruit men door een of twee groote openingen in den binnen- 
wand, in het eigenlijke binnenhuis komt. Aan den zolder en 
aan de wanden wordt alles opgehangen wat de bewoners be- 
zitten, en ook de zolder wordt daartoe gebruikt, vooral om de 
Djagong te berooken om ze te conserveeren, en dat dit doel 
treft, blijkt uit den zolder en de omwanding, die geheel met 
roet bedekt zijn. De minste; vlam zon voldoende zijn, om in 
een oogenblik alles te verteeren en toch hoort men zelden van 
brand, het is echter duidelijk dal zulk een logies niet voor 
Europeanen is aan te bevelen. 

Ik trof bet gelukkiger dan de beer de Siso, die zich een af- 
dakje met bladeren bedekt had laten maken , daar men een 

deel xxxiv. 24 



570 

geraamte van een nieuw huisje in der haast met goed herookte 
Alang-alang omkleedde en in plaats van dak den reeds gereed - 
den zolder met Alang-alang belegde, zoodat ik wel tegen de 
zon, maar niet tegen den regen beschut was, die in dit jaar- 
getijde echter weinig te vreezen was: maar toch gebeurde hel 
eenmaal dat eene fiksche bui — gelukkig tijdens mijn afzijn — 
de hut besproeidde, waardoor enkel mijn herbarium bevochtigd 
werd. In deze hut van IV diameter, sloeg ik mijn veldbed 
op, en had toen nog plaats genoeg om ook mijne verdere ba- 
gage langs den wand te plaatsen. 

Nu ik hier geheel op mijn gemak ben, ga ik nog eenige 
herinneringen van den afgelegden tocht noteeren, waarbij ik 
veel van mijn gids, Radja Hendrik Topitoe, geleerd heb. 

De berg Fatoe Leo is »pamali", heilig of onschendbaar en 
schijnt geheel uit kalkrots of koraalblokken te bestaan; aan den voet 
vindt men echter zware rotsblokken basalt en elders ook graniet. 

Zoo ver men van de hoogste streken op onzen weg zien kan, 
is het geheele land met bolvormige, ronde of spitse bergtoppen 
bedekt, de laatsten meestal met bijna loodrechte rotswanden 
zonder eenige vegetatie, die door valleijen en diepe ravijnen 
gescheiden zijn , waarin zelden stroomend water voorkomt , 
maar die in den regentijd toch soms veel water afvoeren , 
waardoor het gesteente aan den dag komt, waarmede de bo- 
dems der rivieren ook geheel zijn opgevuld. Een deskundige 
zou hier vrij belangrijke verzamelingen daarvan kunnen maken: 
koraalkalk komt hier beneden en in de rivieren zelden voor, 
maar zijn de meeste bergtoppen en bergruggen daarmede be- 
dekt. De bodem is overal min of meer hellend, zoodat van 
vlakten geen sprake is, doch waar het koraal aan het geberg- 
te genoegzaam ontbonden is, vindt men vetten en vruchtbaren 
kleigrond. 

De kajoepoeties — Eücalyptus — groeijen tegen de hellingen 
en ook op de hoogste punten van sommige bergen en steeds 
onvermengd met ander geboomte, behalve soms met de reeds 
vermelde Blackwellia tomentosa; in die bosscheu bestaat de 



571 

bodem meestal uit een bros leiachtig gesteente, dat zich ge- 
makkelijk laat verbrokkelen en als kleilagen op elkaar gesta- 
peld is: bet komt ook meestal in sterk bellende lagen voor; 
geene andere boomen schijnen deze grondsoort te beminnen, 
daar zij bet terrein gebeel aan de kajoepoeti overlaten; ande- 
re bergtoppen of bergruggen zijn soms weder met eene ge- 
mengde boom vegetatie bezet. . 

Aan de zuidzijde van dit gebergte was bet gras zeer schraal 
en reeds nu door droogte, hitte en schrale oostewinden bijna 
verzengd, terwijl van Alang-alang daar geen sprake was; aan 
deze meer noordelijke zijde waren de Alang-alang en andere 
hooge grassoorten overvloedig, boewei ook uitgedroogd en niet 
van de beste kwaliteiten, zoodat er door karbouwen en paar- 
den enkel de nog eenigzins malscbe uiteinden van genuttigd 
werden. Het wacht echter slechts om afgebrand te worden, 
en dan weder jong en malscb voedsel te verstrekken. 

De verscbillende grassoorten waren ook te hoog opgeschoten, 
zoodat het korte en meer deugdzame weidegras verdrongen was 
wat ecbter op sommige hellingen van minder vruchtbaren bo- 
dem en vooral onder de eenzame Eucalvptus en op de pas 
verlatene kultuurvelden, nog al veel voorkwam, om tot voed- 
sel der paarden te kunnen dienen. De verwilderde en ook de 
halftamme karbouwen, die ook steeds in bet wild rondzwerven, 
en eerst dan in kralen — zonder eenige bedekking en slechts 
mei benteng's van koraal of bamboe doeri omringd — gedreven 
worden, wanneer men ze voor de sawabkultuur, voor de slacht- 
bank, of ter verkoop noodig beeft, vinden bier dus voedsel in 
overvloed, wat elders veelal niet het geval is. 

De Alang-alang wordt in het gebergte overal als dakbedek- 
king gebezigd, wijl daar geene Lont ar of Gawang voorkomt, 
omgekeerd gebruikt men in de benedenlanden, waar die palmen 
wel voorkomen en Alang-alang schaars is, meestal palmblade- 
ren voor die bedekking. 

De verwilderde karbouwen zijn slechts dan gevaarlijk, wan- 
neer zij vervolgd worden en kalveren hebben; zij behoorennog 



572 ' 

altijd aan de afstammelingen der voormalige eigenaars: Indien 
zich van twee of meerdere familiën eenigen vermengd hebben, 
dan hebben allen even veel recht daarop en wanneer zij ge- 
jaagd of gevangen worden, wordt het vleesch gelijkmatig onder 
hen verdeeld. Even zoo is het gelegen met de verwilderde 
paarden, die vroeger in menigte voorkwamen, doch thans dooi- 
de jacht en hel opvangen bijna geheel verdwenen zijn; paar- 
den vleesch in bij de inlanders zeer gewild. 

De karbouwen zien er in het algemeen goed en wel gedaan 
uit, doch zij werken ook niet dan in enkele gevallen een kor- 
ten tijd om de sawah's te kneden; zij zijn hier ook zeer goed- 
koop, voor f 10 koopt men de fraaiste vette karbouw en voor 
f 5 a ƒ 6 een meer dan halfwassene; hel vleesch is ook bij- 
zonder goed va ii smaak. 

Zonderlinge verhalen hoort men hiervan karbouwen temmers, die 
aan de Javasche »maliem's" doen denken. Zij verstaan de 
kunst om de halfwilde karbouwen, die men met veel moeile 
in de kandangs gedreven heeft, te temmen, en wel zoodanig 
dat de geheele troep, na de bezwering, den man die deze be- 
werking verricht heeft, onmiddelijk volgt en bij elkaar blijft. 
Op reizen, waarbij men moet overnachten, maakt die man een 
kring van dunne, in den grond gestoken takjes, en legt zicli 
in dien kring onder een boom te slapen, terwijl ook alle kar- 
bouwen zich daarin mede nederleggen, om te rusten en den 
man den volgenden morgen verder te volgen, tot dat zij te 
zamen ter bestemder, hoewel vreemde plaats zijn aangekomen. 
Het geheim dezer handeling heb ik niet kunnen ontdekken, of- 
schoon men mij de handelwijze daarbij gevolgd, in vier ver- 
schillende wijzen mededeelde. 

Ten eersten, gaat de man in de kraal der half wilde kar- 
bouwen, enkel gewapend met een kort rond stukje hout, waar- 
mede hij ieder dier op de hoorns likt, waarna zij getemd zijn. 

Ten tweeden, hij gaat niet in de kraal maar werpt ieder dier 
met een klein steentje, wat voldoende is om ze te temmen. 



375 

Ten derde, hij gaat met een merriepaard aan de hand de 
kraal binnen en alle dieren zijn mak. 

Ten vierden, hij bouwt zich en klein hutje in de kraal, gaat 
daarin zitten, gewapend met een karbouwenhoorn waarop hij 
begint te blazen en waarna alle karbouwen uit den omtrek 
komen toegeloopen, soms zooveel dat ze niet allen plaats inde 
kraal kunnen vinden, en zij zijn dan tevens getemd. 

De arme paarden zijn er slechter aan toe, zij moeten steeds 
hun eigen voedsel zoeken, wat in den droogen tijd soms bijna 
niet te vinden is; maar zij zijn niet kieschkeurig en nemen 
alles voor lief wat slechts eetbaar voor hen is, plukken het 
laatste grasspruitje uit den grond, eten droog slroo en in hoo- 
gen nood, zelfs den bast van sommige hoornen, voornamelijk 
van kajoeniéra — Pterocarpus. Zij moeten hun meester en 
diens goederen dragen, waarbij zij meestal zwaar verwond ge- 
raken, daar zadels onbekend zijn en de lieden geene broeken 
dragen, wat ten gevolge heeft, dat niet de ruiter, maar wel 
de rug van het paard gewond wordt. Ook met de draagpaar- 
den is dit veelal het geval daar de draagzadels, hoe doel- 
matig ook, meestal in slechten staat verkeeren; daarbij wordt 
alles op die arme dieren geladen, tot zelfs de zware blokken 
sandelhout toe, want de Timorees draagt niets dan zijn geweer 
en reiszak en klimt dan, aldus beladen, soms nog daarbij op 
zijn paard. Men ziet dan ook weinig paarden die niet gedrukt 
zijn, of dit vroeger reeds geweest zijn, wat aan de onthaarde, 
doch weder herstelde huid duidelijk is waar te nemen. 

De Timoreesche paarden zijn meestal klein, van 5'6" tot 4'; 
van de laatsten vindt men er echter zeer weinigen, zij hebben 
eene waarde van f 5 lot f 100 en in enkele gevallen zelfs 
hooger; zij zijn echter sterk en onvermoeibaar en ook goede 
telgangers. Er worden ook bastaards van Sidncy- , Ilottch-, 
Sawoe- en Soembapaarden gefokt, doch die zijn schaars en duur. 

De meeste Timoreezen zijn voorzien van schietgevveer niet 
vuursteenen; zij nemen die op reis altijd mede, daar zij niet 



574 

zeker zijn zonder dit, hun hoofd mede te huis te brengen, 
want koppensnellen is hier nog in vollen gang. 

Ieder gezeten inlander bezit hier minstens een paar, maar 
ook wel 10 tot 15 paarden en van 2 tot 25 karbouwen, ter- 
wijl de Radjah's er soms honderden rijk zijn. Geiten, schapen 
en varkens vindt men ook veel, zoowel bij de Hoofden, als bij 
de minderen. 

Varkens zijn vooral hunne geliefkoosde dieren , die zij zelfs 
met den naam vin anak bestempelen, wanneer ze door oude 
vrouwen of kinderen tot den maaltijd worden uitgenoodigd , 
tijdens ze in de omstreken en wildernissen ronddwalen; maar 
ook dat schoone geluid mistrouwen zij veelal, daar de onder- 
vinding hun geleerd heeft, dat hunne naastbestaanden daarbij 
wel eens het leven op de slachtbank verloren. Die maaltijd 
bestaat gewoonlijk uit een weinig djagong en een stuk Laboe- 
Pompoen of Calabas — of wat het jaargetijde oplevert. 

Kippen vindt men gewoonlijk ook bij ieder huisgezin, hoe- 
wel te Nonbaun geene enkele aanwezig was, waarschijnlijk 
had de Fettor van Takaip, den beruchten Bakikooi, met zijne 
gewone vrijgevigheid, ook den laatsten weggegeven; wij had- 
den dus niet eens het voorrecht om den dageraad door een 
enkele haan te hooren aankondigen. Te Koepang zijn kippen 
en eijeren echter niet duur en genoegzaam te verkrijgen ; men 
koopt daar 5 volwassen kippen voor f 1, — . Eenden zijn 
daar evenwel zeer duur en kosten gewoonlijk / 1, — per stuk. 

Honden en katten vindt men bij meest alle woningen, voor 
eene kat betaalde men echter soms tot f 5, — . 

Van kampongs is hier geen sprake, de meeste woningen in 
het gebergte staan eenzaam en soms palen ver van elkaar. 

In het wild en in onbewoonde streken, komen behalve kar- 
bouwen en paarden, ook nog voor, herten, varkens, wilde 
kippen, dito eenden, duiven en ander gevogelte. 

Het hoofdhaar der echte ïimoreezen of eigenlijk Belonee- 
zen — de oorspronkelijke bevolking van midden Timor — heeft 
alle overeenkomst met dat der Papoea's van jNieuw Guinea, 



575 

doch het wordt zelden zoo fraai gekamd, als hij de laatsten, 
die het altijd zorgvuldig tot groote ragebollen uitkammen , ol 
er geregelde neerhangende krullen uit vormen of op andere 
wijze er dezen of genen vorm aan geven , terwijl de Timoreezen 
het op enkele uitzonderingen na, met een hoofddoek bedekken 
of met een band of touwtje om den schedel of ook daarboven, 
vastbinden en de oude vrouwen noch het een noch het ander 
doen; maar het naar alle zijden onregelmatig in het wild laten 
uitwaaien. De jongere dames binden het ook wel tot een 
groote knoop op het hoofd te zamen. De kinderen laat men 
van het achterste gedeelte van het hoofd het haar afknippen 
en dan gelijkt het korte haar niet kroesachtig, gelijk dat wat 
op het voorhoofd is blijven staan. Indien de Timoreezen het 
haar geregeld lieten knippen, zouden zij er veel beter uitzien 
en weinig kroeshaar hebben, doch hun geloof verbiedt hun, 
zulks te doen. 

De jonge meisjes dragen de borsten bloot, doch de vrouwen 
bedekken ze veelal; over het algemeen zijn hare borsten klein. 

De Koepangers en Samauwers zijn niet onder deze kategorie 
begrepen , maar schijnen meer tot gemengde rassen te belmo- 
ren ; hun haar is niet zoo kroes en over het algemeen zijn zij 
beter en fraaijer gevormd. 

De Timoreezen eten niet met de vingers, maar houden er 
allen lepeltjes op na, die heel lief bewerkt uit de Cocosschaal 
gesneden worden, en steeds in hun knapzak te vinden zijn. 

16 Juli Mijne volgelingen, die de reis te voet mede maak- 
ten, waren gisteren halverwege achter gebleven en hadden er- 
gens onder een kajoc-poetiboom vernacht want inenschelijko 
woningen zagen wij op het gansche traject niet. Eerst heden tegen 
ll u des voormiddags kwamen zij opdagen en de dragers mijner 
goederen eerst des namiddags 4 U . Hoewel wij hier, misschien 
1000 voeten hoog in het gebergte waren, hadden wij toch 
geen last, van de koude, de Therni' daalde des nachts niel 
lager dan 74° en steeg op het midden van den dag tot 86°. 

De heer pe Siso hield zich aan de rivier of soengei Noni - 



576 

goudrivier — onledig met het zoeken naar goud, door het 
graven van putten ter plaatse waar dit in vroegere jaren door 
de inlanders gedaan was, zooals bleek uit de vele daar nog 
zichtbare oude putten; waarschijnlijk was dit dezelfde plaats 
waar volgens rapport van Professor Reinwardt, in de vorige 
eeuw, op last van de 0. I. Compagnie, naar goud gezocht is 
doch waarbij de gravers door eene bende inlanders zouden 
vermoord of verdreven zijn , omdat het goudgraven toen en ook 
thans nog »pamali' , is. Het wordt nu echter voor Europeanen 
oogluikend aangezien, te meer daar de Fettor er ook nog iets 
dacht uit te kloppen, wel werden hier nu aan den oever der 
rivier, op een effen alluviaal terrein van zwarte vette aarde 
ter dikte van eenige voeten, rustende op eene steenlaag en 
begroeid met bamboe doeri, eenige stukjes goud gevonden, 
echter niet voldoende voor eene exploitatie. In de rivier zagen 
wij ook eene vrouw bezig met goudwasschen , en had zij ook 
reeds 4 schilfer tj es gevonden , die zij op haren arm geplakt 
had , doch zoo klein waren dat ik te paard zittende, er slechts 
één van kon onderscheiden. Den 17 Juli maakte ik eene wan- 
deling door de wildernis in de environs, langs berghellingen, 
door valleien en bamboedoeri-bosschen , waarbij ik een goeden 
oogst aan planten bekwam. 

Des avonds 5 U kregen wij een bezoek van den beruchte n 
Fettor Bakikooi. Na de voorstelling dronken wij wederzijdsche 
gezondheid met een glaasje brandij, wat hem goed scheen te smaken, 
daar hij een liefhebber van arak is. Hij liet daarna door een zijner 
volgelingen een kartonnen koker aanbrengen en bood mij die 
aan , om den inhoud te onderzoeken , daarin bevond zich een 
fraai document , voorzien van het Nederlandsche wapen — even 
als zijn wandelstok met zilveren knop , — behelzende zijne acte 
van aanstelling lot Fettor van het landschap Takaip, wat ik 
hem na de lezing weder aanbood. Hij bood mij ook zijn on- 
afscheidelijken knapzak aan, die met verschillende snuisterijen 
gevuld was, voornamelijk bevattende siriboewa, pinang en een 
kokertje met stamper om de siri te stampen, eenige doosjes 



377 

van Calabasjes met zilver gemonteerd, voor drooge kalk om 
die bij de siri en pinang, uil. de hand droog in den mond te 
brengen en nog vele andere zaken. Zulk een knapzak - een 
vierkant stuk doek, waarvan de punten aan koorden bevestigd 
en met zilveren platen bezet zijn — draagt ieder Timorees 
steeds en overal met zieh en wanneer vrienden of bekenden 
elkander ontmoeten, bestaat hun groet in het aanbieden van 
dien zak. 

Toen ik aan Bakikooi vertelde dat ik in zijn land gekomen 
was om dit te bewonderen en planten te verzamelen, had hij 
de beleefdheid te antwoorden, in uw land, daarmede zijne 
onderdanigheid aan Mal Bapa kompanie — Moeder en Vader 
kompanie — willende te kennen geven. Na verloop van een 
half uur verwijderde hij zich met de gansche hem vergezellende 
troep staatslieden en minderen, die er allen recht Timoreesch 
uitzagen. Hij nam nu zijn intrek in het voorste gedeelte van 
een in de nabijheid staand en bewoond huis en het duurde 
niet lang of zijne volgelingen — die uit een 2 5 tal, met geweren 
gewapende en op hunne manier fraai uitgedoslte mannen be- 
stonden — begonnen hunne nationale dansen en zangen, pri- 
mitief door hand aan hand, doch dicht op elkaar gedrongen, 
in een kring op de maat der zang, heen en weer te trippelen 
of zich op dezelfde plaats te bewegen onder het uitstootcn van 
zekere korte tonen en later door melodieuse zangen, die zeer 
wegslepend waren en waarschijnlijk tot de krijgszangen be- 
hoorden, die door den heer Gramberg zoo meesterlijk geschil- 
derd zijn in de verhandelingen van het Bataviaasche Genoot- 
schap van kunsten en wetenschappen, dl. 56 pag. 215 — 217. 
Dit spel duurde tot laat in den nacht, de menschen schijnen 
daarbij onvermoeid en eer op machinen, den op levende wezens 
te gelijken. Dit eentonige spel begon ons echter spoedig te 
vervelen, waarom wij ons Ier ruste begaven. 

Des avonds werd er Ier onzer eere, als een cadeau van den 
Fettor — doch op kosten van den eigenaar die er geen cent 



578 

voor krijgt — een varken geslacht, zoodat het hier vetpot word, 
behalve voor de Mohamedanen van mijn gevolg. 

Alle overigen waren christenen of orang Djèntioe. 

18 Juli. De Thermr. teekende des morgens 6 U 77°; 12 u 87°; 
2 U n. m. 90°; van 8 tot 12 u maakte ik weder eene wandeling, 
die vrij warm uitviel, vooral toen wij in de harre zon , steil 
klimmende huiswaarts keerden, doch het vinden van vele ge- 
wenschtte planten, verzachtte onze moeite; mijn gids Hendrik 
ToriTOE vergezelde mij steeds overal. De rivieren wcrwaarts 
ik gewoonlijk afdaalde, liggen aanmerkelijk lager dan het berg- 
achtige terrein, waarop wij ons verblijf hadden opgeslagen, 
zoodat wij steeds veel en steil moesten dalen en klimmen. 

Terngkeerende ontmoette ik op een paal afstand van ons 
bivonac den Fettor Bakikooi, die daar onder eene groep kajoe 
poetiboomen gelegerd was. Hij zeide mij dat hij onverwacht 
huiswaarts moest keeren, wijl hij ongunstige tijding omtrent 
een lid zijner familie ontvangen had, die zwaar ziek was ge- 
worden. 

De Psidium Guajava (Goejawas) komt hier overal in 
het wild voor, deszelfs vruchten zijn wel niet groot, maar 
zeer smakelijk. 

De Phaseolus lunutus (Bottoh) wordt in de tuinen der 
inlanders veel aangeplant en verschaft hun een goed voed- 
sel als djagong en rijst gaan ontbreken, doch deze vrucht heeft 
even als Mucünu velutinu (Nipeh) de eigenschap van het 
tweede jaar na de aanplant, wanneer ze in verlaten tuinen 
en in de wildernis veelvuldig verwilderd voorkomt, vergiftig 
te zijn en wel in dien graad, dat ze binnen 24 uren na het 
gebruik den dood ten gevolge heeft. Men kan ze echter door 
weeken in water en 12 maal afkoken, van die giftige eigen- 
schappen ontdoen en eetbaar maken, maar ook dan nog moe- 
ten ze koud gegeten worden. 

Cujunus indicus (Toeries) is hier ook een goed voedsel; 
ze worden in de schil gekookt en zoo uit den dop gegeten. 

Van Cycas circinulis kent men hier het gebruik niet, om 



570 

de jonge nog malsche bladstengels, gekookt, als spergies te eten, 
maar wel zou men hel merg uit den stam, als sago benutti- 
gen. De vruchten worden ook niet gegeten, wat elders wel 
het geval is, nadat ze tot meel gestampt en goed uitgeloogd 
zijn; zonder die voorzorg zijn ze ook vergiftig »mabok." 

19 Juli. ïherm'. 6" v. m. 70°; 12u 86°: wederom eene 
wandeling gemaakt en afgedaald in de soengei Noni of goud- 
rivier. Ons pad was even steil als vroeger. De oogst was 
heden schraal, doch kreeg ik hier voor het eerst een schrale 
sa.ntalum album (kajoe Tjeudaua) te zien. 

20 Juli. Therm 1 6 U v. m. 68°; 3" n. m. 88° des nachts 
veel wind. Heden wederom een toertje gemaakt naar een 
ander punt van de soengei Noni, de oogst was weder niet 
groot, doch vond ik voor het eeist eene zonderlinge Orchidea 
Dendrobium timoreisse , Scheff , — met rolroudc bladeren en 
loodrecht nederhangeude stengen. Deze rivier is op sommige 
plaatsen door loodrecht ± 100' hooge rotswanden ingesloten, 
waartegen hier en daar Casuarinen voorkomen, welke ik lot 
dusverre nog weinig had aangetroffen. 

Des avonds kregen wij muziek van een paar ïimoreezen, mei 
viool en guilar, waarschijnlijk van Portugeeschc herkomst, 
daarbij kwam cene oude vrouw deftig uitgedoscht, hare dan- 
sen vertoonen , bij wijze van tandakken op de Javasche manier' 
doch zonder zang. 

Gisteren alweder een karbouw geslacht, waarvan heerlijke 
dengdeng bereid werd, na gezouten te zijn werd ze op eene 
para-para van 2' hoogte met vuur er onder en in de zon gedroogd. 
ze was in platte en vierkante stukken of reepen gesneden, 
zooals ze ook te Koepang bij bosjes, door de inlanders Ie, koop 
worden aangeboden. 

De versche dengdeng was overheerlijk, doch door hel lang- 
durig drogen in de zon ging die aangename smaak verloren 
en liet zich nu het beste smaken, als hard gebakken brood, 
zeer croquant en voedzaam; op reis is dergelijk vleesch, mits 
goed toebereid, zeer aan te bevelen. 



580 

Padi wordt hier in den regentijd ook op droge velden aan- 
geplant, en is zeer goed van smaak, ook niet bijzonder duur, 
doch te weinig om er handel in te kunnen drijven. Djagong 
is echter het hoofdvoedsel , door den gansenen Timor archipel 
en zeer goedkoop , de twee vruchten kostten een cent. 

De lucht blijft wegens de heerschende winden , nog steeds 
droog, zoodat wij bij eene warmte van 90° toch geen over- 
last hadden van sterke transpiratie; wij hadden echter de voor- 
zorg genomen, om onze paarden mede te nemen, om ons bij 
het stijgen op de terugreis behulpzaam te zijn. 

De bodem is ook hier door de felle droogte, overal waar 
vette aardlageu voorkomen, met wijde kloven geopend en daar 
deze droogte nog 5 a 4 maanden zal aanhouden, is het niet 
te verwonderen dat het plan ten rijk daaronder zwaar te lijden 
heeft en meestal een dor en treurig aanzien heeft; maar wel 
baart het verwondering dat sommige planten en hoornen er 
nog zoo welig uitzien en groeien en bloeien of ze aan niets 
gebrek hadden. De zware dauw die hier valt verkwikt het 
plantenrijk des nachts eenigermate van de felle hitte des daags. 
Hierbij komt ook in rekening dat de eene plantensoort beter 
tegen droogte bestand is dan de andere en dat sommigen met 
hare diepgaande wortels, altijd nog eenig vocht uit den on- 
dergrond kunnen opnemen. 

21 Juli. Therm 1 6 U v. m. 68°, 12 u 86°. 

Heden maakte ik een laatste uitstapje uit het bivouac van 
Nonbaun en wel terug op den weg die ons herwaarts geleid 
had, wijl ik daar eenige bloeiende planten gezien had, die ik 
wenschte te bezitten , maar omdat ik toen geene volgelingen bij 
mij had, niet kon inzamelen. Ik vond ze nu echter niet terug, 
daar ze te ver verwijderd waren, maar bekwam ze toch op onze 
terugreis en bevond toen dat het eene prachtige Clematis was, 
rijk met bloemen beladen, van welk geslacht ik reeds een paar 
soorten verzameld had. Langs de rivier van Nonbaun vond 
ik nog eenige orchideën, waaronder nu ook weder de zonder- 
linge Dendrobium timorense, waarvan ik vele planten voor 



581 

's Lnnds plantenUiin te Buitenzorg verzamelde, die daar ook 
io goeden staat zijn aangekomen. De rivier van Nonbauin 
was overal niet zware rotsblokken opgevuld, waaronder een 
paar van een paar roeden vierkant, die naast elkander lagen, 
waarvan het eene uit primitieve rots en het andere uit koraal- 
kalk bestond, welke laatste soort hier anders zeldzaam voor- 
kwam. Het verweerde gesteente heeft hier overal eene vette 
zwarte teelaarde gevormd , die op de weinig voorkomende vlak- 
ten verscheidene voeten diep ligt en zelfs aan de steile hellin- 
gen rijk genoeg is, om er met voordeel eene weelderige dja- 
gongoogst van te kunnen winnen. 

20 Juli. Therm 1 6 U v. ra. 68°. Des morgens half 8 U ver- 
trokken wij naar Tanini, het verblijf van Bakikooi, Fettor 
van Takaip , behoorende tot het rijk van groot Sonnebait, waar 
wij op den middag aankwamen. Hadden wij ons met het ver- 
zamelen van planten onder weg niet, zoolang opgehouden, dan 
hadden wij die reis wel iu 3 U kunnen volbrengen — zoodat ik 
den afstand op + 9 palen schat, ■ — hoewel de fatale weg niet 
gedoogt om veel haast te maken. Hoe meer wij den zetel 
van den Fettor naderden, hoe afschuwelijker het pad werd. 
Van Nonbaun daalden wij te voet % uur tot in de soengei 
Noni, aan de andere zijde ging het weder even steil opwaarts, 
waarom wij nu onze paarden bestegen, totdat wij een berg- 
rug bereikt hadden en toen weder aanhoudend dalende en 
klimmende over kleinere bergruggen, die de groote vallei in 
de lengte doorsneden en gedeeltelijk weder aanvulden, totdat 
wij den voet van het bergje Tanini bereikt hadden, doch nu 
begon het pad voor onze paarden bijna onbeklimbaar te wor- 
den. Dit traject voerde ons door een bergpas en scheen er 
door de natuur voor ingericht te zijn, om het verblijf van den 
Fettor ongenaakbaar te maken, niet alleen de steile en korte 
kronkelingen van den weg — waarbij men alle aandacht noodig 
bad om niet met de rotsen, hoornen en struiken in onaange- 
name kennismaking te komen, ook de bamboedoeri wilde ons 
maar niet verlaten, waartegen men vooral op zijne hoede moet 



382 

zijn — maakten het zoo moeiel ijk , maar nog was het pad 
even als die geheele bergstreek, met groole en kleine rolslee- 
nen bezaaid , zoodat de paarden geen rustpunt voor hunne 
voeten hadden ; (die steenen waren voldoende om een inland- 
«chen vijand af te weren, zoo men zich slechts regis en links 
in het kreupelhout verborg, ware niets gemakkelijker, dan den 
vijand te steenigen , daar men de sleenen overal slechts voor 
het oprapen had.) Door ze nu en dan eens Ie lalen uitrusten, 
brachten onze paardjes ons evenwel behouden naar boven, waar 
wij eene opene met gras begroeide hellende (vlakte) vonden , en 
waren wij nu genaderd lot den voet van den eigenlijken berg 
Tanini, op welks toppunt de Fettor Bakikooi zijn verblijf houdt. 
Hier beneden vonden wij een zoogenaamde langsi, beslaande 
in een gelijksoortige kraal als de inlandsche woningen doch 
van meer langwerpig ovalen vorm en rustende op slechts twee 
in het midden staande half vergane paaltjes, zoodal dit hok 
bij zware winden niel zonder gevaar betrokken kon worden. 
Wij hadden geene andere keus en schoten er ons zoo goed 
mogelijk in op, waarbij mijn veldbed mij alweder zeer van 
pas kwam. In dit fraaie gebouw logeert ook de keizer van 
Groot Sonnebait, als hij soms dezen koers uitkomt. Verder 
is het bestemd voor alle ^orname reizigers en kooplieden. 

Mijn gids liet nu twee geweerschoten lossen, om den Fettor 
van onze komst te verwittigen , wat hij trouwens reeds zeer 
goed wist, maar wat tot de gebruikelijke ceremoniën behoort. 
Het duurde niet lang of wij zagen den groolen man van uit 
zijn ooievaarsnest van de hoogte afdalen, om ons te verwel- 
kommen. Met den Fettor en mijn gids — die, hoewel Cbris- 
ten, toch de inlandsche adat volgde — geschiedde dit door 
vriendschappelijke aanraking en wrijving van beider respectieve 
neuzen. Bij gebrek aan iedere andere zitplaats, zetten wij 
ons op het gras neder, om wat te praten en eerst nadat ik 
hem op een stevigen borrel cognac getraeteerd had, verliet 
hij ons , doch kwam ons des avonds nogmaals bezoeken. Hij 



585 

liel mij ook een chineeschen stoel brengen, daar hij begrepen 
had, dat ik niet gewoon was plat op den bodem te zitten. 

Mijn gids verhaalde mij dat de Keizer van Grool Sonnebail 
zijn verblijf houdt te Nehfo en zijne drie Feltors wonen in 
drie verschillende districten, waar zij levens het gezag uil- 
oefenen en met de meeste inkomsten gaan strijken, als: Bakt- 
kooi van Takaip te Tanini, ()i Ma tan of Matang te Matang, 
Angkohnoh of Amakono te Kohnoh. 

Hel is zeer opvallend, dat in het westelijk gedeelte van de 
door ons bezochte streken — Fa toe Leo, Passi, Taijonan , 
Nonbaun, enz. meest alle berghellingen, met. Eücalyptus be- 
zet zijn , die men ten oosten van de soengei Noni slechts zel- 
den meer aantreft, maar treden daarvoor de Casuarinen in de 
plaats, die daar op dezelfde wijze, niet in dichte bossehen, 
maar op zekere afstanden van elkaar, gelijk boomgaarden, de 
taak van de Eücalyptus hebben overgenomen , zoodat ook hier 
de schrale grasbodem uit de verte reeds zichtbaar is. 

In de nabijheid van ons bivouac was een kerkhof, kenbaar 
aan opgehoopte steenen , waarmede de graven ruw bedekt waren: 
daarbij stonden 7 palen van + 7' hoogte , op elke paal was 
een doodshoofd, met eene pen door den schedel, geplaatst. 
Deze waren echter reeds van oude dagteekening, zonder kinne- 
bakken en tanden en daarbij nog zeer beschadigd, waarom ik 
geene moeite deed om er eenige van Ie verkrijgen, wal Baki- 
kooi mij wel niét zou geweigerd hebben, want men stelt geen 
prijs op die schedels, nadat de koppensnellers-ceremoniën er 
mede volbracht zijn; van daar dan ook dal zij die koppen niet 
in huis bewaren , maar ze nog eene eerlijke rustplaats naasl 
hunne eigene graven inruimen. 

25 Juli. Therm' 6" v. m. 70°, 12» 80°, 4» n. m. 76°. Des 
morgens 7 U beklommen wij de steile rots van Tanini, om den 
Fettor een bezoek Ie brengen. Een smal, sleil en kronkelend 
paadje voerde ons over 'steengruis en rotsblokken , naar de 
woningen van den Feltor Bakikooi; wij vonden hem met 
eenige zijner Hovelingen, op platte steenen, voor zijne wo- 



384 

ning in de schaduw van een grooten wilden vijgeboom zitten. 
Bij onze komst rezen zij allen op, om beleefd te groeten en 
handjes te geven en tot mijne verwondering vond ik hier nog 
een tweeden stoel voor mij gereed. Na eenig discours, ver- 
zocht ik hem om rond te mogen wandelen , wat mij bereid- 
willig werd toegestaan. Er stonden meerdere huizen op ver- 
schillende terrassen, die aan de lagere zijden met steenen waren 
opgehoogd, om een plateau voor iedere woning te kunnen 
vormen. Ik dacht het hoogste punt, waarop ook eene wo- 
ning stond, te gaan bezichtigen, doch mijn gids vertelde 
mij dat dit »pamali" was. Ik zag er gaarne van af, wijl het 
er even als bij de overige gebouwen, weinig interessant uitzag 
en allen den bijen korf- vorm hadden. Deze berg was overigens 
geheel met bosch begroeid, zoodat men van beneden weinig 
van de huizen te zien kreeg. 

Na met mijn gids nog eens den knapzak (sakkoe) gewisseld 
te hebben en nadat hij eene cigaar van mij geaccepteerd had, — 
hij verzocht soms wel eens om er twee te mogen nemen — 
namen wij afscheid. 

Bij het afstijgen vond ik nog eenige vreemde planten voor het 
berbarium , en zaden ter voortplanting. Daarna maakten wij 
eene wandeling rondom den ten westen tegenover Tanini ge- 
legen berg, Naim nassi, welke beiden den pas vormen waarin 
wij Avaren opgestegen. De Naim nassi is geheel met rolstee- 
nen bedekt, hoedanige ik nergens elders aantrof. Aanvanke- 
lijk moesten wij steil klimmen en daarna even steil weder 
afdalen. 

Ik vond nog eenige vreemde en vele bekende planten van 
Java en elders, zoodat ik een goeden oogst te huis bracht. 
Toen wij om ll u onzen kringloop volbracht hadden, kregen 
wij al spoedig weder eene visite van Baktkooi. Hij bracht ons 
een geschenk van gedroogd karbouwen vleesch (dengdeng) en 
ik onthaalde hem weder op een glas cognac, die hem beter 
scheen te bevallen dan de arak die hij gewoon is dagelijks te 
gebruiken. 



385 

24 Juli des morgens half zeven uur verlieten wij Tanini om 
naar Nonbaun terug te keeren; aanvankelijk te voet om onze 
paarden te sparen, en na 40 minuten waren wij over de rol- 
lende steenen en steile rotsen, uit die afgrijslijke pas, tot 
aan de daar beneden, thans niet stroomende rivier, genaderd, 
waar wij weder te paard stegen en denzelfden weg volgden, 
dien wij gekomen waren. Onder weg hielden wij ons slechts 
een half uur op, zoodat wij om balf elf uur te Nonbaun arri- 
veerden. De Fettor Bakikooi had plan om ons te vergezellen, 
doch daar wij naar zijn zin te vroeg vertrokken , volgde hij 
eerst eenige uren later. 

26 Juli. Wij vertrokken heden langs een anderen weg dan 
wij gekomen waren, en scheidden van den heer de Srso, die 
de oude route volgde , om spoediger te huis te komen. Voor 
ons vertrek van Nonbaun ontvingen wij nog het bericht dat er 
door het volk van Amfoeang — uit wraak tegen den Fettor 
van Takaip — een man in onze nabijheid doodgeschoten en 
zijn kop gesneld was, welk lot ook onlangs eene vrouw getrof- 
fen had, waarbij men des morgens nog en levend zuigend 
kind vond. Ons pad leidde nu Uaar Seh-ied , waar wij eerst 
des namiddags 4u aankwamen; wij hadden op den middag 
slechts een uur halt gehouden, doch onze wegwijzers hadden 
ons een verkeerden weg gewezen, zoodat wij een paai* paal 
op onzen weg moesten terug keeren, waaruil ik opmaakte 
dat wij niet meer dan 12 paal op den regten weg badden af- 
gelegd. De weg was als naar gewoonte vreeselijk slecht. De 
vegetatie was vrij eentoonig en bestond meestal uit kajoe poe- 
tibosschen op de schrale, en uit bamboedoeribosschen op de 
vruchtbaardere hellende gronden , wijl deze laalst.cn op de meer 
effene terreinen, voor de kuituur plaats hebben moeten maken, 
ofschoon die velden tbans veelal weder verlaten en met struik- 
gewas en onkruid bedekt zijn : slechts enkele gewassen blijven 
na het verlaten der tuinen over; b. v. pisang, papaija , laboe, 
kladie, obie's, Bottoh = Phaseolus lu.natis — enz. De vrurht- 
baarheid van den bodem , blijkt ten duidelijkste door dat bin- 

deel xxxiv. 25 



586 

tien een half jaar geplant , geoogst en alles weder in eene wil- 
dernis herschapen is. De kuituur begint eerst met de doorko- 
mende regens, soms reeds in November, doch meestal eerst 
in December en duurt hoogstens vijf maanden, tot Maart of 
April. 

De oogst aan planten was zeer gering, daar de streek weinig 
verscheidenheid opleverde en veel van het voorhandene reeds 
geoogst was. 

Wij passeerden onder anderen ook het gebergte, waar in 
1857, oorlog tegen den hiervoren meermalen vermelden Baki- 
kooi gevoerd werd. De man had daarvan nog eene aardige 
herinnering overgehouden: hij vertelde dat, wanneer hij te dien 
tijde de trompet had hooren blazen, hij daaruit had opgemaakt, 
dat dit een teeken was, dat men hem ontdekt had en de trom- 
pet dan geroepen had »itoe dia, itoe dia", wat voor hem een 
teeken was geweest om van standplaats te verwisselen en dan 
weder naar een ander gebergte de vlucht te nemen. Deze berg- 
reeks «Fatoe binehnoh" was meestal uit koraalblokken samen- 
gesteld, ofschoon die koraalsoort beneden dat gebergte spaarzaam 
werd aangetroffen. 

Te Seh-ied, welke plaats uit één bewoond en één in aan- 
bouw zijnd huis bestond, vonden wij geene tangsi, zoodat ons 
gevolg zich onder een grooten boom moest legeren; wij vonden 
echter een afdakje aan de eenige woning, waaronder wij ten 
minste onder dak kwamen en ik zelfs mijn veldbed kon 
opslaan. Onze arme paarden vonden er echter niet eens gras, 
om hunne magen te vullen en hunne krachten te herstellen. 

Hier woonde evenwel een Radja met titel van Djèral (Gene- 
raal?) — zooals er in den omtrek nog meerderen met dien titel, 
onder het bestuur van Takaip, voorkwamen. Zij hebben het 
gezag over eenige omliggende woningen, die men geene kam- 
pongs noemen mag. 

De vriendelijke Radja genaamd Ismout — het woord Radja 
beteekend bij lange na niet altijd vorst, maar kan hier eenig- 
zins met het Javasche Radhen vergeleken worden — was zeer 



587 

beleefd en begon met. te zeggen, dat het hem zeer aangenaam 
was, iemand van de Mai-Bapa-Kompanie, voor wie hij de 
meeste achting had, hij zich te mogen ontvangen en hoe arm 
hij ook was, wilde hij toch zijne gehechtheid aan de kompanie 
toonen, door mij een paar schijfjes was aan te bieden: hij be- 
zorgde mij een paar stuks groote Calabassen (Bongko) waarnaar 
ik reeds lang Ie vergeefs gezocht bad en die men algemeen 
als schotels, drinknappen, waterkruiken, enz. ziet gebruiken, 
hoewel de vrucht niet eetbaar is. Hij bood mij ook een var- 
ken en eene kip ten geschenke, waarvoor ik echter bedankte, 
maar mijn gids dacht er anders over en wilde ten minsten 
van het varken geen afstand doen, zoodat dit dier geslacht en 
in een groot vlammend vuur geschroeid werd, om er de haren 
af te branden, waarna het in stukken gesneden en verdeeld 
werd: wij brachten hier den nacht rustig door, niettegenstaan- 
de er een sterke wind woei. 

Den 27 Juli des morgens 7 U vertrokken wij naar Kèlali en 
was de Radja van Seh-ied zoo vriendelijk om zelf onze weg- 
wijzer door het bosch te zijn, want van een pad was bier 
zelfs geen sprake. Eenmaal moest er zelfs eene karbouwkraal 
van bamboe worden afgebroken, om te kunnen passeeren. Om 
10 u waren wij reeds ter bestemder plaatse, waar wij een anderen 
Djèral, genaamd Naismout vonden, die even beleefd was als 
de vorige en ons eene welingelichte tangsi tot logies aanbood. 
De afstand van Seh-ied tot hier zal ± 8 palen bedragen, mijn 
oogst aan planten was zeer gering. 

Er waren hier te Kèlali verscheidene woningen, ook vonden 
wij er een chinees, die met eene dochter van den Djèral ge- 
trouwd was, niettegenstaande hij te Koepang ook eene chine- 
sche vrouw had, doch wijl hij hier slechts ten handel kwam, 
meende hij zich deze kleine afwijking van den chinescben adat 
wel te mogen veroorloven , te meer wijl het trouwen hier zoo 
goedkoop is; voor /' 5 kan men er een fatsoenlijk huwelijk 
sluiten, en voor den gemeenen man is het nog goedkooper. 



588 

Omtrent 4 d des namiddags kregen wij eene zachte regenbui, 
die in dezen tijd voor de bevolking recht welkom was. 

In deze streken komen in de kampongs ook vele en delicieuse 
oranjeappelen voor, waarvan de rechte tijd evenwel verstreken 
Was , maar toch kreeg ik nog een paar dozijn ten geschenke. 

Des avonds 8 U liet de Radja van Kélali belet vragen, voor 
hem en zijne vrouw en den Radja van Seh-ied, die ons tot 
hiertoe gevolgd was, wat hun met genoegen werd toegestaan. 
Eerst na verloop van een uur verschenen zij; met een kelder- 
flesch arak om ons te tracteeren, zij schenen echter verlegen 
om er mede voor den dag te komen, doch ik voorkwam hun 
door hun op een glaasje Genever te onthalen, wat door de 
dame en de Radjah's gaarne geaccepteerd werd. Hun gevolg 
begon alvast van de mede gebragte arak een proefje te nemen, 
die in bierglazen, van den een tot den anderen rond ging. 
Gelukkig werd ik tegen 10 u weder van dit vrolijke gezelschap 
ontslagen, daar mijn gids hun te verstaan gaf, dat wij rust 
noodig hadden. Had ik arak genoeg in vcorraad gehad, dan 
had ik hun zeker wel den ganschen nacht aan de praat kun- 
nen houden, want zij zijn dolle liefhebbers van dit opwekken- 
de middel, hoewel ik nergens dronken lieden ontmoette. De 
Radjah's spraken vrij goed maleisch, doch de dame verstond 
er geen woord van , zij was ook niet jong meer en kon ook 
niet op schoonheid bogen. 

Er was weder een varken geslacht en drie kippen werden 
aangeboden, men beweerde dat dit adat was, waarvan men 
niet mocht afwijken, doch het geschiedt op last der Hoofden en 
ten koste van den kleinen man; wat zouden die lieden zich 
gelukkig achten zoo zij direct onder de Mai-Rapa-Kompanie ge- 
steld werden, in stede van onder hunne eigene Hoofden. 

In de nabijheid dezer werkelijke kampong, bevond zich ook 
eene frissche bron van helder drinkwater — wat zelden voor- 
komt — waarbij ik een heerlijk bad nemen kon. 

28 Juli om 7 U vertrokken wij weder van Kèlali en arriveer- 
den des namiddags 2 U te Pariti, na ons een uur aan de rivier 



589 

Noëil-wanles te hebben opgehouden en daar wij verder geen 
haas! maakten, reken ik dat wij niet meer dan 15 palen hadden 
afgelegd. De weg was aanvankelijk weder afschuwelijk langs 
hooge rotsgevaarten en doornige hamhoe, met rolsteenen bezaaid, 
steeds klimmende en dalende tot aan de rivier Noëil-wanteet, 
waarvan de bodem geheel met eene dikke laag rolsteenen van 
verschillende grootte bedekt was, en de breede bedding nog 
slechts een geringen stroom water afvoerde. Onze weg leidde 
nu over de drooge bedding der rivier , wal voor onze paar- 
den zeer vermoeiend was, doch er was geene andere keuze, 
totdat wij eindelijk op den rechter oever een paadje vonden, 
wat evenwel dikwijls door de in de rivier uitstekende steile 
rotsen, onderbroken werd. Deze rotslagen hadden eene helling 
van + 45° ieder ter dikte van ± een voet. Andere meer 
vlakke en zandige gedeelten van den rivierkant waren met 
zeer hooge en slanke Casuarinen bezet. Eindelijk staken wij 
de rivier over naar de linkerzijde, beklommen toen nogmaals 
eene aanzienlijke hoogte, waarop weder kajoe-poetiboomen voor- 
kwamen en toen weder afdalende, bereikten wij eindelijk de 
vlakte van Pariti, waar wij vele verlatene kultuurvelden — 
thans met gras en veelal met de stinkende HyrTis suaveolens 
begroeid, aantroffen, totdat zich ook de Gawangboomen begon- 
nen te vertoonen , die langzamerhand in geheel dichte (bosschen 
overgingen. De Lontar kwam hier nog slechts spaarzaam voor 
maar de lastige Zizyphus (pohon kom) waarvan wij eenigen 
tijd verschoond waren gebleven, kwam hier de doornige bam- 
boedoeri weder gedeeltelijk vervangen. 

Te Pariti vond ik bij den Posthouder Holliger weder goed 
logies en plaats genoeg om mijn veldbed onder de galleri] op 
te kunnen slaan: de heer Holliger gaf zich meer moeite dan 
noodig was, om mij goed te onthalen. 

Onze landreis was hiermede ten einde en wachtte ik slechts 
op de havensloep van Koepang, om ons met onze bagage af 
te halen. 

29 Juli. Te Pariti is een Posthouder geplaatst en zijn daar 



590 

ook eene inlandsche school en verder verspreide woningen 
vooral van Rottehneezen, die in der tijd derwaarts gedirigeerd 
zijn. Het geheel heeft wel iets van een kampement , hier 
en daar ziet men verspreide woningen met kleine tuintjes er 
om heen. Deze woningen zijn niet rond, zooals van de 
bergbewoners maar van gewonen langwerpig-vierkanten vorm. 
Zij zijn niet ver van het strand verwijderd, maar daarvan 
slechts door een vlek rijstvelden gescheiden , waarna men over 
eene lange brug, van dunne slieten en de bladstelen der Gawang, 
boven den modder gelegd, zoo ver naar buiten kan komen, 
dat men bij hoogwater in de prauwen stappen kan. 

De strandvegetatie bestaat hier hoofdzakelijk uit twee boom- 
soorten, als Soïviveratia alba en Avicenma alba, beiden worden 
Kowak genoemd. Rhizophoren kwamen in deze streek niet voor. 

Hoewel de bodem hier bizonder voor de sawahkultuur ge- 
schikt is, wordt er toch weinig werk van gemaakt, ook heelt 
men hier wel eens last van de ratten, die soms den gansenen 
oogst vernielen. De karbouwen die deze sawah's bewerken 
of liever betrappen, komen meestal ver uit het binnenland en 
krijgen hunne eigenaars een gedeelte van den oogst als beloo- 
ning. Deze gronden zijn vet en kleiachtig en zouden zeer 
goed met de ploeg kunnen bewerkt worden. 

Wij maakten eene wandeling naar het strand en de daar- 
aan grenzende moerassige bosschen, waarin zelfs kolossale boomen 
voorkomen; ook vindt men er geheele bosschen van hoog op- 
schietende Melaleuca minor — hier Gellang doch elders Gelam 
of Glam genoemd, voorts Lumnitzera coccinea (Tenneh) welke 
laatste bij voorkeur voor paalwerk in zee gebezigd wordt, ook 
de Gellang wordt voor den huisbouw gebezigd, hoewel men 
daarvoor het Kajoe inéra: Pterocarpus, wat zeer deugdzaam 
is, prefereert. Het wordt veel van Poeloe Samauw verkregen. 

Wij verzamelden hier nog verscheidene planten, waaronder 
ook eene fraaie Dendrobium met witte bloemen, welks stengen 
de inlanders bij het verwen hunner kleedjes gebruiken. Aan 
het strand groeien voornamelijk Dili varia ilicifolia, Thypha 



391 

javanica sa Laktenas-cLERODEiXDRON lnerme, Gramineën, Gypera- 
ceën enz. 

De Gawangpalm : Gorypha Gebanga — op Java Gebang 
is naast de Lontar en Kalapa, wel de nuttigste Palmboom op 
Timor en komt zoo menigvuldig voor, dat soms geheele bos- 
schen van nog jonge boomen, van al hunne bladeren worden 
ontdaan, welke na verdroogd te zijn, worden verbrand, 
om daartusschen djagong of padi te planten , waardoor 
de Gawang niet afsterft, daar het vuur aan den ruwen, met 
de bladscheden bedekten stam, geen nadeel doet, zoodat zich 
spoedig weder nieuwe bladeren ontwikkelen. Deze jonge bla- 
deren — pohloh — en die van zoovele andere duizenden, die men 
slechts voor het kappen heeft, zouden eene uitmuntende pa- 
pierstof opleveren; zoo men die bladeren slechts van hunne 
lidi's — houtachtige ribben — ontdeed , zouden ze gemakkelijk 
zamengeperst kunnen worden , om bij de verzending naar Eu- 
ropa geen te groot volume te beslaan ; welligt zou men ook de 
nog ongeopende bladeren — hoedanigen hier bedoeld worden — 
in hun geheel kunnen drogen en zoo stevig verpakt, kunnen 
verzenden. Op Java waar deze hoorn in sommige moerassige 
streken ook , doch niet overvloedig voorkomt , worden de bla 
deren en bladstengen almede benuttigd, zoo tot het inpakken 
van suiker in de krandjang's, als de jonge bladen tot het be- 
reiden van touwwerk, zeilen voor prauwen, matten, enz. en 
bekend onder den naam van Agalgaren. 

De Gawang wordt nooit aangeplant, maar vermenigvuldigt 
zich zoo gemakkelijk dat dit ook onnoodig schijnt en toch zijn 
er vele streken, waar ze niet voorkomen en met gemak kon- 
den geplant worden. Deze hoorn draagt slechts eenmaal vruch- 
ten in zijne kroon, waarna hij afsterft, doch het getal dier 
vruchten bedraagt duizenden, die rijp geworden afvallen, be- 
halve die welke vooraf door de wilde duiven. Pergam en 
Poenai, genuttigd zijn , welke de harde ronde pitten, ter grootte 
van een geweerkogel, niet verteren, maar overal weder uit- 
werpen , waar ze onder gunstige omstandigheden ontkiemen 
en tot boomen opgroeien; maar de meeste vruchten vallen af 



592 

en verspreiden zich in den omtrek van den moederboom, waar 
zij in den regentijd ontkiemen en met hare kiem in de aarde 
dringen, waaruit men dan een volgend jaar de eerste bladeren 
ziet te voorschijn komen. 

Waar geene genoegzame Lontar-boomen , voor de bereiding 
van suiker voorkomen, tapt men ook wel eens toewak uit den 
Gawangboom, waartoe men een gat in den stam boort, waarin 
een goed sluitende bamboepijp, in schuine neergaande richting 
bevestigd wordt, waardoor het sap uit het merg druipt, doch 
de boom sterft daarna spoedig; ook is dit sap van mindere 
kwaliteit als dat van den Lontarboom en zou het gebruik daar- 
van zelfs schadelijk voor de gezondheid zijn ; men kan er even- 
wel ook suiker van koken. 

De rijpe boomen — dat is voor dat ze gaan bloeien — wor- 
den even als bij den sagoeboom gekapt om er ook eene min- 
dere soort sagoe uit te bereiden, dan wel aan mooten gekapt 
en gespleten, om tot voedsel der varkens te dienen. 

Van de jonge bladstengen wordt, nadat ze week geklopt 
zijn , eene grove harde touwsoort vervaardigd : talie fijpa. De 
oudere bladstengen — behbah — worden gespleten en voor 
paggers, dakribben enz. gebezigd: de oudere bladeren worden 
ook gespleten en tot dakbedekking als atap gebruikt, als ze 
al te oud zijn worden ze echter te broos. Van de jonge nog 
niet ontplooide bladeren — Pohloh — wordt een zeer goed 
touw vervaardigd — talie hijknak of Agalgaren. De bereiding 
dezer bladeren geschiedt volgenderwijs, ze worden van de hout- 
achtige ribben — lidi — ontdaan en over-langs in tweeën ver- 
deeld, daarna tusschen een veerkrachtige bamboe doorgetrok- 
ken — afwisselend het eene en het andere einde in de hand 
houdende, waardoor het blad, waarvan de onder- en boven-op- 
pervlakte uit verschillende bestanddeelen of lagen bestaat . die 
twee lagen los laat, zoodat ze, nadat men ze vooraf nog eens 
tusschen de vingers heeft laten doorgaan , gemakkelijk kunnen 
gescheiden worden : de eene laag : de bovenzijde bevat geen 
vezelstof en wordt weg geworpen — voor papierstof zou ze 



595 

echter wel bruikbaar zijn — de andere zijde bestaat echter 
geheel uit vezelstof en is na droging direct als bindmiddel en 
tot het vervaardigen van touwwerk, matten, zeilen ot' zakken, 
geschikt. 

De Gossypium indicum (katoen- of pohoon banang) stond hier 
prachtig, vooral daar waar de tuinen goed onderhouden en 
van onkruid gezuiverd waren. Deze kuituur verdient voorden 
gansenen Timor-archipel de meeste aanbeveling, daar de kalk- 
achtige gronden , daarvoor bijzonder geschikt zijn en de lang- 
durige droogte daarvoor levens zeer gunstig mag geacht wor- 
den. De eenjarige Gossypium indicum, die elders na den oogst 
afsterft, is hier overjarig en loopt na afgekapt te zijn, het 
velgende jaar weder uit, om op nieuw vruchten te dragen; 
ook de New-Orleans en Fernambuc-katoen komen hier zeer 
goed vooruit. 

Tabak groeit hier ook weelderig, zelfs half verwilderd. 

Padie wordt hooger op, ook op droge velden (ladangs) geplant 
en slaagt zeer goed; men plant deze liefst op meer gelijke 
gronden , terwijl men voor djagong de hellende gronden pre- 
fereert. 

Men plant hier ook eene bizondere soort djagong «djagong 
boenga" genaamd. De korrels worden goed gedroogd en in 
eene heete pan geworpen, die vooraf met een weinig gesmol- 
ten boter, olie of vet, bestreken is, — men kan er ook een 
weinig zout bijvoegen, om ze smakelijker te maken — en ge- 
stadig omgeroerd, waarna de korrels opzwellen en van het 
harde steenachtige in een zacht meel overgaan; zij krijgen 
daarbij de grootte van een Moerbei of ïjêrêneh en gelijken 
wel iets op groote dubbele malatiknoppen. Wil men ze met 
suiker bereiden, dan wordt er op nieuw eenigzins lijvige siroop 
in de warme pan gedaan, en de reeds toebereide djagong- 
boenga daarin geworpen en omgeroerd ; op beide wijzen geeft 
het een aangenaam en smakelijk gerecht, zoowel voor een 
maaltijd, als om bij de thee te gebruiken. 



394 

Even als overal in de binnenlanden vindt men hier karhou- 
wen, paarden, varkens, geiten, schapen, kippen, enz. 

30 Juli. Des namiddags 2 U gingen wij aan boord van de 
havensloep, welke de Resident op mijn verzoek gezonden had 
om mij af te halen. Door tegenwind avanceerden wij weinig, 
tot dat ook die wind ons verliet, er schoot dus niets anders 
over dan met roeien den weg te vervolgen, maar daarin had- 
den de luie roeiers weinig trek. De havenmeester Draier had 
slechts 3 matrozen en een djoeroe moedie verstrekt, wat veel 
te weinig was voor de zware havensloep. De 4 e matroos die tot 
de sloep behoorde had hij gehouden om het havenlicht te 
ontsteken. — Wij kregen hen evenwel aan het roeien, doch 
dit ging zoo ellendig, dat wij niet voor des avonds 9 U te 
Koepang aankwamen, terwijl men dit traject anders in een 
uur of vier aflegt. 

5 Augustus. Na een en ander voor de verzending naar Java, 
gereed gemaakt te hebben, maakte ik weder uitstapjes — in 
afwachting der boot die den 10 en verwacht werd — naar Oba, 
Pohla, enz. het eerste een paar palen en het tweede db 4 
palen van de Hoofdplaats verwijderd. Op beide plaatsen ont- 
springen schoone bronnen van kristalhelder drinkwater met 
kracht en aanzienlijke hoeveelheid uit den bodem op, waarmede 
eenige sawah's geinundeerd worden. Te Oba is eene badplaats 
aangelegd, die door den resident Humme veel is verbeterd en 
verfraaid en alwaar de ingezetenen van Koepang wel eens een 
frisch bad gaan nemen. Men vindt daar ook eenige groente- 
tuintjes van inlanders — wijl men daar nooit gebrek aan water 
heeft — die hunne producten te Koepang aan de Europeanen 
en Chineezen verkoopen. 

Daar deze uitstapjes zich wel eens wat ver uitstrekten, nam 
ik nu en dan een rijpaard mede, om daarmede huiswaarts te 
keeren; de oogst was dan ook na het reeds vroeger verza- 
melde, betrekkelijk veel minder, maar toch keerde ik nooit 
ledig terug. 

Te Pohla vond ik den Radja in de nabijheid der bron onder 



595 

het geboomte zitten, en noodigde hij mij uit om naast hem 
plaats te nemen , waartoe hij bij een hier wonenden Chinees 
een stoel liel halen, zoodat wij op ons gemak spreken konden 
over de nabij ons te veld staande padie op sawah's, en eene 
menigte kelderflesschen gevuld met Laroe, die vlak voor ons 
stonden en door een Chinees — die zich hier ook al eene vrouw 
had aangeschaft — aan de voorbijgangers verkocht werden. En 
daar deze plaats aau den weg naar Amarassi ligt, is hier nog 
al veel passage en vertier: ook vooral omdat men gaarne bij 
eene bron of rivier uitrust. 

6 Augustus steeg ik weder te paard, om mijn ouden gids 
Hendrik Topitoe, die eenige palen van de Hoofdplaats woont, 
te gaan bezoeken. De weg liep aanvankelijk langs het strand 
om de west, tegenover Poeloe Samauw en verder landwaarts 
ïn over een voetpad dat bijna geheel uit uitgespoelde koraal- 
rotsen bestond, zoodat mijn paard er soms tusschen bekneld 
geraakte. Er groeide weinig anders dan de vervelende Hyptis 
sueveolens, die zijnen weiriekenden naam weinig eer aandoet, 
en de lastige Zizyphus Jujuba, later nog vermengd met eene 
horribele Caesalpinia en ander struikgewas en klein geboomte. 
Eindelijk verdween de koraal hier en daar om voor groole 
Tamarinde- en andere hoornen plaats te maken, tot dat ik op 
eèn kalkachtigen heuvel de steenen woning van mijn vriend 
Topitoe bereikte, die hoewel een echte Timorees, en christen, 
loch vrij wat fatsoenlijker woonde dan de grootste vorst in het 
binnenland, waar van steenen gebouwen geen sprake is. Hij 
is echter ook meer beschaafd, behoort tot de Radjah's zonder 
land en de Keizer van Klein Sonnebait is met zijne dochter ge- 
huwd; hij dient het Gouvernement als tolk voor de Timoree- 
sche taal en heeft voor zijne goede diensten, zelfs eene groole 
zilveren plaat niet inscriptie ontvangen, waarmede hij bij ofli- 
ciele gelegenheden niet weinig pronkt. Hij is bij de Euro- 
peanen algemeen bekend en bemind. Op onze reis naar Ta- 
kaip heeft hij mij vele diensten bewezen. Na bij hem ont- 
beten te hebben, keerde ik langs eenen anderen en beteren 



396 

weg huiswaarts. Op de kale hoogten, waar het gras bijna ge- 
heel verdroogd was, had ik prachtige gezichten over de omliggende 
lagere golvende streken, en in de valleijen, waar hier en daar 
sawah's met rijpende padie en andere vruchtbare groepen van 
Kalapa, Pinang en andere hoornen, welke er als oase's in de 
dorre woestijn uitzagen, voorkwamen. 

16 Augustus. Na lang wachten kwam eindelijk beden de 
mailboot William Mackinnon, kapt. Buijs, ter reede van Koe- 
pang en daar die den 17 n weder vertrok haastte ik mij om 
mijne verzamelingen naar boord te dirigeeren. 

Den 18 en Augustus vertrok ik, weder vergezeld van Hendrik 
Topitoe, naar Baun in het Kijk van Amerassi, wat ±18 pa- 
len van Koepang zal verwijderd zijn en waar wij des namid- 
dags 4 U aankwamen. 

Daar het gras te Koepang moeijelijk en duur te bekomen 
was, had ik mijne paarden — ik had er te Pariti nog een aan- 
gekocht — met de Mackinnon naar Java gezonden, zoodat ik 
nu een paard huren moest, waarbij ik evenwil de ondervinding 
opdeed dat hier zoowel slechte als goede paarden voorkomen, 
wij waren nog slechts halverwege tot de rivier Noh-ehl-tjinas 
genaderd, waar wij om ll u aankwamen, en halt hielden, toen 
mijn paardje het afgelegd had; gelukkig vonden wij hier een 
vriendelijk Hoofd — Tamoekoe — genaamd Nai-manoes, die de 
beleefdheid had mij een ander paard voor de verdere reis aan 
te bieden, waarvan ik dankbaar gebruik maakte. 

Tot aan de rivier Noh-ehl-Tjinas was het terrein meestal als 
bezaaid en bevloerd met koraalrotsen, waartusschen echter 
toch nog djagong en andere kultuurplauten met goed gevol 
aangeplant worden. De losse koraalblokken worden op elkaai 
gestapeld en tot ommuring der tuinen gebezigd; deze murei 
zijn rfc drie voet hoog en een a twee voet dik en hoewel d( 
blokken slechts los op elkaar gestapeld worden, grijpen ze tocl 
zoo vast in elkaar, dat het vee geen kans ziet ze omver te stoo- 
ten; men belegt ze trouwens ook wel eens met de doornige takkei 
van Zizyphus Jujuba, waarvoor de dieren evenveel respect heb- 



597 

ben als de menschen. Ook tot losse ommuring van karbouw- 
kralen, wordt deze koraal veelal gebezigd en dan meestal in 
cirkel*- of ovaalvorm. 

Na de rivier Noh-ehl-Tjinas gepasseerd te zijn, krijgt het 
terrein een geheel ander aanzien, de koraalvelden gaan hier in 
grasvlakten over, die echter alweder uit verschillende grond- 
soorten bestaan. Men ziet er aangespoelde gronden, die den 
laag gelegen bodem hebben aangevuld, witte, roode en vette 
kleigronden, schaarsch begroeid met Zizyphus Jujuba en ander 
geboomte en bedekt met half verdroogd en kort afgeweid gras. 
De witte krijtachtige gronden zijn de hoogst gelegene en de 
schraalste; de neerdalende heilingen zijn iets vruchtbaarderen 
komen dan ook, evenals de meer vruchtbare gelijke gronden, 
van tijd tot tijd in kult uur. 

Eindelijk komt men aan een smallen, minstens 500' steil 
afdalenden bergrug, waar men zeer op zijne hoede moet zijn, 
om niet in een van de vele kuilen — door inzakking van 
den bodem ontstaan — die zich open naast het pad voordoen, 
met paard en al neer te storten, terwijl men soms rechts en 
links in een steilen afgrond nederblikt. 

Deze verzakkingen in den witten krijtachtigen bodem ont- 
staan in den regentijd wanneer de aarde met veel regenwater 
verzadigd is, doch er moeten zich beneden in den bodem vele 
holten bevinden, waardoor het inzakken mogelijk wordt. 

Deze winderige bergstreek »Ikan footih" genaamd, is geheel 
met Casuarinen begroeid. Hier zouden, volgens mijn gids, ook 
de drie rijken, Koepang, Amarassi en Amabi aan elkaar gren- 
zen. Zij daalt aan de zuidzijde, misschien wel 1000' steil in 
een diep, geheel met bosch bezet ravijn af, waarvan waai*' 
schijnlijk de rivieren Noikas moeti en Ehtoe-wéoet, die aan de 
zuidkust uitmonden, haar water te danken hebben. 

Verder tot Baun wisselt het terrein nog steeds af mei slem- 
achtig hellende en vlakke meer vruchtbare gronden, met gras 
en min of meer met geboomte en struikgewas bezet. 



398 

Baun, waar de Postliouder woont en ook de laatst overlede- 
ne Radja van Amarassi zijn verblijf hield, zou volgens den ge- 
neesheer de Jong 885' boven de zee verheven zijn. Bij den 
Postliouder Ehrich vond ik goed logies en had daar alle gele- 
genheid om de vele onder weg verzamelde planten te verzorgen. 

Er is hier ook eene inlandsche school, die echter weinig be- 
zocht wordt, misschien omdat de woningen der inlanders zoo 
verspreid zijn; op deze zoogenaamde Hoofdplaats staan slechts 
enkele woningen. Er is ook een heerlijk bad van stroomend 
water, doch jammer dat men zoo steil afdalen moet om het te 
bereiken. 

De Radjah die voor 1| jaar overleden was, stond nog steeds 
gekist in zijne vroegere woning en werd bewaakt en beweend 
door 4 zijner Vrouwen. De kist waarin het lijk van den Ra- 
djah besloten was, begon er zeer wrak uit te zien, wijl men 
in deze streken het zachtste en slechtste hout, b. v. van ka- 
pok, voor dood, kisten bezigt. De reden dat de man zoolang 
boven aarde stond , scheen in gebrek aan het noodige voor eene 
vorstelijke begrafenis, te bestaan. Intusschen hoorden wij 's 
morgens en 's avonds en ook na ons bezoek aan de kist, steeds 
een jammerlijk gehuil en geween door de vrouwen aanheffen, 
wat na 1| jaar, nog even hartroerend scheen, als in den aan- 
vang, doch misschien was men er nu zoo aan gewoon geraakt, 
dat men niet beter wist of het behoorde zoo. 

De jonge nieuw benoemde Radjah, een gewezen bediende 
van den heer Ehrich, had zich elders gevestigd en viel alles 
behalve in den smaak der inwoners van Amarassi. 

19 Augustus. Therm r 6» v. m. 72°, 12' m. 78°. 

Met den Postliouder Ehrich maakte ik een uitstapje, met 
het doel om het zuiderstrand te bezoeken , wat volgens den 
heer Ehricit slechts 3 palen zou verwijderd zijn ; doch de 
ondervinding leerde ons dat het minstens 6 palen moest zijn. 
Onze wegwijzer bracht ons wel in de nabijheid van het strand, 
maar scheen, wegens daarvoorliggende moerassen, de kust niet 
te kunnen naderen en sloeg toen weder landwaarts in naar 



599 

de woning van Oi-temoesoe, een voorvechter »Meo" van het 
land. Intusschen was het 12 u geworden, toen wij die woning 
bereikten en daar wij gedacht hadden tegen den middag weder 
te huis te zijn, hadden wij geen eten medegenomen, üe Fet- 
tor van het district Toofo, dien wij onderweg bezocht hadden, 
en die ons met alle geweld op arak wilde tracteeren, was 
ons gevolgd en liet hier nu wat rijst koken en in der 
haast een varken slachten, aan stukken snijden, koken en op 
tafel brengen. Een voorsnijder pakte die stukken met zijne 
handen heel en sneed ze voor ons alleen in kleine stukjes, zoo- 
dat wij slechts te kauwen en te slikken hadden; behalve dit 
was er nog eene soort van soep gefabriceerd, die wij als saus 
bij de rijst aten, waarbij de aardige Timoreesche lepels van 
kalapadop, uitmuntend dienst bewezen. 

Daar wij natuurlijk eenigen tijd naar ons maal moesten wach- 
ten — vooral omdat de varkens er de lucht van gekregen had- 
den dat zij hel slachtoffer dezer geschiedenis zouden worden 
en zich zelfs met de fraaiste namen, waarmede men hun op- 
riep als Anah-anah (Anak-anak) en het voedsel wat men hun 
aanbood, niet lieten verleiden, zoodat het veel moeite kostte 
om er een machtig te worden — vermaakten wij ons intusschen 
met het schieten van duiven «Pergam's en Poenai's die op een 
naburigen hoogen vijgeboom zich aan deszelfs vruchten tegoed 
deden, en waren wij zoo gelukkig er verscheidene te bekomen. 

Na den maaltijd die ons heerlijk gesmaakt had, was het 2 U 
geworden, zoodat wij aan den terugtocht moesten gaan denken, 
ook zonder het strand gezien te hebben, te meer werd dit 
noodig, daar onze volgelingen te voel, nog eene lange reeks 
steilten te beklimmen hadden. Wij kozen nu een anderen iets 
korteren weg dan wij gekomen waren, waarover ik geen be- 
rouw had, wijl ik op dien tocht, even als op de uitreis, me- 
nige schoone plant mocht verzamelen en over ij" des namiddags 
waren wij weder te huis. 

20 Augustus, Thermr. als gisteren. Na de op gisteren ver- 
zamelde planten verzorgd te hebben, bezochten wij nog de om- 



400 

streken en maakten ook van het heerlijke stroom- en stortbad 
een goed gebruik. 

21 Augustus. Heden togen wij nogmaals naar het zuider- 
strand, doch nu ook weder langs een anderen weg: om 7 U wa- 
ren wij vei trokken en kwart over 8 U daalden wij op Hz 3 pa- 
len van Baan, in de rivier Noi-kas-moeti af: onze weg liep nu 
door de bedding dezer rivier, waarin bij hoog water veel kro- 
kodillen voorkomen, over rolsteenen, zand en slib met slechts 
weinig geel en troebel water; de bedding was vrij breed en de 
oevers waren met bamboe doeri en weinige andere struiken en 
boomsoorten bezet: op sommige plaatsen waar de kanten zijn 
ingestort, ziet men tot 10' dikke aardlagen op een fondament 
van rolsteenen liggen, waaruit men zou kunnen opmaken, dat 
die lagen niet in eens, maar van tijd tot tijd, door het rivier- 
water zijn afgezet. 

Om 10 ü bereikten wij het strand, welke tocht door de rivier 
ook dt 5 palen zal bedragen hebben , zoodat het geheele traject 
ook op 6 palen kan gerekend worden. 

De rivier was bij eb door een zand- en steenbank geheel ge- 
sloten. Het strand was met wit en mul zand, vermengd met 
rolsteenen bedekt en vormde eene soort van aangeslibde baai, 
die rechts en links door rotsen tot in zee, was ingesloten. 
Daarop groeide weinig bizonders, maar toch nog enkele 
boomsoorten, heesters en planten, zooals Pithecolobium umbel- 

LATUM, LuMNITZERA COCCINEA, TllESPESIA SP., VlTEX TRIFOLIA 

en Vitex (repens), Scaevola koenigii, Ipomoea pes caprae, 
Spinifex squarrosus, enz. De tocht binnenslands leverde echter 
betere resultaten op, daar wij nog menige plantensoorten moch» 
ten verzamelen. 

Om ll u waren wij weder ten huize van den Meó, waar wij 
den 19 den ons middagmaal gehouden hadden, doch ditmaal had- 
den wij zelve daarvoor gezorgd en keerden van daar om l u 
huiswaarts, waar wij om 3 U aankwamen. 

Den 22 sten Augustus bezochten wij weder het zuiderstrand, 
doch nu meer westwaarts en langs dit strand tot aan de rivier 



401 

Ehtoe wéoet: wij daalden ook hier weder af over vlakten en 
bellende gronden, die soms zelfs zeer steil waren, nu eens 
langs rotsen en dan weder over koraalblokken , dan eens over 
roode, elders weder over zwarte humusrijke gronden, beide 
zijn zeer vruchtbaar en groeien padie en djagong daarin zeer 
weelderig. In de nabijheid van het strand passeerden wij eene 
streek die met groote koraalblokken als bezaaid was, doch 
daartusschen bevond zich eene vette zwarte aarde, waarin de 
djagong tot over de 6' hoog was opgeschoten, wij zagen hier 
geheele stapels vruchten van Lagenaria hispida (Bokko of La- 
boe) op stellaadjes, eenige voeten boven den grond, opgestapeld 
of zelfs in de boomen opgehangen, op welke wijze men ze lang 
conserveeren kan om ze later, wanneer er meer gebrek aan 
levensmiddelen ontstaat, zelfs naar Koepang ter markt te brengen. 
Wij trokken toen nog een goed eind weegs westwaarts door 
schrale droge strandbosschen , waarin almede veel koraal voor- 
kwam, totdat wij eindelijk het strand aan zee bereikten, die 
hier even als aan Java's zuidkust, met hooge branding en 
donderend geweld den oever, of de in zee uitstekende rotsen 
beukte. Hier gebruikten wij onder het lommer der boomen ons 
middagmaal en trokken toen nog een paar palen verder west- 
waarts langs het strand, totdat wij de uitwatering van de 
rivier Ehtoe wéoet bereikten, die nu bijna droog was, doch 
in den regentijd verschrikkelijk spoken kan , blijkens de massa's 
groote rotsblokken en boomstammen, die daardoor verplaatst 
en vernield waren; wij reden een eindweegs door de bedding 
dezer rivier en toen wij die verlieten passecrdeu wij eene vlakte 
met Gawang en Lontarboomen bezet , om verder weder stijgende 
langs een anderen weg dan wij gekomen waren, huiswaarts 
te keeren. Onder weg vertoefden wij nog een half uur te 
Liomat op V~j 2 paal van Baun, waar een Luitenant of Taninti 
gevestigd is, die even als de Fellor's, ook eenig gezag in zijne 
omgeving uitoefent, en waren wij om half vijf uur w<<I<t 
te huis. 
Voor wij de rivier Ehtoe wéoet bereikten, passeerden wij 
deel xxxiv. 26 



402 

een zoutwater-meer dat evenwijdig met de kust liep, doch 
daarvan door eene duinstreek gescheiden was; het zal wel 
bijna een paal lang geweest zijn, maar de breedte was aan- 
merkelijk minder. Op dat meer zagen wij vier soorten van 
snippen, waarbij eene zeer interessante soort vogels, die door 
onze komst wel wat onrustig werden, doch zich steeds weder 
in onze nabijheid, waar het water niet te diep was, neder- 
zetteden, zoodat zij gemakkelijk onder schot te krijgen waren, 
maar juist ditmaal had ik geen geweer medegenomen. Deze 
soort »Matteo tassi", waarvan wel een SOtal aanwezig was, 
was zeer langbeenig en had roode pooten, het lichaam wit 
met zwarte vleugels; de tweede soort was niet minder fraai, 
doch deze was schuwer, zoodat ik ze niet goed observeeren 
kon; de derde soort, even schuw, geleek op onze smakelijke 
krombekken, de vierde soort was veel kleiner en waarschijn- 
lijk onze Javasche Tiliel. 

23 Augustus. Therm r 6 U v. m. 70°, 12 u 74°. 

Heden bezochten wij nog een paar meren op IV2 paal af- 
stand van Baun gelegen ; een dezer meren omsluit een klein 
schiereiland, waarop eene weelderiger vegetatie, zelfs van ko- 
lossaler boomen dan elders in den omtrek voorkwam, ten blijke 
dat ze van het meerwater profiteerden, ofschoon het er niet 
moerassig en den bodem ook te verheven was, dan dat de 
wortels tot aan het meer konden reiken. Ik mogt hier dan 
ook eenige gewenschte planten verzamelen. 

Wij vonden hier ook een 6tal van de zonderlinge langbee- 
nige snip: Matteo tassi, terug, waarvan wij nu een paar exem- 
plaren machtig werden, welks huiden ik liet prepareeren; ook 
kwamen hier nog voor 2 soorten van wilde eendjes » Blibies" 
waarvan de grootste soort spoedig wegvloog, de andere scheen 
niet goed te kunnen vliegen, maar de vogels doken allen te 
gelijk onder water, waar zij het lang uithielden. Zij 
hielden zich echter steeds in het midden van het meer en te 
ver van de kanten om ze onder schot te kunnen krijgen. De 
kleine snip, Tiliel, werd hier ook bij weinige exemplaren ge- 



403 

zien. Een Roerdomp werd ook nog uit een hoogen boom ge- 
schoten. 

24 Augustus. Therm r 6 U v. m. 68°. Om 7 U 's morgens 
vertrokken wij van Baun naar Oïkabiti, welks afstand ± 12 
paal zal bedragen. De weg was als overal slecht, in het be- 
gin veel koraalblokken en gruis, steeds klimmende en weder 
afdalende tot aan de rivier Noëilsani, waar het gesteente meer 
kalk- of krijtachtig wordt, en na nogmaals gestegen te zijn, 
werd het land vlakker en golvender en bestond de bodem hier 
veelal uit roode doch vruchtbare aarde. Halverwege tot de 
voornoemde rivier, kwamen wij op hoog en bergachtig terrein, 
waar niets groeide als Casuarinen en schraal gras. Die streek 
moet zoowat in het midden der breedte van bet eiland liggen, 
zij strekte zich in de lengte zoo ver uit als onze oogen reik- 
ten. Op die en dergelijke gronden wordt ook geen kuituur 
gedreven, maar toch benut tot het weiden van vee. 

Om half 12 u bereikten wij de rivier Noëil sani op ± 8 
palen van Baun, waar wij ons middagmaal gebruikten en de 
paarden lieten drinken en grazen; het is hier overal de ge- 
woonte om de paarden bij elke rivier zooveel te laten drinken 
als zij lusten , onverschillig of zij bezweet zijn of niet en of 
zij blijven staan of doorloopen. 

Aan den voet van het gebergte ten noorden van de voor- 
noemde rivier, zagen wij eenige terrasgewijze aangelegde sa- 
wah's, waarop de padie zeer weelderig stond. 

De oogst aan planten was niet groot. Te Oïkabiti vonden 
wij goed logies in een voor reizigers nieuw opgericht huisje 
met 2 kamertjes en een binnen-vertrekje. De vriendelijke 
Fettor van dit district, wat nog onder Amarassi sorteert, ont- 
ving ons gul en beleefd. 

Oïkabiti is een lief plaatsje op eene hoogte gelegen , er is 
ook eene Negorijschool en eene waterbron , maar overigens zijn 
er weinig huizen. 

Ik zag hier een katoenmolentje om de katoen van de zaden 
te ontdoen »Bninies" wat geheel overeenstemde, met het op 



404 

Java in gebruik, zijnde «Indiesan." Dé op Timor gewonnen 
katoen wordt door de inlanders, tot het weven van hunne 
slendang's verbruikt, en er bestaat zelfs invoer van Rotteh, 
Endeh, enz. Voor f 4, koopt men een gewone slendang, die 
8 a 10 Ned. onsen weegl, doch men heeft ze ook van 9 a 
11 onsen die van f 14 tot f 25 het stuk kosten naar gelang 
der kwaliteit. Ieder eiland heeft ook weder bijzondere figuren, 
zelfs zijn er die met zilverdraad bewerkt zijn. 

25 Augustus. Therm r 6 U v. m. 70*. Ik dacht om 7 U des 
morgens te vertrekken, doch wijl hier geen gras was, had 
men onze paarden een paar palen ver gebracht om te grazen, 
zoodat het ruim 8 U werd eer wij konden vertrekken. 

Aanvankelijk moesten wij meestal afdalen over koraal en 
andere gesteente; tot dat wij op ± 5 palen de rivier Kab- 
nooi bij het dorp Oïsoöe bereikten, waar wij nog al uitge- 
strekte en prachtige sawah's aantroffen, die echter gedeeltelijk 
onder den last van onkruid bedolven waren, in de nabijheid 
van Oïkabiti, hadden wij ook eenige terrassen van sawah's 
gezien. 

Het terrein werd nu meer vlak en vruchtbaar, tot dat wij 
weder op eene hoogvlakte kwamen, waarop niets dan kajoe- 
poeti-boomen en schraal gras te zien was. Kajoe-poeti-boomen 
hadden wij aan de zuidkust nergens aangetroffen. Dit terrein 
ging langzamerhand in meer vruchtbaren bodem over, waarop 
weder de op boomgaarden gelijkende Zizyphus Jujuba, Acacia 
leucophloea, enz. voorkwamen en waarop ook weder kuituur 
gedreven werd, evenwel verkiest men boven deze gronden, de 
zacht hellende en zelfs steile terreinen, al zijn ze ook met ko- 
raal of rolsteenen bedekt; waarschijnlijk omdat deze gemakke- 
lijker te bewerken zijn, daar er niet zooveel gras op groeit en 
er meestal struikgewas op gevonden wordt, waarmede na kap- 
ping en verbranding, de bodem gemakkelijker gezuiverd wordt, 
terwijl de vlakten in den drogen tijd te hard en te onhandel- 
baar, in den regentijd te vast en te modderig zijn om het 
overvloedige regenwater te verzwelgen. 



405 

Met de ploeg bewerkt, zouden deze vlakten waar geene of 
slechts weinige steenen voorkomen, buitengewoon vruchtbaar 
kunnen gemaakt worden en het is wel te verwonderen dat 
men zulks nog niet met de chineesche ploeg beproefd heeft, 
waarmede de bodem losgemaakt en het onkruid gedood wordt 
en dit is al wat men verlangt; men zou echter met de eerst 
invallende regens moeten beginnen te ploegen, wijl de bodem 
vroeger te hard is, en later door te veel regen te modderig 
zou worden. 

Om 12 u hielden wij halt en dachten wat te middagmalen, 
doch onze dragers hadden er anders over gedacht en kwamen 
ook na een uur wachtens, niet opdagen, waarom wij be- 
sloten maar tot Taroes, de plaats onzer bestemming, door 
te rijden, waar wij om 2 U aankwamen, zonder hoop van spoe- 
dig ons middageten te zullen zien arriveeren, wij vergenoegden 
ons toen maar met halfgare gestampte Djagong en een stuk 
Lontarsuiker, waarmede onze honger volkomen gestild werd. 
Eerst om 3 U arriveerden onze dragers. Hetgeheele traject, wat 
wij heden hadden afgelegd, zal wel niet meer dan 12 palen 
bedragen hebben. 

Bij Taroes, wat op 9 palen van Koepang aan den grooten 
weg naar Babauw ligt, kwamen wij op dien weg terecht; wij 
vonden daar bij den Kapala-kampoeng een huisje, dat tot logies 
van reizigers heette te dienen, doch thans tot kippehok was 
ingericht, na het wat schoon gemaakt te hebben, schoten wij 
er ons echter in op. 

De Thermr. die bij onze komst 88° teekende, daalde des 
nachts tot 68°. Op onzen weg van Oïoesoe naar hier, zagen 
wij op zekere afstanden, bij wijze van privatieve jacht, ver- 
scheidene palen van 8 a 9 voeten hoogte opgericht, waarop 
schedels van karbouwen geplaatst waren, welke dienen moes- 
ten om den omtrek »pamali" onschendbaar — te maken, en 
daardoor het stelen van karbouwen, paarden, varkens en geiten 
te beletten, wijl hier in den laatsten tijd vele diefstallen van 
vee hadden plaats gehad, dat geslacht werd om het vleeschals 



406 

dengdeng te kunnen verkoopen. Dit «paüian" heeft op de goed 
geloovigen wellicht eenigen invloed gehad, daar men gelooft een 
ongeluk te zullen krijgen wanneer het »pamali" geschonden wordt, 
doch het stelen had daarom nog niet opgehouden, waarschijn- 
lijk waren de dieven Rottehneezen, die als diefachtig hekend 
staan. 

Men vindt hier ook uitgestrekte sawah's, die zeer vrucht- 
baar zijn, doch jammer dat ze al even slecht als elders onder- 
houden worden. 

Er stroomt hier in het dorp eene prachtige waterleiding 
met het helderste water, wat tevens tot badplaats dient , waar- 
in wij ons eens regt verfrisschen konden en van het overtol- 
lige stof ontdoen. Iets verder stroomt eene breede rivier - — 
Bikèbon — die nu echter weinig water bevatte. 

De vlakke, hoewel koraalachtige omstreken van Taroes, zijn 
palen ver begroeid met Gawang en Lontarpalmen, die aan de 
bewoners, meestal Rottehneezen, een ruim middel van bestaan 
opleveren. 

Daar hier ook zoovele Lontai hoornen voorkomen, waarvan 
veel suiker gekookt wordt — behalve dat de versche toewak en 
de gegiste, als laroe gedronken wordt, genieten de inlanders 
en voornamelijk de Rottehneezen meestal de stroop, als een 
hoofdvoedsel — is het hier de plaats om iets meer van dezen 
zoo nuttigen boom mede te deelen. 

De Lontarpalm — Borassus flabelliformis, pohoon toewak 
der Timoreezen, wordt getapt, zoodra de bloemtrossen , zoowel 
van de mannelijke als vrouwelijke boomen, zekere lengte be- 
reikt hebben, doch alvorens de bloemen zieh openen; van de 
vrouwelijke trossen worden alsdan de bloemknoppen glad langs 
de bloemsteng weggesneden, doch die steng tot aan zijn uit- 
einde onbeschadigd gelaten, en begint men nu aan het uiteinde 
een stukje af te snijden en dit dagelijks, even als bij den 
Arenboom, te herhalen, om het sap of den toe wak, bestendig 
doen uitvloeien, in de daaronder gehangene bakjes of em- 
mertjes — haik — uit het Lontarblad gevormd , en die met het- 



407 

zelfde blad dicht gedekt worden, om het stelen der toewak 
door vogels en insecten te beletten. Gelukkig zijn in deze 
streek geene apen , die deze voorzorgen anders wel zouden we- 
ten te overwinnen, doch andere vijanden zijn de vleermuizen, 
die de bakjes door schudden zoodanig weten te keeren dat het 
sap overloopt, wat zij dan behendig weten op te zuigen. 

De uitgevloeide loewak, wordt uit de kleine bakjes of haik, 
in grootere overgestort, om ze te vervoeren en de kleine wor- 
den na uitspoeling met zuiver water weder onder de bloemsteng 
opgehangen. 

De toewak wordt op verschillende wijze genuttigd, als; ten 
eerste, versch als Palmwijn gedronken, doch als zoodanig kan 
men ze niet lang bewaren, daar ze spoedig verzuurt; een mid- 
del daartegen schijnen zij niet te kennen, zooals de Javanen, 
die er tot dat einde den wortel van ka wauw — Mille tia seri- 
cea — aan toevoegen ; ten tweede als gegistte drank — laroe — 
door toevoeging van den bast van den Laroeboom — Caesalpinia 
ferruginea — de kelderflesch van dien drank wordt tegen 5 a 6 
et. verkocht en de Timoreezen zijn daarvan dolle liefhebbers, 
sommigen drinken daarvan 4 en meer kelderfleschen per dag, 
maar zijn dan ook voortdurend half of geheel dronken; matig 
gebruikt is deze drank niet schadelijk en ook niet onaangenaam 
van smaak en kan ons bier zeer goed vervangen. Er wordt 
ook wel eens spiritus van gestookt, die echter minder aange- 
naam zijn moet; ten derde in aarden potten tot stroop ver- 
kookt, als wanneer het, zoo mogelijk met een weinig djagong, 
op sommige plaatsen, vooral op Rotteh, het voornaamste volks- 
voedsel uitmaakt. Deze stroop wordt in dezelfde bakken of 
emmers van het Lontarblad — haik — bewaard en vervoerd, 
het ongerief daarvan is dat men ze niet op den bodem plaat- 
sen kan, maar dat ze of gedragen of opgehangen moeten wor- 
den. De haik is een lontarblad dat zoodanig gevouwen wordt, 
dat het den vorm van eene kolossale, half doorgesneden kaas 
bekomt, waarvan enkel de korst is overgebleven; in het mid- 
den wordt overlangs een stuk rond hout bevestigd om er ste- 



408 



vigheid aan te geven en daaraan ook het draagtouw vast ge- 
bonden, ze worden steeds aan een pikolan op den schouder, 
bij tweeën gedragen; ten vierde, tot suiker verkookt, die van 
uitmuntende kwaliteit is, doch goed droog moet gehouden wor- 
den, wijl ze anders week wordt en smelt; ze wordt in lang- 
werpig vierkante koeken, van 6" lang, 4" breed en bijna 1" 
rijnl. dik, tegen 4 a 6 et. het stuk, verkocht en uit het bin- 
nenland, netjes met het nog jonge, geele Lontarblad omvloch- 
ten, te Koepang ter markt gebracht. 

De mannelijke bloemtrossen worden ook getapt en de toe- 
wak even als die van de vrouwelijke benuttigd, doch daar 
deze geheel anders zijn zamengesteld , vereischen zij ook een 
geheel verschillende bewerking. De 4 of 5 lange kolven of 
aren dezer mannelijke bloemsteng worden ieder afzonderlijk, 
doch op dezelfde wijze behandeld, wat almede geschieden moet 
voor dat de bloempjes zich openen: men bezigt daartoe een 
soort van houten nijptang of notenkraker, bestaande uit 2 stukjes 
rond hout, die aan het eene einde zoodanig worden vast ge- 
bonden dat ze niet op elkaar sluiten en daarbij beweegbaar 
zijn. Tusschen dit instrument, wat men bij de opene punten 
aanvat, worden de aren van alle kanten zoodanig gedrukt en 
gekneld, dat alle bloemknoppen verpletterd en gedood worden, 
zoodat zij geene sappen meer kunnen verbruiken. 

Voorts snijdt men dagelijks, even als bij de vrouwelijke steng, 
van iedereaar een schijfje van de punten af, waarna de toewak 
uit alle aren begint te vloeien en op dezelfde wijze als bij de 
vrouwelijke bloemsteng wordt opgevangen. Deze toewak is 
echter minder zoet en minder geacht als die van den vrouwe- 
lijken boom. 

Behalve het nut van dezen boom, hiervoren vermeld, wordt 
er nog op andere wijze veel partij van getrokken , zooals uit 
het volgende blijken zal. 

De stammen van dezen boom worden, waar ze genoegzaam 
voorhanden zijn, tot doodkisten gebezigd; daartoe splijt men 
± % van de stam, die reeds op de verlangde lengte gekapt 



409 



is, af, om tot deksel te dienen en wanneer nu al het merg 
uit beide stukken verwijderd is, is de doodkist gereed en be- 
hoeft men nog slechts de beide uiteinden, met andere stukken 
van dien boom te sluiten. Het deksel wordt mede met spij- 
kers van dit hout aan de kist bevestigd en wanneer het lijk 
lang bewaard moet worden, met de lijmachtige bast Nameh 
een heester uit de familie der urticeën, die vooraf gestampt 
wordt, dicht gesmeerd, of in gewone gevallen, met tali-oetan- 
lianan vastgesnoerd: van de jonge bladeren maakt men hoeden, 
dozen in allerlei vormen, rakken, matten, haik's voor water 
emmers, enz. van deze haik's maakt men ook een muziekin- 
strument, door er in stede van het draaghout, eene bamboe 
milak — Melocanna brachyclada — in te plaatsen, waarop 16 
snaren van fijn koperdraad gespannen zijn, die met de vingers 
getokkeld worden en door de weerklank der haik een zacht 
melodieus geluid voortbrengen. 

De oudere bladeren gebruikt men ook voor atap tot dekking 
der woningen. De bladsteng-behbak bezigt men voor touw op 
de prauwen, voor paardentoomen slechts de koeliet der behbak, 
voor paggers, balken, sparren en latten voor dakwerk der 
huizen. 

De inlanders planten noch Lontar noch Gawang, maar laten 
het aan de natuur over, die te vermenigvuldigen. 

De Lontar komt even als de Gawang, öok wel van de af- 
gevallene vruchten op, doch daar deze vrij groot zijn — de 
vrucht heeft de grootte van een kleine kalapa en bevat 5 groo- 
te pitten, wier inwendig vleesch, nog jong zijnde, ook gegeten 
wordt — blijven zij meestal op den bodem liggen te verdrogen, 
enkel in den regentijd ontkiemen ze soms en brengen het dan 
zoo ver dat de kiem in de aarde kan dringen, die zich dan 
ruim een voet diep loodregt naar beneden richt om daar zijne 
eerste wortels te maken en van uit dat punt het eerste blad, 
in die kiemstreng besloten, naar boven te zenden; men denkt 
er echter niet aan om die pitten op gunstige plaatsen, even in 
den bodem te stoppen, waardoor ze alle kans tot ontwikkeling 



410 

zouden hebben. Men zegt — even als de Javanen van den 
Arenboom — die boom moet zich zelve voortplanten. Nu zijn 
er streken waar die boomen overvloedig genoeg voorkomen, 
soms zelfs meer dan men tappen kan, doch op andereplaatsen 
ontbreekt hij dikwijls geheel en al, al zijn de gronden ook wel 
geschikt voor hem. De Ga wang bemint meer de moerassige 
gronden, doch de Lontar, hoewel niet afkeerig van dergelijke 
gronden, komt toch ook op droge steenachtige plaatsen en zelfs 
op hooge bergruggen voor. 

Behalve deze twee Palmsoorten komen nog voor de Cocos 
nucifera — kalapa of Noah — Areca catechu — Pinang of 
Poeah — - welke laatsten men echter slechts op vochtige plaatsen 
of bij bronnen aantreft, waar zij altijd veel te dicht geplant 
zijn, zoodat ze elkaar verdringen en men er niet dat nut van 
trekt, wat er bij ruimere planting van zou te behalen zijn, 
Arenga saccharifera — Aren of Boneh — troffen wij slechts 
zelden aan , Sagüs RuMrmi — Poetah — troffen wij nergens aan, 
evenmin andere wilde Palmen. 

Den 26 8ten Augustus begaven wij ons des morgens 7 U weder 
op reis, om tegen half elf uur te Koepang te arri veeren, welke 
afstand slechts 9 palen bedraagt, doch wij hadden ons onder- 
weg, zooals steeds het geval was, met het verzamelen van 
planten, hier en daar nog al wat opgehouden. 

27 Augustus. Deze dag werd besteed met het verzorgen 
van al het op de reis verzamelde zoo van levende planten als 
zaden en herbarium. 

Den 31 8ten Augustus des avonds 8 U , vloog een schip op de 
reede in brand, dat beladen was met 190 paarden, koffij, was 
enz. waarvan niets gered werd; ter naauwernood brachten de 
opvarenden er het leven af, om ll u des nachts vielen reeds de 
3 masten over boord. 

1 September. Het schip brandde nog steeds en trachtte 
men den brand met de brandspuit te blusschen, waarin men 
meende geslaagd te zijn, doch toen men hiermede ophield, 
brak de vlam op nieuw hevig uit, totdat het wrak des avonds 



411 

half tien, in de diepte wegzonk. Had men het brandende 
schip, wat vlot geraakt was, op den modderbank gebracht, dan 
was er nog veel van te redden geweest. 

Den 3 den September, des avonds 9 U ging ik in gezelschap van 
den kontroleur Pluim Mentz, aan boord van de gewapende 
boot No. 17. Djuragan Batjo, om de reis naar Soemba te aan- 
vaarden. 

4 September. Des nachts en ook nog des morgens, wind- 
stilte, zoodat wij nog steeds op de hoogte van Poeloe Samauw 
bleven dobberen, eerst om ll u des voormiddags kregen wij een 
aangenaam koeltje, dat ons wat vooruit bracht, waarop na den 
middag een stevige wind volgde, die de zee zeer onstuimig 
maakte, zoodat wij ongemakkelijk begonnen te slingeren, dit 
duurde tot in den nacht, gelukkig was de wind gunstig; 
daarop volgde weder windstilte en kwam de zee tot bedaren, 
doch eene lastige deining bleef aanhouden. 

5 September. Nog altijd windstilte, eerst des avonds wak- 
kerde de wind wat aan, doch verslapte spoedig weder. 

6 September. Des nachts 5 U kregen wij goeden wind, maar 
ook weder met hooge zee, die soms zelfs over de verschansing 
heensloeg, waarbij wij hevig schommelden, ook volgde daarop 
eene liksche regenbui, die ons in de kajuit echter weinig hin- 
derde. Het slingeren verminderde langzamerhand en om 10 u 
des voormiddags kregen wij Soemba in 't gezicht en om half 
een uur ankerden wij in de monding van de rivier Kambéra, 
daar de eb ons niet veroorloofde de rivier op te varen. 

Aanvankelijk is het strand aan de rivier modderig en met 
Rhizophoren bezet. Eenige grijze apen — Inuus nemestrinus — 
wandelden over den modder om schelpen te zoeken en er ver- 
toonden zich ook eenige krombek-snippen. 

De heer Pluim Mentz en de Djuragan, roeiden met het eeni- 
ge kleine schuitje — vlet — wat aan boord was, de rivier op 
naar de woning van den kontroleur Roskott; ik had echter 
plan om aan boord te blijven, tot dat wij bij hoog water de 
rivier konden op roeien: doch tegen den avond kwam de heer 



412 

Roskott mij afhalen , en na een uur roeiens bereikten wij zijne 
woning te Kabaniroe, die in de onmiddelijke nabijheid der ri- 
vier gelegen is. Hier werden wij door den heer Roskott en 
zijne echtgenoote hartelijk ontvangen en gehuisvest. De boot 
roeide des nachts bij hoog water, ook de rivier op tot bij de 
woning van den kóntroleur. 

De woning van den heer Roskott ligt een 20' boven de ri- 
vier verheven, en toch wordt dat terrein in den regentijd, als 
de rivieren hoog gezwollen zijn, wel eens onder water gezet: 
die woning is geen paleis, en hoewel hoog en ruim genoeg, is 
ze echter slechts zamengesteld uit rond, onbekapt hout: de stij- 
len zijn in den grond geplant en de wanden van kadjangmat- 
ten en gaba-gaba (behbak) ; de zolder ontbreekt geheel. De bij- 
gebouwen zijn van hetzelfde gehalte, doch veel lager en on- 
aanzienlijk, hierin kregen wij ieder eene kamer en waren recht 
blijde, onder dak te zijn, wat ons, behalve op Kadoemboe, 
nergens meer te beurt viel. 

Achter dit etablissement ten N. 0. loopt een, misschien een 
paar honderd voet hoogen bergrug, welke een uitgestrekt pla- 
teau van koraalsteen vormt en waarop weinig anders dan gras 
tot weiveld van paarden en karbouwen, voorkomt. De krijt- 
achtige hellingen naar de vlakte van Kabaniroe zijn steil, aan 
de andere zijde meer hellend tot aan de strandbosschen afloo 
pende. 

De vlakte van Kabaniroe is eene fraaie streek, doch weinij 
bebouwd of bewoond; er komen vele in het wild groeiend< 
Tamarindeboomen op voor en ook woont er een Radja der Sa 
woeneezen, van welke natie hier velen gevestigd zijn, die al 
het ware de lijfwacht van den kóntroleur uitmaken. Zij doei 
weinig aan den landbouw, maar onderhouden zich hoofdzakelij 
met het aftappen van toe wak van den Lontarboom, die hiei 
overal in het wild overvloedig voorkomt. De rivier Kambér; 
is hier nog aan eb en vloed onderhevig en is zeer vischrijk, 
waarvan de kóntroleur nog al partij weet te trekken, dochdii 
is ook het eenigste voedsel wat hier te bekomen is, al het 






415 

overige, zelfs de rijst, moet van Koepang worden aangevoerd. 
Krokodillen komen ook veelvuldig in de rivier voor, en er wor- 
den nog al eens menschen door verslonden. 

7 September. Heden maakte ik eene wandeling naar het 
reeds vermelde plateau, wat tusschen Kabaniroe en de zee 
gelegen is. Tusschen de koraallaag vond ik nog eenige vreem- 
de planten. Verder wandelende, vond ik enkele plaatsen waai- 
de koraal reeds geheel ontbonden was en in zwarte of roode 
vette teelaarde was overgegaan, die voor kuituur zeergeschikt 
scheen te zijn, doch er is hier geen gebrek aan goede gronden, 
maar wel aan eene bevolking om ze te bewerken. De zacht 
af hellende zeezijde, is ook meerendeels met koraal bedekt, doch 
daar tusschen komt veel schraal geboomte en struikgewas voor, 
bestaande meestal uit Stadmannia sideroxylon (Koesambi) Aca- 
cia leucophloea (Kabésa) Tamarindus indica (Tamarien) vele 
heesterachtig caparis , Isora corylifolia en Lianen , waaronder 
eene Sarcostemma die juist bloemen droeg, welke anders zelden 
voorkomen. Ook vele dezer streken zouden voor kuituur van 
den inlander geschikt zijn, met ploegen zou men hier echter 
slecht terecht komen. Hoe verder ik het strand naderde hoe 
meer verscheidenheid er in het plantenrijk te bespeuren was. 
Van het plateau heeft men een interessant uitzicht, zoo over 
de zee ten N. 0. als over de dalvormige vlakte ten Westen en 
op het dit dal omringende, laag tafelgebergte. De bodem is 
in dit dal zeer vruchtbaar, vlak, met enkele lage ruggen en 
door de rivier Kambéra doorsneden. Hierop bestaat wel reeds 
eenige kuituur, doch deze kon aanmerkelijk uitgebreid worden 
wanneer men slechts den ploeg te baat nam, doch nu worden 
die zeer vruchtbare gronden al zeer zonderling, en met ver- 
spilling van werkkrachten, in kuituur gebracht. Daar ook de 
beste gronden na verloop van een paar jaren, wegens het slechte 
onderhoud, in Alang-alangvelden overgaan en de patjol evenmin 
als de ploeg bekend is, heeft men er toch iets op gevonden, om 
ze voor goed te herstellen , wat volgenderwijze geschiedt. Eeni- 
ge lieden, zoo mannen als vrouwen en kinderen, plaatsen zich 



414 

in den drogen tijd, wanneer de bodem hard en sterk zamen- 
hangend is en nadat men de Alang-alang verbrand beeft, op 
eene rei, ieder gewapend met twee, 5 a 6 voet lange, dikke 
puntige stokken, die zij op een onderlingen afstand van + een 
voet diep, in den bodem heijen; zoodra allen daarmede gereed 
zijn, trekt een ieder te gelijkertijd zijne twee stokken achter- 
over, waardoor de bodem over eene oppervlakte van ± 6' lang, 
een paar voet breed en een voet dik, los geraakt en geheel om- 
gekeerd wordt, zoodat alle onkruid daaronder bedolven en de 
wortels der Alang-alang, boven komen te liggen en verdrogen, 
waardoor men een zuiver terrein verkrijgt , waarop geen enkel 
onkruidje te bespeuren is. Dit terrein ziet er dan wel wat 
ongelijk, even of het met breede strooken omgeploegd was, uil, 
doch daar bekommert men zich niet om en er wordt ook verder 
niets anders aan gedaan, dan wanneer de regens door komen 
den bodem een weinig geëffend en beplant. Het volgende jaar 
is zulk een veld nog niet geheel gelijk en heeft de Alang-alang 
nog weinig wortel geschoten, zoodat men met eene gemakke- 
lijke wieding tot eene tweede, en soms wel derde beplanting 
kan overgaan. Met goed gevolg zou men hier den ploeg kun- 
nen gebruiken, wijl er noch koraal, noch steenen gevonden 
worden. 

De tuinen en erven der inlanders zijn hier meestal omgeven 
met stevige en ondoordringbare paggers van Opuntia polyantha; 
ook bezigt men daartoe wel Euphorbia nerüfolia en Curcas 
purgans, welke beide heesters hier soms tot hoornen opgroeien. 

De formatie van den bodem en van hel gebergte is hier ge- 
heel verschillend van die van Timor, waar het gesteente meest- 
al onder zekere hellingen is opgeheven, terwijl hier alles ho- 
rizontaal ligt, waardoor overal groote plaleau's gevormd zijn. 

8 September. In gezelschap van de kontroleurs Roskott en 
Pluim Mentz brachten wij een bezoek aan den Arabier Sjarief 
Abdoel Rachman, die te Wai-Ngapoe, aan de baai van Nanga- 
messi, sedert vele jaren zijn verblijf houdt en zoowel bij Eu- 
ropeanen als bij de inlanders zeer geacht is: ook op mij maakte 



415 

hij een gunstigen indruk: hij is een man op jaren, doch nog 
flink, goed hespraakt, heleefd en hehulpzaam. Hij woont vlak 
aan zee op een koraal hodem, waarop echter toch eenig ge- 
boomte voorkomt, en leeft voornamelijk van den paardenhan- 
del, daar hier jaarlijks eenige schepen met paarden voor Java 
beladen worden, waarloe de gelegenheid gunstig is, wijl de 
schepen dicht onder den wal kunnen ten anker komen. Zijne 
onderdanen zijn meestal Mohamedanen , die men andeis op dit 
eiland niet aantreft; de inlanders zijn allen Djèntioe's. 

Wai-Ngapoe ligt 3 a 4 palen van Kabaniroe; er bestaat een 
vrij goed voetpad tusschen beide plaatsen, doch men moet eene 
wel niet breede, doch tusschen steile oevers beslotene rivier — 
Téna watoe — passeeren , wat thans niet moeijelijk was, doch 
in den regentijd de passage zeker stremmen zal. Op dit tra- 
ject ziet men vele vruchtbare velden, kalapa en andere tuinen 
der inlanders en ook eene vuile Soembaneesche kampong. De 
huizen zijn hier weder van een geheel anderen vorm, als die 
van Timor; zij zijn langwerpig vierkant, op palen eenige voe- 
ten boven den grond en met een, in het midden der lengte 
verheven vierkant, steil afloopend dak. Alles vrij ruw en on- 
regelmatig zamengesteld. 

Den 9 den September maakten wij ons gereed voor de reis 
naar Kadoemboe. Ik had reeds een paar paarden aangekocht 
die uitmuntend voldeden; ook op de verdere reis naar de zuid- 
kust; ik betaalde van /' 150 tot ƒ 200 voor paarden van 4' 
en 4' 2". Men kan hier echter zonder gouden sovereigns geene 
paarden koopen en worden die goudstukken lot f 12.50 bere- 
kend, zoodat ik om ƒ 200 te betalen. 12 Sovereigns en 20 
rienggiet noodig had. Goud noch zilver wordt zelden weder uit- 
gevoerd, maar verdwijnt even als op Timor in het binnenland. 

10 September. Daar het des morgens hoog water was, 
moesten onze paarden zwemmende en onze goederen per prauw 
over de Kambéra rivier gebracht worden, zoodat het 8 U werd 
eer wij te paard konden stijgen om de reis naar Kadoemboe 
aan te vangen. Daar het pad echter vrij effen en slechts hier 



416 

en daar met koraal bedekt was, kwamen wij goed vooruit, te 
meer er zeer weinig te botaniseren viel, wijl er weinig hoo- 
rnen op dezen tocht voorkwamen, maar alles met droog gras 
bedekt was. 

Zoodra wij de rivier over waren, kwamen wij op de uitge- 
strekte vruchtbare vlakte — MoesaWoe — Waarop veel Lontarpal- 
men, hoog doch verdroogd gras en enkele andere boomen aanwezig 
waren. Deze vlakte zal volgens opgave, ± 5 palen lang en 1 
paal breed zijn , de bodem is kleiachtig , door de droogte overal 
gescheurd en op ons pad zoo fijn verdeeld, dat wij soms in 
wolken van stof gehuld werden; deze vlakte zou voor sawah*s 
bijzonder geschikt zijn, zoo men er in slagen kan, wat wei 
waarschijnlijk is, om er levend water op te brengen, doch 
zoolang er geen Bestnur en geene bevolking aanwezig is, valt 
aan werken niet te denken ; kolonisatie met meer Sawoeneezen, 
ware hier wenschelijk. Men was voornemens om de paarden- 
stoeterij van Kadoenboe op dit terrein over te brengen, om er 
beter toezicht over te kunnen houden. 

De rivier Palamenjéli, die wij moesten passeeren, scheidt 
deze vlakte van eene andere waarop kampong Kawangoe en 
andere gelegen zijn. De volgende vlakte, die iets hooger ge- 
legen is, wordt weder begrensd door de rivier Soedoe : tot hier 
toe zijn de gronden meest alle voor kuituur geschikt en wordt 
daarvan ook eenigzins partij getrokken. 

Verder wordt het terrein iets meer hellend en is het op vele 
plaatsen met koraal bezet > waartusschen echter ook nog goede 
kultuurgronden van zwarte en roode klei, grijs zand, enz. 
voorkomen, totdat men het riviertje Papoeöe bereikt. Tot 
hiertoe hadden wij slechts 2 U gereden, en rekenden dat dit 
halverwege tot Kadoemboe zou zijn. Hier hielden wij halt om 
de paarden wat te laten rusten en ons middagmaal te gebruiken. 
Het volgende traject tot Kadoemboe, legden wij ook in 2 U af, 
doch wij hadden goed doorgereden en schatten toen den ge- 
heelen afstand van Kabaniroe tot Kadoemboe op + 20 paal. 
Dit laatste traject is eene onafzienbare weinig golvende vlakte 



417 

met enkele droge valleitjes doorsneden, waarop, behalve aan 
de hellingen dier valleitjes, — waar enkele schrale hoornen 
te zien zijn — spaarzaam een enkele Koesambihoom voorkoml, 
die aan de grazende paarden bij de brandende zon een weinig 
lommer geeft. Wel tracht zich eene soort Acacia, van het 
terrein meester te maken, daar die nog al veel als jonge plant 
voorkomt, doch door het jaarlijks afbranden van het gras om 
jong voedsel voor de paarden te bekomen, worden ze telkens 
weder tot aan den wortel \ernietigd, om in den regentijd 
weder eenige voeten hoog op te schieten. Het gras bestaat 
uit verscheidene soorten, zoo eenjarige als overblijvende, deze 
laatste worden tot aan den wortel afgebrand — met uitzondering 
der oude harde stengels , die als sceletten blijven staan — de 
eerste worden geheel vernietigd om na de regens, van de achter- 
geblevene zaden , weder te ontkiemen en vele ledige plekken 
tusschen het polgras, aan te vullen. Het gras wordt in den 
drogen tijd niet tegelijk, maar bij gedeelten verbrand, om 
steeds jong gras voor de paarden te hebben en niettegenstaande 
den uitgedroogden bodem en zonder dat er een druppel regen 
op valt — echter wel dauw — ontspruiten de polletjes toch spoedig 
* weder, om een meer aangenaam voedsel voor de paarden op 
te leveren dan de verdroogde harde grashalmen, waarmede zij 
zich evenwel bij gebrek aan beter weten te behelpen. Men 
ziet hier dan ook vele troepjes — een hengst met zijne merries 
»satoe koeda Papa sama dia poenja umi" over de vlakten 
rondzwerven. 

Van af de rivier soedoe tot aan Kadoemboe vindt men geene 
enkele woning en van af het riviertje Papoeöe, geen water 
meer, zoodat de paarden soms zeer ver moeten trekken om 
hunnen dorst te lesschen, die bij dit droge voedsel zeker 
groot moet zijn. 

Te Kadoemboe, waar eene Gouvernements stoeterij geplaatst 
is, bevonden zich 100 paarden, terwijl 44 elders geplaatst 
waren, het zal echter goed zijn om ze allen naar Kambéra 
over te brengen, opdat zij beter onder het toezicht van den 

deel xxxiv. 27 



418 

kontroleur komen , welk toezicht te Kadoemboe te wenschen 
overliet. 

Behalve de woningen der geringe bevolking, staat hier nog 
eene groote schuur, die een vorigen kontroleur tot woning ge- 
diend heeft, en waarin ook wij onzen intrek namen, zoodat 
wij ook hier weder onder dak waren. Voor rustplaatsen was 
ruimte genoeg en kwam mijn veldbed mij hier weder goed te 
pas, de andere Heeren behielpen zich met een matje en voor 
onze menage hadden wij mede zorg gedragen. 

Hier wonen ook eenige Sawoeneezen die zich met het tap- 
pen van toewak en het koken van suiker, bezig hielden. De 
Lontarboom komt hier weer in menigte, zonder eigenaars, 
voor, want de Soembaneezen zijn te lui om van dien nuttigen 
boom te profiteeren, zoodat zij maar zelden een Lontarboom 
beklimmen. 

De rivier Kadoemboe die hier weinig breedte heeft doch nog 
goed van water voorzien was, stroomt digt langs het etablis- 
sement, — wat slechts uit de hutten van het dienstdoend 
personeel, enkele Sawoenezen, en voornoemde groote schuur 
bestaat, en valt + 5 palen verder in zee. De paarden worden 
des nachts in omheinde perken opgesloten : van stallingen is 
geene kwestie. De paarden slapen hier overal staande, zij 
leggen zich nooit neder dan om te rollen en wanneer ze ziek zijn. 

Den ll den September stegen wij te paard om de environs tot 
aan zee te onderzoeken. Langs de rivier zijn veelal luviale 
moerassige strooken lands, meestal met eene hooge rietsoort 
begroeid, en aan de hellingen vindt men ook geboomte en 
enkele kalapa- en sirietuintjes der Sawoeneezen; doch verder 
naar het strand wordt de bodem schraler en komen daar 
niet anders dan Lontarboomen en grasvlakten voor. Het strand 
bestond uit wit en mul zand, waarachter gewone strandvege- 
tatie van Lumnitzera, Excaecaria Agallocha salicornia, Enchy- 
laena? enz. die bij hoog water schijnen geïnundeerd te worden. 
Langs eenen anderen weg terugkeerende, passeerden wij eene 
uitgestrekte rawa, die vroeger tot sawah zou gediend hebben, 



419 

maar nu geheel met frisch en hoog gras hedekt was: — het 
stroomende water onstaat uit eene niet ver van deze plaats 
verwijderde, in eene vallei gelegene bron , daarin was echter 
eene opene watervlakte, waarop 3 soorten van wilde eenden: 
blibies, duikertjes en eene grootere soort, henevens troepjes van 
witte reigers voorkwamen. Waarschijnlijk hestaan er meer 
dergelijke zoetwa termeeren in den omtrek, want wij zagen 
eene vlucht van minstens wel 500 blibies, over ons heen- 
vliegen, die zeker in deze streken op zoetwatermeeren te huis 
behoorden. 

Nu volgde eene vlakte, die met duizenden Lontarboomen 
prijkte, doch waarvan geen partij werd getrokken, en die ook 
geene eigenaars hadden, doch waaruit, volgens beweren van 
den Radja Amakodja van Sawoe, wel een paar duizend Sawoe- 
neezen of Rottehneezen een goed bestaan zouden kunnen vin- 
den. De boomen staan vrij geregeld van elkander verwijderd 
en verdringen elkaar nergens, doch men wist mij niet te zeggen 
op welke wijze deze uitgebreide Lontarboschen ontstaan zijn, 
wat te verwonderlijker schijnt, daar de Soembaneezen geen 
partij van dezen boom trekken en ze dus wel niet zullen aan- 
geplant hebben. Het ontstaan op natuurlijke wijze, laat zich 
ook moeielijk verklaren, wijl de groote en zware zaden, zich 
niet ver van den moederstam kunnen verwijderen en toch 
staan ze niet op elkaar gedrongen en vindt men zelfs weinig 
andere dan vruchtgevende boomen, zoodat in lateren tijd wei- 
nig of geene vruchten schijnen ontkiemd te zijn, er zijn ook 
geene dieren die ze kunnen doorslikken, wellicht echter ver- 
spreiden de wilde varkens, die van de vruchten eten, de pitten 
ginds en herwaarts. 

De Soembaneezen schijnen bestemd om langzamerhand uit 
te sterven, niet zooals de wilden in America, die door de verlichte 
Europeanen worden uitgeroeid, maar door onderlinge veeten 
der Radjah's, en het onderdrukken en uitmoorden der bevol- 
king. De Sawoeneezen, Endeneezen en Rottehneezen schijnen 



42Ó 

bestemd om hunne plaats in te nemen, tenzij een wijs en 
krachtig Bestuur hen voor dien óndergang behoede. 

Niet verre van Kadoemboe, vonden wij nog de restes van 
met koraal opgestapelde muren, van eene groote kampong, 
waar vroeger een vorst gezeteld had; eene andere verder ge- 
legene kampong was in der tijd door de Endeneezen verbrand 
en uitgeplunderd — zie de kontroleur Roos — Verh. v. h. Bat. 
Gen. v. K< en W. dL 56. Thermr. 6 U v. m. 68°, 12 u 84°. 

Den 12 den September keerden wij langs denzelfden weg dien 
wij gekomen waren, naar Kabaniroe terug. Gelukkig dat bet 
Uu even als op onze heenreis, nog al winderig was, wijl de 
brandende zon op de vlakten anders verstikkend is, waarvan 
wij nu en dan enkele proefjes genoten. 

13 September. Planten en zaden van de reis verzorgd, de 
oogst was echter niet bijzonder groot. 

14 September, thermr. 6 U v. m. 56°, 4 U n. m. 86°. Toebe- 
reidselen gemaakt voor eene reis dwars door het land naar de 
Zuidkust. 

Den 15 den September dachten wij te vertrekken, doch wacht- 
ten te vergeefs naar de pikolpaarden, die echter in den loop 
van den dag gevonden werden. 

16 September. Eindelijk waren wij: de beide kontroleurs 
en schrijver dezes, een gids, een tolk, 4 bedienden, 6 oppas- 
sers te paard en 10 dwangarbeiders; 4 pikol- en 11 rijpaarden, 
des morgens 9 U gereed om te vertrekken. Onze karavaan be- 
stond dus uit 25 man en 17 paarden, zoowel om ons als om 
onze goederen te dragen. Na de Kambéra-rivier weder over- 
gestoken te zijn, namen wij denzelfden weg als vroeger tot aan 
de rivier Palamanjeli, welke wij opwaarts volgden door dezelve 
meermalen over te steken, waarbij de paarden er niet dieper 
dan tot den buik inzakten, de oever, waarlangs onze wegleid- 
de, waren hier en daar beplant met djagong, waartoe men 
kuiltjes in den zandigen bodem gemaakt had, zoodat men ze 
dagelijks kon begieten, anders is het in dezen tijd onmogelijk 
aanplantingen te doen, waren aan beide zijden meestal vlak, 



421 

zandig of steenachtig, doch weken daarvan ook soms af, we* 
gens de vooruitspringende rotsen tot in de rivier, welke dan 
beklommen moesten worden: doch eindelijk hield alle kuituur 
op en werd de vallei zoo smal, dat er behalve voor de rivier, 
dan links, dan rechts, slechts eene smalle strook voor een 
paadje overschoot. 

Om 4 U des n. m. toen wij *fc 10 palen hadden afgelegd en 
nu de beide zijden der rivier bijna geheel door de steile berg- 
wanden waren ingesloten, zoodat ons pad zich telkens in de 
rivier oplostte, kwam onze gids ons berichten dat wij halt 
moesten houden om te vernachten, wijl wij nu de rivier moes- 
ten verlaten om tegen de steile helling naar boven te klimmen, 
waartoe het nu echter te laat was geworden. Gelukkig be- 
rustten wij hierin, daar wij den volgenden morgen eerst in- 
zagen hoe ellendig wij den nacht zouden doorgebracht hebben, 
indien wij verder gegaan waren; wij sloegen dus ons bivouac 
aan den kant van de rivier op. 

Ik verzamelde intusschen nog verscheidene planten en toen 
het donker werd, trokken de met geweren gewapende oppas- 
sers op de wacht om de toegangen te bezetten, wijl op Soem- 
ba overal liefhebbers om paarden te stelen gevonden worden, 

Na onzen avond-maaltijd genuttigd te hebben, brachten wij 
den nacht rustig door. 

Den 17 den September, des morgens vervolgden wij de reis, 
doch het was niet gemakkelijk om uit deze vallei tegen de 
steile helling naar boveu te komen, wij deden zulks te voet, 
doch daar het pad zoo smal was, konden de pikolpaarden niet 
beladen worden, zoodat onze goederen eerst een goed eind 
weegs naar boven moesten gedragen worden, totdat wij bui- 
ten het bosch kwamen, waar het wel nog altijd steil naar 
boven ging, maar er nu ruimte genoeg was om de paarden 
weder te beladen, doch nu bleek het ook hoe ondoelmatig al- 
les was ingericht, de pakzadels braken ieder oogenblik, ook 
ten gevolge van de onbekendheid der reizigers, die ieder eene 
matras hadden medegenomen , die zoo groot was dat de paarden 



er de diepe en smalle paden niet mede konde passeeren, zoo- 
dat zij aanhoudend daartusschen beklemd raakten, alsdan moest 
afgeladen, gedragen en weder opgeladen worden, waarmede 
veel tijd verloren ging en dit duurde de geheele reis. De dra- 
gers der overige goederen waren door het steeds stijgende ter- 
rein , ook doodvermoeid en bleven achter. Gelukkig hadden de 
oppassers te paard wat van onze provisien medegebracht en 
werden teruggezonden om de dragers wat te ontlasten, zoodat 
des avonds 7 U eerst alles te Loko-Wienggoe vergaderd was, 
waar wij des n. m. 2 U reeds waren aangekomen en wijl hier 
eene kleine beek gevonden werd, besloten wij te vernachten, 
ofschoon wij niet meer dan 10 palen zullen afgelegd hebben; 
wij sloegen hier ons bivouac dicht aan den waterkant onder 
een breedgekroonden Naucleaboom op, en waren recht blijde 
water gevonden te hebben, wat op het traject van heden ner- 
gens anders aangetroffen werd, zoodat wij onze dragers, die er 
groote behoefte aan hadden, ook eenige flesschen vol toezonden. 

Was het gebergte in de vallei van Palamanjeli aan beide 
zijden steil, toch klommen wij daar geregeld den loop der ri- 
vier volgende, hier was het eerst een gestadig klimmen en 
daarna bij afwisseling klimmen en dalen, wat voor onze dragers 
zeer vermoeijend was. 

Wij passeerden eenige hoogvlakten-plateau's — en werwaarts 
ook het oog reikte, zagen wij niets dan dergelijk terrein, wat 
meestal met koraal bedekt was, waarop niets dan schraal 
gras — en dit veelal nog afgebrand — en zelden een enkele 
Casnarine- of Koesambiboom voorkwam. Op enkele plaatsen 
was de koraal reeds geheel ontbonden en in eene zwarte of 
roode klei overgegaan. Onze paarden hielden het echter op 
dien koraalbodem , steil klimmende en dalende , zeer goed uit, 
zonder zelfs veel aansporing te behoeven. In de valleijen reden 
wij soms door hoog en dicht gras, zoodat zelfs ons paadje niet 
meer zichbaar was en de paarden ons den weg moesten aan- 
wijzen. Elders en tegen de hellingen was het gras meestal 
afgebrand. 



425 

Bij ons bivouac was langs hel beekje eene min of meer moe- 
rassige plek, waar eene groote verscheidenheid van planten en 
boomen, die ik elders nog niet gezien had, voorkwam. Onder 
anderen de eerste en ook de laatste wilde Palmsoort: eene 
strnikachtige, doch wel 25' hooge, Caryota, benevens een 
boomachtige ïalauma. In het water groeide eene soort Blyxa, 
Equisetnm, Varens, Aroideën en Alpinia. De plaats heeft ha- 
ren naam te danken aan een soort Curcnma (Loko-Wienggoe), 
die er op onze legerplaats veel voorkwam, op dit gansche tra- 
ject hadden wij noch woningen, noch menschen ontmoet. 

Onze paarden vonden hier water en gras, waaraan zij groote 
behoefte hadden. 

De schildwachten betrokken weder hunne posten en zoo 
brachten wij den nacht verder rustig door. 

18 September. Dezen dag ontmoetten wij niet minder hin- 
dernissen dan den vorigen. Om half acht braken wij weder 
op en dwaalden den ganschen dag door een labyrinth van al- 
lei zonderlingst gevormd gebergte , van heuvels en dalen , welke 
wij om of over moeslen trekken en waarvan de verschillende 
op elkaar gestapelde lagen of bezinksels altijd horizontaal voor- 
kwamen en, hetzij door afstortingen, of wegens de met schraal 
en afgebrand gras bezette steile hellingen, duidelijk te onder- 
scheiden waren. 

Wij vonden op onzen weg noch water noch een enkelen 
boom, waaronder wij ons tegen de brandende zon konden be- 
schutten, daarbij kwam de gedurig terugkeerende averij aan 
de pakzadels der pikolpaarden , die wegens de smalle en diepe 
doorgangen tusschen de rotsen, gedurig af- en opgeladen moes- 
ten worden; eenmaal zelfs werd een der pikolpaarden, door 
het losraken der belading, schichtig en dwaalde langs eene 
steile helling tot aan den kant van een ravijn, waarin het van 
eene hoogte van ± 20' neerstortte, doch zijn val werd geluk- 
kig door de takken der daar voorkomende boomen gebroken, 
zoodat het er met slechts eene wonde aan het been afkwam, 
en zich zoo weinig over dit ongeval bekommerde, dat het on- 



424 

middelijk van het onder zijn bereik zijnde gras begon te pro- 
fiteeren. Het kostte echter veel moeite om hem langs een an- 
der punt weder naar boven te hijschen; zijne belading vonden 
wij ook langs de helling en in de takken der boomen terug. 

Na nog veel sukkelen, kwamen wij tegen den middag op 
een + 500' hoogen bergtop en in het gezicht van de rivier 
Loko-behlar, die lager in de Kambér a-rivier, valt; om eerstge- 
noemde rivier te bereiken moesten wij nu ook bijna 500' af- 
dalen, en was die helling zoo steil en geheel met onregelmati- 
ge rotsen bedekt, dat wij van onze paarden moesten afstijgen, 
om beneden te komen, en ook de paarden waren niet buiten 
gevaar, om van de rotsen neer te storten. Wij kwamen ech- 
ter zonder ongelukken beneden, en hadden plan om bij den 
Maramba van Samparowai, die iets verder woonde, aan te 
landen, doch vernamen hier bij den Maramba van Masoe Mai- 
dang, dat die Maramba pas onlangs overleden was, zoodat men 
ons daar niet zou kunnen ontvangen. Deze Maramba was ech- 
ter zoo vriendelijk om ons een nachtverblijf aan te bieden, 
waarvan wij dan ook dachten te profiteeren. Wij zullen de- 
zen dag wel niet meer dan tien palen hebben afgelegd. 

Ik bejammerde het zeer, geen geoloog te zijn, want het he- 
den gepasseerde terrein was in zijnen aard bewonderenswaar- 
dig, in de vorming kwamen honderde variaties voor, die on- 
mogelijk te beschrijven zijn. De plateau's die wij gisteren 
passeerden, werden heden vervangen door meer bolvormige top- 
pen en ruggen, die de daartusschen liggende dalen en ravijnen 
omsloten. 

Toen wij ten huize van den Maramba kwamen, vonder wij 
echter geen plaatsje, wat eenigzins voor ons logies in aanmer- 
king kon komen: wij zochten toen in een nabijgelegen boschje, 
waar ook eene kleine bron was, een lommerrijk plaatsje, onder 
een grooten Koesambi-boom eu sloegen ons bivouac daar weder 
op. In de rivier konden wij voor het eerst, na ons vertrek 
van de Palamanjeli-rivier, een verfrisschend bad genieten. 

De Maramba gaf ons een klein varken present, waarvoor wij 



425 

hem echter een tegen-geschenk gaven. Dit varken werd on- 
middelijk geslacht, en onder ons gezelschap verdeeld. 

De vegetatie was hier schraal, zoodat ik slechts weinige in- 
teressante planten mocht verzamelen. Ik leerde hier echter 
den boom kennen, »Soewah" die het fraaije touwwerk der 
Soembaneezen oplevert en bevond dat het een door den gan- 
senen archipel bekende boom w T as, namelijk de Gnetum gnemoin, 
op Java Tangkiel of Maniendjo en Bagoe, in de Molukken Ga 
némoe genoemd, welke ook overal als dienstig voor touwwerk," 
bekend is, doch nergens zag ik die bast zoo fijn en fraai, uit 
de hand bewerkt, als hier op Soemba. Nog een paar andere 
boomsoorten, wier basten voor hoofddoeken bereid worden, 
trof ik hier aan en wel eene Bronssonetia (Kembala) en An- 
tiaris (Kembala oeama). Te Kadoemboe wees men ons ook 
eene Ficussoort aan, wier bast tot hetzelfde doel gebezigd werd; 
die hoofddoeken verdienen echter op zijn best dien naam, wijl 
men er slechts breede banden uit klopt, die nog altijd stijf om 
het hoofd gewonden worden, zoodanig dat de beide punten, als 
horens naar boven uitsteken. Eene Canariumsoort (Karitak- 
koekassi) waaruit men damar trekt om te branden, werd ook 
hier even als eene soort Calamus (Rolan) gevonden. 

19 September. Na de gisteren verzamelde planten ingelegd 
te hebben, vertrokken wij naar Karita, wat wij echter heden 
niet bereikten, maar sloegen des avonds 6" ons bivouac weder 
op onder een Koesambiboom te Kemille-watoe , waar eenige 
huizen en ook water in de nabijheid gevonden werden. 

Even als de voorgaande dagen, trokken wij langs en over 
een kaal bergachtig terrein en hadden weder met veel hinder- 
nissen te kampen. Door dat wij gedurig naar onze dragers 
en pikolpaarden moesten wachten, die wegens de steilten en 
nauwe passages door de rotswanden, gedurig moesten ontladen 
worden, zullen wij heden wel niet meer dan 12 palen hebben 
afgelegd; wij troffen ook op onzen weg eene steile rots aan, 
welke trapsgewijze opliep en waarvan de trappen wel 5 a 4' 
boven elkander gelegen waren, wij klouterden hier op handen 



426 

en voelen naar boven en tot onze groote verwondering vlogen 
ook onze paarden tegen die steile trappen op, doch met zoo- 
veel inspanning dat de beide buiksingsels van mijn zadel spron- 
gen en het zadel achter mijn paard nederviel, een ander paard 
gelukte het niet zijn sprong te voltooien en viel op het kleine 
terras terug, waarna hij echter na een tweeden sprong, ook 
boven kwam. 

Kort na onze nederzetting kwamen eenige vrouwen uit de 
kampong ons gezelschap, siri-pinang en tabak aanbieden. 

Alvorens deze plaats te bereiken, moesten wij met veel moeite 
eene kleine rivier passeeren, die met kolossale rotsblokken en 
plat leivormig gesteente was opgevuld; hier was ook weder 
eenige vegetatie te vinden, waarvan ik mocht profiteeren en nog 
verscheidene gewenschte planten bekwam, waarin ik mij heden 
nog niet had mogen verheugen, wijl enkel op meer vochtige 
plaatsen, of aan de soms 100' hooge loodrechte bergwandenen 
langs de rivieren eenige vegetatie voorkomt, alwaar aan oogsten 
natuurlijk niet te denken valt. Heden zagen wij enkele ge- 
bergten met geboomte, vooral aau de bijna loodrechte wanden, 
bezet, wat echter meestal uit dezelfde soorten en niet van 
groote afmetingen bestond. De Koesambie is overal voorheer- 
schend, zelfs op de schraalste en onvruchtbaarste gronden ; hier 
beginnen nu ook de voormelde Ganariumsoorten veel voor te ko- 
men: op de naakte hoogten vindt men enkel eene boomachtige 
Polyphragmon, elders weder Casuarinen. Verder naar het zui- 
den neemt het plantenleven meer toe en vindt men daar in 
de valleien eene meer gemengde vegetatie, hoewel de hoogten 
nog steeds met schraal gras — veelal afgebrand- bedekt waren. 
Langs de rivieren op alluvialen bodem, begint nu ook eenige 
kuituur gedreven te worden, of is die vruchtbare grond met 
hoog riet bedekt, wat soms gekapt en verbrand, een vetten 
bodem tot den aanleg van tuinen achterlaat. 

20 September. Het was des nachts winderig en koud en 
van de buren hadden wij geen last, doch onze schildwachten 
werden steeds uitgezet, om over onze grazende paarden te 



427 

waken, zij zullen er echter wel eens bij ingeslapen zijn. Om 
half negen uur, waren wij tot vertrek gereed, en na onder 
weg een uur op onze goederen gewacht te hebhen, kwamen 
wij om half twaalf bij *den Maramba te Karita aan, zoodat wij 
+ 8 palen zullen afgelegd hebben. 

Den titel van Maramba komt enkel aan vorstelijke personen 
toe, doch men heeft de beleefdheid om ook de Europeesche 
ambtenaren met dien titel te bestempelen, wat wel zoowat ge- 
lijk zal staan met ons Mijnheer. 

Onder de kleine Radjah's troffen wij er onder weg, waar 
wij aan eene rivier halt hielden, ergens een aan, die bekend 
stond als een beruchte paardendief, waarop hij zich zeer ver- 
hovaardigde, en ons vertelde dat hij in zijn leven, meer als 
100 paarden gestolen had, nog onlangs 20 stuks; wel had men 
hem belegerd om die paarden terug te krijgen, maar de bele- 
geraars waren zonder succes afgetrokken. Op de vraag of hij 
geene mooie paarden te koop had, antwoordde hij neen, doch 
zoo de heeren er hebben willen, zal ik zorgen er spoedig we- 
der wat te gaan stelen. 

De weg van Kemillewater naar Karita, werd langzamerhand 
iets vlakker, hoewel wij nog vele steilten, ravijnen, beekjes 
en rivieren te passeeren hadden. Ook het gebergte werd veel 
lager en de vegetatie nam toe; vele berghellingen waren be- 
groeid en zelfs enkele bergjes geheel met geboomte bedekt, maar 
toch verdienden deze den naam van fraaie bosschen niet. 

Wij stegen bij de woning van den Maramba af en losten 
een paar geweerschoten naar 's Lands gebruik , waarna wij 
hem eene visite brachten. De Maramba ontving ons zonder 
complimenten, niet omdat hij te trotsch was, maar omdat hij 
geen Maleisen sprak en ook niet veel scheen te weten om ons 
te vertellen. Het gesprek moest dus door tusschenkomst van 
een tolk geschieden, doch er was weinig te verhandelen. De 
dames kwamen ook te voorschijn en boden ons, op expresse- 
lijk daarvoor vervaardigde bakjes van gevlochten rotan, siri- 
boewa en aan plaatjes gesneden Pinang moeda aan, die wij 



428 

welstaanshalve moesten ontvangen, en er ook van proeven en 
het overblijvende in onze zakken bergen. 

Het eenige hier staande huis van den Maramba was ruim 
genoeg, doch op Soembasche wijze gebouwd, dat is, beneden 
de varkens, paarden, houden, enz. Ter hoogte van 26 o' be- 
gint eerst het woonhuis op palen, met nog al zonderlinge ver- 
deeling van afgeschoten hokjes en bali-bali's, met eene opene 
plaats in het midden. Beneden bij den ingang is een gedeelte, 
bij wijze van receptiezaal, niet door dieren bewoond, maar 
leidt naar den trap, en aan de buitenzijde er van is eenebali* 
bali aangebracht, waarop de gasten mogen plaats nemen, en 
wij ons ook in gezelschap van de vorstelijke familie nederzet* 
ten. Alles ziet er zeer vuil en onberedderd uit, zoodat wij 
al spoedig inzagen dat hier geen plaats voor ons logies was, 
waarom wij verzochten ons een goeden schaduwboom aan te 
wijzen, waaronder wij bivouaqueeren konden. Men wees ons 
toen naar den rivierkant, waar wij onder eenige Ficus en 
Naucleaboomen ruimte genoeg vonden voor ons allen. 

De Maramba kwam ons daarna met een bezoek vereeren en 
ging er verder op uit om een karbouw, als geschenk voor ons, 
uit te zoeken, die echter met de tegengeschenken , die uit 18 
verschillende artikelen bestonden, duur betaald werd, en ons 
minstens f 50 kostte. Het is zelfs de gewoonte om die ge- 
schenken vooraf te ontvangen, om daarnaar het tegengeschenk 
— de grootte van een karbouw of varken — te regelen. 

Des avonds 6 U kwam de Maramba, met zijne 4 vrouwen en 
verder gevolg, ons weder een bezoek brengen; natuurlijk na- 
men allen, op den grond neergehurkt, plaats, terwijl wij op 
onze pakkage gezeten waren. De dames waren nog al spraak- 
zaam , doch de Maramba zag er wel vergenoegd uit , maar liet 
liever de anderen voor hem spreken. Wij tracteerden allen 
op een glaasje arak en den Maramba op een glas wijn, wat 
hem echter minder scheen te smaken en eindelijk raakten wij 
ze gelukkig kwijt, terwijl wij nog een heerlijk bad in de ons 
voorbijstroomende rivier konden nemen. Sommige Soembanee- 



429 

zen wasschen zieh nooit en daaronder behoorde ook onze weg- 
wijzer, die er echter wat anders op gevonden had; hij nam 
namelijk een stuk pit van de kalapa, kauwde dit fijn, spuwde 
het in zijne handen en bestreek er zijn gezicht en het boven- 
ste van zijn lichaam mede, waarna hij zich genoegzaam ge- 
reinigd vond. 

21 September. Daar wij hier een dag over bleven, had ik 
gelegenheid om de environs te bezoeken en vond daarbij nog 
menige schoone plant, waaronder verscheidene Filices en Acan- 
thaceën ; ook zag ik hier onder de vele in bloei staande Erythri- 
na's eenigen met witte bloemen, die even als de rooden tot 
E. lithosperma schenen te behooren, doch waarvan ik tot mij- 
ne groote spijt, geene rijpe vruchten mocht verzamelen. 

Wij vonden hier ook nog de sporen van verlatene sawah's. 

Op de rivier zagen wij eenige wilde eenden, die veel over- 
eenkomst met de tamme eenden hadden en even groot waren; 
zij hadden eene zwartachtige, grauwe kleur, met glanzend groe- 
ne vederen op de vleugels, en witte strepen boven en onder 
de oogen. Ik schoot er een van vleugellam en hield die nog 
lang in 't leven, doch zij stierf toch bij mijne terugkomst op 
Koepang. Hier en elders komt ook eene fraaije doch zeldzame 
vogel voor, die ik niet machtig kon worden. Hij heeft de 
groote van een lijster doch is dunner en slanker, bijna geheel wit 
en met twee verlengde staartvederen. 

De heeren kontroleurs waren bij den Maramba, om het hart 
van den geslachten karbouw te onderzoeken, terwijl ik mijn 
herbarium verzorgde, wat zeer noodig was, wijl alles op de 
reis slechts ter loops was ingepakt en sommige waterhoudende 
planten, niet genoeg gedroogd waren, er was echter nog niets 
bedorven. 

Ons volk was druk bezig met het afhakken en verdeelen 
van den geslachten karbouw, waarvan het vleesch, en vooral 
de déngdéng, ons heerlijk smaakte. 

Om 3 U n. m. kregen wij nogmaals eene visite van den Ma- 
ramba, met een gevolg van een SOtal mannen en een lOtal 



450 

vrouwen, die louter uit nieuwsgierigheid kwamen, om ons en 
onze bewegingen gade te slaan. 

Wij dachten hier fraaije paarden te koop te zullen vinden, 
doch kregen geen enkel goed paard te zien; wel bracht men 
er een te koop, doch dit was niet eens berijdbaar. De goede 
paarden schijnen zij schuil te houden, wellicht uit vrees van 
afgezet te worden. 

Honden zijn bij de Soembaneezen zeer geliefd, maar men 
overvoedt ze niet, zoodat zij zeer lastig en diefachtig zijn en 
ons wel eens kwamen bestelen. 

Den 22 8ten September om 8 U vertrokken wij naar Taboen- 
doeng, waar wij om l u aankwamen, na ± 10 palen te heb- 
ben afgelegd. Onze weg leidde heden soms over zachthellende 
vlakten met zeer vruchtbaren steenloozen bodem van zwarten 
kleigrond, waarschijnlijk het product der verweering van het 
aangrenzende lage rotsachtige gebergte; zij lagen echter nog 
te hoog , om er het water van de vele riviertjes uit den om- 
trek op te kunnen brengen, zij worden evenwel soms bij ge- 
deelten in kuituur gebracht. Behalve de gewone voedingsmid- 
delen, djagong en padi, worden daarop ook nogal veel Ana- 
nassen aangeplant, die er het langste stand op houden, zelfs 
nadat die velden op nieuw worden afgebrand, doch de inlan- 
ders maken er niet veel werk van, zij planten enkel om het 
hoogstnoodige voedsel te bekomen en doen verder liever niets; 
met djagong zijn zij tevreden en padi wordt meer als luxe 
beschouwd, zoodat die dan ook moeijelijk te verkrijgen is. 
Soms liep onze weg ook door schrale bosschen, die min of 
meer breed, langs de rivieren gevonden worden; daarin komen 
echter weinig of geene bruikbare houtsoorten voor : als bestaan- 
de meestal uit kromme laagstammige Koesambi, Nauclea, Klein- 
hovia hospita, Ficussoorten en langs de rivieren, vooral eene 
wilde Jambosa, Rotan en ander klein geboomte en struiken. 
Buiten dien zoom is echter geen spoor meer van bosch te vin- 
den, maar lost het terrein zich op in grasvlakten met enkele 
kultuurvelden en alleenstaande boomen, waaronder hier veel 



431 

Colbertia, Nauclea en Erythrina's, van welke laatsten hier ook 
enkelen met witte bloemen voorkwamen. 

De hoogere punten zijn of kaal, of met schraal gras bedekt. 
De hoofdrivier — waarschijnlijk de Kendjoeroekoe serang — 
moesten wij meermalen doorwaden, wat echter te paard, in 
dezen tijd geen bezwaar opleverde. 

Bij onze aankomst hadden wij al direct een belommerd punt 
aan den rivierkant uitgezocht, om er ons bivouac op te slaan, 
in welks nabijheid de Maramba op een heuvel in een boschje 
gevestigd was; wij deden het gewone salut met een paar ge- 
weerschoten, waarna de Maramba ons een bezoek kwam bren- 
gen, en ons een uur aan de praat hield, zoodat het 2 U werd 
eer wij aan tafel gingen; — onze tafel was een gewone gene- 
verkelder. Onder dien maaltijd overviel ons echter eene zware 
regenbui, hier iets zeer ongewoons in dezen tijd, die IJ uur 
aanhield, zoodat wij druipnat werden; wel liet de Maramba 
ons zijn huis tot schuilplaats aanbieden, doch het was te laat 
en buitendien hadden wij al genoeg van die vorstelijke wonin- 
gen gezien. Wij wachten dus geduldig den afloop der bui af 
die met zware donderslagen en bliksem vergezeld ging, en om 
5 U kregen wij zelfs nog een weinig zonneschijn, maar onze 
goederen en legerplaats waren doorweekt: gelukkig hadden wij 
in onze valiezen nog drooge kleeding behouden, zoodat wij ons 
verschoonen konden, maar onze legersteden moesten tot den 
volgenden dag wachten, om door de zon geblaakt, weder droog 
te worden, wij brachten er echter den nacht op door. 

Aan den voet van den heuvel door den Maramba bewoond, 
ligt tusschen deze en de rivier, eene wel niet breede, doch nog 
al in de lengte uitgestrekte vruchtbare vlakte, die vroeger als 
sawah gediend heeft, doch nu geheel tot weiveld was overge- 
gaan. Men gaf voor, dat gebrek aan karbouwen de oorzaak 
was, waarom men de sawah's verlaten had, doch de Maramba 
bezat een troep van wel 50 stuks dezer dieren, zoodat beteer 
aan luiheid van het tegenwoordige geslacht moet worden toe- 
geschreven, dan aan onvoldoende werkkrachten. Het is echter 



432 

niet te loochenen, dat ook de karbouwen door diefstal zeer 
verminderen, wijl de gestolenen meestal geslacht worden. 

De Maramba beloofde ons om den volgenden dag, op k, dag 
reizens afstand, voor ons te laten halen eene bijzonder groote 
soort bamboe en eene soort van wilde kaneel, die zeer geurig 
is, waaraan hij ook voldaan heeft. 

Deze bamboe heeft | v oet dikte in diameter, is niet te dik 
van hout, zooals de bamboe betoeng en ook veel minder zwaar, 
men gebruikt ze algemeen om water uit de rivieren te halen, 
daartoe gebruikt men 2 geledingen, te zamen 4' lang, welks 
beide uiteinden even als het middenschot door de geledingen, 
gesloten blijven, maar nu maakt men rechts en links van het 
middenschot eene ronde opening, werpt de bamboe in de ri- 
vier om ze vol te laten loopen, stopt dan de openingen dicht 
en draagt de gevulde bamboe alzoo op den schouder huiswaarts. 

25 September. De nacht was koel, en zoo vochtig, dat de 
nevel die ons omhulde, den ganschen nacht als regendroppels 
van het gebladerte op ons nederviel, wat mij echter weinig 
hinderde, wijl ik een stuk wasdoek over mijn veldbed had uit- 
gespreid, maar mijne reisgenooten hadden er meer van te lij- 
den. De zon kwam heden ook eerst om 8 U te voorschijn, maar 
deed toen ook zijne werking, om al onze goederen weder te 
droogen, waarvan ook miju herbarium mocht profiteeren. 

Langs de rivier was hier ook een min of meer breede zoom 
met geboomte bezet, waarbij ik echter weinig nieuws aantrof; 
op de rivier kwamen o ok weder dezelfde wilde eenden als te 
Karita voor, waarvan vrij verscheidene onder schot kregen en 
machtig werden. Ook de wilde duiven Pergam en Poenai, 
kwamen hier veel voor en schoten wij er verscheidene van. 
Deze vogels zouden den kontroleur Roos op zijne reizen zeer 
goed te pas zijn gekomen , doch wij hadden er geen behoefte 
aan, daar wij ons ruim van vleeschblikjes hadden voorzien en 
ten overvloede ook heden nog een karbouw, geschenk van den 
Maramba, geslacht werd, olie ons echter even als te Karita, 
duur genoeg te staan kwaï n. Dezelfde wilde haan — Gallus 



433 

furcatus (Bakikoe Jav. — Tjanggëgêr soend.) die ook op Java 
voorkomt, liet des morgens in onze nabijheid zijn schor slem- 
geluid dikwijls hooren. 

Tusschen Karita en Tahoendoeng vonden wij op een heu- 
vel langs onzen weg twee groote en een kleine grafsteenen, 
voor den eenen staat een platte a jour bewerkte hooge steen 
opgericht, volgens onze Javanen de Goenoeng Sari uit de Java- 
sche waijang voorstellende ; aan de voorzijde der eene ± \ voet 
dikke zerk , zijn 4 figuren uitgehouwen , welke door Ardjoeno 
en Bima aangevoerde hanen moeten verbeelden. De groote 
zerken rusten ieder op 4 behouwene steunpilaren, zijn lang- 
werpig vierkant en goed vlak afgewerkt; zij zijn volgens de 
Soembaneezen uit den hemel — Java — aangevoerd en de graven 
bevatten de lijken der eerste vorsten , die ook van Java zouden 
afkomstig geweest zijn. 

De Maramba leeft sedert vele jaren in vijanschap met een 
zijner naburen en zij moorden wederzijds geheele kampongs 
uit en nemen ook de koppen der verslagenen mede. Het laat 
zich dus wel begrijpen, waarom de bevolking, zoo hier als op 
Timor en elders, meer af- dan toeneemt. 

Den 24 sten September maakten wij een toertje te paard naar 
eene kampong waar de Maramba vroeger woonde, en waar 
vele graven gevonden worden, die met zoo kolossale dikke, 
langwerpig vierkante steenen bedekt zijn, dat wij ons geene 
voorstelling konden maken , hoe men die herwaarts had kunnen 
voeren; zij zijn echter niet van inscriptie's voorzien. In de- 
zelfde kampong troffen wij ook eenige Princessen aan, die op 
de bali-bali onder het afdak van een huis gezeten wareu, Zij 
waren uit een ander verafgelegen Rijk gekomen , om eene bruid 
voor den zoon van den Maramba uit dat Rijk af te halen. 
Men had reeds een 40 tal paarden als bruidschat aangevoerd , 
doch er werden nog meer andere goederen verwacht, alvorens 
de bruid af te leveren. 

Verder reden wij naar den oorsprong — zoo men zeide van 
de groote Kambérarivier , die uit eene sterk vloeijende bron 

deel xxxiv. 28 



434 

uit den voet van een steilen berg te voorschijn komt; op 
dezen berg moet een meer gelegen zijn , wat in den regentijd 
soms overloopt en hel water langs eene steile helling — mis- 
schien 100' hoog — naar heneden voert en daar op eenigen 
afstand van de bron vijf watervallen vormt die, over geele klei- 
achtige rotsen, zich iets lager met het bronwater in het 
riviertje vereenigt. 

Wij genoten gedurig het bijzijn van de lutje en vuile Soem- 
baneezen , die alles rondom ons met siri bespuwden; slechts 
enkelen kwamen eenige kleinigheden te koop aanbieden , zooals 
touwwerk van de soewahbast, djagong, obie's, paardentoomen, 
onrijpe ananassen, slechte pisang, kaneel, enz. voor alles eisch- 
ten zij echter goederen, zooals koralen, hoofddoeken, wit, rood 
en zwart katoen, enz. ver boven de waarde hunner producten, 
doch lieten ook wel eens wat afdingen en namen eindelijk ook 
zilvergeld voor lief. 

Tegen den avond arriveerden de gisteren uitgezonden lieden 
met groote bamboe-t irieng- en kaneel, waarvoor wij hun ƒ 4. — 
betaalden. De bamboe was niet van de grootste of dikste soort; 
van den voet tot in den top zal hij 80' lang geweest zijn — 
men had hem op de helft doorgekapt — doch slechts 5 duim 
rijnl. diameter en dikte van het hout | duim rijnl. met gele- 
dingen van 2' lang en zeer licht. De kaneel was van zeer 
goede kwaliteit. 

Den 2o sten September vertrokken wij als naar gewoonte des 
morgens om 8 U en kwamen , na ons een paar uur onder weg 
te hebben opgehouden, om op de dragers te wachten, l u n. m. 
te Tariembang aan. De weg was weder als altijd klimmende 
en dalende, soms ook horizontaal langs steile bergwanden met 
eene helling van soms stellig meer dan 13o° en het voetpad 
zoo smal dat geen twee paarden elkander konden passeeren en 
toch weten de paarden zich desnoodig op de achterhand in eens 
om te keeren. De steile afgrond aan de eene zijde was soms 
100 en meer voeten, terwijl de andere zijde even steil in de 
hoogte steeg. Nog altijd zwierven wij rond in een labyrinth 



455 

van heuvels en bergen met steile wanden die in eenige ravijnen 
afdaalden. Als bij uitzondering waren enkele dier ravijnen 
met eene schrale boomvegetatie bezet, overigens alles met schraal 
gras bedekt, of niet bedekt wanneer het pas was afgebrand. 
Eindelijk zagen wij de ravijnen zich verwijden en tot valleijen 
aangroeijen, wier zachthellende vruchtbare gronden bijzonder 
voor cultuur zouden geschikt zijn, doch die wegens de schrale 
bevolking, onbenut blijven of tot weiveld van paarden en kar- 
bouwen dienen. Voor sawah's zouden deze gronden almede 
zeer geschikt zijn, indien er water op te brengen ware, wat 
hier niet overvloedig voorkwam. Te Tapiel, eene kampong 
welke wij passeerden en waar de gronden nog al vlak waren , 
zou dit welligt gelukken. De koraal was hier geheel verdwe- 
nen en had voor eene kalkformatie plaats gemaakt. Te Tariem- 
bang vonden wij echter op de heuvels en bergen de koraalfor- 
matie overvloedig terug. 

Na onze aankomst te Tariembang, zochten wij met veel 
moeite naar een geschikt plaatsje voor ons bivouac, doch had- 
den niet veel keus, daar wij bij het weinige modderige water 
dat hier te vinden was moesten blijven, wij lieten dus in een 
naburig boschje eenig terrein schoonkappen , waarop wij op 
zijn best zooveel vlakte vonden om ons te kunnen legeren. 

Inmiddels hadden wij ook het gewone saluut gegeven , waar- 
op de Maramba ons een bezoek kwam brengen, wijl hij in de 
nabijheid op een eenigzins meer verheven terrein, op eenigen 
afstand door bosschen omringd, zijne vorstelijke woning — die 
veel had van eene koekraal — had opgeslagen; andere woningen 
waren er niet. Hij was een ond man met grijze haren, die 
weinig te beteekenen had, trouwens al die groote heeren Ma- 
ramba's zien er niet anders uit dan hunne slaven en gewone 
kamponglui; niettegenstaande zij veelal nog eene onbeperkte 
macht uitoefenen, zooals de heer Roos teregt heeft aangemerkt. 

De zoon van den Maramba, dien wij onderweg ontmoel had- 
den, was zoo vriendelijk gew T eest om ons vrijwillig den weg 
naar de Hoofdplaats te wijzen, doch reclameerde nu een hoofd- 



436 

■ 

doek als belooning en toen hem die geweigerd werd, dreigde 
hij zijnen vader Ie zullen overreden om ons niet te ontvangen. 
De oude man nam eehter geen notitie van hem en was zeer 
beleefd en vriendelijk, wij kregen zelfs nog eene geit ten ge- 
schenke, zooals het heette. 

Den 26 sten September maakte ik eene wandeling naar het in 
de nabijheid gelegene met boseh begroeide laag gebergte. Niet- 
tegenstaande de bodem geheel uit koraal was zamengesteld, 
zag er de vegetatie aan den voet nog al florissant uit, wat ech- 
ter hooger op, waar kolossale koraalklompen en steile muren 
van dat product voorkwamen, langzamerhand schraler werd. 
Tegen de soms 10 en meer voeten hooge loodrechte wanden 
dezer koraalmassa's groeijen echter nog verschillende Acantha- 
ceën, enz. Het geboomte was over het algemeen van geringen 
omvang, doch sommigen waren nog al hoog opgeschoten, en- 
kelen wel tot 100', zelden van 5', meestal van 1 en 2' dikte 
en dan nog van dubieuse kwaliteit, wat van beneden niet te 
onderscheiden was, te meer wijl velen bladerloos waren. On- 
der de goede houtsoorten herkende ik eenige Meliaceae, Lauri- 
neae, Pterospeimum, Calophyllum en Vitex. De meesten waren 
echter niet voor timmerhout geschikt, — waaraan de Soemba- 
neezen trouwens ook weinig behoefte hebben — daaronder be- 
hoorden voornamelijk veel Ficussoorten, Erythrina's, Salmalia 
Malabarica, enz. Het terrein in aanmerking genomen, was de 
verscheidenheid van planten hier toch nog al groot en daar 
waar de bodem meer waterrijk is en de vegetatie niet jaarlijks 
wordt afgebrand, ziet men steeds meerdere soorten vereenigd 
voorkomen. Het Sandelhout hebben wij op onze geheele reis 
niet ontmoet. 

Bamboe-hauër wordt hier en daar nog al aangetroffen, voor- 
al te Taboendoeng, maar hier zagen wij ze in het geheel niet, 
wel komt hier veel voor de Tjangkohreh: Dinochloa Tjangkoh- 
reh. Behalve de groote bamboe Tirieng, komen hier en daar 
ook nog andere soorten voor , echter niet zooveel als op Timor. 
Over het geheele eiland — waarvan ik slechts weinig zag — is 



457 

• 

de flora waarschijnlijk zeer rijk te noemen en doet wellicht 
voor Tiinor en de andere eilanden van den Timor-archipel niet 
onder, wat bodem en klimaat betreft verkeeren allen dan ook 
zoo wat in dezelfde omstandigheden. 

Ik beklom eindelijk nog het hoogste punt van den bergrug, 
over een zeer steil bergpad, dat meestal uit kalkrots bestond, 
en aan de andere zijde weder afdaalde, waarschijnlijk was dit 
de weg naar het strand, hetwelk ik hier van de hoogte, met 
de zee m 't verschiet , onderscheiden kon , en verder een ruim 
uitzicht had over de environs, welke overal uit laag gebergte 
bestonden, met eene frissche vegetatie bedekt. 

27 September. Wij hadden het hier des nachts vrij koel 
gehad en vertrokken des morgens te half acht uur. Om half 
5 U bereikten wij de rivier Loko-mandas, waar wij besloten te 
vernachten , wijl onze dragers nog achter waren en wij niet 
zeker waren voor den nacht nog ander drinkbaar water te 
zullen bereiken. 

Onze weg leidde alweder over bergen en door dalen; inden 
aanvang passeerden wij eene vallei waarvan de steile hellingen 
over eene vrij groote uitgestrektheid van het bosch waren ont- 
daan om in kuituur gebracht te worden, wat steeds rijke oog- 
sten van djagong oplevert en waar men niet verplicht is, om 
even als in de valleijen — waar de bodem veel gelijker en mis- 
schien nog vruchtbaarder is — den bodem om te keeren tot 
verdelging van den Alang-alang. 

Eindelijk raakten wij zoodanig tusschen dit gebergte inge- 
sloten , dat wij niet meer wisten hoe wij verder zouden komen 
en onze gids was ook de kluts kwijt: hij begon echter met 
zijn paard aan een touw de steile hoogte, waar het bosch was 
omgekapt, op te kruipen, en werd door de heeren Koutrolcurs 
gevolgd, maar toen zij na alle mogelijke krachtinspanning 
boven waren , bleek het dat zij niet den regten weg gekozen 
hadden, en onze dragers en pikolpaarden zouden hier zeker 
ook niet boven gekomen zijn. Gelukkig bood zich oen jonge- 
ling aan om ons den regten weg te wijzen, mits ik hem bv- 



458 

taalde. Ik beloofde hem een gulden en hij wilde het daarvoor 
wel doen, zoo ik hem vooruit betaalde — wel een bewijs dat 
men ons weinig vertrouwde — ik gaf hem een gulden en nu 
begon hij zelf naar den regten weg te zoeken , dien hij dan 
ook na heen- en teruggeloopen te hebben, eindelijk vond, waar- 
bij mijn vurig paard hem steeds op de hielen zal, en zoo 
bereikten wij de plaats waar de heeren Kontroleurs met hals- 
brekend werk waren boven gekomen. De weg ons door den 
jongen aangewezen , was ook wel steil , doch konden de dragers 
en pikol-paarden dien zeer goed volgen; het ergste volgde nu 
echter nog, daar het zoo steil werd en ons pad met hellende 
rotsen bedekt was, dat wij allen moesten afstijgen om zoo 
kruipende boven te komen; de brandende zon verlichtte deze 
inspanning niet, maar eindelijk bereikten wij een lommerrijk 
bosch , waar wij wat konden uitblazen en werd het nu verder 
ook minder steil, zoodat wij weder te paard konden stijgen. 
In dit bosch, dat tot dusverre door den bijl gespaard was, 
kwamen onder anderen ook vrij zware boomen voor, het was 
verder met heesters en struiken aangevuld. 

Het pad was zoo smal dat wij dikwijls met boomen en stom- 
pen in onaangename aanraking kwamen; misschien hadden wij 
daarin eene paal afgelegd, toen wij weder op open terrein 
kwamen, waar het bosch reeds geveld en in cultuur gebracht 
was. Nog altijd klimmende bereikten wij eindelijk het hoogste 
punt> waar wij een paar woningen vonden, en wat uitrustten. 
De bewoners waren zeer vriendelijk en waren niet eens zuinig 
met hun drinkwater, dat zij toch ver uit de vallei moesten 
halen; wij zagen hier thans niets anders dan tabak aangeplant 
en was men ook bezig die <p de Javasche wijze te kerven en 
in den zon te droogen; onze lieden maakten er gebruik van 
om voorraad voor de verdere reis op te doen , zonder naar den 
prijs te vragen, doch dit werd niet euvel opgenomen. 

Op dit verheven punt, misschien 1000' boven zee, hadden 
wij een ruim en prachtig uitzicht op de omringende bergen en 
valleijen, die vele afwisselingen vertoonden. Op vele dier hoog- 



450 

ste punten waren verscheidene huizen zichtbaar $ waaruit wij, 
in verband met de vele cultuurvelden die overal voorkwamen, 
opmaakten, dat deze streek nog al bevolkt moest zijn, wat 
evenwel wel eens van korten duur kan zijn , daar het uitmoor- 
den van geheele kampongs hier geene zeldzaamheid is. Deze 
twisten ontstaan gewoonlijk door diefstal van paarden, kar- 
bouwen of vrouwen en wijl er geen scheidsrechter bestaat, 
duren die jaren lang voort. Een naburige Maramba had van 
Tariembang 15 menschen in eene kampong vermoord, waar- 
tegen deze laatste er 40 van zijn nabuur geslacht had; vrou- 
wen noch kinderen worden gespaard en de koppen worden 
medegenomen. 

Den 28 steT1 September trokken wij verder en hadden nu geene 
zoo hooge steilten te beklimmen, echter bleven de hindernissen 
steeds voortduren en ook onze dragers hadden het hard te 
verantwoorden , zoodat wij besloten omstreeks 4 U n. m. halt te 
houden, onze bagage in te wachten en te blijven vernachten 
bij de rivier aan den voet van den berg Omang-oetoe-manoe , 
waartegen de twee echte Soembaneezen van ons gezelschap, 
de gids en de tolk, veel hadden in te brengen, en ons aan- 
spoorden om verder te reizen. De reden hiervan was, dat zij 
bang waren voor de geesten , die volgens Roos bl. 104, in de 
Ai-nitoe (Sandelhoutboomen) van dit bosch zouden gezeteld zijn. 

29 September. Ik haastte mij des morgens vroeg de rivier 
over te steken en vergezeld van een mijner volgelingen het 
bosch in te dringen en het gebergte te beklimmen, altijd inde 
hoop hier eindelijk het Sandelhout te zullen vinden, doch vond 
mij zeer teleurgesteld , wijl ook hier geen enkele Tjendanaboom 
te vinden was. In de nahijheid der rivier was de bodem nog 
vlak en kwam daarop veel Rotan voor, lot mijne verwondering 
zag ik , dat die wel degelijk geoogst was , ten blijke dat niet 
alle Soembaneezen zoo bang waren om dezen gewijden bodem 
te betreden , maar dat de beter-wetenden er van profiteerden 
om anderen bang te maken , opdat zij de producten van dit 
gebergte voor zich zei ven konden behouden. Verder het ge- 



440 

berg te beklimmende, vond ik ook nog een bijna onzichtbaar 
voetpaadje, dat naar boven voerde, doch had men zich wel 
gewacht om door het kappen van de struiken, dit pad ken- 
baar te maken. Zeer teleurgesteld keerde ik naar het gezel- 
schap terug en toen ik verhaalde wat ik gezien had, bleven 
de Soembaneezen nog steeds het stilzwijgen bewaren, en ik 
betwijfel of zij wel geheel van hunne vrees genezen waren. 

Na dit bezoek van het bosch aanvaardden wij de reis , die 
alweder veel op die der vorige dagen geleek, en waarbij wij bij 
het afdalen van het gebergte veel met vaste en losse koraal- 
blokken te kampen hadden, maar onze echte soembaneesche 
paarden bleven onvermoeid. 

Toen wij steeds afdalende de vlakte van Kambéra, tusschen 
Kabaniroe en Wai-Ngapoe , in 't gezicht kregen , moesten wij 
erkennen op onze geheele reis zulk eene schoone vruchtbare 
streek, beplant met honderden kalapaboomen , wier frissche 
kroonen met vruchten beladen en de daar tusschen voorko- 
mende tuinen , sterk afstekende bij het aangrenzende dorre ge- 
bergte, niet gezien te hebben. Na deze vlakte spoedig gecas- 
seerd te zijn, kwamen wij des namiddags 4 U weder te Kaba- 
niroe terug. 

50 September en 1 October had ik gelegenheid om al het 
door mij op de reis verzamelde te verzorgen. 

2 October begaf ik mij naar Wai-Ngapoe bij Sjarif Abdoel 
Rachman , die de goedheid had mij te vergezellen en op eenige 
palen afstand van zijne woning, aan de hellingen van het ge- 
bergte en de kanten der ravijnen, eenige Santalum album 
(Sandelhoutboompjes) aan te wijzen, welke hij verklaarde tot 
het roode Sandelhout te behooren, hoewel ik er geen verschil 
met de gewone gele soort in zien kon. Met zijne toestemming 
liet ik er een van kappen , om de stuk,ken naar Java mede te 
nemen. Hoewel hij hier §een grondbezitter is, heeft hij toch 
van de naburige Radjah's weten te verkrijgen, dat men het 
kappen van het Sandelhout oogluikend toelaat , mits aan zekere 
formaliteiten wordt voldaan, daarin bestaande, dat de Soem- 



441 

baneezen in massa gewapend opkomen en hem het kappen 
trachten te beletten; doch nu lost hij van zijn kant eenige 
geweerschoten , waarop de aanvallers op de vlucht gaan en hij 
ongestoord zijn werk kan voortzetten. De Soembaneezen heb- 
ben dus hun plicht gedaan en zijn voor de geesten verantwoord , 
wijl zij voor de overmacht hebben moeten zwichten. 

Het sandelhout moet in den droogen tijd, wanneer er eenige 
stilstand in den groei is, gekapt worden, wijl de boom anders 
na het kappen veel water laat uitvloeien, waarmede tevens 
de geur van het hout verloren gaat. 

Aan Sjarif schonk ik voor zijne hulp en welwillendheid een 
tapijt, waarop een oliphant voorkwam en hij zond mij als 
tegengeschenk eene fraaie soembasche kain of slendang, waar- 
mede wij beiden zeer tevreden waren. 

3 October. Gaarne was ik nog wat op Soemba gebleven om 
er, niettegenstaande het moeielijke reizen , wat hoofdzakelijk in 
gebrek aan transportmiddelen bestaat , nog meer van te zien, 
maar de Havenmeester van Koepang had er anders over ge- 
dacht en noodzaakte mij , om in gezelschap van den heer de 
Clercq, Adjunct Inspekteur voor het inlandsch onderwijs, — 
die Rotteh en Sawoe bezocht had en mij nu te Kabaniroe kwam 
afhalen te vertrekken en was het mij niet eens gegund om 
op de terugreis Endeh op Flores aan te doen. 

Wij vertrokken dus nog heden avond per kruisboot naar 
Koepang, waar wij eerst den 10 October aankwamen, daar 
wij op de reis met veel stilte, tegenwind en hooge zeeën had- 
den te kampen gehad. 

Mijn verblijf op Soemba was, onafhankelijk van mijnen wil, 
te kort om er meer van te zien en te kunnen mededeelen; 
aangaande de politiek van dit eiland heeft echter de heer Roos 
in de verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van kun- 
sten en wetenschappen deel XXXVI onder anderen, veel wetens- 
waardigs medegedeeld. 

11 October. De temperatuur te Koepang was sedert mijn 
vroeger verblijf aldaar, aanmerkelijk veranderd: 6„ v. m. 84°, 



442 

12 u 90°. Ik wachtte hier thans op de mailboot, om mijne 
verzamelingen naar Java te verzenden , doch instede van op 
den 10 den kwam die eerst den 17 den October aan; het was eene 
nieuwe pas uit Europa aangekomene boot, de Willem Kroon- 
prins der Nederlanden, kapt. de Wilde. 

18 October, de mailboot vertrokken en daarmede verzonden 
5 kisten planten, herbarium, zaden enz. voor 's Lands planten- 
tuin te Buitenzorg. 

20 October. Des morgens 6 U met den resident Humme en 
den schout Muller , per kruisboot naar Oïassa op Poeloe Sa- 
mauw vertrokken, doch wijl er geen wind was en het roeien 
ons weinig vooruitbracht, besloten wij in de medegenomene 
havensloep over te stappen, waarmede wij om 10 u te Oïassa 
aankwamen. De kruisboot die onze provisien aan boord had, 
liet zich echter nog lang wachten en arriveerde eerst des n. 
m. 5 U zoodat onze eetlust niets te wenschen overliet. Intus- 
schen bezochten wij de fraaie bron en badplaats, op korten 
afstand van het strand gelegen, onder de schaduwrijke Warien- 
gienboomen, waarvan de beschrijvingen wel eens zeer over- 
dreven voorkomen. De wariengienboom met meer dan 5000 
stammen bestaat slechts in de verbeelding en het woord Noe- 
noek beteekent niet » heilig", maar is de naam van Ficus ben- 
jamina. De bronnen zijn enkel met opgestapelde koraalsteen 
bezet, zooals men dit overal elders vindt. De environs, die 
er vrij schraal en verdord uitzagen, bevatten ook de bekende 
zwavelwaterstofgas of jodiumbronnen, die thans in den drogen 
tijd slechts weinig vloeiden en in eene geul van het terrein 
gelegen , zeer onbeduidend waren. Ik vond echter nog eenige 
gewenschte planten, onder anderen ook bloemen van de Pa- 
solder of kajoe Timor — Grewia Salutaris — die ik tot dusverre 
te vergeefs gezocht had. De Cassia marginata stond hier prach- 
tig in bloei, even als eene Vitex sp. doch de overige vegetatie, 
behalve in de lagere gedeelten, waar het water van de bron 
afstroomt en waar zelfs eenige weinige sawahbeddingen , met 
weelderige doch verwaarloosde padi, gevonden werden, was 



445 

meestal dor en bladerloos; zelfs de Tamarindeboomen , had- 
den hunne bladeren verloren, wat anders hunne gewoonte niet 
is, en toch ziet men tusschen al die schijnbare lijken enkele 
boomen met frisch groen en zelfs met bloemen prijken. 

De bodem is hier niet minder dan te Koepang met koraal 
bezet; lang de kust ziet men die als eene loodrechte muur 
van 4 tot 6' hoogte direct uit de zee verrijzen, en in het bin- 
nenland bedekt ze ook het heuvelachtig terrein. 

Wij vonden hier aan 't strand een aardig pondokje, ruim 
genoeg voor ons logies, en waren er zelfs stoelen en eene 
tafel voorhanden. De Radja van Samauw was hier ook met 
eenige Hovelingen, die allen niet veel te beteekenen hadden. 
Er werd een karbouw en een speen varkentje geslacht, zoodat 
onze tafel ruim voorzien was. Des avonds vertoonde eene Ten- 
tona of dansmeid hare bekwaamheden; een 20tal mannen stel- 
den zich daartoe, dicht aaneengesloten, in een halven cirkel, 
aan welks holle zijde de Tentona zich voor die mannen heen 
en weer bewoog, zonder dat er van eigenlijk dansen sprake 
was, maar de voeten zich slechts op eene elegante wijze be- 
wogen. De mannen gaven nu al zingende en het lichaam heen 
weer bewegende, zonder van standplaats te verwisselen den 
tekst aan, waaruit de Tentona hare zangen moest improviseeren, 
die gewoonlijk den lof der hooge gasten bevatten, onder ge- 
leide van de door haar zelve voortgebrachte muziek met een 
paardentoom, die met koperen bellen bezet was en die zij 
slechts te schudden had, om de toonen te doen klinken, waar- 
bij natuurlijk niet veel variatie voorkwam. Dit spel duurde 
bij tusschenpoozen tot laat in den avond, toen wij verzoch- 
ten om er maar een einde aan te maken, daar het ons niet 
bizonder amuseerde. 

In den omtrek worden ook nog enkele woningen der inlan- 
ders gevonden, die er kleine tuintjes op nahouden, doch het 
plantsoen moet in dezen tijd dagelijks begoten worden om iets 
te doen slagen, daarbij behoort tevens eene ompaggering, wijl 



444 

anders de tamme vakens er van profiteeren. Den nacht brachten 
wij rustig door. 

Den 21 sten October des morgens vroeg vertrokken wij te paard 
over land naar Haïng-sisi, wat geene kampong of bewoonde 
plaats, maar slechts eene goede ankerplaats voorstelt. Gebrek 
aan drinkwater, wat zelfs met putboren niet verkregen werd, 
zoodat het van Oïassa moet worden aangevoerd, belet deze 
plaats bewoonbaar te maken , hoewel er toch soms menschen 
tijdelijk verblijf houden om prauwen te bouwen. Wij namen 
slechts het hoogst noodige voor ons middagmaal mede, terwijl 
de kruisboot, die den Resident te Haïng-sisi weder zou komen 
afhalen, de rest inscheepte. De sloep was reeds des nachts 
derwaarts vertrokken, en vonden wij die daar ook bij onze 
aankomst gereed om ons naar Poeloe Kambieng te brengen. 

De paardjes die wij voor onzen tocht bekwamen, waren zeer 
klein en bijzonder voor deze reis geschikt, oni onder weg te 
jagen en te botaniseeren , daar zij niet wild en ook geene hard- 
loopers waren. De Resident schoot onder weg eenige duiven 
en ik verzamelde nog eenige planten. Het terrein dat wij pas- 
seerden bestond meestal uit een koraalbodem, begroeid met 
boom- en struikgewas, al hetwelk er even verschroeid als te 
Oïassa uitzag, daar ook hier even als op Timoi , sedert lang 
geen regen gevallen was. 

Levend water vonden wij nergens op onzen weg, en toch 
had men hier en daar de vegetatie gekapt en verbrand, om 
bij het invallen der regens tot den aanplant van djagong te 
kunnen overgaan. 

Het bleek ons nu ook dat wij, door onbekendheid met het 
terrein, een grooten omweg hadden gemaakt, daar wij een 
goed eind weegs oostelijk langs het strand hadden afgelegd 
om te Haïng-sisi bij onze sloep te komen , terwijl de koers 
naar Poeloe Kambieng westelijk was, zoodat wij dit traject 
onnoodig tweemaal, zoo te land als te zee, aflegden. 

Om 8« des morgens met de sloep vertrokken, kwamen wij 
omstreks 10 u te Poeloe Kambieng aan; die eilandje is slechts 



445 

spaarzaam met enkele boomen en struiken bezet, maar overi- 
gens geheel met hoog, thans verdord gras bedekt. Wij be- 
klommen het hoogste punt en vonden daar eene verzakking van 
den bodem bij wijze van eene groote kom of van een ouden 
krater, van eenige honderden voeten in doorsnede en + 50' 
diepte, waarin wij gemakkelijk afdaalden om de daarin voor- 
komende slijkvulkanen te bezichtigen. Deze hebben door het 
opborrelen van het slijk, verschillende hoogte bekomen, som- 
migen zijn gelijk met den bodem , wijl daaruit slechts water 
opborrelt , dat geene verhoogde temperatuur heeft, er iets troe- 
bel uitziet, en direct langs geulen kan wegvloeijen; de inlan- 
ders noemen dit water ajer sa boon , daar het als zeep tot was- 
schen kan gebezigd worden ; die putjes zijn echter van weinig 
omvang. De eigenlijke slijkvulkanen zijn van 3 tot 20' hoog 
in den pyramidaalvorm en geheel door het opborrelende slijk, 
dat eene witte grijsachtige kleur heeft, gevormd, en dat over den 
rand der opening wordt uitgestort en soms zelfs wordt opge- 
spoten. Daar dit slijk weinig vloeibaar is, zei het zich om 
de opening vast, of vloeit langs den min of meer steilen wand 
naar beneden, zich op zijnen weg nog verdikkende en de 
gootjes , die het zich gevormd had , verstoppende , zoekt het om 
nieuwe gootjes te vormen een uitweg. Even zoo is het gele- 
gen met den uitvloeijings-krater of de bovenste opening, die 
soms verstopt geraakt, wijl de opstuwings-kracht schijnt te 
ontbreken ; maar dan ontstaan even beneden het toppunt of 
zelfs aan den voet, spleten in de massa, waardoor het slijk 
zich nieuwe uitwegen baant en soms neven-pyramiden doet 
ontstaan. Sommigen schijnen geheel in rust, anderen ontwik- 
kelen ook gasblaasjes en bij nog anderen borrelt het water of 
slijk in het midden der opening slechts golvend op, zonder 
zich uit te storten. 

Op den bodem der kom , waar deze vlak is en geene slijk- 
vulkanen draagt, vindt men even als buiten de kom, nog ko- 
raalbeddingen, wel een degelijk bewijs dat hier geen sprake 
van een vulkaan is , maar wel van verzakking van den bodem , 



446 

zooals ei* op Poeloe Samauw meerderen voorkomen. Hoewel 
er eene ravijn bestaat, die het water uit de kom zou kunnen 
afleiden , heeft dit toch geen plaats , maar verzinkt ook zelfs 
het regenwater in den poreuzen met gras bedekten bodem. 

Er huizen hier op dit eilandje ook eenige herten , die gaarne 
van dit ajer saboon komen drinken : ook karbouwen , wanneer 
die hier in den cultuurtijd soms wordtin overgebracht, nutti- 
gen dit water gaarne, er is trouwens ook geen ander drink- 
water voor hen te vinden. 

Na het verlaten dezer bronnen werd met een lucifer het 
drooge gras op de hoogten in brand gestoken, en binnen een 
kwartier uur stond de helft van het eiland in lichtelaaije vlam , 
die zich met geweld als een storm tot aan het strand voort- 
plantte. 

Om 12 u waren wij weder aan het strand, waar wij onder 
de schaduw van het geboomte ons middagmaal nuttigden en 
nog wat vertoefden , om de brandende zonnestralen te ontgaan. 

Om 2 U vertrok de Resident met de sloep naar de kruisboot 
te Haïng-sisi, om daarmede naar Koepang terug te keeren: 
mijne bagage zou in eene vlerkpraauw — Behrok — worden 
overgelad n, om die naar Bakanoesa, werwaarts ik met den 
Radja van Samauw vertrok, over te brengen. 

Om half 4« kwamen wij voor Bakanoesa aan, waar wij 
wegens laag water, op eenigen afstand van den vasten wal 
moesten ankeren en toen over een modderig koraalrif onze 
goederen aan wal lieten dragen, wat ik voor mij prefereerde 
boven het wandelen op de scherpe koraalbank. Aan wal ge- 
komen vonden wij noch woningen noch menschen en de Radja 
vlijde zich aan het strand neder, wachtende op de dingen die 
komen zouden. Nadat ik wat rondgewandeld had, begon mij 
dit te vervelen en zocht ik het pad op, dat naar het binnen- 
land leidde, en vond niet ver van 't strand eenige woningen 
van zich daar gevestigd hebbende Rotlehneezen, bestemd om 
onze goederen te vervoeren, maar die wat lang op zich lieten 
wachten. Eindelijk kwam de Radja, die mij vermist had, ook 



447 

opdagen en wandelden wij toen naar de op omstreeks 3 palen 
verder binnenlands gelegene kampong Bakanoesa , om daar te 
vernachten. In deze kampong bevinden zich eenige, in de ko- 
raalrotsen door de natuur gevormde, hreede zoetwaterputten, — 
het eerste zoetwater dat wij na ons vertrek van Oïassa aan- 
troffen , — welke Ajer hoenoesang of Bakanoesa genoemd wor- 
den, en waar wij des n. m. 5 U aankwamen. 

Hier stond gelukkig eene loods, waar ik onder dak kwam, 
maar ongelukkig kwamen mijne goederen van de kruishoot niet 
aan voor den volgenden morgen 10 u , zoodat ik den nacht ge- 
heel gekleed , op een harde plank met een matje van den Radja 
gedekt, moest doorbrengen. De hier vertoevende Docter Tja- 
tjar was ook zoo vriendelijk mij nog een matje en een paar 
kussens af te staan. De vermoeijenissen van den dag deden mij 
evenwel eene goede rust genieten. 

De Radja en nog een paar lieden van zijn gevolg kwamen 
in deze loods ook hun avondmaal houden, en schenen geen 
plan te hebben om vroeg te gaan slapen, maar wel om veel te 
babbelen, zoodat ik hem vroeg hoe laat hij dacht te gaan sla- 
pen, dit scheen hij te begrijpen en zakte toen langzaam af. 

De vrouwen waren hier zeer vrij en spraakzaam en zagen 
er schooner en welgemaakter uit, dan ik ze ergens in dezen 
archipel ontmoet had. Zij kwamen den Radja en zijn gevolg 
ook aan tafel bedienen en sommigen verstonden zelfs wat ma- 
leisen. De Radja had hier ook nog leden zijner familie wonen, 
waarbij hij mij introduceerde en waar de gewone beleefdheids- 
vormen niet vergeten werden, door aanbieding van siri, pinang 
en tabak. 

Des avonds werd er eene groote mat van Gawangbladereu , 
in de opene lucht uitgespreid, waarop de Radja en vele ande- 
ren plaats namen, zoowel in zittende als liggende houding en 
waarbij een levendig gesprek werd onderhouden, waarvan ik 
echter weinig verstond , evenwel hoorde ik dat de Radja tot de 
100ste maal herhaalde, wat hij tot den Resident gezegd en 
wat deze geantwoord had; de schout, die hier nog al voor een 



448 

belangrijk persoon scheen gehouden te worden , kwam ook dik- 
wijls ter sprake. 

Honden — de lastigste van allen — varkens en kippen , be- 
zochten mij onophoudelijk en daar de wanden der loods van 
behbak waren samengesteld en niet te best aan elkaar sloten 
en er ook geene deur voorhanden was, bestond er voor hen 
alle gelegenheid om binnen te dringen , ofschoon ik een en 
ander zooveel mogelijk had laten barrikadeeren. Deze dieren 
schenen niet overvoed te zijn, wat ook met de 5 paarden, die 
des nachts aankwamen, het geval scheen te zijn; ook hier von- 
den zij op zijn best eenige droge grashalmen, on» zich te ver- 
sterken. 

22 October. Nadat om 10 u eindelijk mijne bagage was aan- 
gekomen, bespeurde ik dat mijn papier voor herbarium, waar- 
aan ik groote behoefte had, op de kruisboot was achtergebleven. 
Ik zond nu wel onmiddelijk een extra prauw-berok naar Koe- 
pang, om dit papier terug te halen, die den volgenden dag 
hier terug kon zijn, doch die eerst in den nacht van den 24 sten 
arriveerde. Gelukkig had ik mijne planten tusschen tikar's tot 
zoolang kunnen conserveeren. 

Er werd een varkentje en eene geit geslacht, zoo het heette 
om mij te tracteeren, en hoewel ik er voor bedankte, kreeg 
ik er toch een ribstukje van, het overige kwam den Radja en 
zijnen gasten uitmuntend van pas. 

Des namiddags 4 U veitrok de Radja naar zijne Residentie 
Pas Lehloh, werwaarts ik hem zou volgen, zoodra het papier 
zou aangekomen zijn. 

De bodem is in deze streken vrij vlak en slechts weinig met 
koraal bezet, doch behalve in de onmiddelijke nabijheid der 
waterputten, overal dor en uitgedroogd. Alang-alang wordt 
hier niet gevonden en het dorre gras was door het vee ook 
meestal verteerd, dat het hier in den drogen tijd hard te ver- 
antwoorden heeft , en — zoowel paarden als karbouwen en gei- 
ten — leeft van boombladeren , die daarbij ook nog spaarzaam 
voorkomen. De paarden bijten zelfs den bast af van sommige 



449 

boomen — vooral van de kajoe méra: Pterocarpus, kajoe Pasol- 
der: Grewia Salutaris, en Papi: Exocarpus, om hunnen hon- 
ger te stillen. De jonge paardjes hebhen het vooral hard te 
verantwoorden, daar de merrie's het te schraal hebben om genoeg- 
zaam melk af te zonderen. Ik zag er hier een paar, die niet 
meer op hunne beenen konden staan, doch men had er wat 
op gevonden en ze door inpaggering weder opgericht en wel 
zoodanig dat zij niet konden omvallen of gaan liggen. Er 
werden 4 palen in den grond geslagen en daaraan slieten ge- 
bonden, die langs de zijden, voor de borst en voor de achter- 
beenen, zoodanig geplaatst waren, dat zij niet konden gaan 
liggen. Van water werden ze nu goed voorzien, en daarbij 
getracteerd op hard verdroogd padiestroo, wijl niets beters te 
krijgen was; zij beten er wel niet hard in, doch de honger 
noodzaakte hen, om er zooveel mogelijk van te vermalen. Ik 
raadde aan, om ze met djagong te voeden, maar daarvan be- 
zaten zij ook niet meer dan voor eigen behoefte. Djagong is 
ook hier het algemeene volksvoedsel, ofschoon ook padie op la- 
dangs wordt aangeplant, doch op verre na niet voldoende. 

De kleine tuintjes van siri, suikerriet, pisang, jonge kalapa, 
enz. zijn allen sterk omheind, om het hongerige vee er af te 
houden, en moeten dagelijks begoten worden. Ananassen zag 
ik hier niet en pisang zeer weinig. 

Het was hier even warm als aan het strand: des avonds 8 U 
teekende de thermr. nog 86°, des nachts koelde het ook weinig 
af, vooral wanneer er weinig beweging in de lucht was. 

25 October, thermr. 6 U v. m. 80°, 12 u 90°, 2 U n. m. 91°, 
6 U 81°, 10 u 86°. 

Er komen zoo hier als op de andere eilanden, soorten van 
Calabassen van alle grootte en vormen voor, die wel niet eet- 
baar zijn, doch voor verschillend vaatwerk gebezigd worden, 
wijl ze, na van het inwendige verdroogde weefsel en van de 
zaden door eene opening te zijn ontdaan, zeer hard en duurzaam 
zijn, zoodat men ze zoowel voor droge als natte waren ge- 
bruiken kan. Men vindt ze van de grootte eener oranje-appel 

deel xxxiv. 29 



450 

tot die van een tonnetje, zij worden Bongko genoemd. Ik 
vroeg of die hier niet te koop waren, waarop men aanmerkte 
dat ze schaars voorkwamen , doch toen men er mij eindelijk 
een paar bracht, waarvoor ik 50 centen per stuk betaalde, 
kwamen ze van alle kanten met grooten en kleinen, aandra- 
gen, tot dat ik eindelijk na inkoop van een 40 stuks, de nog 
altijd aankomende moest afwijzen , zij schenen mijne halve 
guldens op hoogen prijs te stellen. 

Op de rondwandeling vond ik uitgebreide vlakke en vrucht- 
bare grond m, die nu echter door de langdurige droogte inge- 
krompen en gespleten waren. Geen enkel levend grassprietje 
was daarop te ontdekken; het weinige, wat er nog verdroogd 
op voorkwam scheen voor de dieren oneetbaar, daar die anders 
niet heel kiesch zijn uitgevallen. Men klaagde er over dat 
het gras in den lateren tijd meer en meer door de koenoe 
boesoek: Hyptis suaveolens, verdrongen werd, zonder dat 
men de reden daarvan gistte, die naar mijn inzien het gevolg 
is van de meer en meer in cultuur gebrachte gronden, waarop 
die plantensoort steeds volgt en wijl de tuinen van dit en ander 
onkruid gezuiverd worden. Meerdere cultuur is wellicht het 
gevolg van de nederzettingen der Rottehneezen , die zich hier 
en daar gaan vestigen. 

Het is treurig de vegetatie overal zoo dor en bladerloos te 
zien, slechts enkele diep wortelende boomen en heesters heb- 
ben hunne bladeren behouden en staan met een frisch groen 
als enkele levenden, tusschen zoovele schijnbaar dooden te 
pronken. Gebrek aan water bestaat hier overal, waardoor 
deze streken in den drogen tijd onbewoonbaar worden. De 
bronnen van Ajer-boek-noesang voorzien echter in drinkwater 
voor menschen en vee van de omliggende, hier en daar voor- 
komende woningen. Het zou een zegen voor deze eilanden 
zijn, zoo men door artesische putboringen goed drinkwater 
kon te voorschijn brengen. 

Op het meer verheven terrein > waar vele koraalblokken 
voorkomen, ziet de vegetatie er veel frischer uit dan in de 



451 

Vlakte, wat zeer tegenstrijdig schijnt, wijl zij geheel haar be- 
staan aan de koraal schijnt te danken te hebben. Onder de 
hoornen die de droogte het best trotseeren komen voor eenige 
Ficussoorten , dié als liet ware van de lucht schijnen te leven, 
Acacia's, een paar soorten Vitex, Koesanïhie en Tamarinde, 
hoewel de laatsten bij te langdurige en felle droogte, hier ook 
hare bladeren verliezen. Een kolossale Rhus (Béook) stond in 
vollen bloei, doch zonder een enkel blad, Cassia marginata 
was de prachtigste van allen en geheel met bloemtrossen be- 
dekt, die van het paarsch in het wit overgaan en daarbij eene 
aangename geur verspreiden. De bast van dezen boom wordt 
bij gebrek aan beter, ook wel als siri gekauwd, Cassia fis- 
tula met zijne gele bloemtrossen als gouden regen, Cyticus 
Laburnum, komt hier ook voor, doch van de vruchten — pijp- 
cassia — wordt geen partij getrokken. 

De zuster van den Radja, die hier in de nabijheid woonde, 
kwam mij trouw bezoeken en kleine geschenken brengen, om 
daardoor ook al van mijne halve guldens te profiteeren. 

De loods, waarin ik woonde, scheen ook zoowat tot socië- 
teit te dienen, want onophoudelijk kwamen de lieden daarin 
plaats nemen, om een praatje te maken. 

De jonge dames, die er zeer goed uitzagen, waren echter 
bescheidener en kwamen niet dan onder geleide binnen, zoo zij 
iets ter verkoop hadden aan te bieden, of zij zalen en liepen, 
met welgevormde ontblootte borsten, voor hare woningen rond 
te kijken, water te halen of huiselijke bezigheden te verrichten. 

24 October. Na aankomst der prauw-bérok van Koepang, 
die op zijne reis met hooge zeeën en het breken van eene 
vlerk had te kampen gehad, kon ik mijne planten verzorgen, 
waarna ik mij te paard zette om naar Pas Lehloh, het ver- 
blijf van den Radja, te vertrekken, dat ± 5 palen van Ajer- 
boek-noesang zal verwijderd zijn, waar ik om ll u des voor- 
middags aankwam, en onder een grooten schaduwrijken Ficus- 
boom, door den Radja, zijne hovelingen en eene menigte nieuws- 
gierigen werd opgewacht en verwelkomd, en waar wij op 



452 

stoelen en banken plaats namen, terwijl ook de Hollandsche 
vlag geheschen was. 

De Resident Humme had mij bij den Radja ten zeersten 
aanbevolen, en daaraan had ik wellicht al die voorkomendheid 
te danken. 

De weg van Ajer-boek-noesang naar Pas Lehloh liep zoowel 
over vlak als over geaccidenteerd terrein zonder koraalblokken : 
waar deze laatsten het meest voorkomen, staan de boomen meest- 
al nog met bladeren en zijn veel kolossaler dan op de koraal- 
looze vlakten; men kapt deze bosschen dan ook van tijd tot 
tijd, om er djagong te planten, doch spaart men veelal de 
groote stammen, die men slechts van al hunne takken ontdoet 
en die zich daarna spoedig weder herstellen. De padie wordt 
echter liefst op meer gelijke vette gronden geplant. De groot- 
ste boomen leveren de minst goede houtsoorten, licht en niet 
duurzaam, zooals Tetrameles nudiflora (Bonak), Gyrocarpus 
asiaticus (Bonak boesoek), Rhus sp. (Béook) enz. en toch bezigt 
men deze soorten tot het vervaardigen van prauwen, om dat 
het hout zoo gemakkelijk te bewerken is, doch ze hebben dan 
ook spoedig uitgediend en vereischen steeds veel onderhoud, 
behalve het gevaar waaraan men zich hiermede op zee blootstelt. 

Na de tepronkstelling bracht de Radja mij in een klein net 
huisje, dat pas voor mij scheen opgericht te zijn en waarin 
ik mij huisvestte; ook eene keuken was daarbij aanwezig, 
waarin ik voor mij kon laten koken en braden, en dat tevens voor 
logies mijner volgelingen diende, zelfs had men aan eene latrine 
gedacht, zooals ik er te voren nog nimmer een gezien had. 

Ik tracteerde de lieden allen op een glaasje sterke arak die 
zij delicieus vonden: ons huisje was echter zoo met menschen 
vol gepropt, dat ik mij op zijn best kon omkeeren: gelukkig 
raakte ik ze tegen den middag allen kwijt, maar om 5 U waren 
ze allen weder present, totdat ik eene wandeling ging maken. 
Ik bezocht toen op ruim eene paal afstand het laag gebergte, 
waarop eene groote waterkom gevonden wordt, die nu op 
drie plaatsen nog modderig water bevatte, terwijl in den regen- 



453 

tijd de geheele kom vol loopt. Hier vond ik ook de zonder- 
linge witte snip, met de lange heenen, zooals Ie Amarassi, 
terug. De bodem is kleiaehtig en hel Iroebele water wonlt 
bij gebrek aan beier toch gedronken, ofschoon men elders op 
bijna denzelfden afstand, helder drinkwater in een natuurlijken 
put in de koraalrols vindt , van waar dan ook veelal het water 
voor de hofhouding gehaald wordt, wijl te Pas Lehloh geen 
water voorkomt. Op de wandeling zag ik ook nog eene kleine 
wel van ajer-saboon; de geheele streek had veel overeenkomst 
met Poeloe Kambieng. 

Deze groote kom is eerst voor eenige jaren, door inzakking 
van den bodem ontstaan. Te gelijkertijd ontplofte, niet verre 
van daar, een andere heuveltop, die de modder hoog in de 
lucht wierp en daarna in groote massa door den verbroken 
bergwand uitstroomde. De bodem van een aan den voet gele- 
gen bosch werd over de oppervlakte van eenige bouws geheel 
met deze modder bedekt , waardoor de hoornen, die niet mede- 
gesleurd waren , ook allen afstierven. Die geheele zachthelleude 
vlakte had een witachtig grijs aanzien met gleuven, door het 
regenwater gevormd, doorsneden, doch de modder was thans 
half versteend, zoodat men er dunne platen van opnemen kon: 
plantengroei was er nog nergens op te hespeuren. 

In de nabijheid van Pas Lehloh bestaat eene prachtige uit- 
gebreide vlakte, waarop niets groeit dan enkele Zizyphus Jujuba 
en ook gras in den regentijd. De Zizyphus zijn rijk gedeco- 
reerd met Vanda's en eene soort Dischidia; jammer dat gebrek 
aan water ook hier de cultuur belemmert, daar de gronden 
anders vruchtbaar genoeg zijn: werwaarts men van de hoogten 
ook het oog richt, zijn de bosschen als in een doodslaap over- 
gegaan. 

Mijn veldbed had vele bewonderaars, men vertelde zelfs dat 
ik een klein huisje had medegebracht, ook de Princessen , doch- 
ters van den Radja , kwamen het bezichtigen en waren nederig 
genoeg om de proef te nemen of men er gemakkelijk in liggen 
kon. 



454 

De verhongerde kleine varkens en honden loopen hier dag en 
nacht overal onder de menschen rond, om zoo mogelijk eenig 
voedsel te bekomen, daarom had ook de latrine zijne zonder- 
linge gedaante, want in stede van een bril, was er een bali- 
bali van 5' hoogte, waarop men klimmen kon, om gerust en 
ongestoord te kunnen neerhurken. 

Des avonds was het feest en werd er geducht op de gamelan 
getrommeld, en daarna kwamen 4 Tentoona's tot laat in den, 
nacht hare fraaie bewegingen vertoonen, waarbij haar eigen- 
aardig gezang en de muziek der koperen paardenbellen niet 
ontbrak, en waarbij men zeer goed inslapen kan. 

25 October 6" v. m. 76°, 8 U 84°, 5 U n. m. 90°. 

Om 7 U steeg ik te paard, om onder geleide van den Tomo- 
kon van Laitaboen en een 30tal ledigloopers een toertje naar 
het strand bij Poeloe Méra te maken. Wij passeerden niet ver 
van des Radja's woning een bolvormig terrein, waarop geene 
vegetatie, maar wel zeepbronnen uit den vlakken bodem op- 
rezen : reden eerst naar de kampong Laitaboen , waar wij afste- 
gen en allen onthaald werden op zoeten toewak en laroe. De 
Tomokon dezer kampong scheen een gegoed man te zijn; het 
zag er hier alles welvarend uit en Lontarboomen waren er 
overvloedig. Van hier reden wij nu, meestal in de nabijheid 
van het strand, dan eens over koraalbanken , dan door het 
mulle zeezand, en ook over uitgestrekt alluviaal terrein, dat 
even als bij Pas Lehloh, voor 4 jaren geleden, uit het nabij 
gelegen laag gebergte gestroomd was, en ook daarboven een 
blijvend meer heeft achter gelaten. Langs het strand groeijen 
veel Pandanus spurius en Casuarinen afgewisseld met Lontar- 
palmen, die door gebrek aan bevolking niet geëxploiteerd wer- 
den. Wel zijn die boomen vroeger door eene kolonie van 
Rottehneezen bewerkt, doch die zijn op verzoek van den Radja, 
wegens hun slecht gedrag — rooven en stelen — ten getale van 
een paar honderd, naar elders verzonden. Nu zagen wij nog 
slechts eene kleine kampong van inboorlingen. 

De met modder bedekte vlakte zou bijzonder goed voor de 



455 

padiecultuur geschikt zijn, zoo ze in den regentijd niet aan over- 
stroomingen was blootgesteld en in den droogen tijd te hard en 
te droog werd. Ik kon niet opmaken of die overstrooniingen 
al dan niet konden afgeleid worden. 

De ontploffingen der heide hergen schijnen door dezelfde oor- 
zaken te zijn ontstaan , even als dit ook het geval zal geweest 
zijn met het bergje op het eilandje Poeloe Méra, van welks 
kruin ook een gedeelte is weggeslagen en in zee gestort. Van 
vulkanische werking kan hier geen. sprake zijn, maar wel 
schijnen onderaardsche gassen deze uitwerking te voorschijn 
te hebben gebracht. 

Eindelijk bereikten wij de kampong Oïtihoe of Oïtifoe , welke 
aan het strand tegenover het schiereilandje Poeloe Méra — gele- 
gen is. Hier hielden wij halt, om het eilandje te voet te gaan 
bezoeken. Na een eind weegs, langs het strand, door het 
witte mulle zand geloopen te hebben, kwamen wij aan eenen 
± | paal langen , van losse rolsteenen , als het ware door kunst 
opgeworpen dam , die naar het eilandje voerde en nu bij eb 
bijna droog lag, doch die bij den vloed, voor het grootste 
gedeelte onder loopt, zonder beschadigd te worden door de gol- 
ven der branding die van weerszijden aangevoerd , elkander 
oplossen. 

Het water begon intusschen te rijzen, zoodat wij ons haast- 
ten het eilandje te bereiken en het hoogste punt beklommen, 
waarop niets anders voorkwam dan door de zon verbrand gras 
en lage heesters van Clerodeivdron inerme. Beneden en langs 
het strand was de vegetatie iets weliger, doch ook daar kwa- 
men niet dan enkele kleine hoornen en doornige struiken voor. 
De kruin van het bergje was naar de zeezijde uitgeschoven , 
waardoor daar ter plaatse eene diepe en breede kloof ontstaan 
was, in welks zijwanden de zeevogels, die hier bij honderden 
voorkwamen, enkele broeinesten hadden aangelegd. 

Terugkeerende was het water reeds zooveel gerezen, dat ik 
er op enkele plaatsen tot aan de knieën doorwaden moest, 
Voor het eerst vond ik hier, langs den dam tusschen het ge- 



456 

steen te in het zeewater, een heester die niet hooger groeide 
dan ± 6' en dien ik vroeger nergens had aangetroffen. Later 
vond ik hem ook te Atapoepoe , op Solor , Andonare en Laran- 
toeka; het was Aegalitis annulata, waarvoor men geen ande- 
ren naam wist dan »kowak," welke naam op vele in zee groei- 
jende planten wordt toegepast. 

Bij het doorwaden van het zeewater had ik mijne schoenen 
uitgetrokken en slechts de kousen aangehouden, doch niette- 
genstaande hier geen koraal gevonden werd, waren toch de 
platte en hoekige rolsteenen zoo scherp, dat ik moeite had 
daarover voort Ie komen. Toen wij den vasten wal bereikt 
hadden, kwamen wij weer in het mulle witte en door de bran- 
dende zon verhitte en verblindende zeezand, waarop het bijna 
om te stikken was, zelfs de karbouwen vonden het te heet en 
stonden onder de weinige boomen van den omtrek te schuilen. 

In de kampang Oïtifoe terug gekeerd, tracteerde ik de voor- 
naamsten op een borrel, die ook mij wat verkwikte, en liet 
het door mij medegebrachte middagmaal zich daarop goed 
smaken, waarop wij allen wat gingen uitrusten. Een der 
inwoners bood mij zelfs een plaatsje in zijn huis aan, waar 
ik mij op eene tikar wat kon uitstrekken, doch van een mid- 
dagslaapje was geen kwestie, want daartegen protesteerden 
zoowel kleine kinderen als honden en kippen, wier plaats ik 
scheen ingenomen te hebben. 

Het traject, dat wij des voormiddigs tot hier toe zullen af- 
gelegd hebben , zal wel ± 6 palen bedragen hebben. Nu keer- 
den wij langs een korteren weg terug, die op niet meer dan 
4 palen gerekend kon worden. 

Zoowel op de heen- als terugreis vond ik nog eenige planten 
van mijne gading. 

Ik had een paar man gevraagd om eenige kleinigheden voor 
mij te dragen, doch in stede daarvan volgden ons, zoo als 
ik hiervoren reeds aanmerkte, wel een 30 personen, waarvan 
sommigen zelfs te paard , die dus allen voor hun plaizier mede- 
gingen, wel een bewijs dat tijd hier nog niet als geld bere- 






457 

kend wordt. Zij voeren over het algemeen, en voornamelijk 
in dezen tijd, dan ook luttel weinig uit, maar dooden den 
tijd met eten, liggen en slapen en zoodra de regentijd komt, 
hebben ze ook al weinig te doen, wijl het vuur hunne cul- 
tuurvelden reeds gereed gemaakt heeft. 

Des avonds was het weer feest en de Tentoona's zongen er 
weer lustig op los, die troep was nu zelfs nog met eene ge- 
trouwde, doch nog jonge vrouw — die vroeger ook Tentoona 
geweest was en permissie van haren man had verkregen om 
mede te doen — vermeerderd; van de overigen waren 3 nog 
jonge meisjes, dochters van Hoofden en slechts eene, die niet 
meer jeugdig was, was Tentoona van beroep: dezulken leven 
wel eens wat losbandig, maar blijven toch de achting der 
bevolking behouden. Daar ik haar heden even als den vorigen 
avond eenig geld gaf, werd ik in hare zangen — waarvan ik 
wel niets verstond, maar volgens zeggen van den Radja — 
tot in de wolken verheven. Zoolang deze meisjes ongetrouwd 
zijn worden ze zeer gevierd, men beschouwt ze bijna als hoo- 
gere wezens, die, zooals de Radja zich uitdrukte, even als de 
paarden moeten geleerd en gedresseerd worden ; zoodra zij 
echter trouwen houdt haar spel op. 

Hoewel ik om ll u ging slapen duurde het gezang, afwisse- 
lend met de Gammelan, tot na middernacht voort, waarbij 
de Radja zich zat te verkneuteren, wanneer hij om zijne flauwe 
aardigheden , door zijne onderhoorigen luidkeels en schreeuwend 
werd toegejuicht. Ik geloof dat daarbij ook menig glaasje arak 
gedronken werd, van mijne zijde hadden zij ook reeds eenige 
boirels brandy bekomen. 

Ik had hier, even als elders, steeds voor mijne eigene keu- 
ken gezorgd; wel kreeg ik nu en dan eenige kippen, vuile 
eieren en een weinig rijst present, doch had ik daarvan moe- 
ten leven, dan had ik zeker honger geleden; ik kan die han- 
delwijze dus ook gerust aan een ieder aanbevelen. 

De Radja schijnt niet rijk te zijn en ook weinig inkomsten 
te hebben, hij laat het geven van geschenken dan ook maar 



458 

geheel aan zijne Hoofden — de Tomokons — over; en hoewel 
ik er steeds voor bedankte, beriepen zij zich altijd op den 
hadat, waarvan zij niet mochten afwijken. Van betaling is 
geen kwestie, maar toch laten zij zich wel gaarne een rieng- 
giet in de hand stoppen en voor een rienggiet krijgt men hier 
veel gedaan ; voor 2 rienggiets kan men zich zelfs eene vrouw 
aanschaffen, plus f 1,50 voor de oude lui. 

26 October. Reeds om 6u 's morgens was ik gereed om 
naar Ajer-boek-noesang terug te keeren, daar ik heden de 
havensloep van Koepang verwachtte, om mij af te halen. Het 
werd echter 8u eer de lieden present waren om mijne bagage 
te transporteeren. Bij het afscheid nemen van den Radja gaf 
ik hem eenige kleine geschenken , die hij gaarne aannam , want 
hoewel hij Radja is van Samauw en van een gedeelte van Koe- 
pang op Timor, is hij even als zijne collega's toch een arme 
slokker. 

De Tomokon, die mij de vorige dagen vergezeld had, deed 
mij nu ook uitgeleide tot Ajer-boek-noesang; die man zag er 
lomp en onbeleefd uit, doch hij bleek mij nader een zeer fat- 
soenlijk en opgeklaard mensch te zijn. Hij sprak daarbij, even 
als vele andere andere kleine Hoofden , vrij goed maleisen, on- 
der de vrouwen vindt men dat zeldzamer. Over het algemeen 
is de bevolking hier veel beschaafder dan in de binnenlanden 
van Timor en schijnt ook een meer gecroiseerd en veredeld 
ras te zijn. 

De vrouwen en meisjes noemt men hier Nona's, zij zien er 
ook vrij wat gunstiger uit dan de Timoreesche inlandsche dames. 

De Tomokon, die mij vergezeld had, keerde huiswaarts, 
en daar ik geleerd had dat men hier zeer op zilvergeld gesteld 
is, gaf ik hem een rienggiet ten geschenke. Hij maakte ech- 
ter zwarigheid om dien aan te nemen daar hij geene betaling 
verlangde, doch toen ik hem verzocht dit aan zijne kinderen 
tot speelgoed te geven, werd zijn geweten gerust gesteld. Een 
arme Tomokon , hier te Ajer-boek-noesang , maakte volstrekt 
geene zwarigheid om een rienggiet aan te nemen, maar werd 



459 

daardoor zelfs zoo opgewekt , dat hij , bij gebrek aan de 
noodige dragers , zelf een gedeelte mijner bagage naar het strand 
droeg. 

Na den middag, toen het water nog dalende was, arriveerde 
de sloep van Koepang; ik kreeg er echter te laat kennis van 
om nog heden te kunnen vertrekken. 

Den 27 8ten October des morgens half zeven vertrok ik met 
mijne bagage naar het strand, waar ik de havensloep op een 
paar honderd passen afstand langs het koraalrif vond liggen, 
en daar het laag water was, kon ik mij in mijn medegebrachte 
stoel aan boord laten dragen. Om half acht uur vertrokken 
wij roeiende, <!och kregen spoedig een weinig wind om te 
kunnen zeilen, wat in den heginne vrij langzaam ging; daarbij 
waren wij aan de brandende zonnestralen blootgesteld, waar- 
tegen ik mij zoo veel mogelijk, met mijn toedoeng en regen- 
mantel, beschutte. Om 12 u kwamen wij echter behouden de 
rivier van Koepang binnen, waar het ook al niet koud was, 
wijl de therm r binnenshuis 90° teekende. 

Het weinige, wat ik van hel eiland Samauw zag, gaf mij 
weinig illusie van dit land; hoe koraalachtig ook, is het wel 
niet onvruchtbaar, maar gebrek aan regen en aan bergen om 
waler te verzamelen, maakt het in den droogen tijd tot eene 
woestijn. Alles is kwijnende, niet alleen de vegetatie, maar 
ook het dierenrijk, paarden, karbouwen, varkens, geiten en 
honden lijden gebrek en sommigen slepen als sceletten hun 
armzalig leven voort; van de jonge varkens ziet men niets als 
het geraamte, waarover de kale vieze huid gespannen is. Al- 
leen de menschen schijnen daarbij het gelukkigste; zij leven in 
een dolce farniënte, zonder zich om den dag van morgen te 
bekommeren, minstens zoo hun voorraad van djagong nog 
niet uitgeput is; zij slapen hier zeer gerust op houten banken 
van nog geen voet breed , aan welks eene einde eene verheven- 
heid op de uilgekapte plank is gelaten , welke tot hoofd- 
kussen dient. 

28 Octoher, thermr. 6 U v. m. 80°, 12 u 86°, Heden viel er 



460 

als bij uitzondering een weinig regen. Des avonds 6u arriveerde 
de mailbool Willem III, kapt. Bakker, van Mangkassar, welke 
eene groote bezending nuttige planten, uit 's Lands plantentuin 
te Buitenzorg, voor den heer de Siso mede bracht, die er 
een nuttig gebruik van maakte, door ze onder de bevolking te 
verdeelen. 

29 Oetober thernr 6 U v. m. 80°, 12 u 88°, 6 U n. m. 86°. 

30 i » 6 U n 85°, 12u 88°, 6" » 86°. 
51 » 6 U » 84°, 12" 90°. 

Den l ,ten November des avonds 5 U begaf ik mij aan boord 
van kruisboot No. 17, om de reis naar Atapoepoe te aanvaar- 
den, waar wij den derden des avonds 6« in de baai ten anker 
kwamen. 

4 November. Des voormiddags maakte ik eene wandeling 
ten oosten der baai langs het strand tot over de grens van het 
Portugeesehe gebied, en terug langs den voet van het geberg- 
te; dit vlakke nog al uitgebreide terrein, tusschen de zee en 
het gebergte, bestaat uit duinzand en aangeslibden modder- 
grond. 

Aan het strand en ook meer binnenwaarts , waar de zee 
bij den vloed nog binnendringt en de modder overstroomt, vond 
ik verscheidene zoutkokerijen , bestaande in vierkante bakken 
± 5' boven den grond, waarop men het met zout verzadigde zand 
plaatst, om het met zeewater uit te loogen en deze loog in 
daaronder geplaatste houten troggen op te vangen, om uitge- 
kookt te worden. 

Ik vond hier voor het eerst op Timor een Australischen 
vorm van Acacia met ongevinde bladeren, volgens Spanoge 
Acacia quadrilateraljs , die zoowel aan het strand in het zee- 
zand , als op het gebergte tusschen de koraalblokken , te gelijk 
met hel mede Australische geslacht Eucalyptus, veelvuldig 
voorkwam. 

Op deze vlakte, die op enkele plaatsen bewoond is, vindt 
men ook uitgestrekte Gawang-boschen , Pandanus en verschei- 
denheid van geboomte en struiken en direct aan het strand 



461 

veel Rhizophoren , Sonneratia, Excaecaria Agallocha, enz. Bui- 
ten deze verzamelde ik nog een aantal gewenscble planten. 

Het was op die wandeling vrij warm , en toen ik aan bo< rd 
terug kwam, teekende het daar in de kajuit ook 90°; onder- 
de zoiinetent, waar de zon doorheen brandde, was het nog 
warmer, zoodat ik kalapabladeren van den wal liet halen om 
die op de tent te leggen, waardoor het wat dragelijker werd. 

Des namiddags wandelde ik naar de chineesche kampong, 
welke bijna eene paal meer binnenslandsch ligt, passeerde en 
bezocht het verlaten fort, welks gebouwen er nog vrij goed 
uitzagen , doch wat thans ter slooping aan weer en wind wordt 
overgelaten. Ik bezocht ook den gezaghebber B. Winters, die 
tijdelijk in de chineesche kampong woonde, maar anders kort 
bij het strand aan de baai gevestigd is. 

De baai van Atapoepoe eindigt al spoedig in de vlakte van 
dien naam, zonder door eene rivier gevoed te worden; doch 
wegens de ligging dier vlakte tusschen steil oploopend gebergte , 
moet er in den regentijd veel regenwater afgevoerd worden, 
wat dan ook tengevolge gehad heeft dat de baai, die zich vroe- 
ger tot aan het uiteinde der vlakte uitgebreid moet hebben, 
langzamerhand is aangevuld en nog voort gaat, door het bezin- 
ken van zwarte vette aarde van het gebergte , zich naar de zee 
te laten terugdringen. Het einde der vlakte is mede door een 
steilen bergwand gesloten , doch het is de eenige uitweg om in 
het binnenland te geraken, zoodat men met veel moeite een 
voetpad langs die steilte heeft aangelegd. Daar ter plaatse 
ontspringt ook eene zoetwaterbron, welks water men niet 
drinkt dan na het gekookt en bezonken te laten hebben , waarna 
het een wit neerslag zou achterlaten , wat eer op kalk dan op 
koper — zooals men vermeent — zou wijzen. Ik nam er ech- 
ter een heerlijk stortbad. Het beste water dat er te bekomen 
is, wordt uit eene put in de benteng verkregen. 

De chineezen wonen hier tot dicht aan de bron, niet als 
naar gewoonte dicht op elkaar gedrongen, maar op ruime er- 
ven met geboomte beplant: zij leven van den handel met het 



462 

binnenland, waarvan de voornaamste uitvoer bestaat in sandel- 
hout, was, karbouwenhoorns en koffij; de cultuur van dit 
laatste product schijnt hier in de bovenlanden toe te nemen. 
Ik betreurde het dat ik er, door omstandigheden buiten mijnen 
wil, niet heen kon gaan om die gronden te bezichtingen , wijl 
ik er op Timor, wegens den kalkachtigen bodem en de lang- 
durige droogte, nog geene geschikte gronden voor gevonden 
had; wel had men in Amarassie eenige duizenden boomjes er 
van aangeplant, doch die waren allen, om onbekende redenen, 
weder afgestorven. In het aangrenzende Portugeesche gebied 
schijnt de kofficultuur ook goed vooruit te gaan. 

De alluviale bodem der vlakte is zeer vruchtbaar en worden 
daarop in den regentijd ook tuintjes door de inlanders aange- 
legd en zelfs ondiepe putten gegraven, om het plantsoen na de 
regens nog een tijd lang te kunnen begieten , doch in dezen 
droogen tijd was alles opgeruimd of verdroogd , daar de putten 
ook geen water meer bevatten en het bronwater in den bodem 
wegzinkt alvorens de vlakte te bereiken, zoodat de rivier ge- 
heel droog lag. 

5 November thernF 6 U v. m. 82°, 12 u 90°. 

Heden maakte ik weder eene wandeling en beklom ik een 
gedeelte van het steile oostelijke gebergte, waarop voorname- 
lijk de Eucalyptus alba en de Acacia quadrila teralis den 
boventoon voeren, doch de eersten, die hier tot aan zee af- 
dalen, zijn niet zoo kolossaal als in het gebergte van Takaip. 
Sandelhout kwam hier niet voor, ofschoon men van beneden 
gezien , de Acacia daarvoor gehouden had. De overige vegetatie 
zag er ook al even verschroeid uit als elders; maar toch vond 
ik er nog verscheidene welkome planten, onder anderen eene 
Josephinia, verschillend van de Josephinia imperatricis (zaliger 
gedachtenis aan de eerste Keizerin van den eersten Keizer 
Napoleon). 

Hoe gaarne ik ook het binnenland ware ingegaan, moesl ik 
toch om verschillende redenen de reis vervolgen. 

Des avonds 7u werd het anker gelicht en de baai uitgeroeid, 



463 

in de hoop daar buiten wind genoeg te zullen vinden om des 
nachts naar Alor over te steken, doch wij vonden ons daarin 
zeer teleurgesteld. In stede van wind, ontmoetten wij veel 
deining, wat op eene kruisprauw minder pleizierig is. Wij 
avanceerden den ganschen nacht weinig, maar slingerden met 
klappende zeilen heen en weder, zoodat ik op mijne hoede 
moest zijn, om niet uit mijne kooi te rollen. 

6 November des morgens. Nog altijd deining en windstille 
tot na den middag, toen de wind wat aanwakkerde en, alhoe- 
wel niet gunstig, zeilde toch onze boot scherp bij den wind 
op het doel onzer reis los, dat wij nu ook spoedig in 't gezicht 
kregen; doch door stroom en tegenwind, kwamen wij met 
roeien en zeilen niet dan tegen den volgenden morgen te Om- 
ba ij, voor de woning van den Posthouder van Alor J. J. Sick, 
ten anker. 

Den 7 dpn November des morgens vervoegde ik mij bij den 
Posthouder, die alhoewel geene aanschrijving omtrent mijne 
komst ontvangen hebbende, direct bereid was, om mij van 
dienst te zijn. Hij vergezelde mij op de wandeling langs het 
strand en den voet van het gebergte , waarbij ik weder eenige 
nieuwe plantensoorten mocht inoogsten. 

Deze groep eilanden zag er al even dor en kaal uit als 
elders in dezen archipel. Het strand was overal bedekt met 
wit zand of groote steenblokken , die ook meer binnenwaarls, 
vermengd met vette zwarte klei, veelvuldig voorkwamen en 
waarin men met goed gevolg djagong en andere cultuurge- 
wassen kweekte. Hooger op kwam eene dunne laag koraal 
voor, rustende op de primaire rotsen, of kwamen die rotsen 
zelve aan den dag. 

Op de zoogenaamde hoofdplaats, waar de Posthouder zijn 
verblijf houdt, bevindt zich tegen het gebergte, op meer ver- 
heven terrein , eene nog al uitgebreide Mohamedaansche kam- 
pong met eene kleine moskee en vele graven van Mohamedanen. 
Een breede, vrij goed onderhouden weg loopt een eind weegs 
evenwijdig met het strand, en leidt ook door deze kampong 



464 

om aan de andere zijde weder naar het strand af te dalen. 
Aan 'het strand wonen eenige, zoowel Mohamedanen als Djên- 
tioe's. Ook verder langs de binnenbaai »keboela" vindt men 
meerdere kampongs niet ver van het strand, aan de helling 
van het gebergte gelegen, die ook zoowel door Mohamedanen 
als door de eigene bevolking bewoond worden , en waarbij vele 
vruchtboomen : kalapa, lontar, manga, kanarie, katapang, enz # 
voorkomen. De kanarieboom groeit ook in het wild en de 
vruchten daarvan, die wel iets op Canarium commune gelijken, 
worden ter markt gebracht en zelfs naar elders uitgevoerd. 
De Pisonia alba komt zoowel in de kampongs als langs het 
drooge strand veelvuldig en in kolossale afmetingen voor: de 
jonge bladeren worden als groenten gegeten ; ook dragen ze 
hier overvloedig bloemen, die ik nog nergens anders dan op 
Balie-boelilieng gevonden had; vruchten vond ik hier echter 
ook niet. 

Levend water is hier niet aanwezig, doch bij de kampongs 
vindt men overal, niet ver van zee, vele putten van troebel 
water, dat zoowel om te baden als om te drinken gebruikt 
wordt. 

Na de lange en warme wandeling in de binnenbaai langs 
het strand en over heuvelachtig terrein, keerden wij met eene 
prauw-bérok, waarin 11 personen gezeten waren, en die door 
slechts 3 jongens, door de golven en zware branding geroeid 
werd, naar de kruisboot terug. De jongens waren zeer tevre- 
den, toen ieder een kwartje ontving. 

Het gebergte van Alor is door nog halfwilden bewoond, 
zoodat men daarin niet dan met gevolg en goed gewapend mag 
doordringen; zij komen echter wel eens naar de hoofdplaats 
om hunne producten — padie, djagong, wortelgewassen, enz. — 
te ruilen tegen lijnwaden , koralen enz. want gemunt geld heb- 
ben zij nog niet leeren kennen. 

Zeebevingen komen hier dikwijls voor en jagen de golven 
soms tot buitengewone hoogte tegen het strand op. De Post- 
houder, die niet ver van het strand woont, verloor nog onlangs 



465 

daardoor zijn gansenen inboedel, die met de terugkeerende 
golven naar zee gedreven werd. De vulkaan van het eiland 
Panter schijnt hiermede in verband te staan; ook het nabij 
gelegene kegelvormige eiland Poera heeft het voorkomen van 
eenen naar den oostkant uitgebarsten krater, hoewel daarop 
thans geene sporen van vulkanische werking meer te zien zijn. 

8 November. Om de binnenbaai verder op te nemen, stap- 
ten wij in eene prauw-bérok en voeren daarmede verder de 
baai in, gingen nu en dan aan land, tot dat het einde der 
baai zichtbaar werd, behalve eene smalle tak, die tusschen en 
achter het gebergte verdween. 

Mijn oogst was niet van veel aanbelang, daar de vegetatie 
langs het strand weinig verscheidenheid opleverde. Het strand 
was nu eens bedekt met kleine , en alsof ze uitgezocht waren , 
dan weder met eene groote soort rolsteenen , elders komen ook 
koraalbanken te voorschijn. 

De bevolking aan weerszijden der baai staat onder den Radja 
van Ombai, doch de bewoners van het zuidelijke gedeelte des 
bergs staan onder een anderen Radja, die nog woest en oorlog- 
zuchtig is, en soms invallen doet op het gebied van Ombai, 
daar de kampongs verbrand en de menschen bij massa's afmaakt, 
om hunne koppen mede huiswaarts te nemen. 

Het land is overal bergachtig en bestaat uit enkele pieken 
en in elkaar geschovene bergruggen , terwijl van plateau's geen 
sprake is, de berghellingen loopen meestal tot in zee, zonder 
eenig vlak voorland. De Eucalyptus alba komt hier ook op de 
hoogere bergruggen voor. 

De andere eilanden hebben dezelfde vormen , de hoogste berg- 
ruggen en pieken zullen ± 500 tot 1000' hoog zijn. De hoog- 
ste berg van het eiland «Panter" zou volgens Melvill 5110' 
bereiken. Tegenover Poeloe Poera draagt het een kleine kegel 
op zijnen rug, die zeer steil, doch geheel met een veel weel- 
deriger vegetatie , dan beneden op de ruggen , begroeid is ; 
daarop is echter geen spoor van vulkanische werking zichl haar. 

De wapenen der inlanders bestaan in boog en pijlen , waar- 

deel xxxiv. '30 



466 

mede zij zelfs kleine visschen in het water weten te treffen. 
In den strijd omhangen zij zich met schilden, als plankjes 
bereid van karbouwenhuid , waarmede zij zich het hoofd, de 
rug, de borst en eenen arm weten te bedekken, terwijl zij den 
anderen arm vrij houden om daarmede den boog tehanteeren; 
zij gaan dan ook niet recht op den vijand los, maar in eene 
schuine houding, den gedekten arm den vijand aanbiedende. 

Het borstschild is nog bezet met slachttanden van wilde 
varkens, en het hoofd met pluimen versierd. 

De schilden zijn langwerpig vierkant en zoo hard als plan- 
ken doch taaijer, en zijn dus tegen de pijlen beter bestand 
dan hout; maar als ze nat worden, worden ze week. Het 
ruggestuk bestaat uit 3 aan elkaar verbondene lappen, waar- 
van de eene den rug en de 2 andere de zijden bedekken; zij 
zijn , alzoo gewapend , niet te min te achten . doch voor schiet- 
geweer zijn zij , even als de Papoea's van Nieuw Guinea , zeer 
bevreesd : een enkel schutter is voldoende om allen op de vlucht 
te jagen. 

Men hecht hier ook groote waarde aan zaken die weinig 
innerlijke waarde bezitten; even als de Europeanen en andere 
volken aan den diamant, de Timoreezen aan hunne »moeti sa- 
lah" en de Dajaks op Borneo aan hunne martavanen , hier zijn 
het koperen toestellen »Mokko" die men eene waarde toekent 
van f 10 tot f 1000, en soms zelfs hooger, welk verschil niet 
in de grootte of fraaiheid, maar enkel in, alleen door hen 
gekende, vormen en teekens bestaat. Zij hebben wel iets in 
vorm van eene Europeesche potkagchel en dienen enkel bij 
feestelijke gelegenheden als muziekinstrumenten, door met de 
hand op het vastzittende deksel te slaan. Sommigen zijn ter 
halver hoogte vernauwd en van ooren voorzien, de hoogte is 
van 1 tot 2' en 1 tot Ij' in diameter: zij zijn uit meerdere 
stukken te zamengesteld , waarop teekeningen en figuren ge- 
slagen zijn. Men zegt dat ze in vroegere tijden van Java zijn 
aangebracht, maar thans niet meer nagemaakt kunnen worden. 
Ik zag er eenigen, die zeer oud schenen te zijn, en nog al* 



467 

beschadigd waren, waaraan evenwel de hoogste prijzen wer- 
den toegekend. 

Mohamedanen en Djêntioe's wonen hier vreedzaam Ie za- 
men; de eersten zijn dan ook weinig fanatiek en houden zich 
ook niet strikt aan de leer van Mohamad. Gaarne bedrinken 
zij zich aan arak, die zij niet onder het verbod van hunnen 
profeet rekenen , daar Mobamad zeker geen arak gekend heeft , 
en met het bedwelmende moet men het zoo nauw niet nemen , 
want de bedwelmende opium is toch ook niet verboden. De 
echte Arabieren te Koepang bedrinken zich in het geheim dik- 
wijls aan arak. 

De Radja van Ombai is ook tot den Islam overgegaan, doch 
dit wordt der proselieten zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt, 
daar zij de besnijdenis niet behoeven te ondergaan , en het 
voldoende achten wanneer de voorhuid even verwond wordt. 

Gaarne had ik ook Panter eens bezocht, doch bestond daar- 
toe geene gelegenheid, en daar de Djoeragan der kruisboot zich 
ter reede Ombai niet veilig achtte , besloot ik maar om te ver- 
trekken. Het was reeds 5 U n. m. en geen lichte maan, zoo- 
dat wij ons haasten moesten, om den hoek van het voor Poe- 
loe Poera liggende kleine eiland , Noha karikki , te passeeren , 
want wij liepen gevaar om tusschen beide voornoemde eilanden 
gedreven te worden, waar het zeer gevaarlijk zijn moet, wijl 
er meermalen prauwen verongelukt zijn. Wij werden door 
eene groote prauw-bérok geboegseerd en zetten alle riemen bij, 
doch juist toen wij bijna den hoek om waren, geraakten wij 
in eene hevige stroomrafeling , die alle krachts-inspanning van 
onze zijde overwon, en ons tot aan de rotsen van het strand 
terug wierp, zoodat de boot er zelfs een paar maal opstootte. 
Gelukkig stond er geene branding op die rots, anders ware 
het slecht met ons afgeloopen; wij raakten echter met veree- 
nigde inspanning van krachten eindelijk door den stroom, en 
nadat ook het zeil kon geheschen worden , kwamen wij het 
gevaar te boven, hoewel de zee nog steeds hevig woedde. De 
wind was ook ongunstig, zoodat wij tot laat in den nacht 



468 

bleven laveeren, zonder veel vooruit te komen. Des morgens 
was ik zeer verwonderd, toen ik bemerkte dat wij aan de 
westkust van Alor ten anker lagen. 

9 November. Ik dacht hier nog even aan wal te gaan en , 
hoewel er noch woningen, noch menschen te zien waren, raadde 
de Djoeragan mij dit toch af, wijl men daar niet meer veilig 
onder de inlanders zou zijn. Wij ligtten dus des morgens 6 U 
weder het anker en gingen onder zeil , doch hadden westelijken 
tegenwind, zoodat steeds gelaveerd moest worden; wij passeer- 
den echter Poeloe Poera en naderden Poeloe Panter, maar de 
zee werd hoe langer hoe onstuimiger, kookte hoorbaar en de 
golven verhieven zich hoog en sloegen soms aan loefzijde over 
de verschansing heen, zoodat mijn herbarium, dat op de kajuit 
lag , doornat werd , waarom ik later al het papier moest ver- 
wisselen. Onze boot lag , door eene fiksche bries voortgestuwd , 
bijna geheel op zijde, doch de Djoeragan kende de boot en 
meende dat er geen gevaar bij was; daar ik echter geen zee- 
man ben, was ik niets op mijn gemak. Gelukkig echter dat 
ik nooit last van zeeziekte had. 

Tegen den middag, toen wij buiten de straten van Alor en 
Panter in open zee waren, werd deze iets kalmer, doch kre- 
gen wij nu en dan nog zware golven, die onze boot deden 
dansen en overhellen. Mijne volgelingen hadden het spoedig 
allen afgelegd. Tegen den nacht kwam de boot wat tot bedaren. 
Mijne kooi was aan de lijzijde, zoodat ik geen gevaar liep van 
er uit te rollen, wat aan de loefzijde wel het geval was. 

Den 10 den November des morgens vroeg waren wij nog altijd 
in 't gezicht van Panter , wat steil uit zee oprees en eene bijna 
gelijke bergrug van wellicht 1000' hoogte vertoonde. 

Daar de Djoeragan geen kans zag om met tegenwind en 
stroom, langs Lomblen naar Solor te komen, was hij nu maar 
de volle zee ingegaan om gunstiger wind op te zoeken, zoodat 
wlj nu Timor weder in 't gezicht kregen; denkelijk de kust 
van Ambenoe en Soetrana. Te vergeefs kruisten wij den gan- 
senen dag en den volgenden nacht in de volle en holle zee. 



469 

Den ll den November bevonden wij ons nog zoowat op dezelfde 
hoogte als 24 u te voren; waren zelfs iets westelijker geraakt, 
in 't gezicht van de kust van Amfoeang, en met volkomen 
windstilte aan de deining der zee onderworpen. Tegen den 
middag kregen wij een meer zuidelijken wind, die langzamer- 
hand tot eene fiksche bries aanwakkerde, waarna wij eindelijk 
de Solor eilanden in 't gezicht kregen, waar wij — tot mijn 
leedwezen des nachts — door straat Lamakéra binnenvoeren, 
zoodat ik van al de interessante pieken van Lomblen enz., niets 
te zien kreeg. De zee was hier zoo effen en kalm alsof wij 
in een binnenmeer lagen. 

12 November. Des morgens waren wij reeds in straat Solor 
in de nabijheid van Manangga, waar de Posthouder van Solor 
zijn verblijf houdt, bij wien wij om 8« v. m. aankwamen. 
Hier ontmoette ik weder den Posthouder Ehrich, die sedert 
van Amarasie herwaarts was overgeplaatst om den Posthouder 
Pelt — die naar Pariti bestemd , doch hier ook nog aanwezig 
was, — af te lossen. Met deze heeren maakte ik eene wande- 
ling langs het strand, naar het oude verlaten fort Hendrik, 
waarin zich thans de Radja van Solor met zijne familie, in 
ellendige hutten, gevestigd heeft. Het ligt op eene verheven- 
heid, niet verre van het strand, en bestaat uit een vierkant 
met een hoogen muur omringd, waarin slechts ééne hooge 
houten poort, waarvan de deuren nog in goeden staat aanwe- 
zig waren ; anders ziet er alles nog al vrij slordig en onaan- 
zienlijk uit. Er is geen enkele boom aanwezig, zoodat het er 
brandend heet was , zelfs in de lage vuile woning van den Ra- 
dja was het om te stikken. Het haar der rondloopende kinde- 
ren had eene roodachtige kleur , als door de zon verzengd. De 
Soloreezen schijnen de eenigen in dezen archipel, die broeken 
dragen, doch die zijn van een eigenaardig model. Het zijn 
eigenlijk groote zakken , waaraan beneden twee openingen zijn, 
om de voeten door te steken: de broekspijpen zijn nog geen 
span lang. 

De Radja was zeer beleefd en deed ons uitgeleide tot buiten 



470 

de kampong, die aan den voet van het fort gelegen is; hier 
ziet men ook vele paggers van Opuntia polyantha en Curcas 
purgans, om de woningen en tuintjes der inwoners. 

Het strand was met koraalhanken hezet en leverde niets bij- 
zonders op , er groeide weinig anders als Rhizophoren , Sonne- 

RATIA ALRA, LuMNITZERA CoCCWEA en L. RASEMOSA. AeGIGERAS 

en Aegialitis annulata. De landzijde was nog schaarscher 
bedeeld, hier groeide slechts gras: Calotropis gigantea en 
Ipomoea pes caprae ; ook vond ik in de nabijheid van het strand 
eenige Eucalyptus alra in bloei, die verder aan het gebergte 
wat meer steenachtig is, menigvuldig voorkomen, doch even 
als elders slechts op eenigen afstand van elkaar. Zij beginnen 
aan het strand en loopen tegen de hellingen van het gebergte 
op: zij worden dikwijls van al hunne takken ontdaan, om de 
gronden voor de rijst- en djagongcultuur te kunnen benut- 
tigen, terwijl daarboven weder meer gemengde vegetatie voor- 
komt. Hooger aan het gebergte waren nog enkele punten met 
natuurlijk bosch bezet, die door den bijl schenen gespaard te 
worden ; misschien Pamali of om andere redenen , alles echter 
even schraal en verdord. De Lontarpalm kwam hier in uitge- 
strekte reien , op de hoogste punten der bergruggen , menig- 
vuldig voor, wat ik elders nog niet opgemerkt had. 

Langs het strand zagen wij verscheidene zoutwinningen, 
waartoe men vakken, bij wijze van zoutpannen en bedekt met 
grijsachtig zand, door koraalblokken afgescheiden, had aange- 
legd. Het zand wordt bij den vloed met zeewater verzadigd 
en bij den eb verzameld en, even als te Atapoepoe , in vierkante 
bakken op palen een paar voeten boven den grond geplaatst: 
de bodem dier bakken loopt in het midden puntig toe en is 
met matten bedekt, die het zeewater — wat nu op het zand 
gegoten wordt om dit uit te loogen — doorlaten , wat in daar- 
onder staande potten, wordt opgevangen. Dit water wordt 
verder tot eene sterke loog verdampt en in eene koekoesan 
van gevlochten bamboe gegoten, waaruit het langzaam druipt 
en aan de benedenpunt der koekoesan fraaie sneeuwwitte 



471 

stalaktieten vormt die per stuk verkocht worden , terwijl men 
het overige niet gekristalliseerde water verder verdampt, en 
tot fijn zout bereid. Dit zout wordt veel door handelaren van 
Koepang opgekocht en derwaarts vervoerd. Ook kalapa-olie 
wordt van hier nog al veel uitgevoerd. 

De terugtocht van het fort Hendrik naar Manangga was eene 
warme expeditie door de barre zon , doch een andere weg was 
er niet , en daar ik hier niets meer te doen vond , ligtten wij 
om l u n. m. het anker, om de reis naar Larantoeka te ver- 
volgen. 

Aanvankelijk hadden wij weinig wind, zoodat er geroeid 
moest worden, maar toen wij de Z. W. punt van het eiland 
Andonare omvoeren, kregen wij voldoenden wind om straat 
Flores in te zeilen. 

Het gebergte aan de Z. W. punt van Andonare loopt steil 
tot in zee af. Het was bezet met eene soort kajoe méra — 
Pterocarpus of Echinodiscus , die geheel bladerloos, zich als 
doode boomen voordeden, wat erg afstak bij de enkele daar- 
tusschen voorkomende boomen, die nog met een frisch groen 
prijkten; op enkele plaatsen aan die steile helling had men 
nog de takken van de kajoe méra afgekapt en verbrand, om 
er djagong onder te kunnen planten. 

Des avonds 7 U bereikten wij roeiende de reede van Laran- 
toeka, waar thans een Civiel gezaghebber geplaatst is; ook is 
het de zetel van eenige R. C. Pastoors, die de erfenis van de 
R. C. inlandsche Christenen, van het voormalige Portugeesche 
bestuur hebben overgenomen. Het Portugeesche bestuur onder- 
hield hier echter geene vaste geestelijken, maar zond die soms 
in kommissie van Delli voor de zielenzorg der inlanders. Die 
Heeren hadden er ook geene eigene woningen, maar logeerden 
in de vuile kampongs. 

Den 13 den November des morgens bracht ik een bezoek aan 
den Civielen Gezaghebber O'Brien, eene oude kennis van mijne 
reis in 1856, toen ik bij hem te Pantie, op de westkust van 
Sumatra , eene nacht doorbracht , en die mij mededeelde dat hij 



472 

wel degelijk eene aanschrijving, om wij behulpzaam te zijn, 
van den Resident van Timor had ontvangen en dat hij tot 
alle mogelijke hulp bereid was. Voorts maakte ik kennis met 
4 daar aanwezige Heeren Pastoors en hunne 2 broeders, die 
mij, even als de Heer O'Brien , logies aanboden , doch ik ver- 
koos liever op de kruisboot mijn eigen meester te blijven. 
Deze Heeren waren zeer vriendelijk en noodigden mij zelfs 
een paar malen aan hunne tafel; het is hier voor hen als het 
ware een verbanningsoord, daar zij met hunne leeken weinig 
conversatie hebhen, en zich met geene natuurwetenschappen 
weten te occupeeren. Hetgeen hier te krijgen is, is niet 
duur, maar er is, behalve kippen, vuile eieren, visch en var- 
kensvleesch , niet veel anders te bekomen : karbouwen en paar- 
den zijn op deze eilanden schaarsch of ontbreken geheel — 
de Pastoors houden er enkele paarden op na — zoodat zij hunne 
provisiën van Soerabaija, via Koepang, moeten hekomen, en er 
gaan soms maanden voorbij dat er geene communicatie met 
Koepang bestaat. 

De inlandsche Christenen zijn lieden , die niets op de orang 
Djèntioe vooruit hebben, dan dat zij soms ter kerk kunnen 
gaan en in enkele kampongs ook kapellen bezitten, waarin zij 
Litaniën kunnen zingen , waarvan zij natuurlijk niets begrijpen, 
ofschoon een der broeders belast is om hun de lalijnscbe woor- 
den van buiten te leeren. Zij zijn geheel op de inlandsche 
wijze gekleed , zoodat men de mannen , die geene broeken dra- 
gen, moeijelijk van de vrouwen onderscheiden kan. Hunne 
woningen zijn ook gelijk aan die der inlanders, laag bij den 
grond en onrein; voor de heeren geestelijken doen zij niets 
voor niets. 

Ik dacht te Larantoeka eene kleine stad Ie vinden , doch 
vond mij daarin zeer teleurgesteld. Enkel de heeren Pastoors 
bezitten eenige woningen op min of meer Europeesche wijze 
gebouwd, wat echter geene paleizen zijn; in eene daarvan 
woont ook de Gezaghebber. Ook hebben zij daarbij eene kapel 
opgericht. Van het fort zijn nog enkel de muren en een paar 



475 

daarin op invallen staande gebouwen aanwezig; rondom is het 
met wilde heesters en struiken begroeid. Verder is er ook 
eene inlandsche Christen-kampong, waarin ook de Radja Don 
GAsrAR zijn verblijf houdt, doch geen kraton bewoont. 

Levend water is hier evenmin als op de posten Alor en 
Solor, doch een paar putten geven hier vrij goed water. 

Van de reede, die vlak voor het etablissement ligt , beeft men 
een fraai gezicht op den berg Ilimandahiri , aan welks voet hel 
etablissement gelegen is. 

Deze kegelberg of piek zou volgens Melvill: 5045' hoog zijn, 
wat mij wel wat hoog geschat voorkwam. Hij is van beneden 
tot ruim halver hoogte van zijne natuurlijke vegetatie ontdaan , 
om de gronden bij afwisseling in cultuur te brengen, waarbij 
echter enkele boomen, die meestal uit Eucalyptus bestaan, 
gespaard waren. 

De berg zonder naam, in den Almanak hoog 7051', engele- 
gen tusschen den Ilimandahiri en Lobetobi, is bij de inlanders 
bekend als Kawalehloh. 

Van handel is hier weinig sprake , ofschoon op gezette dagen 
hier en daar markten gehouden worden , waar de bergbewoners 
hunne producten met die der strandbewoneis komen ruilen , 
want van gemunt geld is hier nog weinig kwestie; oude ver- 
sleten Hollandsche dubbeltjes zijn echter nog in omloop en zeer 
gewild. De strandbewoners verkoopen hunne waren ook gaarne 
tegen Hollandsche munten. 

14 November. Heden maakte ik eene wandeling in noord- 
oostelijke rigting, ± 5 palen ver van de Hoofdplaats, en keerde 
langs het stiand terug. 

De weg, dien ik volgde, leidde aanvankelijk door de kam- 
pong, verder door verlatene tuinen met enkele vruchtboomen 
en wild hout en eindelijk over een vrij effen terrein , waarop 
slechts spaarzaam enkele boomen op de grasvlakten voorkwa- 
men, totdat zich ook groepen van Lontarboomen voordeden. 
Aan deze vlakte scheen geen einde te zullen komen , waarom 
ik langs een binnenpad , door eene boschstreek — die tusschen 



474 

het door mij bewandelde middenpad en het strand lag — naar 
het strand afweek, om daar langs en door dit bosch terug te 
keeren. Hierbij passeerde ik verscheidene kampongs, in het 
bosch niet verre van het strand gelegen , waarin eenige vrueht- 
boomen, doch voornamelijk vele kalapapalmen voorkwamen. Deze 
kampongs waren meestal door christenen bewoond , doch zagen 
er even als de bewoners vrij haveloos uit. In eene dier kam- 
pongs vond ik eene kapel , waarin eenige vrouwen en kinderen 
geknield lagen en bezig waren litanieën te zingen. Aan het 
einde der kleine zaal was een altaar opgericht en versierd met 
beeldjes en bonte groepen. Verder zag ik, onder een afdakje 
in eene andere kampong, eene vrouw bezig met het weven van 
eene slendang van katoen en zijde , met figuren in regie lijnen 
gescheiden, die er zeer net bewerkt uitzag, doch men zeide 
mij dat een paar van deze — men kleedt zich altijd met 2 
stukken van hetzelfde doek — van 40 tot f 50 waard waren. 
Pastoor Metz vertoonde mij ook andere handwerken door de 
vrouweu alhier bewerkt, die er zeer fijn en aardig uitzagen. 

Het werd eindelijk zoo warm, dat mijn gids de Vaccina- 
teur van deze plaats — naar adem hijgde , maar toch kwamen 
wij gezond en wel weder te huis. 

15 November. De vegetatie op den top van den Ilimandahiri 
lachtte mij zoo aan , dat ik lust gevoelde dien te beklimmen , 
doch aangezien ik die reis niet in eenen dag kon volbrengen, 
diende ik een en ander mede te nemen, waartoe hier moeijelijk 
dragers te vinden waren , waarom ik besloot er vooraf een paar 
mijner volgelingen , vergezeld van 6 inlanders — die de Radja 
Don Gaspar zoo goed was te verstrekken — om den weg te 
wijzen en zoo noodig het geoogste te helpen dragen, heen te 
zenden, die dan ook des morgens vroeg vertrokken en des na- 
middags 5 U reeds terug kwamen met het bericht, dat zij een 
verkeerden weg waren ingeslagen, van waar zij den top des 
bergs niet konden bereiken. Zij brachten echter eenige inte- 
ressante planten mede , onder anderen eene andere soort Euca- 
lyptus als beneden groeide. Dit alles zag er zoo frisch en groen 



475 

uit, dat het vrij zeker schijnt dat het plantenrijk op die 
hoogte, behalve door den dauw, ook nog door de soms op de 
toppen dezer bergen rustende wolken gedrenkt wordt. 

De heeren Pastoors waren zoo vriendelijk geweest mij een 
hunner rijpaarden, tol het doen van toertjes, aan te bieden, 
waarvan ik heden profiteerde en met den heer O'Brien een paar 
palen ver naar de zuidwestzijde van het etablissement reed; 
de weg liep, of direct langs 't strand, of iets meer binnenwaarts. 
In de nabijheid der Hoofdplaats komen aan deze zijde ook ver- 
scheidene kampongs voor , eene zelfs met eene kapel ; ook zag ik 
daar het graf van den aldaar overleden Pastoor Meijer. Op 
± een paal afstand wordt de eigenlijke hoofdkerk gevonden. 
Het is eene langwerpig vierkante opene schuur, slechts met 
eene balustrade van eenige voeten hoogte omgeven, waarin 
men van buiten eenige schilderijen van heiligen aan de palen 
kan zien hangen, en met het altaar aan het einde der zaal. 

Eindelijk werd de weg versperd door eene steile rols, die 
wel voor voetgangers, maar niet voor paarden beklimbaar 
was, zoodat wij genoodzaakt waren terug te keeren. Met 
weinig moeite ware deze rots ook voor paarden begaanbaar te 
maken, doch daaraan denkt niemand, omdat de inlanders, be- 
halve de Radja, geene paarden bezitten. 

Gelukkig dat wij dit uitstapje te paard konden doen, want 
de brandende zonnestralen kaatsten van den dorren bodem fel 
op ons terug; mijn reisgenoot liep er eene verkoudheid bij 
op: daar hij erg bezweet te huis komende zich niet genoeg 
had in acht genomen. 

16 November. Op uitnoodiging van de heeien Pastoors 
maakte ik, in gezelschap van Pastoor Dijkman, met de kruis- 
boot een kort reisje naar Woereh, dat even buiten de baai 
aan de overzijde van Larantoeka, op het eiland Andonare, ge- 
gelegen is , waar ook eene kerk, die op invallen stond , gevon- 
den wordt, en waarin een der Pastoors des zondags den dienst 
gaat verrichten, hetgeen nu ook het geval was. 

Ik bezocht intusschen de omstreken langs het strand en in 



476 

het nu dorre binnenland, waar ik nog eenige planten inoogste. 
De Lontarpalm zag ik ook hier, even als op Solor, op de hooge 
bergruggen veelvuldig voorkomen. 

Er bevond zich hier tusschen het strand en het laaggebergte 
eene nog al uitgebreide vlakte, met half verweerde koraal, 
waarop enkele woningen voorkwamen, welker bewoners in 
den regentijd daarop hunne tuinen aanleggen. 

De bevolking spreekt hier aitemaal maleisen en ook de meeste 
plantennamen komen met die taal overeen. Men zegt dat hunne 
voorouders vluchtelingen, misschien wel zeeroovers, van Ma- 
lakka waren en dat zij de taal van dat land dus behouden 
hebben, wat veel waarschijnlijkheid heeft. 

Zoowel de inlandsche Christenen als hunne woningen en om- 
geving zagen er al even vuil en haveloos uit als te Larantoeka. 

Om half drie gingen wij weder scheep , en om 4 U waren wij 
weder ter reede van Larantoeka. 

Den 17 d " n November zond ik eene nieuwe expeditie naarden 
top van den berg Ilamandahiri, terwijl ik met den heer O'Brien 
weder een toertje te paard maakte in n. o. richting ± 8 palen 
heen en terug. Nu eens binnenlands en dan weder langs het 
strand. De vlakten waren overal met hoog gras bezet, waar- 
lusschen enkele vruchtboomen en wild hout; maar waarop ook 
uitgestrekte vlakten met Lontarpalmen voorkwamen, die we- 
gens de geringe bevolking, niet allen konden geëxploiteerd wor- 
den. Deze vlakte strekte zich aan den voet van het gebergte 
noord en oostelijk uit, en is even als het strand en de berg- 
helling met steenen bezaaid of bedekt ; koraal komt hier slechts 
zeldzaam voor. 

Tegen den avond zagen wij beneden den top des bergs eene 
rookzuil opstijgen , en toen het donker werd kon men de vlam- 
men tegen de steile helling naar den top zien opklimmen ; het 
vuur breidde zich meer en meer uit, zoodat eindelijk ook de 
top des bergs er mede verlicht werd ; het was zoo helder, dat 
ik zelfs de voor de vlammen staande hoornen, met den kijker, 
duidelijk kon onderscheiden. Mijne zendelingen hadden het 



477 

drooge gras in brand gestoken en waren nu boven , waar zij 
moesten vernachten. 

18 November. Eerst des avonds kwamen de bergklimmers 
terug, doch ik was zeer teleurgesteld met hetgeen zij mede- 
brachten. Voorgevende dat er niets anders groeide dan hetgeen 
zij de vorige keer hadden medegebracht, en wat ook beneden 
voorkwam, brachten zij dus niets mede, dan eene Garcinia 
met groene eetbare vruchten, eene Exocarpus, eene Piperaceae, 
5 soorten Orchidee», 1 Filix en 1 Musci. Ik had hun opge- 
dragen , om ook van het gesteente te verzamelen , doch zij be- 
weerden boven niets dan groote rotsklompen gevonden te heb- 
ben, waarvan zij niets konden machtig worden, doch ik ver- 
meende dat zij allen erg bang voor de berggeesten geweest 
waren en daarom weinig acht op het doel hunner zending ge- 
slagen hadden. Herten en wilde varkens hadden zij op hunnen 
tocht veel gezien. 

Bij gebrek aan genoegzaam vlakke gronden voor de cultuur 
van levensmiddelen, moet men zich natuurlijk, met de teelt 
daarvan , van de steile berghellingen bedienen , waarop djagong 
ook het beste voortkomt en dat dan ook het algemeen volks- 
voedsel uitmaakt, terwijl rijst hier slechts als bij uitzondering 
verbouwd wordt, hoewel die in de binnenlanden meer schijnt 
te worden aangeplant. 

Katoen slaagt overal meest zeer goed, en was voor groote 
uitbreiding vatbaar, doch men kweekt slechts zooveel als voor 
eigen behoefte noodig is. 

Het gevolg van dergelijke cultuur is dus noodwendig het 
uitroeien der bosschen, vooral daar, waar de bevolking betrek- 
kelijk nog al uitgebreid is, zoodat al het laag gebergte hij 
afwisseling in gebruik komt, waardoor de bodem overal zicht- 
baar wordt, soms geheel van geboomte ontdaan; doch meestal 
vindt men op verre afstanden enkele hoornen, die in den cul- 
t uur tijd van al hunne takken worden ontdaan, om daarna 
weder op nieuw door te groeien. Slechts op de hoogste, steile 



478 

en moeielijk te genaken pieken of bergruggen ziet men de 
toppen daarvan nog met de natuurlijke vegetatie bezet. 

Zelden ziet men op de meer vlakke, niet steenachtige gron- 
den den bodem door de strandbewoners eenigzins bewerken, 
door dien, in den droogen tijd, broksgewijze los te maken; 
maar algemeen vergenoegt men zich met het kappen en ver- 
branden van het ontwortelde onkruid en de takken van hoornen 
en struiken. Gelukkig is de bodem overal vruchtbaar genoeg 
om, in opvolging van tijd, eenen goeden f oogst te kunnen af- 
werpen, ofschoon door ratten, insecten, enz. ook wel eens 
misgewas voorkomt. Toch plant men weinig meer dan voor 
eigene behoeften noodzakelijk is. Ook de vischvangst geeft hun 
eenig voordeel. De bergbewoners schijnen daarop echter eene 
uitzondering te maken, wijl die van hunnen overvloed nog al 
wat ter markt brengen en daarbij ook van de jacht op herten 
en varkens profiteeren; zij zetten hunne jacht wel eens voort 
tot in de strandkampongs , waarbij dan wel eens een varken, 
geit of schaap te zoek raakt. 

Niet alleen in de binnenlanden van Flores, maar ook op de 
Solor- en Alor-eilanden , is men voor de inlanders niet veilig; 
onderling beoorlogen zij elkander ook dikwijls, waarop moor- 
den en rooven volgt, vooral als zij weten dat zij dit ongestraft 
kunnen doen. 

19 November. Daar ook de Gezaghebber O'Brien met deze 
gelegenheid naar Koepang wenschte te vertrekken, maakten wij 
ons heclen reisvaardig. 

20 November. Des namiddags half drie vertrokken wij van 
Larantoeka en kwamen om half zes uur te Manangga bij den 
Posthouder van Solor aan. Ook de Posthouder Pelt wenschte 
van deze gelegenheid te profiteeren om Koepang te bereiken, 
zoodat wij daar eenige uren vertoefden en daarna de reis naar 
Koepang voortzetten. 

21 November. Des morgens bevonden wij ons in straat La- 
makéra en sukkelden met een weinig wind die straat uit. De 
piek Boling op de N. 0. punt van Andorare hadden wij vlak 



479 

achter ons. De piek Lobelole van Lomblen ten noorden in 't 
verschiet , en de 2 pieken van Lomblen ten zuiden , voeren wij 
voorbij, die ecbter weinig op pieken gelijken. 

Den 22 sten November des morgens was bet gebergte van Am- 
foeang op Timor zichtbaar ; bij afwisseling hadden wij wind- 
stilte of een weinig bries, maar konden toch de kust van Timor 
niet nader bij komen; wel waren wij wat westelijk afgedreven. 

23 November. Na de windstilte volgde heden tegenwind 
en hooge zee, die echter tegen den avond wat bedaarde. 

Den 24 8ten November waren wij des morgens de kust meer 
genaderd, en sukkelden nog den gansenen dag langzaam voor- 
uit , om des avonds 5 U de reede van Koepang te bereiken. 

25 November. Na de verzorging van het op de reis verza- 
melde, maakte ik nog uitstapjes, zoo te voet als te paard in 
den omtrek van Koepang, en dacht nu, na verloop van 4 maan- 
den, nog andere planten dan vroeger te zullen vinden, doch 
dit leverde weinig op, wijl in al dien tijd geen regen gevallen 
was, zoodat zich ook niets had kunnen ontwikkelen. Wegens 
de volslagene windstilte en de zuidelijke declinatie der zon was 
de hitte thans zoo afmattend , dat het wandelen in de zon niet 
was vol te houden, en zelfs in de huizen was het buitengewoon 
warm , de thermr. klom nu dan ook geregeld tot 90° over dag, 
en daalde des nachts niet lager dan 88°, terwijl die in de maan- 
den Julij , Augustus en September niet hooger steeg dan 86° en 
zelfs afdaalde tot 66°, waarbij toten nog kwamen de frissche 
oostelijke winden , dus wel een groot verschil van de zuider- 
met de noorder declinatie der zon, en toch wordt Koepang 
voor een der gezondste plaatsen van onzen gansenen archipel 
gehouden. 

De regens lieten dit jaar ook lang op zich wachten; in het 
laatst van November viel de eerste regenbui. De lucht werd 
echter meer bewolkt en de bliksem in het gebergte ook gezien , 
waar zich dan ook enkele buijen uitstortten, maar Koepang 
bleef daarvan alsnog verstoken, even als van ijswater, wat 



480 

hier op hoogen prijs zou gesteld zijn; maar daarvan was geen 
kwestie. 

6 December. Des avonds en ook des nachts vielen er een 
paar flinke regenbuien, die de temperatuur eenigzins afkoelden- 

7 December. De windstilte maakt het weer even drukkend 
als voor den regen. 

Den 9 den December, des namiddags, viel er op nieuw ver- 
kwikkenden regen , die tot des nachts aanhield. 

10 December. De temperatuur is eindelijk wat afgekoeld, 
6" v. m. 84°, 12 u 86°, 4 U n. m. 84. De betrokken lucht brengt 
ook eene gunstige verandering te weeg. 

11 December, 6 U 82°. Reeds des nachts was het begonnen 
te regenen, en duurde dit ook des morgens nog voort; de lucht 
was geheel betrokken en de zon onzichtbaar. 

De mailboot, die hier den 10 den verwacht werd, kwam niet 
opdagen, maar toch kon die ieder oogenblik arriveeren, zoo- 
dat ik alles ingepakt en mij voor de terugreis naar Java ge- 
reed gemaakt had, en werd er nu elk oogenblik naar de komst 
van die boot uitgezien, daar de lieden op de buitenposten 
natuurlijk allen naar de komst dier boot verlangend uitzien. 
Ik mogt mij nu ook geen oogenblik meer van de plaats verwij- 
deren, wijl die boot hoogstens 24 uren op de reede vertoeft. 

Het is v wel waarschijnlijk dat de langdurige droogte tot de 
vruchtbaarheid van den bodem veel bijdraagt, daar de lucht 
overal door den gespleten bodem kan indringen, om die te 
ontbinden en het voedsel voor de planten te bereiden, waar- 
door ze bij de invallende regens des te weelderiger opgroeijen; 
het zou nog te bezien staan of bij gedurige regens, het gan- 
sene jaar door, de bodem wel zoo vruchtbaar zijn zou. 

Evenwel kan men hier in den droogen tijd ook alles met 
goed succes aanplanten, zoo men dagelijks besproeijen kan. 
Het is zeer interessant om te zien hoe sterk de groeikracht 
hier is, en hoe alles zich gemakkelijk laat stekken en verplan- 
ten; groote rozenstruiken die verplant waren, stonden eene 
maand daarna weder in vollen bloei. Van deze, en van meest 



481 

alle andere planten, behoeft men slechts eene lak af te snijden en 
in den grond te steken, om nieuwe planten te erlangen; dit 
gaat hier alles veel gemakkelijker dan op Java, zoo de 
planten slechts vochtig gehouden worden. Druiven groeijen 
hier zoo snel en weelderig, dat men ze bijna kan zien groeijen. 
De Legerstroemia indica is hier een der prachtigste heesters; 
wanneer die soms getopt of liever op eenige voeten boogie ge- 
heel afgekapt wordt , brengen de jonge zich ontwikkelende loten 
allen zware bloemtrossen voort, die, door opvolging der bloem- 
knoppen aan denzelfden tros, maanden lang blijven doorbloei- 
jen. In de vlakte van Koepang, waar de rivier vele water- 
dampen ontlast, en waar buitendien nog eene lange waterlei- 
ding is aangelegd, die de geheele stad besproeit, ziet er ook 
alles veel frisscher en bladrijker uit, dan op den hoogeren 
droogen koraalbodem, waar men niet veel anders ziet dan 
schijnbaar doode boomen en struiken en verzengde planten. 

12 December. De regentijd schijnt nu voor goed te zijn 
ingetreden ; het was den ganschen dag buijig , met afwisseling 
van N. W. wind; ook de temperatuur is veel lager, des mor- 
gens 6 U 82°, den middags 12 u 84°; het verschil is dus niet 
zoo groot als in de oostmousson. 

15 December. De N. W. wind deed hevige branding op de 
kust ontstaan , zoodat het zeer gevaarlijk zou geweest zijn, om 
aan boord te komen; gelukkig bleef de mailboot nog wat weg. 

16 December. De zware branding en booze zee blijven aan- 
houden. 

17 December. De regens blijven aanhouden, waardoor de 
rivier sterk gezwollen is, en er geene kans bestaat, om eene 
sloep of prauw naar buiten te brengen. 

Den 18 den December werd het weder mooi weer, de zee was 
bedaard, doch steeds N. W. wind, zoodat het moeite koslle 
om eene langboot in zee te brengen. 

19 en 20 December, als voren, doch het weer is drukkend. 

Den 21 sten December kwam eindelijk des morgens 10" de 
mailboot William Mackinnon, kapitein Buijs, ter reede van Koe- 

deel xxxiv. 31 



482 

pang, om des avonds 9 U de reis naar Makassar te vervolgen, 
waarmede ik ook de terugreis naar Java aanvaardde. Het 
weer was gunstig en de zee bedaard. 

Den 22 sten December kregen wij Flores in 't gezicht; de piek 
van Lobetobi was in wolken gehuld, doch de vuurberg van 
Endeh was goed zichtbaar. De kruin van dezen berg is geheel 
verdwenen en de uitbarsting des kraters is naar zee gekeerd, 
waarin deszelfs voet steil afdaalt. Uit 4 solfatara's steeg de 
rook aan den rand der zuidzijde, en uit het midden des kraters , 
hoog in de lucht. Het eilandje Endeh, dat in de baai van dien 
naam ligt, deed zich zeer steil, kaal en geribd voor. Verder 
volgden 5 pieken in 't verschiet, waarvan de eerste stomp, en 
de 2 volgende fraai afgerond en naar boven puntig toeliepen; 
uit de 2 e meende ik een rookwolk je te zien opstijgen. 

Het golvend gebergte — voor zooveel zichtbaar of niet met 
wolken bedekt , die over de geheele kust zweefden — zag er al 
even steil en kaal uit als overal in dezen archipel; waarschijn- 
lijk waren deze hellingen ook de cultuur-gronden der inboor- 
lingen. Woningen waren op den verren afstand niet te onder- 
kennen, wel echter de rookwolken van bet branden voor ladangs. 

25 December. Des morgens voeren wij nog steeds langs de 
kust van Flores, doch bereikten wij nu spoedig de Z. W. punt 
daarvan , waarop wij Poeloe Kamodo met het daar voorliggende 
schoorsteen-eiland passeerden en Soemba links lieten liggen. Des 
namiddags voeren wij door straat Sapie, en kregen toen het 
kleine vulkanische eiland «Goenoeng apie" te zien, hetwelk uit 
2 kegelvormige pieken en een lageren bergtop bestaat, welks 
toppen geheel met wolken bedekt waren, zoodat geen rook 
zichtbaar was. 

Den 14 sten December hadden wij alle land uit 't oog verloren , 
doch tegen den middag kregen wij Celebes te zien; het werd 
echter te laat om voor den nacht nog de reede van Makassar 
te bereiken, en kwamen wij tegen den avond voor straat Ma- 
kassar ten anker. De zee was bedaard en het schip maakte 
zeer weinig beweging. 



25 December. Des morgens vroeg gingen wij weder onder 
stoom en ontmoetten toen spoedig de mailboot Willem fff, ka- 
pitein Bakker, op reis naar Timor Koepang, zoodat men daar 
in eene week, twee mailboolen zag arriveeren; maar 'nu ook 
lVs maand geduld zal moeten hebben om weder eene boot te 
zien aankomen. Om 10 u bereikten wij de reede van Makassar. 

De William Mackinnon is eene flinke boot en maakt weinig 
beweging, doch machine en ketels zijn te zwak, waardoor ze 
steeds lange reizen maakt. 

Zoowel op mijne heen- als terugreis zag ik bij den heer von 
Below, assistent-resident ter dezer plaatse, twee prachtige 
levende mannelijke paradijsvogels : Paradisca apoda en P. 
papüana, die weinig van elkaar verschillen, behalve dat de eerste 
iets grooter is; zij waren ieder in eene afzonderlijke groote 
kooi, waarin ze konden rondvliegen, opgesloten en werden ge- 
voed met insecten : sprinkhanen, kakkerlakken enz. en met vruch- 
ten, als pisang, papaija enz. De eerste maal dal ik ze zag, 
waren zij in vollen vederdos, waarmede zij niet weinig pronk- 
ten; doch nu waren zij in den ruitijd en hadden hunne schoone 
staartvederen allen verloren , maar waren even vrolijk en be- 
wegelijk als vroeger. 

26 December, des namiddags 4 U vertrokken wij naar Soe- 
rabaija. 

27 en 28 December, fraai weer. 

29 December. In den voornacht en tot den middag regen, 
wind en zwaar bewogene zee; de Mackinnon hield zich echter 
goed; wel werd hij door de zee sterk bewogen, doch bleef steeds 
over dezelfde boeg liggen zonder te slingeren ; des namiddags 
klaarde het weer wat op en de donder rolde slechts in de verte. 

30 December, des nachts een uur werd in 't gezicht van 
Madoera geankerd en des morgens de reis naar Soerabaija ver- 
volgd, waar wij om 9 U v. m. ter reede ten anker kwamen 
en aan wal gingen. 

1 Januari 1874 werd de reis naar Batavia voortgezet, waar 
wij , na de reede van Samarang, Pekalongan, Tagal en Gheribon 



484 

te hebben aangedaan , des namiddags 5 U aankwamen. De zee 
was hier, even als op de geheele reis van af Timor Koepang, 
zeer kalm, zoodat het landen geen bezwaar opleverde. 

7 Januari vertrok ik per spoor naar Buitenzorg. 

De verzamelingen op deze reis bijeengebracht, en aan den 
Directeur van 's Lands planten tuin te Buitenzorg gezonden, 
bestonden in + 600 soorten gedroogde planten, een 40tal 
soorten levende planten , + 250 soorten zaden , eenige hout- 
soorten, en bloemen en vruchten op spiritus; ook verzamelde 
ik + 650 inlandsche namen van planten , welke lijst, ofschoon 
nog niet alle planten voor goed gedetermineerd zijn, hierbij 
wordt aangeboden. 

Buitenzorg, den 15 Juni 1874. 



TIMOR ARCHIPEL. 

PLANTEN-NAMEN. 



Afehkoe 


Ficus 


Timor Koepang 


Afoat 


Conyza 


» 


Aim — kottoh 


Phaseolus lunatus 


» 


Ainitoe 


Santalum album 


Makassar. 


Akar koening 


Urticeae 


Timor. 


» méra = Pana lêlehloh 


. Capparis 


» 


Akéh aki 


Scindapsus 


» 


Alalehloh 


Luvunga 


Larantoeka. 


Aloel 


Gynura 


Koepang. 


Aneh-Bras = Neês 


Oryza sativa 


» 


Aninoh 


Antidesma 


» 


Aniteï 


Musci 


» 


Anona 


Anona reticulata 


Larantoeka. 


Arbila 


Lablab vulgaris 


Koepang. 


» oedang 


» cultratus 


» 


Arren 


Eucalyptus alba 


Alor. 


Asnassi 


Zizyplms 


Koepang. 


Atalai = Monboeloen. sam 


i. Sapindacea ? 


Timor. 


Atfaniëuw 


Drimys permuin 


» 


Ati = Gelféti 


Briedelia lanceolata 


» 


Atkasseh 


Anona reticulata 


» 


Atta 


» squamosa 


» 


Audjoh 


Vitex Negundo 


Alor. 


Awas 


Gossypium indicum 


Koepang. 


Awohfoh = Hauw wohfoli 


i Myrmecodia 


Timor. 


» 


Cucurbita (urens) 


» 


Baaiboei 


Intsia 


Samauw. 



486 



Baboei 


Urtica (arbor) 


Koepang. 


Baboeni dawoen besaar 


Cassia fistula 


» 


» » ketjiel 


» marginata 


» 


Bamboe besaar = B. bétoe 


i Gigantocbloa aspera 


Timor. 


» endeh 


Melocanna Blumei 


» 


» lêlépa 


Gigantochloa Atter 


» 


» oetan 


Bambusa spinosa 


» 


» tirieng 


Gigantocbloa robusta ! 


? Soemba. 


Bangleh 


Zingiber cassumunar 


Timor. 


Bapa kênobreh = koesoe 






boesoek 


Hyptis suaveolens 


Alor, 


Bapa wellé 


Semecarpus 


n 


Bara laoet 


Cordia subcordata 


» 


» » 


Tbespesia 


Amarassi. 


Ba tob fooït 


Luffa 


Koepang. 


Bauklaki 


Tbespesia 


Timor, 


Baulolong béng = keka 






dawoen besaar 


Ficus 


Alor. 


Baulolong kerri 


n 


» 


» toeka 


i> 


» 


Baun === Noenoek 


» benjamina etc. 


» 


Bauwradja =± Bavva radja 


» Rumphii 


» 


Bauwek 


Hibiscus tiliaceus 


Koepang. 


Babelabé 


Borassus flabelliformis Alor. 


Bedara 


Zizyphus jujuba 


» 


» la ut 


» littoralis 


Larantoeka 


Bellohillab = Blakang aboe Heritiera liltoralis 


Koepang. 


Béook 


Rhus 


» 


Bérah 


Pongamia glabra 


Alor. 


Berlaoet = Bara laoet 


Thespesia (coriacea) 


Amarassi. 


Berneil 


Zantboxylon Rbetsa 


» 


Bessak knowiet. 


Indigofera (spinosa) 


Timor. 


Bibilakka 


Adenantbera Pavonina Alor. 


Bibinala 


Ehretia buxifolia 


Timor. 


Bientiloe (sajoor) 


Celastrinea ? 


» 



487 



Bij ai ma 


Casearia 


Timor. 


Biko 

Bilalang (makassar) 

Biloe = Béook 


Asclepiadea 

Adenanthera 

Bhus 


» 
Alor. 
Samauw. 


» tassi 


Cerbera loctaria 


Timor. 


Binak = Bitna 


Kleinhovia hospita 


Timor. 


Binongko 
Bitna = Binak 


Jambosa sp. 
Kleinhovia hospita 


Alor. 
Rotteh. 


Blakangaboe = Bellohillah Heriliera littoralis 


Timor. 


» » 


Rottlera tinctoria? 


Amarassi. 


Blapieng = Papi 
Bloeboe 


Exocarpus 

? 


» 
Alor. 


Bobra 


Kagenaria idolatrica 


Timor. 


Boeboek = Pohoen kak 


Ficus 


Alor. 


Boeka 
Boemboe 


Sorghum 

p 


Timor. 
Alor. 


Boenga laki 


Lawsonia alba 


Timor. 


» mbori 
» mêrak 
» Samarang 
Boesi 


Cassia marginata Alor. 
Caesalpinia pulcherrima Timor. 
Acacia farnesiana » 
Visenia indica 


Boeties 
Boewa 


Pongamia glabra 
Areca catechu 


Alor. 


Boewa kira-kira 
Bohneh (Nauw-Goemoeti) 
Bokko = Bongko 
» ail = B. oei 


Xylocarpus obovatus 
Arenga saccharifera 
Lagenaria sp. 

» » 


» 
Timor. 

» 
» 


» meuaha = Pompoen 
» oei = B. ail 


i » » 
» » 


» 
» 


Bonak 


Tetrameles nudiflora 


Samauw. 


» boesoek 


Gyrocarpas asiaticus 


» 


Bongko = Bokko 
Bong miloe 
Botees ? 


Lagenaria sp. 

Luffa 

Intsia 


Timor. 

» 


Botta 


Morinda citrifolia 


Laranloeka 



488 



Bottoh = kotloh 


Phaseolus lunatus, etc. 


Timor. 


Bowain 


Terminalia 


» 


Bowak 


Sonnaratia alba 


» 


» dawoen ketjiel 


Avicennia alba 


» 


» = kawaka 


Aegialitis annulata 


Solor. 


Daditeh = Dêditeh 


Wrightia 


Timor. 


Daklima 


Lowsonia alba 


» 


Damar endeh 


Curcos purgans 


» 


Dawoen dotto 


Datura alba 


» 


» kaki koeda 


Ipomoea pes caprae 


» 


» mata boela 


Excaecaria Agallocha 


» 


» tapahaik 


Ipomoea div. sp. 


» 


» tienta 


Deeringia 


» 


Dediteh dawoen aloes 


Tabernaemontana 


» 


» 33 daditeh 


Wrightia 


» 


Delalai geh-ok 


Maba 


» 


Déras 


Erythrina 


s> 


» dawoen aloes 


» 


» 


» » daweng besaai 


r 




= Dopoe malaga. Aloi 


[* » 


» 


» dawoen ketjiel = Do 






poe lalong béng. Aloi 


* w 


» 


» dawoen pandjang — 






Dopoe lolong blahak 






Alor 


» 


» 


Dikton 


Gapparis mariana 


» 


Dilak 


Aegle marmelos 


t> 


Djagong 


Zea mais 


» 


boenga 


» » var. 


» 


Djagong Roteh 


Sorghum 


» 


Djamboelang 


Syzygium Jambolanum 


Larantoeka. 


Djamboe monjet 


Anacardium occidentale Timor. 


Djati 


Tectona grandis 


» 


Doepeh 


Peliostigma acidum 


» 


Doeri gouwseh 


Caesalpinia (scandens) 


>j 



489 



Doewa nauw 


Conyza balsamifera 


Timor. 


Doli betten 


Caesalpinia (scandens) 






horrida 


» 


Dopoe lalong beng = 


Déras Ërythrina 


Alor. 


» lolong blahak = 


: Déras » 




» melaga 


» 




Faloak 


Sterculia 


Timor. 


Fano 


Cephalotropis ? 


» 


Fehnoh 


Aleurites moluccana 


» 


Feil 


Entada 


» 


Fenfenna = kafoe 


Buddlea 


» 


Pi 


Imperata artmdinacea 


» 


Filouw 


Remusatia vivipara 


» 


Fliti 


Marsilaea 


» 


Foe-eh 


Vigna senensis 


» 


» kasseh 


Arachys hypogaea 


» 


» noetoe 


Phaseolus radiatus 


» 


Gaëh = Gé moe 


Inocarpus edulis 


Alor. 


Gala-gala 


Agati grandiflora 


Timor 


Gawang 


Corypha Gebanga 


» 


Gelféti = Ati 


Briedelia lanceolata? 


» 


Gellang 


Melaleuca minor 


» 


Gémoe = Gaëh 


Inocarpus edulis 


Alor. 


Genoak 


Acorus sp. 


Timor. 


Genoera = Blakang 


aboe 




Timor 


Heritiera littoralis 


Solor. 


Girak = Plalat 


Harrisonia Brownii 


Timor 


Glienggouw 


Pisonia anisophylla 


» 


Go ja was == koejawa^ 


; Psidium Guajava 


» 


» oetan=Liel foets Garden i;i 


» 


Haffeh 


Slereuliacea 


Timor. 


Hali 


Pisonia alba 


Alor. 


Hamadjang oetan 


Cedrela 


» 


Hamaijang 


» 


» 


Hamboei 


Gvrocarnus asiaticus 


n 



490 



Haroena 


Guettarda speciosa 


Alor. 


Hau w-behna = Hauwweh 


- 




neh 


Ficus 


Timor. 


Hauw-boni 


Dysoxylum 


Amarassi. 


» ehl 


Wendlandia 


Timor. 


» kohnoh 


Usnea 


» 


» lakoe = Soekoen 


Artocarpus incisa var. 


» 


» moneh=Lehmoneh Zizyphus (arbor) 


Samauw. 


» oehl 


Alstonia sp. (smal blad) 


Amarassi. 


Hauw rasso 


Drimys permum (hab. 






Pavetta) 


» 


» sina := kajoe tjina 


Dioscorea ? 


» 


» sisi 


Oleacea ? 


Timor. 


» toenies 


Grewia l 


» 


» wehneh = Houw 






behna 


Ficus 


» 


Hauw woffo = awoffo 


Myrmecodia 


» 


Hehnak 


Pandanus 


» 


Hei-dakkang 


Ocimum canum 


» 


» nas 


Citrullus edulis 


» 


» niki 


Apocyneae 


» 


» nikiet 


Symmetria 


» 


Hirang krama 


Pithecolobium umbel- 




/ 


latum 


Solor. 


Hoeèh = kajoe poeti 


Eucalyptus alba 


Timor. 


Hoekiem 


Curcuma longa 


» 


Hoelei 


Sonneratia 


Solor. 


Hohnoh bninies 


Olacinea scandens 


Timor. 


Hong = Sapang , etc. 


Caesalpinia sappan 


Alor. 


Hout genies 


Sponia orientalis 


Timor. 


Houwmeni = Tjendana 


Santalum album 


» 


Ikoe maling 


Amaranthacea 


Samauw. 


i P i 


Intsia 


Alor. 


» 


Cephalotropis 


Larant. 


Kabehneh = kawehneh 


Albizzia 


Koepang. 



491 



Kabésa 


Acacia leucophloea 


Koepang. 


Kabila = Dilak 


Aegle marmelos 


Alor. 


Kaboen = kajoe bissi 


Zezyphus 


Timor. 


Kaboeka = kom Timor 


» jujuba 


Alor. 


Kadanga — Bitna » 


Kleinhovia hospita 


Larantoeka 


Kadondo = Lêheng Alor 


Poupartia 


Timor. 


Kafifoei 


Labiatoe 


» 


Kafoe == Fenfenna 


Buddleia 


a 


Kai-blahoh 


Rottlera 


Samauw. 


» kleh ])lehha 


Ficus 


» 


» kléheng bléha 


Scaevola 


» 


» lotteb 


Erioglossum 


» 


» obi 


Lagerstroemia 


» 


» selai 


Suregada 


» 


» sila 


Aegiceras 


» 


» soenan 


Thespesia (coriacea) 


» 


» soesoe 


Mimusops 


» 


» tassi 


Guettarda speciosa 


» 


Kajoe = kai 


Lignum 


» 


» ajam = kawamanoe 






Alor 


? 


Timor. 


» bardong=Pardjong 






Alor 


Salmalia malabarica 


» 


» bissi 


Acacia quadrilateralis 






De. Atapoepoe. 


» » 


Zizyphus (arborea) 


Koepang. 


» boenga = ka tanga 






Alor 


Millingtonia hortensis 


» 


» kak 


Ficus 


» 


» kanila = Pasolder 


Grewia salutaris 


Larantoeka. 


» ketimon 


Polyphragmon 


Timor. 


» laoet 


Pithecolobium unibella- 






turn 


» 


» laroe=Léwetter Al. 


Caesalpinia ferruginea 


» 


» lolé bela 


Laurinea 


Larantoeka, 



492 



Kajoemata boeta 

» méra 

» » dawoen boen- 
der — kalai klabahi 
Alor 

» méra toewa 

» oeler 

» pellen = kênamo 

» poeti 

» timor = Pasolder 

» toei % 

Kaka 
Kakaim 
Kalabai 
Kalai — kajoe méra Timor 

» manoeran = kajoe 
méra toewa Timor 
Kalitjeh 

Kalpeh-oh foléoe 
» meh 

» moeti 

Kaltapo = kauwtapo 
Kambayan 
Kamehkok 
Kamiri = kamiri Timor 

» = kamiëh Alor 
Kamoening 
Kanari = krani ihiki Alor 

» = krani wawi » 
Kanoenak 
Kanoenoek 

» laki-laki 
Kaolili 

Kaowatto 



Excaecaria Agallocha Timor. 
Pterocarpus » 



Echinodiscus » 

» » 

Strychnos ligustrina » 

Cassia » 

Eucalyptus alba » 

Grewia salutaris span » 

Spathodea Rheedu » 

Bambusa span » 

Achyranthus » 

Stadmannia sideroxylon Alor. 

Pterocarpus » 

Echinodiscus » 

Guilandina Bonduc Timor. 

Alium sativum » 

» escalonicum » 

» sinicum » 

Xylocarpus sp. Alor. 

Plumeria acutifolia Timor. 

Melanthesa? Agyneia? » 

Aleurites moluccana Alor. 

» » Timor. 

Murraya exotica » 

Canarium » 

» (kleine vr.) » 

Cordia » 

? 

Rottlera » 
Lycopersicuui cerasifor- 

me » 

? Alor. 



493 



Kapalasseh 
Kapape = koela 
Kapaung = Roesa radja 

Alor 
Kapohlohloh 

Kapok = kapomaka Alor 

» kalingi 
Kapomaka =kapok ïimor 

Karitak koe kasi 

Karsienla 

Kassi 

Kassimoen 

Kastoeri 

» oetan 
Katalamitin 
Katanga = kajoe hoenga 

Alor 
Katapas = klihi 
Katjang toeries 
Kaut 
Kauwre 
Kauw-serani 

» sia 

» tapoh 
Kawakka 

Kawehneh as Kabehneh 
Kawoeta = Kajoemata 

boeta Timor 
Kéa menating 
Kèdiboe =Gawang Timor 
Kehha kehha 
Keblo nasso 



Barringlonia (frulex) Rot leb. 
Vitex Larantoeka. 

Lespedeza » 

Gossypium indicum » 

Eriodendron anfractuo- 

sum Timor. 

Sterculia (legen bloed- 

spuw) Larantoeka. 

Eriodendron anfractno- 

sum Alor. 

Canarium (dammar) Soemba. 
Emblica ofïicinalis Larantoeka. 

Carica Papaya » 

Dioscorea birsuta Timor. 

Abelmoschusmoscbatas » 



vneseannsi 



Cephalatropis ? 



Larantoeka. 



Millingtonia hortensis Timor. 
Terminalia catappa » 

Cajanus indicus n 

Carica Papaya » 

Azadirachta Alor. 
Acacia Farnesiana » 

Avicennia alba » 

Xylocarpus sp. » 

Aegialitis annulata Solor. 

Albizzia Timor. 

Excaecaria Agallocba Alor. 

Boerhavia Solor. 

Corypha Gebanga Larantoeka. 

Rottlera Timor. 

Dysoxylum Amarassi. 



404 



Kehlo nasso 

» » 
Kehnehno = Sebola oetar 


Didymocheton 
Epicharis 
i Crinum 


Amarassi. 

» 


Kehwaleh 


Calanchoë 


» 


Kéka dawoen besaar = 






Bouw lolong béng Alor Ficus 
Kéka sina » Runiphii 
Kellohr=Moltong. Laran- 

toeka Moringa polygona 
Kèloekin Peliostigma acidum 
Kèlohreh Morinda citrifolia 


» 

Alor. 
Larantoeka 

» 


» oetan 
Kembala 


» sp. 
Broussonetia 


Soemba. 


» oeama 


Antiaris 


» 


Kembang koening 
» poeli 


Abutilon 
Clerodendron 


Koepang. 

» 


Kèmehl 


Melia 


Timor. 


Kèna — Baralaoel Timor 


Cordia subcordala 


Alor. 


Kènamo — Kajoe pellen 


Cassia 


Timor. 


Kènéas == Siloe tassi 


Pemphis acidula 


» 


Kèpoh 


Sterculia fetida 


Larantoeka. 


Kerbool 


Averrhoa Bilimbi 


Timor. 


Kèlapes 

» oetan == Klihi oe- 


Terminalia catappa 


» 


tan Alor 
Kètoeroe 


» sp. 
Spathodea Rheedii 


n 

Alor. 


Kieuk = Tamarien 


Tamarindus indica 


Timor. 


Kikili = Nain-nain 


Cassia fistula 


Samauw. 


Kinamoh — Kajoe pellen 
Kiotassi 


Cassia 

Pithecolobium unibel- 


Timor. 




latum. 


/> 


Kiwehlo 


Desmodium 


» 


Kla — Koela koepang 
Klabahi=Koesambi ïimor 


Vitex Samauw. 
Stadmannia sideroxylon Alor. 


Kladok 


Beaumontia 


Larantoeka. 



498 

Kleomoneb Prenina (arborea) Koepang; 

Klihi = Katapes Tinior Terminalia catappa Alor. 

» oetan » sp. » 

Klinggi = Faloek Tinior Stercnlia » 

Klowak » Tinior. 

Klowang Cassia fistnla , Larantoeka. 

Knadatle = Kanoenak. T. Cordia Alor. 

Knias Lumnitzera racemosa Samauw. 

Koejawas == Gojawas Psidium Guajava Tinior. 

Koela = Kapapa Alor Vitex sp. » 

» — Koesambi Tinior Stadmannia sideroxylon Alor. 
Koeliet tabal = Niloeng. 

Alor ? Tinior. 

Koemak = Walekka Alor l » 

Koeman nebma = Damar 

endeb Tinior Curcas purgans Alor. 

Koendoe = Soekoen radja 

Tinior Artocarpus incisa, var » 

Koenebfo Tiaridinm Tinior. 

Koen ebtoe Coleus carnosus. » 

Koenfa mal eb = Koenoe 

boesoek Hyptis suaveolens » 

Koenfatoe Casearea » 

Koeng Clerodendron inerme Alor. 

» = Kajoe kak Tinior Ficus » 

Koenoe boesoek = Koenfa 

maleh Hyptis suaveolens » 

Koeroes Piper nigrum » 

» Capsicum fastigeatnm » 

» djawa » annuum » 

» oetan Chavica » 

Koentjoer Kaempferia Galanga Tinior. 
Koesambi — Koela == Oe- 

sapi Stadmannia sideroxylon « 

Koetjai Allium uliginosum » 



496 



Koha 




Euphorbia neriifolia 


Alor. 


Kohli = Vruchten - 


-9 


Borassus flabeliiformis 


» 


Kolan soesoe 




Calotropis gigantea 


Timor. 


Kom 




Zizyphus Jujuba 


» 


Komenoe kasseh 




Solamum melonganum 


» 


Kommelingan 




Benincasa cerifera 


» 


Konfoeinoh naik 




Hyptis sp. 




Koo = Hehnak 




Pandanus 


Alor. 


Koppi 




Coffea arabica 


Timor. 


Kotkotloo 




Flemingea 


» 


Kottoh = Aim 




Pbaseolus lunatus 


» 


» foeït (venenosa) 


» » 


» 


Kouw 




Rhizophora ? 


» 


Krani boerakan ^ 


= Ka- 






naripoeti Timor 


Canarium 


Alor. 


» ihiki 9 — Kanari 






Timor 




» 


p 


» wawi = Kanari Ti- 






Timor 




» 


n 


Krohkoh = Kolan 


soesoe 






Timor 




Calotropis gigantea 


Larantoeka 


Lada = Koeroes 




Piper nigrum 


Koepang. 


Ladauw — Baboeni 




Cassia fistula 


Alor. 


Ladoe bolling 




Tournefortia argentea 


» 


Lahabauw = Biloe 


tassi. 






Timor 




Cerbera odallam 


» 


Lai nehnoh 




Loranthaceae 


Timor. 


Lak foei 




Dioscorea 


» 


Lak ténas 




Typha 


Pariti 


Lala 




Uvaria 


Timor. 


» 




? 


Alor. 


Lali == Lohleh 




Colocasia antiquorum 


Timor. 


» = Bauklaki Timor 


Thespesia 


Alor. 


Lankwas 




Alpinia Galanga 


Timor. 


Laus 




Euphorbia ueriifolia 


» 



497 



Laus ajer garem 


Dilivaria ilicifolia 


Timor. 


» endeh 


Opuntia polyantha 


» 


Lèhawang 


Wollastonia 


Alor. 


Lehhing=Kadondo Timoi 


* Pouparlia 


» 


Lehloh (klein, rond, wit 






jeukend) 


Cucurbita sp. 


Timor. 


» hoelan 


Acacia (boom & struik - 






achtig) 


Samauw. 


Lehlouwl = Bidjaima 


Casearea 


Timor. 


Lehmohneh = Hauwmoh- 






neh 


Zizyphus (groote boom) 


» 


Lehnabouw 


Pluchea indica 


» 


Leineës = Kajoe laroe 


Caesalpinia ferruginea 


» 


Lèko = Tali poetri. 


Cassyta filiformis 


» 


Lel boko 


Citrus decumana 


» 


» hanna 


Mucuna hirsuta 


» 


» lomtehtoe 


Gitrus macracantha 


» 


» sinas 


» aurantium 


» 


Lèmoh = Lehmo 


» diverse 


» 


Léwettar = Kajoe laroe 


Caesalpinia ferruginea 


Alor. 


Liel foeïts = Gojawas oe- 






tan 


Gardenia 


Timor. 


Lila kasseh 


Punica granatum 


» 


Loba (rood verwen) 


? solor Rotteh. 


Lobak 


Raphanus caudatus 


Timor. 


Loeïes moeloe 


Capparis sp. 


» 


Loeken pfauben 


Zanonia sarcophylla 


» 


Loeöh 


Imperata arundinacea 


Alor. 


Loepang 


Isora corylifolia 


Timor. 


Loepoe 


Urticeae (arborea) 


» 


Lohleh = Lali 


Colocasia antiquorum 


» 


Loklouw 


Leea 


» 


Loko wienggoe 


Curcuma 


Soemba. 


Loli 


Batatas edulis 


Timor. 


Lololi 


Gonvolvulus (rubra) 


» 


DEEL XXXIV. 







32 



498 



Maa f mehtan 


Abrus praecatorius 


Timor. 


Maba item 


Diospyros heterophylla 


. Samauw. 


» poeti 


Strychnos ligustrina 


» 


Mail 


Amorphophallus 


» 


Mambani 


Vitis 


Timor. 


Manga dohdohl 


Mangifera indica 


» 


Manga kai = Pauw mape- 




» 


lang Alor 


Mangifera indica 


» 


» papai = Pauw 






kassi Alor 


» foetida 


» 


Mankoecloe 


Morinda cilrifolia 


» 


» oetau 


» sp. 


Larantoeka 


Manoewang=:Bonak Tim 


. Tetrameles nudiflora 


Alor. 


Man of 


Chavica Beile 


Timor. 


» foeëh 


» siriboa 


» 


Maroenga 


Moringa polygona 


» 


Matlia 


Glochidion 


Rotteh. 


Mauwsak 


Asclepiadeae 


Timor. 


» = Tali oetan 


Lianen div. 


» 


Mauwwani = Mauwbani 


Vitis 


» 


Mêkaditeh 


Deeringia 


» 


Ménoe (loeba) 


Dalbergia 


» 


Milak 


Melocanna brachyclada » 


Moeda == Moekeh mossi. 






Tim. 


Gitrus medica 


Alor. 


Moekeh mossi 


» » 


Timor. 


Moekoh = oeki Tim. 


Musa div. 


Alor. 


Moeklakoe 


Dysoxylum 


Larantoeka 


Moemoenoe=Moenmoenoe Acanlhacea 


Timor. 


Moenmoenoe=Moemoenoe » 


» 


Moesina 


Flemingea 


» 


Moeti bibi 


Croton 


» 


Monboeloen = Atalai Tim 


i. Sapindacea ? 


Samauw. 


Moltong =3 Maroenga 


Moringa polygona 


Alor. 


INaba 


Gramineae 


Timor. 



499 



Naba kaka 


Gramineae 


Timor. 


Nain-nain = Baboeni 


Cassia fistula 


Samauw. 


Nak bohneh = Natoe boh- 






neh 


Pittosporum 


Timor. 


Nakon 


Lactaria 


Samauw. 


» 


Pavetta ? 


» . 


Nameh 


Urticeae 


Timor. 


Nanas 


Ananassa sativa 


» 


Nangka = sasak Tim. 


Artocarpus integrifolk 


i Alor. 


Nangkaï 


Albizzia (karbouwen 






vergift) 


Timor. 


Nan mohloh 


Gen dub 


» 


Natoe 


? (Huis bouw) 


Alor. 


» bohneh = Nak boh- 






neh 


Pittosporum 


Samauw. 


Nant 


Acanthacea 


Timor. 


» dawoen pandjang 


» 


» 


Nauw = Goemoeti 


Arenga saccharifera 


» 


» noe 


Artocarpus incisa 


» 


Nehdjehl 


Zingiber officinale 


» 


Nehkeh 


Salmalia malabarica 


» 


Nêpoet 


Rottlera tinctoria ■ 


Larantoeka. 


Ngassi = Asnassi 


Zizyphus (arbor) 


Timor. 


Niepsei = Têtéboe dawoen 




aloes 


Saccharum sp. 


» 


Nikkoe = Nehkoe 


Blackwellia tomentosa 


» 


Nikkoh pohpoh 


Lagerstroemia 


» 


Nikojawas == Pasolder 


Grewia salutaris, span 


» 


Nila = Pasolder 


» » 


Larantoeka 


Niloeng = koeliet tabal Tim. 


Alor. 


Nino 


Antidesma 


Timor. 


Nipa 


Nipa fruticans 


» 


Nipea 


Mukuna velutina 


» 


Nisi uiohkoh 


Maesa 


» 


Nitas 


Sterculia foetida 


» 



500 



Noa 

Noak = Jamboe oetan 
Noei meiniki 
Noenang 
Noenoek 
Nohbani 
Nohnoh bninies 
» moekeh 
» souw 
Nohpeh = Nauwpeh 
Noh ténoe =± Noh téno 
Noh téno == Tiga daoen 
Non fatoe 

» oenoes 

» paneh 

» wai tassi 

» wano 

» wehlo 
Noon behsak 

» wai tassi 
Nouwpeh = Nohpeh 
Oas 
Oben 
Obi kasuaris 

» kembili 

» manoesia 
Oedjouw == Pohoon ka- 
suaris 
Oeki == oki 
Oenhauk 
Oenoes = koeroes 

» djawa 
Oepoen == opoen 
Oesapi = koesambi 
Oetan koepi = Pompoen 



Cocos nucifera Timor. 

Jambosa Rotteh. 

Xanthochymus sp. Timor. 

Cordia Samauw. 
Ficus benjamina etc. Timor. 
Clerodendron sp. » 

Olacineae » 

Capparis » 

Asparogopsis » 

Asclepiadeae » 

Evodia » 

Evodia » 

Asclepiadeae » 

Clematis » 

Asclepiadeae » 

Cordia subcordata » 

Clematis » 

Hoya » 

Acacia » 

Cordia subcordata » 

Asclepiadeae » 

Pachyrrhizusangulatus » 
Jambosa » 

Dioscorea Endeh. 



Casuarina 

Musa div. 

Chavica 

Capsicum fastigiatum 

» annuum 
Mangifera div. 
Stadmannia sideroxylon 
Lagenaria hispida 



Timor. 



SOI 



Oetba 




Broussonetia 


Samauw. 


Oetmanoe 




Ilea 


» 


Oetong 




Barringtonia speciosa 


Alor. 


Okamak mênoe 




Cucuniis sativus 


Timor. 


Oki = oeki 




Musa div. 


» 


Onöni 




Acanthacea 


» 


» poeti 




» 


» 


Oolwaats 




Begonia 


» 


Opo foei = Manga 


oetan 


Mangifera sp. 


» 


Oporio 




Plunibago Zeylanica 


» 


Pahadeh 




Harrisonia Brownii 


» 


Pakoe kasseh 




Curcas purgans 


» 


». pênoenai = 


= Pakoe 






ploeneh 




Ricinus communis 


» 


» ploeneh = 


= Pakoe 






pênoenai 




» » 


» 


Pamauwnoe — Pomauw- 






noe 




Fungi 


» 


Pana komo 




Paratropia (scandens) 


» 


Pania 




Momordica charantia 


» 


Pan mahatas = Pen me- 






hatas 




Capparidea 


» 


Pan molo 




Celastrineae scandens 


» 


» » 




Capparis micracantha 


s 


Pano naik 




Clerodendron 


» 


Papi = Tjendana 


oetan 


Exocarpus 


» 


Pardjong = kajoe 


pardong 




Tim. 




Salmalia malabarica 


» 


Pariki = Pariti 




Broussonetia 


Alor. 


» lolong kêré 




Antiaris 


» 


Pariti = Pariki 




Broussonetia 


» 


Pasinet 




Acacia 


Amarassi 


Pasolder = kajoe 


timor 


Grewia salutaris. span 


Timor. 


Patjar 




Impatiens Balsamina 


» 


Pauw 




Mangifera div. 


Alor. 



502 



Pauw béng = Manga oetan 




Tim. 




Mangifera 


Alor. . 


» dj oio = 


» dohdohl indica 


» 


» kassi = 


» pepaï 


» foetida 


» 


» mapeleng 


= m. kaëh » kleine vrucht » 


Pehlangari = Pêlangari 


Thespesia 


» 


Pehna 




Zea mais 


Timor. 


Peh-oh 




Ficus 


Samauw 


Pehtah 




Cycas 


Timor. 


Pei païh 




Hibiscus surattensis 


» 


Pêlangari == Baroe laoet 


Thespesia 


Alor. 


Penmahatas 




Capparidea 


Timor. 


Pen mehpat 




Mischocarpus 


» 


Penofoei 




Rottlea denticulata 


n 


Penpenna 




Clausena 


» 


Pêpo 




Cassia tora 


» 


Pêtola 




Luffa Petola 


» 


Pikoe 




Rhizophora 


Samauw 


Pioes 




Kandelia 


» 


Pisang 




Musa diversen 


Timor. 


» oetan 




» span 


» 


Plalat = Girak 




Harrissonia Brownii 


» 


Pnia foets 




Baliospermum 


» 


Poa = Poea 




Areca catechu 


» 


Poea = Poa 




» » 


» 


Poemanoe — Pomauwnoe 


Fungi 


» 


Poenjeklian 




Colbertia 


» 


Poesem boerak 




Mnssaenda 


i) 


Pohla=Gawang(metvr.) Corypha Gebanga 


Alor. 


Pohleh 




Alstonia 


Timor. 


Pohoon assem = 


Tobi Alor 


Tamarindus indica 


» 


» banang 




Gossypium indicum 


» 


» kasuari 




Casaarina 


» 


» toewak 




Borassus flabelliformis 


» 


Pohpoh kasseh 




Cassia sulphureaP 


» 



;o5 



Pomauwnoe == Poemanoe 


Fungi 


Timor. 


Pompoen 


Lagenaria hispida etc. 


» 


Ponaïn = Ponyn 


Smilax 


j» 


Prapat = Boewak Timor 


Sonneratia alba 


Alor. 


Rabassa 


Hydrocotyle asiatica 


Timor. 


Rabies karbouw 


Calosanlhes indica 


» 


Rattaneh 


Wickstroemia 


» 


Renggouw 


Avicennia alba 


Alor. 


Rita = Tadoe Timor 


Alstonia spectabilis 


» 


Roesa kajoe = kapaung 






Larantoeka 


Lespedera 


» 


Saja = Sajan 


Pennisetum macrochae 






ton 


Timor. 


Sajoor boelan 


Pisonia alba 


» 


» endeh 


Coccinea 


» 


» pakoe (eetbaar) 


Acrosticbum speciosum » 


» tjina 


Sin a pis alba 


9 


Salmehla 


Cicca nudiflora 


» 


Samaplauw 


Terminalia catappa 
Eupleron sp. (hooge 


» 


Sanap 


boom) 


» 


Sapang = Sêpeh = Hong 






Alor 


Caesalpinia 'sappan 


» 


Sêbalouw oetan 


Tabernaemontana 


» 


Sêbohla = kalpeh-oh 


Allium div. 


» 


» oetan 


Crinum 


n 


Sêderé 


Apium graveolens 


» 


Sêkiet = Dediteh dawoen 






aloes 


Tabernaemontana 


» 


Sêlai poewa 


Diospyros 


j> 


Senggaritan 


Carissa carandus 


» 


Siamateh=Dawoen tienta 


Deeringia 


» 


Siat (groote boom) 


Acacia 


Samauw. 


Sikam = Boties Rotteh 


Pongamia glabra 


Timor. 


Siladoh 


Clausena 


Samauw 



804 



Siloe 


Grislea tomentosa 


Timor, 


» lassi 


Pemphis acidula 


» 


Siri padji == Tenné 


Lumnitzera coccinea 


» 


Sléö = Pohlai 


Alstonia 


Samauw. 


Snamon 


Cassia sulphurea!' 


» 


Soekoen 


Artocarpus incisa var 


Timor. 


» biedji 


» » 


» 


» radja == koendoe 






Alor 


» » var 


» 


Soendado 


Anacardiacea 


Samauw. 


Soerieng 


Cedrela 


Timor. 


» oetan = Hama* 






djieng oetan Alor 


» 


» 


Soesoean 


Acanthacea 


» 


Soewa 


Gnetum Gnemon 


Soemba. 


Sonneh bnauw = Rabies 






karbouw 


Calosanthes indica 


Timor. 


Sosak = Nangka 


Artocarpus integrifolia 


» 


Srikaja 


Anona squamosa 


» 


Swot 


Nicotiana Tabacum 


» 


Taboe té 


Scaevola koenigii 


Alor. 


Tadoe^Tadoek 


Alstonia spectabilis 


Timor. 


Tadoek = Tadoe 


» » 


» 


Taijonief =j Nangka 


Artocarpus integrifolia 


» 


ïail watta 


Rhamnea \ 


Samauw 


Takka 


Brucea glabrata 


Timor. 


Tali dwiet 


Dischidia 


» 


» poetri = Lêko 


Cassyta filiformis 


» 


» oetan «= Mausak 


Lianen voor touw 


» 


» tali 


» diverse 


» 


Talling 


Ormocarpum 


» 


Taloe 


Vitis 


» 


Tamarieng = Kieuk 


Tamarindus indica 


» 


> laut=Hirong- 


Pithecolobium umbella- 




krama Alor 


turn 


» 



505 



Tamaheh=Tohpeh Timor 


Platycerium biforme 


Alor, 


Tamoemboe = kainassi = 






kajoe bissi 


Zizyphus ? 


a 


Tanglafï'a 


Rottlera tinctoria 


Timor. 


Ta po = Tjampelong Timoi 


e Calophyllum Inophyl- 






lum 


Alor. 


Tappo = Noah Timor 


Cocos nucilera 


» 


Tatassi 


Cordia 


Samauw. 


» 


Vitex (repens) 


Timor. 


Tatta 


Broussonetia 


Larantoeka 


Taum 


Indigofera tinctoria 


Timor. 


Tauwfoei 


Tepbrosia 


» 


Teefnama — Têtéboe 


Saccharum sara 


» 


Tehibe = Têtéboe 


» officinarum 


» 


Tenga= kajoe boenga Alor 


Millingtonia bortensis 


» 


Tenue 


Lumnitzera coccinea 


» 


Têtéboe = Tehfoe 


Saccharum officinarum 


» 


» davvoen aloes 


» sp. 


» 


Tioe kasseh 


Averrhoa Bilimbi 


» 


Tjampelong == Tapo Alor 


Calophyllum Inophyl- 






lum 


» 


Tjendana = Houwmani 


Santalum album 


» 


» oetan = Papi 


Exocarpus 


» 


Tjeremehla 


Cicca nudiflora 


» 


Tobi = Tamarieng Timor Tamarindus indica 


Alor. 


Toepi 


Nanclea cadamba? 


Timor. 


Toeri == Gala-gala Timor 


' Agati graudiflora 


Larantoeka 


Toeries = katjang toeriep 


; Cajanus indicus 


Timor. 


Toewak oetieng £ 


Borassus flabelliformis Alor. 


Toewa mênating 


Rottlera tinctoria 


» 


Toh 


Eriodendron anfractuo- 






sum 


Timor. 


Tohpeh 


Platycerium biforme etc 


;. » 


Tohpen 


Orchideën 


» 


» 


Vanda insignis 


» 



£06 



Tohpen 

Tona = Soekoen biedji Ti- 


Vanda furva 


Soemba. 


mor 
Wakoeloe 


Artocarpus incisa 
Morinda citrifolia 


Alor. 
Timor. 


Walekke^Koemak Timoi 


? 


Alor. 


» malaga=Bilalan£ 
Makassar 


r 

Adenanthera 


» 


Wariengien = JNoenoek 
Wauw 


Ficus benjamina etc. 
Hibiscus tiliaceus 


Timor. 
Alor. 


Wiëuw 


Rhus sp. 


Larantoeka 


Woeka = Nitas Timor 


Stercalia fetida 


Alor. 


Woenwehwa 


Clematis 


Timor. 


Woet ifo 


Desmodium 


» 


Woh = Béook 


Rhus 


Alor. 


Woh-on 
Woh nafo 


Drimyspermum 
Rottlera tinctoria 


Timor. 



Uotitie's over het gebruik van sommige Planten 
op Timor enz. 

Abelmoschus moschatus = Kastoeri, van de versche nog niet 
te harde zaden worden halssnoeren gemaakt. De zaden wor- 
den met eene naald doorstoken en aan een draad geregen. 
Deze snoeren behouden langen tijd den muskusgeur. 

Acorus calamus = GeNoaK , met Allium sativüm — Kalpeh-oh 
FOLéoE, worden te zamen gekauwd en worden alle ontblootte 
lichaamsdeelen er mede bestreken, om niet door de bijen, bij 
het oogsten der nesten, gestoken te worden. Men spuwt van 
dit sap om zich heen om de bijen te verdrijven. 

Albizzia sp. = Nangkaï, het gedroogde blad is doodel ijk voor 
karbouwen zoo zij dit, in de kraal opgesloten, nuttigen; doch 
zoo zij vrij rondloopen zou het niet nadeelig zijn , waarschijnlijk 
wijl ze in de kraal geen drinken krijgen. 

Allium sativüm = Kalpeh-oh folóoe , met kippendrek en wa- 
ter vermengd, als middel tegen buikpijn van paarden, die zekere 
soort van vergiftige spinnen met het gras hebben doorgeslikt. 
Zie ook onder Acorus calamus. 

Antiaris sp. Broussonetia sp. en Ficus sp. = Kembala op 
Soemba; van derzelver basten worden soorten van hoofddoe- 
ken bereid. 

Calotropis gigantea = Kolan soesoe , van de bast wordt eene 
fijne vezelstof voor touwwerk van vischnetten enz. verkregen — 
zie ook onder Stadmannia. 

Capparis sp. Akar MéRA en urticacea = Akar koening, de 
wortels van beiden worden als thee gedronken, zoo te zamen 
als afzonderlijk , als afdrijvend middel van vuile stoften bij 
kraamvrouwen , syphilis , enz. 

Cicca nudiflora = ï.tcremehla , de wortels zijn zwaar vergift. 

Deerlvgia sp. = Siamateh, gekookt met dawoen Kamehkoh — 



508 

Melanthesa en dawoen Gierak = Harrissonia Brownii, om zwart 
te verwen. 

Ficus sp. = Peh-oh; Sterculia foetida = Nitas en vitex sp.= 
Koela, tegen geel- en waterzucht de bast van vitex als thee 
drinken ; de bladeren van Ficus en de zaden van Sterculia fijn 
stampen en het lichaam daarmede besmeren; daarbij mogen 
geene roode uijen gegeten worden. 

Ficus sp. =? Kembala , zie Antiaris. 

Gnetum Gnemon = Soewah , van de bast wordt op Soemba 
prachtig touw, dik en dun, uit de hand bewerkt. 

Grewia salutaris = Pasolder of Kajoe Timoer. De bast 
wordt op een steen fijn gewreven en met arak of water op 
uitwendige kneuzingen of beleedigingen gelegd , die daardoor spoe- 
dig genezen en verdwijnen. Inwendig wordt ze tot hetzelfde 
doel als thee gedronken; voor vele andere ziekten wordt ze 
aangewend. 

Harrissonia Brownue == Girak , zie Deeringia. 

Melanthesa sp. == Kamehkok ; zie Deeringia. 

Paratropia parasitica = Pana komo, dient om losse tanden 
in den mond weder vast te zetten, door met de losse tand 
op een stukje van het gekneusde hout zacht te knabbelen. 
De jonge takken, van de oude steng afgescheurd, zijn aan den 
voet handvormig, met vele vingers of fijne doorns. Dit mid- 
del is ook goed tegen kiespijn , even als de gekneusde wortels 
van Solonum melonganum ~ Tehrong of Komenoe-kasseh. 

Plumbago zeylanica = Oporio. De wortel op de huid gelegd 
geeft na verloop van \ uur reeds brandwonden, langer er op 
gelaten brandt het tot op het been door. Tegen de tanden 
gehouden vallen die allen uit of verbrijzelen. 

SOLANUM MELONGANUM = KoMENOE KASSEH , zie PARATROPIA. 

Stadmannia sideroxylon = Koesambi , van de vruchten wor- 
den — behalve Makassar-olie op Makassar — hier kaarsen ge- 
maakt , waartoe de gedroogde vruchten fijn gestampt worden 
en daarna, vermengd met kapok of het zaadpiuis van Kolan 
soesoe = Calotropis gigantea, op sapolidi's gesmeerd. 



509 

Sterculia foetida = Nitas , uit de pitten wordt olie geslagen. 
Zie ook onder Ficus^Pehöh. 

Urticacea = Akar koening, zie onder Capparis. 

Vitex sp. = Koela, een goed werkhout. Zie ook onder F i- 
cus = Pehóh. 



Benamingen van Dieren op Timor. 



HOLLANDSCH. 


Maleisch. 


TlMORSCH. 


Systematisch. 


Grijze aap. 


Monjet = Koenjoek. 


Selai = Kohdeh. 


Cercopithecus cyno 
molgus. 








Paard. 


Koeda. 


Bekasseh. 


Equus caballus. 


Karbouw. 


Karbouw. 


Bidjail. 


Bos bubalus. 


Geit. 


Kambieng. 


Abibi. 


Capra hircus. 


Hert. 


Roesa = Mendjan- 








gan. 
Babi =s Tjêleng. 


Loes. 


Cervus moluccana. 


Varken. 


Fafi. 


Sus timorensis. 


Hond. 


Andjieng. 


Assoe. 


Canis primoevus. 


» wilde. 


oetan. 


Assoeë. 


» 


Kat. 


Koetjieng. 


Meh-oh = Poes. 


Felis domestica. 


» » 


» 


foei. 


* 


Civetkat. 


Moesang. 


Mehtang = koeweh 








itam. 


Viverra. 


Buideldier. 


Koesoe. 


Mangkoe == 








poeti. 


Phalangista. 


Gans. 


Gangsa. 


Ganza. 


Anser cinereus. 


Eend. 


Belibek. 


Behbeh. 


Anas boschas. 


» wilde. 


Blibies. 


Wibfoei. 


» arcuata. 


» » 


Belibek oetan. 


Wibtehpes. 


. 


Kip. 


Ajam. 


Manoek. 


Gallus domesticus. 


Tjanggehgehr. 
Maleo. 


Manfoeï. 


bankiva. 


Loophoen. 


Keh-es. 


Megapodius. 


Snip-witte. 




Mattéo tassi. 


Scolopex. 


Vogel. 


Boeroeng. 


Kohleh. 


Aves. 


Duiven- slag. 


» dara. 


Kolkasseh. 


Columba livia. 




Dederoek. 


Aloy sisi. 


» 


> 


Tekoekoer. 


Oen tassi. 


» 


, 


Perkoetoet. 


Loekep. 


» 


Kakatoewa. 


Kakatoewa. 


Kakatoewa. 


Psittacus sulphu- 
rius. 


Lori, groote. 


Lori. 


Kiet fafi. 


» 


» groene. 


■ 


Kitah. 


■ 


» kleine. 


> 


Lehlap. 
Kowak. 


» 


Kowak. 


Kweetsj-kweelsj. 


Tropidorynchus ti- 




Lombok. 




morensis. 


Bijen. 


Iendoeng madoe. 


Fani = Oehhauw. 


Apes. 


Wandelende tak. 


Siong boegang. 


Attalai. 


Phasma. 



Diverse benamingen op Timor. 

Ai = vuur. 

Alkosoe of sakkoe == Knapzak, is een Yierkant stuk doek 
dat daartoe te Endeh expresselijk geweven wordt en waar- 
van de 4 punten als een koord verbonden worden, hetwelk 
op den schouder rust, zoodat de zak onder den arm komt te 
hangen. Daarin bevindt zich alles, wat men dagelijks en op reis 
noodig heeft, b. v. Tibak's of doosjes van bamboe of calabasjes 
voor siri, pinang, gambier, tabak, kalk, enz. voorts koeliel 
pinang om de tanden te zuiveren, eenige pitten van Nüas en 
Kamiri , waarvan de olie bij verwondingen gebruikt wordt, 
een of meer eetlepels van kalapa-noot, een slijpsteentje om 
messen te scherpen enz. enz. 

Behbak, zijn de bladstengen van Gawang en Lontar. 

Bninies, katoenmolentje, om de katoen van de pitten te 
scheiden. 

DÉGOE-DÉfJOE == Para-para, tafels of banken. 

Haik, zijn water, olie- en stroopvaten van Lontarblad. 

Hatien dédoe == Tentona, zijn danseressen van beroep, of 
uit liefhebberij , met zang en koperen belletjes tot muziek. 

Hijknak, het bereide blad van Gawang, om te binden of 
voor touw, Agalgaren op Java, ook voor zeilen. 

Kapisak, grove manden van Lontarblad, tot vervoer van 
produkten, kalk, steenen, zoul, rijst, padie enz. 

Moeti , Koralen. 

Mokkoh, muziekinstrument van koper te Alor. 

Niti, koper, 

No, = Noenoh, kleine rivier. 

Noi = Noh-el = Nohèh, rivier of groote rivier. 

Noni menatoe, goud. 



512 

Noni moeti, zilver. 

Oï, water. 

Pohloh, ongeopend blad of pijl van Gawang en Lontar. 

Rapat, paardentoom. 

Sakkoe = Alkosoe. 

Sikiel, gadieng of ivoor. 

Snioek, vierkante mandjes van Lontarblad, in elkaar pas- 
sende. 

Tali fijpa, touw van Behbak gemaakt. 
» hijknak, touw van Hijknak. 

Tkntomoe , als kapisak maar met deksels , om rijst enz. te 
bewaren. 

Tentona == Hatiem dédoe. 

Tilanga, hoeden van Lontarblad der Rottehneezen. 



Inlandsche namen van Solor, Alor, Rotteh, Sawoe en 
omliggende eilanden, volgens Mr. D. W. C. Baron 
van Lijnden, lat. Tij ds. voor Ued.-Indië jaar- 
gang II, 1851, bl. 307 enz. met bijvoe- 
ging der Systematische namen. 



Planten. 



Inlandsche namen. 


Systematische namen. 




Abas = Kapas 


Gossypiam indicum 


Rotteh. 


Areh = padi 


Oryza sativa 


Sawoe. 


Be lek = Bottok 


Pennisetum macrochae- 






ton 


Rotteh. 


Boeah = pinang 


Areca catechu 


» 


Bolleh = gemoeli 


Arenga saccharifera 


» 


Boro = gawang 


Corypha Gebanga 


Sawoe. 


Daidog = siri 


Chavica Siriboa 


Rotteh. 


Daoe = indigo 


Indigofera tinctoria 


Sawoe. 


Daboe = suikerriet 


Saccharum officinarun 


i » 


Dela = djali 


Coix lachryma 


Solor. 


Dellé = djali 


» » 


Rotteh. 


üoeëh = lontar 


Borassus flabelliformis 


Sawoe. 


Foeli = koela 


Vitex 


Rotteh. 


Gelang = Gêlam 


Melaleuca minor 


» 


Gêlas = pompoen 


Lagenaria bispida 


» 


Hadeh = padi 


Oryza sativa 


» 


Hapé == Sapé 


Caesalpinia sappan 


Sawoe. 


Hoeni = pisang 


Musa paradisiaca 


Rotteh 


Hohoh = nangka 


Artocarpus integrifolia Sawoe. 


Jahong = padi 


Oryza sativa 


Solor. 


Kab = mangkoedoe 


Morinda citrifolia 


Sawoe 


DEEL XXXIV 







33 



14 



Kabahi = Kasoembi 
Kajoe lobah 
Kajoh = tamarinde 
Kapaloïong = kapas 
Kapo — kalapa 
Kapoeka = kajoc poeli 
Kateboe = ga wang 
Kalella = pompoen 
Kawoeie = obi 
Kej boewi iki = kalj. 

hidjoe 
Kej lala = pinang 
Kej nama = siri 
Kej poeëb ±= Hej lagi 
Kenaa = kajoe méra 
Korara = Mangkoedoe 



SLadmannia sideroxylon Sölor. 

9 



Tamarindus indica 
Gossypium indicnm 
Coeosmicifera 
Euealyptus al ba 
Corypha Gebanga 
Lagenaria bispida 
Dioscorea & Batatas 

Phaseolus radiatus 
Areca caleclm 
Chavica siriboa 
Tamarindus indica 
Plerocarpus 
Morinda citrifolia 
Cbavica siriboa 



Maloe = siri 

Mannelloedoe=Mangkoedoe Morinda citrifolia 

Mej diri = noenoek Ficus benjamina 



Moeko — pisang 
Naa = kajoe méra 
Naka = nangka 
Nangka = » 
Nbaoeh = mangga 
Néna = nanas oetan 
Nioeh = kalapa 
Noh = 
Oehoe = Bottok 



Mnsa paradisiaca 
Plerocarpus 
Artocarpus integrifolia 



Mangifera 
Agave ? 



Rolteb, 
Solor. 



Andenaro. 
Solor. 



Sawoe. 



Solor. 



Holteh. 
Sawoe. 
Solor. 
Rotteh. 

» 
Solor. 
Roüeh. 
Sawoe. 



Cocos nucifera » 

» » Rotteb. 

Pennisetum macrocbae- 

ton Sawoe. 

Arachys bypogaea Solor. 

Mangifera » 

Rotteb. 



Oetan = katjang tana 

Paoeb — mangga 

Pellah lüek = djagongrotti Sorghum 

» sina — djagong Zea mais » 

Roondi = tabak Nicotiana Tabacum Sawoe. 

Semara — kasuari Casuarina Solor. 



i>l 



Tabakko == tabak 
Taoek = indigo 



Nicotiana Tabacum 
Iiidigofera tinctoria 



Taong == » » » 

Taradjawa == djagong Zca ma is 
Tarai bawoc=djagong roltiSorgbum 
Tefoe = suiker Saccbar uui officinarum 

Tobi = tamarinde Tamarindus indica 

Toefoeloetoe = katj. hidjoe Phaseolus radiatus 
» mab = » lana Aracbys hypogaea 



Solor. 
Rotteb. 
Solor. 
Sawoe. 

» 
Rolteb. 
Solor. 
Rolteb. 



Toela == gawang 


Corypha Gcbanga 


» 


Toewab = lonlar 


Borassus flabelliformis 


» 


Toewak = » 


» » 


Solor. 


Towo == suikerriet 


Saccbarum officinarum 


» 


Walta == djagong 


Zea mais 


)> 


Wetan =; Bottok 


Pennisetum macrochae- 






ton 


» 


Wéwé = katjang bidjoe 


Pbaseoltis radiatus 


» 


Wodimoe = samangka 


Gitrullus edulis 


Sawoe 


Woeah =. pinang 


Areca catcchu 


Solor. 


Woekok =3 netas 


Serculia fetida 


» 


Wobioe =z. obi 


Dioscorea k Batalas 


Sawoe, 


Woké rebo ~= pompoen 


Lagenaria bispida 


» 


Wokejlara = sockoen 


Artocarpus incisa 


» 


Womoeöe geri = pisang 


Musa pai'adisiaca 


» 


Wo-ngoe — kapas 


Gossypium indicum 


» 


Wrodo = tabak 


Nicotiana Tabacum 
Dieren. 


Rotteb 


Ampab = karbouw 


Bos bubalus 0. 


Rolteb. 


Bafi = varken 


Sus timorensis 


» 


Bibi docj = geit 


Capra bircus 0. 


» 


» biek == id. 


W. 


» 


» lopo = schaap 


Ovis arics 


» 


Biti = geit 


Capra bircus 


Solor. 


Dalab = paard 


Equus caballus 


Rotteh. 



16 



Dj ara = id. 


Equus caballus 


Sawoe. 


Djarang = id. 


» » 


Solor. 


Enjoeh eja = schildpad 


Chelone imbricata 


Sawoe. 


Happi = rund 


Bos taurus 


» 


Yoh = haai 


Squalus 


Solor. 


Kampah = karbouw 


Bos bubalus 


Rotte h 


Kapa = id 


W. 


» 


Karbouw = id 


» » 


Solor. 


Kealoek = schildpad 


Chelone imbricata 


Rotteh 


Kejbouw = karbouw 


Bos bubalus 


Sawoe. 


Kiïh djawa = schaap 


Ovis aries 


» 


» hawoe — geit 


Capra bircus 


» 


Koeliet kéa = schildpad 


,Chelone imbricata 


Rotteh. 


KottaKalemah = walvisch Balaena 


Solor. 


Lalaoh = vogelnestjes 


Cypselus 


Rotteh, 


Loemba = schaap 


Ovis aries 


Solor. 


Manoek = hoenders 


Gallus domesticus 


» 


» = » 


» » 


Rotteh, 


Menawej = tripang 


Holothuria 


Solor. 


Nafih = 


» 


Rotteh 


Ngaka = hond 


Canis primoevus 


Sawoe. 


Noessa == hert 


Cervus moluccana 


Rotteh. 


Penanse = tripang 


Holothuria 


Sawoe. 


Roeha = hert 


Cervus moluccana 


Solor. 


Temoe = brninvisch 


Delphi nus 


» 


Wawej = varken 


Sus limorensis 


» 


» = » 


» » 


Sawoe. 


Diversen. 




Am bar — Amber. 






Atta kabellak = Singadji 


in 7 t binnenland. 




Bala = oli fan Is tand. 






Bero = prauw-bérok. 






Blida = pêdang. 






Dopi = schild, 







Golo = lans. 

Kapilan = Fettor. 

Kawetti = pyl. 

Mago = Singadji. 

Pagawej = kampongsboofd in 't binnenland. 

Pengoah = kleine patjol. 

Tenah = pranw korra-korra. 

Tomoekon = kampongsboofd. 

Woehoe = boog. 



Buïtenzorg, 15 Juni, 1874. 



BESTUURSVERGADERING 

op Vrijdag 16 October 1874. 



Tegenwoordig waren de heeren: dr. Bergsma, Janssen van 

KaAIJ , dr. GUTTELING, VAN DlJK , dr. VAN DER BüRG, EVERWIJN, 

dr. Bauer en dr. van Riemsdijk. 

De heeren Becking en Backer Overbeek gaven schriftelijk ken- 
nis, dat zij verhinderd waren de vergadering hij te wonen. 

Bij afwezigheid van eerstgenoernden werd door dr. Bergsma 
als vice-president het praesidium waargenomen. 

De notulen der vorige vergadering werden door den secretaris 
voorgelezen en met eene geringe wijziging goedgekeurd : 

I. Worden ter tafel gebracht: 

1. Gouvernements-renvooien van 18, 25 en 28 September 
en van 2 en 8 October no. 16623, 16624, 17445, 17409, 
16106, 17853, 17667 en 17854, allen aanbiedende berichten 
van in den N. I. Archipel waargenomen natuurverschijnselen. 

Wordt besloten deze berichten in handen te stellen van dr. 
Bbrgsma. 

2. Missive van den Directeur van Onderwijs Eeredienst 
en Nijverheid dd. 19 September 1874 no. 9746, waarbij wordt 
aangeboden het door den Inspecteur honorair der kultures J. 
E. Teijsmann ingediend verslag van zijne reis door den Tunov- 
Archipel van 18 Juni 1873 tot 7 Januari 1874, met ver- 
zoek om, indien daartegen f^een bezwaren bestaan, bedoeld ver- 
slag in het tijdschrift op te nemen. 

Wordt besloten tot plaatsing in het eerstvolgend nommer. 



520 

5. Missive van den Directeur van Onderwijs Eeredienst 
en Nijverheid van 7 October 1874 no. 10594 houdende verzoek 
om aantooning der noodzakelijkheid tol het verleenen der gouv. 
subsidie in het dienstjaar 1876. 

Wordt besloten aan dit verzoek gevolg te geven. 

4. Missive van den heer V. te Salatiga dd. 8 October 1874 
geheim, inhoudende, dat hij zich bij de uitspraak der Directie 
over zijn geprojecteerd luchtschip niet kan nederleggen en ver- 
zoekt, 't zij een nader wetenschappelijk onderzoek, 't zij terug- 
zending van zijn schrijven van 30 Augustus te voren. 

Wordt besloten aan laatstgemeld verzoek te voldoen. 

5. Brieven van den hoogleeraar J. W. Gunning gedagt. 
Amsterdam 20 Aug. en van den heer H. G. van de S\nde Bak- 
huijzen, gedagt. Leiden 29 Augustus jjL, heide hunne erken- 
telijkheid betuigende voor hunne benoeming tot corresponderend 
lid der Vereeniging, welke zij zich gaarne laten welgevallen. 

6. Missive van den heer dr. F. H. Bauer, daarbij mede- 
deelende dat hij met ingenomenheid van zijn benoeming tot 
dirigerend lid heeft kennis genomen en gaarne tot den bloei der 
Vereeniging zijn medewerking zal verleenen. 

IL De heer van Dijk doet mededeeling omtrent de gewich- 
tige vorderingen, welke gedurende de laatste jaren gemaakt 
zijn in de kennis der natuurlijke gesteenten (rotssoorten) door 
middel van het mikroskopisch onderzoek. Hij vindt hiertoe 
aanleiding in het gevoelig verlies dat de wetenschap in het al- 
gemeen, maar meer van nabij de inrichting tot opleiding der 
ingenieurs voor de mijnen aan de Polytechnische school te 
Delft geleden heeft, door het overlijden van den Hoogleeraar 
H. Vogelsang, een geleerde, die zich op het gebied dermikros- 
kopische kennis van mineralen en gesteenten in weinige jaren 
tijds een Europeschen naam heeft verworven. 

Het onderwerp van te uitgebreiden aard zijnde, om in eene 
enkele mededeeling op eene vergadering in zijn geheel, hoe 
vluchtig ook, te worden behandeld, zoo is het zijne bedoeling 
om alleen door de opsomming van Vogelsang's voornaamste 



;;2i 

ontdekkingen een woord van hulde te brengen aan den over- 
ledene. 

Spreker doet uitkomen, hoe het V. niet alleen te doen was 
om door de mikr. kennis der mineralen de ware zamenslelling 
te leeren kennen van zoovele schijnbaar dichte of amorphe ge- 
steenten, welke noch door het gewapend oog bij opvallend 
licht, noch door scheikundige analyse behoorlijk ontleed kon- 
den worden, maar dat zijn streven hooger reikte en voorna- 
melijk de studie ten doel had van de wetten die de kristallisa- 
tie beheerschen: de ontglazing van glasvloeden door uitscheiding 
van die regelmatig gevormde lichamen van meer of min vaste 
Chemische zamenstelling, welke ons als kristallen of als mine- 
ralen bekend zijn; 

hoe het V. gelukte om onder het mikroskoop den zeer lang- 
zamen opbouw van zwavelkristallen te bespieden, uit een meng- 
sel van twee oplossingen, namelijk van zwavel in zwavelkoolstof 
en Canadabalsem in zwavelkoolstof. De Canadabalsem is in dit 
mengsel de eenigzins taaie vloeistof welke de kristallisalie van 
de zwavel wel niet belet, maar toch zoodanig vertraagt, dat 
even als in een verstijvende gesmolten glasvloed, de verschil- 
lende stadiën der kristallisatie op het oogenblik der gehcele 
verstijving of vastwording van de massa worden vastgelegd, en 
in hunne verdere ontwikkeling worden gestuit. 

Het is door deze vinding, welke in de nieuwe werken over 
het vak Vogelsang's fondementaal-proef wordt genoemd, dat 
hij tot de ontdekking kwam der mikrolieten of kristallicten, de 
miskroskopisch kleine maar polyedrisch gevormde staafjes wel- 
ke direct tot opbonwing der kristallen dienen, en die weer de 
eindvormen zijn der eerste ontglazingslichaampjcs de Globulielen, 
Margarieten (regelmatige rijen van Gl.) en Longulielen , welke 
laatste nog alleen van de mikrolieten verschillen, door gemis 
aan polyedrische omtrekken. 

Het onderzoek der doorschijnend dun geslepen plaatjes, zoo van 
natuurlijke als van kunstmatige gesteenten, voerde tot de ontdek- 
king der verrassende groepeeringen van deze mikrolieten. in enkele 



522 

glasvloeden tot teekeningen, welke aan het plantenrijk ontleend 
schijnen te zijn, en in andere tot die van de door 'Vogelsang 
benoemde fluidaal-texiuur , later door Zirkel in fluctuatie of 
mikrofluctuatie-textuur herdoopt. Deze hoogst belangrijke groe- 
pering van dicht opeen gedrongen mikrolieten , allen in ecne 
duidelijk te herkennen, veelal gewondene stroomingsrichling, 
strekt tot 'bewijs, dat in de verstij vcnae gesmolten glasmassa 
nog strooming — fluctuatie — plaats vond, nadat de kristallieten 
gevormd en uitgescheiden waren, en dat de vastwording plaats 
had, voor dat de mikrolieten zich lot grootere kristallen kon- 
den vereenigen. Vogelsang verspreide een geheel nieuw licht 
over de belangrijke gesteente-groep der porphyren dt or op grond 
zijner mikroskopische studiën eene onontwikkelde grondmassa 
aan te nemen. 

Al verder maakt spr. melding van de belangrijke resultaten 
door V. in vereeniging met Geissler en ook met zijn zwager 
F. Zirkel verkregen op hun mikroskopisch-physisch en spectraal- 
analytisch onderzoek der vloeistoffen, welke in vele mineralen, 
maar vooral in het kwarts der granieten opgesloten en bewaard 
is gebleven in zeer talrijke mikroskopisch kleine glasblaasjes 
die meerendeels slechts gedeeltelijk met de zeer bewegelijke 
vloeistof gevuld zijn; hoe dat onderzoek onder anderen leidde 
tot de bevestiging van het reeds door Simmler in 1858 uitge- 
sproken vermoeden, dat bij die vloeistoffen ook zuiver vloeibaar 
koolzuur zou zijn. 

Deze merkwaardige ontdekking, welke gelijktijdig met V., 
maar geheel onafhankelijk van elkaar, ook door Sorrij werd 
gedaan: „het aanwezen van vloeibaar koolzuur in graniet", 
een gesteente 't welk bij zijne vastwording of stolling, eene 
temperatuur moet gehad hebben, zoo al niet van gesmolten 
graniet dan toch van een gloeijend vloeibaar magma, is voor 
de geologie in den strijd tusschen ncptunisten en plutonisten 
van zeer verreikend belang. 

Door zijn vriend de mijn-ingenieur J, A. Hooze in slaat ge- 
steld, het besprokene ook bij de hoorders ter aanschouwing 



te brengen, waartoe aan spreker liet mikroskoop en <le prae- 
paralen - hier «dünnschliffe" — welwillend ten gebruike zijn 
afgestaan, nemen alle aanwezigen, ten slotte achtereenvolgens 
niet veel belangstelling kennis van : 

1°. de wijze waarop zich de zamerïstellende mineralen in 
graniet onder het mikroskoop voordoen bij gewoon en bij gepo- 
lariseerd licht; 

2°. mikrolieten van augiet in Peksteen, groepen vormende; 
welke op bloemkool en vooral op varens gelijken ; 

5°. in Tracliiet-pekstecn; mikrolieten van sanidicn in fluctn- 
atie-groepeering ; 

4°. bijzonder fraaijc fluctuatie-groepen van digt opeen ge- 
drongen mikrolieten (bier Belonieten) en tot spbaerolieten in 
spbacrolietsteen (spbaerolietboudende Perliet). 

5°. Talrijke vloeistofblaasjes, waarbij velen met zeer be- 
wegelijk lucbtblaasje (libel) in de kwarts van graniet. 

Met belangstelling wordt door de aanwezige leden kennis 
genomen van de bun voorgelegde mikroskopische verschijnselen 
en den beer Van Dijk dank gezegd door den voorzitter. 

III. Wordt overgegaan tot de verkiezing van een bibliothe- 
karis, welk betrekking sedert het vertrek van bet lid Heringa 
nog onvervuld gebleven was. Met meerderheid van stemmen 
wordt dr. Bauer tot bibliotbekaris gekozen en geeft deze daarop 
te kennen dat hij zich die benoeming gaarne zal laten wel- 
gevallen. 

Niets meer te verhandelen zijnde wordt de vergadering ge- 
sloten.